Verordening jeugdhulp gemeente Dinkelland 2024 DEF.pdf
Tekst van het document
De raad van de gemeente Dinkelland, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 maart 2024 gelet op het advies van de raadscommissie Sociaal Domein en Bestuur van 9 april 2024; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet; alsmede gelet op artikel 156 van de Gemeentewet; en het Beleidsplan Omzien Naar Elkaar 23 december 2016 overwegende dat: de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s) en de jeugdige zelf ligt, het noodzakelijk is om regels vast te stellen over: - de door het college te verlenen jeugdhulp met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren, - de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van jeugdhulp wordt afgestemd met andere voorzieningen, - de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, - de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, en - regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, en
de toepasselijke arbeidsvoorwaarden; het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociaal netwerk; het noodzakelijk is om kaders en criteria vast te stellen ter uitvoering van de wet, en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving,
besluit: vast te stellen de volgende verordening: Verordening jeugdhulp gemeente Dinkelland 2024
DEF. febr. 2024
1
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN EN VORMEN VAN JEUGDHULP ............................................. 4 Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen....................................................................................................................... 4 Artikel 1.2 Vormen van jeugdhulp ...................................................................................................................... 5
HOOFDSTUK 2 TOEGANG TOT JEUGDHULP .................................................................................... 5 § 1. Clientondersteuning en vertrouwenspersoon ............................................................................................. 5 Artikel 2.1 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon ................................................................................... 5 § 2. Wettelijke verwijzers .................................................................................................................................... 5 Artikel 2.2 Via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts ................................................................................ 5 § 3. Via de gemeente: Aanvraag ......................................................................................................................... 6 Artikel 2.3 Aanvraag om jeugdhulp ..................................................................................................................... 6 Artikel 2.4 Identificatie ........................................................................................................................................ 6 Artikel 2.5 Het onderzoek ...................................................................................................................................
6 Artikel 2.6 Het verslag ......................................................................................................................................... 6 § 4. Advisering ..................................................................................................................................................... 6 Artikel 2.7 Advisering .......................................................................................................................................... 6
HOOFDSTUK 3. BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK OP INDIVIDUELE VOORZIENINGEN ................. 7 Artikel 3.1 Weigeringsgronden ........................................................................................................................... 7 Artikel 3.2 Criteria algemeen .............................................................................................................................. 7 Artikel 3.3 Criteria (ambulante) en specialistische jeugdhulp ............................................................................ 7 Artikel 3.4 Criteria wonen en verblijf .................................................................................................................. 8 Artikel 3.5 Criteria vervoer .................................................................................................................................. 8 Artikel 3.6 Heroverweging besluit individuele voorziening ................................................................................ 8
HOOFDSTUK 4. PERSOONSGEBONDEN BUDGET ............................................................................ 9 Artikel 4.1 Algemeen ........................................................................................................................................... 9 Artikel 4.2 Regels persoonsgebonden budget algemeen.................................................................................... 9 Artikel 4.3 Verplichtingen persoonsgebonden budget ....................................................................................... 9 Artikel 4.4 Hoogte persoonsgebonden budget ................................................................................................... 9
HOOFDSTUK 5. BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK .............................................. 10 Artikel 5.1 Bevoegdheid .................................................................................................................................... 10 Artikel 5.2 Informatieplicht en fraudepreventie ............................................................................................... 11 Artikel 5.3 Medewerkingsplicht ........................................................................................................................ 11 Artikel 5.4 Kwaliteitseisen ................................................................................................................................. 11
DEF. febr. 2024
2
