Verordening jeugdhulp gemeente Dinkelland 2024 DEF.pdf
Tekst van het document
De gemeente is verantwoordelijk dat de benodigde (gecontracteerde) jeugdhulp wordt ingezet. Ook VTT vormt een toegang tot (onder andere) jeugdhulp. VTT geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt als dat nodig is op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. § 3. Via de gemeente: Aanvraag Artikel 2.3 Aanvraag Eerste lid Een melding van een hulpvraag is een aanvraag (verzoek om een besluit te nemen, art. 1:3, derde lid, Awb). Omdat een aanvraag schriftelijk wordt gedaan, stelt het college jeugdigen of ouders in de gelegenheid de aanvraag in te dienen middels een formulier.
Tweede lid Nadat de aanvraag is ingediend worden jeugdigen en ouders voorgelicht over de mogelijkheid om gebruik te maken van cliëntondersteuning en van de diensten van een vertrouwenspersoon (onderdeel a). Daarnaast kan de jeugdige en/of zijn ouder(s) zijn eigen persoonlijk plan opstellen en overhandigen aan het college (onderdeel
DEF. febr. 2024
20
b). Dat geldt ook voor het familiegroepsplan (onderdeel c). Daarbij kan het college ondersteuning bieden in de zin van faciliteren. Het spreekt voor zich dat het college deze plannen betrekt bij het onderzoek. Derde lid Voor er wordt beslist op de aanvraag wordt een onderzoek gedaan naar de hulpvraag (zie ook art. 2.5 van de verordening). Vierde lid De beslistermijn voor de aanvraag is acht weken (art. 4:13 Awb). Het kan echter voorkomen dat het college in verband met de zorgvuldige voorbereiding van dat besluit bijvoorbeeld deskundigenadvies nodig heeft (zie art. 2.7 van de verordening). Doorgaans zal het college niet over een dergelijk advies kunnen beschikken binnen de beslistermijn van acht weken. Het college heeft daarom de bevoegdheid de beslistermijn van de aanvraag te verlengen onder toepassing van artikel 4:14, eerste lid, van de Awb en laat weten binnen welke termijn de aanvrager het besluit kan verwachten. Het college kan de beslistermijn ook opschorten als bijvoorbeeld de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet de benodigde gegevens of bescheiden heeft aangeleverd of medewerking heeft verleend aan het onderzoek, voor zover dat van belang is voor de beoordeling van de aanvraag. In die gevallen is artikel 4:15, tweede lid onder b, van de Awb van toepassing.
Wanneer de gevraagde medewerking niet wordt verleend, kan het college het recht op jeugdhulp niet vaststellen (CRVB:2019:276, CRVB:2021:410, CRVB:2021:510, CRVB:2022:693) Vijfde lid Een uitzondering geldt voor spoedeisende situaties, zie begripsbepaling van de verordening. Het college zet in voorkomende gevallen (zo spoedig als nodig blijkt) een tijdelijke maatregel in, dit in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek. Dit laat onverlet dat het college ook zonder aanvraag als bedoeld in de verordening met spoed jeugdhulp kan (moet) inzetten. Ook kan het college een machtiging voor gesloten jeugdhulp bij de kinderrechter vragen. In deze gevallen gaat het om jeugdhulp in natura gelet op het spoedeisende karakter. Zesde lid Tijdens de procedure kan ook gebruik worden gemaakt van de Jeugd Bescherming Tafel (JBT). De JBT is niet alleen gekoppeld aan gesloten jeugdhulp. Aan de JBT wordt besproken of een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming noodzakelijk is. Dat gebeurt altijd samen met de ouder(s), betrokken professionals en de Raad voor de Kinderbescherming. Als vrijwillige jeugdhulp niet meer mogelijk is, stuurt de JBT aan op drang. Hierbij ontvangt het gezin hulp, maar moet het gezin wel meewerken en zich houden aan een aantal voorwaarden (niet vrijblijvende hulp). Voldoet het gezin daar niet aan, dan kan er besloten worden tot een raadsonderzoek.
In dat geval start de Raad voor Kinderbescherming een onderzoek. Zevende lid Dit lid verduidelijkt de toegang tot de vrij-toegankelijke algemene voorzieningen als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, van de verordening. Artikel 2.4 Identificatie De wet kent geen regels over een identificatieplicht. Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om de identiteit vast te stellen voor de genoemde personen. Artikel 2.5 Het onderzoek Eerste en tweede lid
DEF. febr. 2024
21
Het is van groot belang dat het onderzoek in goede samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) plaatsvindt, alleen dan kan de hulpvraag goed in kaart worden gebracht. Daarbij hanteert het college het zogeheten stappenplan (CRVB:2017:1477). Bij een verzoek om jeugdhulp gaat dat als volgt: 1. Allereerst wordt vastgesteld wat de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s) is. 2. Vervolgens moet het college vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. En zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. 3. Pas dan kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. 4. Is de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, dan moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociaal netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Bij het gesprek kunnen ook andere personen dan de jeugdige en zijn ouders aanwezig zijn. Denk bijvoorbeeld aan personen uit het sociaal netwerk.