Artikel 5.5 Weigeringsgronden persoonsgebonden budget ............................................................................. 11 Artikel 5.6 Opschorting betaling persoonsgebonden budget aan Sociale Verzekeringsbank........................... 11 Artikel 5.7 Verzoek aan Sociale Verzekeringsbank opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget .. 11 Artikel 5.8 Opschorting inzet individuele voorziening ...................................................................................... 12
HOOFDSTUK 6. BEEINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING .......................... 12 Artikel 6.1 Beëindiging ...................................................................................................................................... 12 Artikel 6.2 Herzien of intrekken van besluiten .................................................................................................. 12 Artikel 6.3 Terugvordering ................................................................................................................................ 12
HOOFDSTUK 7. KWALITEIT EN INSPRAAK .................................................................................... 13 Artikel 7.1 Kwaliteitseisen jeugdhulp ................................................................................................................ 13 Artikel 7.2 Verhouding prijs en kwaliteit ........................................................................................................... 13 Artikel 7.3 Betrekken van ingezetenen bij het beleid ....................................................................................... 13
HOOFDSTUK 8. SLOTBEPALINGEN ............................................................................................... 14 Artikel 8.1 Hardheidsclausule ........................................................................................................................... 14 Artikel 8.2 Inwerkingtreding en citeertitel ........................................................................................................ 14
Toelichting Verordening Jeugdhulp gemeente Dinkelland 2024 ................................................... 15
DEF. febr. 2024
3
HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN EN VORMEN VAN JEUGDHULP Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen 1. In de verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Algemene voorziening: een jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of ouder(s); b. Andere voorziening: voorziening - anders dan in het kader van de Jeugdwet - op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; c. Budgethouder: de persoon aan wie het pgb is toegekend; d. Budgetperiode: de periode waar een pgb betrekking op heeft; e. Budgetplan: een plan opgesteld door (of namens) de budgethouder waaruit blijkt dat de besteding van het pgb voldoet aan de voorwaarden van de wet of deze verordening; f. Familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren; g. Financieel besluit: een door het college vastgestelde regeling, waarin op grond van deze verordening bedragen en eventuele nadere regels zijn gesteld; h. Gebruikelijke hulp: de verzorging, begeleiding en opvoeding die in het algemeen mag worden verwacht van ouders aan hun kind. Het gaat om normale oudertaken voor elk kind ongeacht het hebben van problemen; i.
Gewaarborgde hulp: een door de budgethouder ingeschakelde derde van wie voldoende aannemelijk is dat deze kan in staan voor nakoming van de aan het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen; j. Hulpvraag: de behoefte van de jeugdige en/of de ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet waarvoor een aanvraag wordt gedaan; k. Individuele voorziening: een op de jeugdige en/of de ouder(s) toegesneden voorziening die op aanvraag wordt verstrekt; l. Nadere regels: een door het college vastgestelde regeling, waar op grond van deze verordening nadere regels zijn gesteld; m. Persoonlijk plan: een door of namens de jeugdige opgesteld plan, niet zijnde een familiegroepsplan of plan als bedoeld in de wet, waaruit de gewenste jeugdhulp qua aard en omvang blijkt; n. Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet; o. Professionele organisatie: een organisatie, die is ingeschreven in het handelsregister en/of bij de KvK als zijnde jeugdhulpverlener en die voldoet aan de geldende kwaliteitseisen voor in ieder geval de vakbekwaamheid van de medewerkers die bij de organisatie in dienst zijn. Waaronder de verplichte registratie voor jeugdprofessionals en de vereiste registratie voor vaktherapeuten; p.
Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de jeugdige en/of zijn ouders een sociale relatie onderhoudt; q. Spoedeisende situatie: een (onvoorziene) situatie die geen uitstel verdraagt; r. Wet: Jeugdwet; s. ZZP’er: een ondernemer die geen personeel in dienst heeft, is ingeschreven in het handelsregister en/of bij de KvK als zijnde jeugdhulpverlener of vaktherapeut en voldoet aan de geldende kwaliteitseisen (waaronder de verplichte registratie voor jeugdprofessionals of de vereiste registratie voor vaktherapeuten), waarbij voor de vaststelling of er sprake is van een ondernemer in ieder geval de volgende criteria gelden: 1 niet werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 en volgende van het Burgerlijk Wetboek; en
DEF. febr. 2024
4
2 door de Belastingdienst aangemerkt als ondernemer voor de Inkomstenbelasting (voor eigen rekening en risico verrichten van werkzaamheden). 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en/of de daarop gebaseerde lagere regelgeving en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.2 Vormen van jeugdhulp 1. De volgende algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk beschikbaar: a. informatie en advies; b. voorlichting, cursussen LOES; c. trainingen KIES en SamenSterk; d. praktijkondersteuners jeugd huisartsenraktijken; e. steungezinnen; f. schoolmaatschappelijk werk; g. jongerenwerk; h. jeugdgezondheidszorg (GGD); i. scheiding advies team; f. Veilig Thuis Twente. 2. De volgende individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar en worden op aanvraag verstrekt: a. Individuele of groepsbegeleiding; b. Ambulante begeleiding; c. Persoonlijke verzorging; d. Diagnostiek en individuele of groepsbehandeling; e. Wonen en verblijf, waaronder hoog specialistische 24-uurs zorg; f. Vervoer van de jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden; g. Opvoedondersteuning.