In het gesprek wordt in samenspraak met de jeugdige en zijn ouder(s) bekeken welk resultaat hij wil bereiken en welke oplossingen passend zouden kunnen zijn. Het college kan niet altijd alleen uitgaan van de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Het college moet daarom zelf actief onderzoek doen naar de problemen van het gezin en de hulp die zij hierbij wensen. Pas dan wordt een volledig beeld verkregen van de situatie (bijv. RBOBR:2021:53, RBOBR:2018:469, RBGEL:2017:3439). Het spreekt voor zich dat aanwezigheid van personen uit het sociaal netwerk van de jeugdige en zijn ouders een meerwaarde heeft. Denk ook aan de oplossingen die zij geheel of gedeeltelijk zouden kunnen bieden waarmee de problemen worden opgelost of verminderd. Als dat nodig is, moet het college zich bij de besluitvorming laten adviseren door een specifieke (jeugdhulp)deskundige. De deskundigheid kan ook aanwezig zijn bij de jeugdhulpaanbieder waar, als dat nodig is, consultatie en diagnostiek wordt gevraagd (zie artikel 2.7). Derde lid Het college is verantwoordelijk voor een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld: a. gezond en veilig op te groeien; b. te groeien naar zelfstandigheid, en c.
voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. De in dit artikel bedoelde deskundigen zullen, afhankelijk van de situatie, over relevante deskundigheid moeten beschikken (art. 2.1 van het Besluit Jeugdwet). Denk in dit verband aan deskundigheid op het gebied van: opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd, taal- en leerproblemen, somatische aandoeningen, lichamelijke of verstandelijke beperkingen en kindermishandeling en huiselijk geweld. Voor zover noodzakelijk wordt het Afwegingskader gehanteerd om te bepalen welke professional(s) de hulpvraag oppakt. Jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen moeten namelijk verantwoorde hulp verlenen op grond van art. 4.1.1 van de wet en art. 5.1.1 van het Besluit Jeugdwet. Het Afwegingskader is een uitwerking van die verplichting (norm van de verantwoorde werktoedeling). Vierde lid Het is van belang dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) weet hoe de procedure na de aanvraag zal verlopen. Verder is het beschikken over bepaalde persoonsgegevens noodzakelijk om tot een goede uitvoering van het onderzoek te komen. Daarbij is het van belang dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) tijdens het onderzoek op de hoogte wordt
DEF. febr. 2024
22
gesteld van het verwerken of het uitwisselen van persoonsgegevens én dat het college aan de jeugdige en/of zijn ouder(s) daarvoor zonodig toestemming vraagt. Vijfde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Zesde lid In de aanvraagsituatie geldt de informatieplicht van de jeugdige en/of zijn ouder(s) jegens het college op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat artikel bepaalt dat een aanvrager alle gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Ook is de jeugdige en/of zijn ouder(s) gehouden om zo goed mogelijk mee te werken aan een benodigd onderzoek (bijv. CRVB:2019:276, CRVB:2021:410, CRVB:2021:510). Als uitgangspunt geldt dat de jeugdige altijd wordt gezien dan wel wordt gesproken. Denk in dat kader ook aan het recht van de jeugdige om zijn mening te vormen en vrijelijk te uiten (art. 12 IVRK). Daarvoor geldt de leeftijdsgrens van 12 jaar, tenzij de jeugdige daartoe niet in staat is natuurlijk. Artikel 2.6 Het verslag Voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt een schriftelijk verslag van het onderzoek opgesteld. Dit volgens het zogeheten stappenplan (CRVB:2017:1477). Het verslag vormt de belangrijkste basis voor de beslissing op de aanvraag.
Het spreekt voor zich dat het persoonlijk plan of familiegroepsplan wordt betrokken bij het verslag. Op die manier kan worden vastgesteld welke problemen en stoornissen er zijn en welke hulp van het college nodig is, tenzij naar oordeel van het college sprake is van eigen mogelijkheden, en/of een toereikend oplossend vermogen en/of hulp van personen uit het sociaal netwerk (zie ook art. 3.1, eerste lid aanhef en onder b en c, van de verordening). § 4. Advisering Artikel 2.7 Advisering bij melding of aanvraag Eerste en tweede lid De wet sluit niet uit dat het college ook nog deskundigenadvies kan opvragen. Dat wil zeggen als dat nodig is. Dit advies wordt ingekocht bij een externe organisatie die ter zake deskundig. Het college kan ook consultatie en diagnostiek bij een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder vragen. Derde en vierde lid Uit art. 8.1.2, derde lid, van de wet volgt de medewerkingsplicht voor de jeugdige en/of zijn ouder(s). Het gaat om de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet als het college om die medewerking vraagt (bijv. CRVB:2022:693). Zoals meewerken aan het onderzoek door bijvoorbeeld gehoor te geven aan een oproep van de medisch adviseur, het -via een machtiging- toestemming verlenen om informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist en geen gebruik te maken van het blokkeringsrecht. HOOFDSTUK 3.
BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK OP INDIVIDUELE VOORZIENINGEN Artikel 3.1 Weigeringsgronden Eerste lid aanhef en onder a Het college is niet gehouden om jeugdhulp in te zetten als de jeugdige aanspraak maken op een andere wet (art. 1.2, eerste lid, van de wet). Hoewel het gaat om een generieke wettelijke bepaling is deze voor de volledigheid in de verordening opgenomen. Er geldt een uitzondering voor begeleiding als bedoeld in de Wmo 2015. Daar waar zich een overlap voordoet, gaat de Jeugdwet voor op de Wmo 2015 als de jeugdige jonger is dan 18 jaar (TK 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 131).
DEF. febr. 2024
23
Eerste lid aanhef en onder b en c Als vaststaat dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) is aangewezen op jeugdhulp komt de vraag aan de orde of de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) naar oordeel van het college toereikend zijn. Gebruikelijke hulp is daar onderdeel van. En ook of mogelijk hulp van personen uit zijn sociaal netwerk beschikbaar is om de vastgestelde problemen en/of aan de stoornissen verwante problemen in voldoende mate weg te nemen. Dit valt onder een van de belangrijkste beleidsuitgangspunten van de wet: het inschakelen, herstellen en versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en hun omgeving (art. 2.1, onderdeel d, van de wet). Eerste lid aanhef en onder d Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Eerste lid aanhef en onder e Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 3.2 Criteria algemeen Eerste lid Dit lid bepaalt de wettelijke doelen waar de jeugdhulp op moet zijn gericht. Tweede lid Het college is slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten goedkoopst passende individuele voorziening te bieden. Individuele voorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat deze hiermee passender worden, komen in principe niet voor verstrekking in aanmerking.
Zijn er meerdere individuele voorzieningen die als passende jeugdhulp kunnen gelden, dan wordt de goedkoopste verstrekt. Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat er sprake is van 'passende hulp' (art. 2.5 van de wet). Het kan voorkomen dat het college toch duurdere jeugdhulp moet toekennen omdat artikel 8 van het EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) een rol speelt. Op de overheid rust namelijk ook de plicht een ongestoord familie- en gezinsleven te bevorderen. Denk bijvoorbeeld aan jeugdhulp in de gezinssituatie in plaats van (goedkopere) jeugdhulp in een instelling (TK 2012/13, 33684, nr. 3, p. 17). Derde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 3.3 Criteria ambulante en specialistische jeugdhulp Eerste tot en met derde lid In het eerste lid is concreet bepaald op welke resultaten de (ambulante) jeugdhulp en specialistische jeugdhulp gericht kan zijn. Het tweede lid geeft een aantal voorbeelden waar jeugdhulp uit kan bestaan. Deze voorbeelden verwijzen naar de vier ondersteuningsbehoeften zoals gehanteerd in het Twents Model voor maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. Het spreekt voor zich dat de aard, omvang en zwaarte van jeugdhulp afhankelijk is van de mate van de vastgestelde problemen en/of aan de stoornissen verwante problemen.
Het derde lid bepaalt dat de ondersteuningsbehoefte wordt vastgesteld en van welke criteria het niveau in ieder geval afhankelijk is. De beschreven kenmerken zijn in lijn met de kenmerken zoals gehanteerd in het Twents Model. Dit zodat het bereiken van het resultaat (eerste lid) mogelijk wordt gemaakt. Het college stelt tijdens het onderzoek - in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) - vast op welke jeugdhulp de jeugdige is aangewezen. Ook kan opvoedondersteuning aan de ouders zijn aangewezen.
DEF. febr. 2024
24
Vierde en vijfde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 3.4 Criteria wonen en verblijf Eerste lid Dit lid bepaalt de individuele voorziening ‘wonen en verblijf’ die buiten het gezin aan de jeugdige kan worden geboden. Tweede lid Dit lid bepaalt de reikwijdte van wonen en verblijf. Denk bij hotelmatige diensten bijvoorbeeld aan schoonmaak, keuken, portier, slaapdienst etc. Derde lid Pleegzorg kan voor de jeugdige zijn aangewezen. Vierde lid Het kan noodzakelijk zijn om vervanging thuis in te zetten zodat de ouder(s) of de personen uit het sociaal netwerk op adem kunnen komen. De jeugdige gaat in zo’n geval logeren. Daarnaast kan in het vrijwillig kader ook intramurale jeugdhulp zijn aangewezen. De jeugdige verblijft in zo’n geval feitelijk in de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Daarbij wordt door de jeugdhulpaanbieder een bij de leeftijd passend leefklimaat geboden. Gezinshuizen vallen hier ook onder; dit is een vorm van kleinschalige jeugdhulp, waarin gezinshuisouder(s) op professionele wijze vormgeven aan de verzorging, opvoeding en begeleiding van een aantal jeugdigen die worden geplaatst in hun eigen gezin.
Artikel 3.5 Criteria vervoer Heeft het college vastgesteld dat ouders, personen uit het sociaal netwerk of vrijwilligers het vervoer niet kunnen bieden, dan wordt de noodzaak voor vervoer wordt vastgesteld aan de hand van de medische noodzaak of de beperkingen van de jeugdige in de zelfredzaamheid. Het kan voorkomen dat de jeugdige in staat is om veilig zelfstandig lopend, al dan niet met een algemeen gebruikelijk loophulpmiddel, of zelfstandig met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel te reizen. Artikel 3.6 Heroverweging besluit Net als voor het pgb-besluit geldt (art. 8.1.3 van de wet), bepaalt dit artikel dat het college voor de individuele voorzieningen in natura periodiek onderzoek doet of er aanleiding is om dat besluit te heroverwegen. Maakt het college gebruik van deze bevoegdheid, dan ontvangt de jeugdige of zijn ouder(s) geen verslag van het onderzoek. HOOFDSTUK 4. PERSOONSGEBONDEN BUDGET Artikel 4.1 Algemeen Eerste lid Het spreekt voor zich dat het college gehouden is aan de wettelijke bepalingen en voorschriften in de verordening. Tweede lid Heeft het college een indicatie voor een individuele voorziening vastgesteld, dan kan het voorkomen dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) het college verzoekt om een pgb met terugwerkende kracht te verstrekken.
Dit lid regelt dat het college zo’n verzoek weigert als de individuele voorziening al voor het indienen van de aanvraag is gerealiseerd. Dit geldt ook als de voorziening is gerealiseerd ná het indienen van de aanvraag, maar voordat het
DEF. febr. 2024
25
college daarop heeft beslist, tenzij zij de jeugdige en/of zijn ouder(s) schriftelijk toestemming heeft verleend. Verder wordt opgemerkt dat het college in ieder geval niet gehouden is een individuele voorziening, dan wel pgb te verstrekken in het geval die al is gerealiseerd (vergelijk CRVB:2017:433). Het college kan wel jeugdhulp toekennen naar de toekomst, maar niet met terugwerkende kracht. Derde lid Uit de wet volgt dat het verstrekken van jeugdhulp gericht is op de in Nederland verblijvende jeugdige (art. 1.3 van de wet). Ook volgt uit de wet dat jeugdhulp, al dan niet in de vorm van een pgb, wordt verstrekt aan de jeugdige en/of zijn ouder(s) die feitelijk in de gemeente Dinkelland woonachtig is. Voor de jeugdige kan een uitzondering gelden op grond van het woonplaatsbeginsel. Het kan echter voorkomen dat een jeugdige en/of zijn ouder(s) met een indicatie voor bijvoorbeeld begeleiding in de vorm van een pgb op vakantie gaat. Het college stelt voor dergelijke gevallen nadere regels over de besteding van een verstrekt pgb bij verblijf buiten de gemeente Dinkelland of in het buitenland. Artikel 4.2 Regels persoonsgebonden budget algemeen Eerste lid Het eerste lid zorgt ervoor dat wordt voorkomen dat een pgb wordt besteed aan activiteiten die naar oordeel van het college onder de eigen mogelijkheden en het eigen oplossend vermogen vallen.
Ook mag het pgb niet worden besteed aan de genoemde personen wanneer zij overbelast zijn of dreigen te geraken voor die activiteiten. Tweede en derde lid Spreekt voor zich. De wetgever heeft zich nadrukkelijk uitgelaten dat met het trekkingsrecht is gewaarborgd dat het budget slechts wordt gebruikt om jeugdhulp in te kopen die ertoe strekt de jeugdige en/of zijn ouder(s) de ondersteuning, hulp en zorg te bieden die hij nodig heeft (TK 2013/13, 33 684, nr. 3, p. 220). Er geldt geen verplichting om een verantwoordingsvrij bedrag te hanteren. Vierde lid In art. 6.1, eerste lid onderdeel c van de verordening is bepaald dat het college een aanspraak op een individuele voorziening dan wel pgb kan beëindigen in geval van overlijden van de jeugdige. In de zorgovereenkomsten hanteert de Svb het overlijden van een jeugdige ook als ontbindende voorwaarde; dit houdt in dat de overeenkomst direct eindigt in geval van overlijden. De Svb wijst jeugdigen en/of zijn ouder(s) erop met de gemeente contact op te nemen om te overleggen of een eenmalige uitkering tot de mogelijkheden behoort. Het college hanteert in geval van overlijden van de jeugdige geen eenmalige uitkering aan de derde die de ondersteuning biedt (dit betreft alle zorgovereenkomsten, dus die met een professionele organisatie, een ZZP’er, iemand uit het sociaal netwerk of een partner of familielid).
Vijfde lid In dit lid is bepaald dat geen vast bedrag mag worden gehanteerd. Dat wil zeggen declaraties worden gedaan op basis van de werkelijk geboden jeugdhulp (in tijd). Zesde lid Voor behandeling van bijvoorbeeld stoornissen of het bieden van specialistische jeugdhulp is de inzet van een daartoe gekwalificeerde beroepskracht aangewezen. Dat spreekt voor zich. Omdat deze vormen van jeugdhulp ook vragen om voldoende professionele afstand (objectief en onafhankelijk kunnen handelen) bepaalt dit lid dat ouders of personen uit het sociaal netwerk niet uit een pgb betaald kunnen worden voor het geven van deze vorm van jeugdhulp. Het ligt ook niet voor de hand dat zij dat wensen te doen.
DEF. febr. 2024
26
Zevende lid Dit lid geeft invulling aan de discretionaire bevoegdheid van de gemeenteraad om bij verordening te bepalen onder welke voorwaarden het pgb mag worden besteed aan een persoon uit het sociaal netwerk. Hoewel de regering de inzet van het sociaal netwerk zeer waardevol vindt, acht zij het wenselijk dat beloning daarvan met een pgb beperkt blijft tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. De huiselijke kring, waartoe in ieder geval de ouders behoren, behoort tot het sociaal netwerk (TK 2012/13, 33 684, nr. 11, p. 17). Achtste lid De budgethouder zal het aan hem toegekende pgb moeten aanwenden binnen de termijn genoemd in dit lid. Artikel 4.3 Verplichtingen persoonsgebonden budget Eerste lid Om te zorgen dat het college kan beoordelen of wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden van art. 8.1.1, tweede lid, van de wet en het bepaalde in deze verordening, geldt de verplichting om een Budgetplan op te stellen. Denk in dit kader ook aan de voorwaarden die gelden als de jeugdige en/of zijn ouder(s) het pgb wenst te besteden aan een persoon uit het sociaal netwerk. Een ingevuld Budgetplan kan een hulpmiddel zijn bij de beoordeling of wordt voldaan aan de voorwaarden. De kwaliteit van de jeugdhulp is daarbij van groot belang.
De beoogde budgethouder kan de derde aan wie hij het pgb wil gaan besteden, een formulier laten invullen waaruit de kwaliteit blijkt; dat is onderdeel van het Budgetplan. Het college stelt hiervoor een format beschikbaar. Tweede lid Spreekt voor, behoeft geen toelichting. Het gaat om een wettelijke bepaling (art. 8a, tweede lid, van de Regeling Jeugdwet). Artikel 4.4 Hoogte persoonsgebonden budget Eerste tot en met vierde lid In de verordening moet worden bepaald hoe de hoogte van het pgb wordt vastgesteld (art. 2.9, onder c, van de wet). De tarieven mogen worden afgeleid van de tarieven die het college verschuldigd is aan de gecontracteerde jeugdhulpaanbieders. Ook het hanteren van de gedifferentieerde tarieven en/of bepalingen over bedragen moeten in de verordening geregeld worden (vergelijk CRVB:2017:1803). Naast een afgeleide van de tarieven wordt gebruik gemaakt van de bedragen in de Regeling langdurige zorg. Er wordt verder gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de hoogte van het pgb, dat bijvoorbeeld wordt besteed aan personen uit het sociaal netwerk van de jeugdige (waaronder ook zijn ouder(s)), lager vast te stellen. Die bevoegdheid vloeit voor uit artikel 8.1.1, derde lid, van de wet. Vijfde en zesde lid De verordening bepaalt dat het bedrag als bedoeld in artikel 5.22, eerste lid, van de Rlz alleen op 1 januari van elk kalenderjaar kan wijzigen.
De tarieven die het college is verschuldigd aan de gecontracteerde partijen worden neergelegd in het Financieel besluit. HOOFDSTUK 5. BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK Artikel 5.1 Bevoegdheid Eerste en tweede lid Artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet bepaalt dat de verordening regels moet bevatten ter voorkoming van het onterecht ontvangen van individuele voorzieningen of pgb’s, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. In dit hoofdstuk zijn de regels over het toezicht op de uitvoering en de kwaliteit geïntegreerd. Dat wil
DEF. febr. 2024
27
zeggen ze hebben betrekking op zowel de rechtmatigheid als ook de doelmatigheid. Het toezicht op de kwaliteit is belegd bij de Inspectie gezondheidszorg en jeugd. Maar het college is in het kader van de rechtmatigheid wel bevoegd om naleving van de contracten voor bijvoorbeeld de kwaliteit te beoordelen. Het toezicht op de rechtmatigheid is namelijk een bevoegdheid van de gemeente zelf. In de wet is echter niet vastgelegd hoe de gemeente het toezicht op rechtmatigheid moet vormgeven. Die kan bijvoorbeeld bestaan uit de verplichting voor de budgethouder en de derde om verantwoording af te leggen over de besteding van het pgb. Derde lid De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft de mogelijkheid om een toezichthouder aan te wijzen, als dit is geregeld bij een wettelijk voorschrift (art. 5:11 Awb en verder). Een verordening is een wettelijk voorschrift. Er wordt aangesloten bij de term toezichthoudende ambtenaar zoals bedoeld in art. 6.1 van de Wmo 2015. Vierde lid Dit lid bepaalt de inhoudelijke bevoegdheid van het college over de inhoud van de controles en de personen die gecontroleerd kunnen worden. Vijfde en zesde lid Uit artikel 8.1.3 van de wet volgt al dat het college bevoegd is om pgb-besluiten te heroverwegen. Daarvoor is geen specifieke aanleiding nodig (vergelijk CRVB:2023:259).
Zo kan het college in een klacht of een signaal over de kwaliteit van de jeugdhulp aanleiding zien om een onderzoek op te starten. Er kan in die gevallen namelijk ook sprake zijn van tekortschietende rechtmatigheid. Dat kan over administratieve zaken gaan maar ook over de vraag of de (kwaliteit van de) geboden jeugdhulp voldoet aan de contractuele afspraken. Waar nodig vindt afstemming plaats met de inspectie. Het kan ook gaan om de vraag of de jeugdhulp, al dan niet in de vorm van een pgb, nog wel passend is (doelmatigheid). Maar ook of de verstrekking nog voldoet aan de voorwaarden (rechtmatigheid). Zowel het college als de toezichthoudende ambtenaar kunnen zo’n onderzoek uitvoeren. Zevende lid In dit hoofdstuk wordt onder een budgethouder en de derde nadrukkelijk ook de ouder(s) van de jeugdige verstaan. Artikel 5.2 Informatieplicht en fraudepreventie Op het college rust de voorlichtingsplicht om de jeugdige en/of zijn ouder(s) te informeren over welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor een pgb (art. 8.1.6 van de wet). Deze plicht bestaat er ook uit dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze én over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Dit wordt gedaan tijdens het onderzoek. Artikel 5.3 Medewerkingsplicht Dit artikel regelt de medewerkingsplicht.
Dat wil zeggen dat als het college of de toezichthoudende ambtenaar aan de genoemde personen vraagt om verantwoording af te leggen over de geboden jeugdhulp, zij verplicht zijn dat te doen. De gevolgen van het niet of onvoldoende meewerken kan voor het college aanleiding zijn om het recht op pgb in te trekken of om de jeugdige onder te brengen bij een andere jeugdhulpaanbieder ingeval van een individuele voorziening in natura. Artikel 5.4 Kwaliteitseisen Dit lid bepaalt dat de kwaliteitseisen voor individuele voorzieningen ook gelden als aan de jeugdige of zijn ouder(s) een pgb wordt toegekend. Dat is alleen anders als een pgb op grond van die eisen onbereikbaar wordt (vergelijk TK 2013/14, 33 841, nr. 113). Immers niet alle kwaliteitseisen van het gecontracteerde aanbod kunnen
DEF. febr. 2024
28
op hen van toepassing worden geacht. Denk aan rapportageverplichtingen die alleen voor gecontracteerde partijen gelden. Er geldt wel de eis dat onverkort wordt voldaan een wettelijke voorwaarden en bepalingen zoals die zijn gesteld in de verordening voor pgb’s. De opleidingseisen die gelden voor gecontracteerde jeugdhulpaanbieders zijn niet van toepassing op personen uit het sociaal netwerk van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Voor personen uit het sociaal netwerk geldt wel de verplichting om over een VOG te beschikken. Artikel 5.5 Weigeringsgronden persoonsgebonden budget Eerste lid Er geldt de algemene verplichting om een Budgetplan op te stellen (zie art. 4.3 van de verordening). Ook kan het noodzakelijk zijn dat het Budgetplan met het college (nader) wordt besproken. Ook dit is niet vrijblijvend. Tweede lid In dit lid zijn situaties opgenomen die betrekking hebben op de derde. Het college is bevoegd om het pgb te weigeren. Ook deze bepalingen hebben als doel misbruik of oneigenlijk gebruik in het algemeen te voorkomen. Artikel 5.6 Opschorting betaling persoonsgebonden budget aan Sociale Verzekeringsbank Een opschorting van de betaling aan de Svb is een instrument om ruimte te bieden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Als het recht op pgb is vastgesteld, zal het college de overeenkomst van de Svb moeten goedkeuren.
De Svb beoordeelt de overeenkomst ook, voornamelijk op de toepasselijke arbeidsrechtelijke bepalingen. Het kan voorkomen dat het college de overeenkomst niet goedkeurt en om die reden het pgb vooralsnog niet aan de Svb overmaakt. Ook kan een andere reden aanleiding zijn om (nog) niet over te gaan tot uitbetaling aan de Svb. Gedurende de opschorting doet het college en/of de toezichthoudende ambtenaar onderzoek naar het gegronde vermoeden. Opschorting van de betaling kan met zich meebrengen dat het college moet zorgen voor een tijdelijke individuele voorziening in natura. Dat zal zeker aan de orde zijn als het gegronde vermoeden betrekking heeft op de derde aan wie het pgb zal worden besteed. Immers in zo’n geval blijft de jeugdige bij opschorting van de betaling verstoken van de noodzakelijk bevonden hulp. Met de maximale termijn van dertien weken in dit artikel en artikel 5.7 is aangesloten bij de termijn zoals genoemd in artikel 4:56 van de Awb. Artikel 5.7 Verzoek aan Sociale Verzekeringsbank opschorting betaling persoonsgebonden budget Zoals gezegd is een opschorting van betaling een instrument om ruimte te bieden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek, bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van het besluit.
Artikel 8b, vierde lid aanhef onder f, van de Regeling Jeugdwet geeft de Svb de bevoegdheid tot opschorting van betaling als het college bij de toepassing van de bij verordening gestelde regels, daarom verzoekt. In geval van mandaat kan het college zelf overgaan tot het opschorten van de betaling. Zie verder toelichting bij artikel 5.6 van de verordening. Artikel 5.8 Opschorting inzet individuele voorziening Naar analogie van artikel 5.6 en 5.7 van de verordening kan het college ook de inzet van een individuele voorziening tijdelijk opschorten als het gegronde vermoeden bestaat dat de jeugdige en/of zijn ouder(s): de inlichtingenplicht niet nakomt, niet voldoet aan de aan de individuele voorziening verbonden voorwaarden of de individuele voorziening niet of voor een ander doel gebruikt. Dat laatste zal aan de orde kunnen zijn bij een pgb. Gedurende de opschorting doet het college en/of de toezichthoudende ambtenaar onderzoek naar het gegronde vermoeden.
DEF. febr. 2024
29
HOOFDSTUK 6. BEEINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING Artikel 6.1 Beëindiging Er wordt gesproken van beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. In dit artikel is bepaald wanneer het college kan overgaan tot beëindiging van de individuele voorziening dan wel pgb. Artikel 6.2 Herzien of intrekken van besluiten Voor de jeugdige en zijn ouder(s) geldt op grond van artikel 8.1.2 van de wet de plicht tot het desgevraagd of onverwijld mededeling doen van feiten of omstandigheden die van belang zijn voor de voortzetting van het recht op een pgb. Deze verplichting geldt (in geval van een pgb) ook jegens de Sociale verzekeringsbank (SVB). De wetgever heeft kennelijk verzuimd om dat ook te regelen voor de individuele voorziening in natura. Daarom regelt dit artikel deze verplichting ook voor individuele voorzieningen in natura. Uit de memorie van toelichting kan namelijk niet worden afgeleid dat de wetgever voor ogen gehad om de inlichtingenplicht niet te laten gelden voor de toekenning van de individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb (TK 2013/14, 33 684, nr. 11, p. 17). Het (deels) ongedaan maken van een aanspraak over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd.
Een herziening/intrekking van een besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden, waarbij de aanspraak afwijkend wordt vastgesteld of wordt ingetrokken in het geval er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan. Het college kan een besluit herzien of intrekken als onjuiste inlichtingen zijn verstrekt en de verstrekking van juiste inlichtingen tot een ander besluit zou hebben geleid of bij het niet voldoen aan andere voorwaarden genoemd in artikel 8.1.4, eerste lid aanhef en onder d en e, van de wet. Ook kan het voorkomen dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) de verplichtingen, uit een privaatrechtelijke overeenkomst met de jeugdhulpaanbieder, niet of onvoldoende nakomt. De verordening biedt daarom een publiekrechtelijke grondslag om het betreffende toekenningsbesluit in te trekken. Dat betekent nadrukkelijk niet dat op het college geen jeugdhulpplicht meer rust. Artikel 6.3 Terugvordering Eerste lid Strikt genomen is terugvordering niet geregeld in de wet, maar de bevoegdheid kan wel worden afgeleid uit artikel 8.1.4, tweede lid, van de wet). Daarom is hiervoor een grondslag opgenomen in de verordening op grond waarvan het college de bevoegdheid heeft (zie CRVB:2023:223). In dit lid is de wettelijke bevoegdheid uitgewerkt wanneer het college kan overgaan tot het terugvorderen van een ten onrechte genoten pgb.
Naar analogie van artikel 2.4.1 van de Wmo 2015 regelt dit artikel ook de bevoegdheid tot het terugvorderen van de geldswaarde in natura. Daaronder vallen de door het college ten onrechte betaalde facturen voor de geleverde individuele voorziening. Tweede lid Het kan ook voorkomen dat er sprake is van een onverschuldigde betaling. Dit lid geeft het college de bevoegdheid om dat bedrag terug te vorderen. Uit CRVB:2006:AX5819 kan namelijk worden afgeleid dat in zo’n geval het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de jeugdige en/of zijn ouder(s) kan worden teruggevorderd, niet aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt. Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling worden ook de (gemaakte) kosten van een individuele voorziening in natura verstaan. Daarmee wordt aangesloten bij de wettelijke mogelijkheid van het vorderen van de geldswaarde als bedoeld in het eerste lid van dit artikel. Of sprake is van onverschuldigde betaling (art. 6:203 e.v. BW) zal in de praktijk geen problemen opleveren.
DEF. febr. 2024
30
Derde en vierde lid Hierin is de bevoegdheid tot invordering geregeld middels verrekening of een dwangbevel. Daarbij wordt wel opgemerkt dat de jeugdige pas vanaf 18 jaar in aanmerking kan komen voor een uitkering voor levensonderhoud. HOOFDSTUK 7. KWALITEIT EN INSPRAAK Artikel 7.1 Kwaliteitseisen jeugdhulp De Jeugdwet maakt met onder meer artikel 4.1.1, eerste lid, van de wet de door gemeenten gecontracteerde jeugdhulpaanbieders direct verantwoordelijk voor het leveren van verantwoorde (jeugd)hulp. In dit artikel zijn ook een aantal uitgangspunten bepaald die in ieder geval gelden. De zogeheten professionals zijn geregistreerd bij de daarvoor geldende registers. Denk met name aan het BIG-register als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg en/of Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) als bedoeld in artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet. Dit voor het (mogen) uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. Het is echter niet in alle gevallen zo dat een verplichte SKJ-registratie geldt. Daar kan van worden afgeweken als de jeugdhulpaanbieder aannemelijk kan maken dat de inzet van een niet-geregistreerde professional niet afdoet aan de kwaliteit dan wel dat die inzet noodzakelijk is voor de kwaliteit van de hulp. Denk bijvoorbeeld aan vaktherapie.
Vaktherapeuten kunnen zich niet registeren bij het SKJ, maar zij kunnen wel als niet-geregistreerd professional worden ingezet. Het Kwaliteitskader Jeugd geldt als leidraad voor jeugdhulpaanbieders om te bepalen wanneer een geregistreerde professional moet worden ingezet en wanneer dat niet nodig is. Voor vaktherapeuten geldt wel de verplichting tot registratie bij de Stichting Register Vaktherapeutische Beroepen (SRVB). Het bepaalde geldt ook voor jeugdhulpverleners die door de jeugdige en/of zijn ouder(s) uit een pgb worden betaald. Het college zal er op toe moeten zien dat de eisen door jeugdhulpaanbieders worden nageleefd, tenzij de Inspectie gezondheidszorg en jeugd daartoe bevoegd is. Artikel 7.2 Verhouding prijs en kwaliteit In dit artikel wordt invulling gegeven aan de opdracht aan de gemeenteraad om bij de uitvoering van deze wet door derden, regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van onder meer jeugdhulp en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit. Artikel 7.3 Betrekken van ingezetenen bij het beleid Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. Op grond van die bepalingen moet in de verordening worden geregeld hoe ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen en ouders, worden betrokken bij de vormgeving van het jeugdbeleid.
Zo wordt verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor zowel het jeugdbeleid als op andere terreinen. Verder wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. Het college kan nadere regels stellen over dit artikel. HOOFDSTUK 8. SLOTBEPALINGEN Artikel 8.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of zijn ouder(s) afwijken van de bepalingen van de verordening. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van hen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet nadrukkelijk worden beschouwd als een uitzondering. Bij de beoordeling van de aanvraag zou het college zelf aanleiding kunnen zien om de hardheidsclausule toe te passen. In het algemeen geldt echter dat jeugdige en/of zijn ouder(s) gemotiveerd moet aangeven dat zijn situatie bijzonder is en zal hij dat desgevraagd ook nader moeten onderbouwen. Artikel 8.2 Inwerkingtreding en citeertitel
DEF. febr. 2024
31
Dit artikel regelt de inwerkingtreding, waarbij geen overgangsrecht is opgenomen. Voor aanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze verordening en waarop het college op een datum na inwerkingtreding beslist, geldt deze verordening. Het college heeft middels dit artikel de bevoegdheid om terug te komen van besluiten die zijn genomen op basis van de voorgaande verordeningen.
DEF. febr. 2024
32