HOOFDSTUK 2 TOEGANG TOT JEUGDHULP § 1. Clientondersteuning en vertrouwenspersoon Artikel 2.1 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van jeugdigen en ouders uitgangspunt is. 2. Het college stelt een vertrouwenspersoon in de gelegenheid zijn taak uit te oefenen als bedoeld in paragraaf 4.1 van het Besluit Jeugdwet. 3 Het college draagt er zorg voor dat de jeugdigen, ouders en pleegouders zelfstandig, zonder tussenkomst van derden, contact kunnen hebben met een vertrouwenspersoon. § 2. Wettelijke verwijzers Artikel 2.2 Via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, die geboden wordt door een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. 2. Het college kan afspraken maken met de jeugdhulpaanbieder als bedoeld in het eerste lid over de inzet van aangewezen specialistische jeugdhulp.
DEF. febr. 2024
5
§ 3. Via de gemeente: Aanvraag Artikel 2.3 Aanvraag om jeugdhulp 1. Een aanvraag om jeugdhulp wordt gedaan op een door het college beschikbaar gesteld formulier. 2. Na ontvangst van de aanvraag wijst het college de jeugdige en/of zijn ouder(s) op de mogelijkheid: a. cliëntondersteuning en van de diensten van een vertrouwenspersoon; b. een persoonlijk plan op te stellen welke zeven dagen ná indienen van de aanvraag wordt overhandigd; c. een familiegroepsplan op te stellen welke twee weken na indiening van aanvraag wordt overhandigd. Als de jeugdige of zijn ouders daarom verzoekt, zorgt het college voor bepaalde ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan. 3. Na ontvangst van de aanvraag voert het college een onderzoek uit naar de hulpvraag. 4. Het college is bevoegd de beslistermijn van de aanvraag te verlengen of op te schorten als de beoordeling van de hulpvraag daartoe aanleiding geeft. 5. In spoedeisende situaties als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid onder b, van de wet: a. verstrekt het college zo spoedig als nodig een passende tijdelijke maatregel; of b. vraagt het college een machtiging voor gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek. 6. Tijdens de procedure kan gebruik worden gemaakt van de Jeugd Bescherming Tafel. 7.
Jeugdigen en/of ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een algemene voorziening. Artikel 2.4 Identificatie Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 2.5 van de verordening, kan het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) vaststellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel 2.5 Het onderzoek 1. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd tussen deskundigen en de jeugdige en/of zijn ouder(s) en/of personen uit zijn sociaal netwerk. 2. Het college zorgt voor de benodigde deskundigheid van personen die het gesprek voeren als bedoeld in het eerste lid. 3. Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouder(s) over de gang van zaken bij het gesprek, zijn rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de jeugdige en/of zijn ouder(s), als dat nodig is, om toestemming voor het verwerken of het uitwisselen van zijn persoonsgegevens met in achtneming van de privacyregels. 4. Heeft de jeugdige en/of zijn ouder(s) een persoonlijk plan of een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 2.3 van de verordening overhandigd, dan betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in het eerste lid. 5.
De jeugdige en/of zijn ouder(s) verstrekken desgevraagd de noodzakelijke inlichtingen dan wel gegevens en verlenen desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de wet. In principe geldt als uitgangspunt dat de jeugdige altijd wordt gezien en als dat aangewezen is, wordt gesproken. Artikel 2.6 Het verslag Het college verstrekt een verslag van het onderzoek waaruit de jeugdige en/of ouder(s) tevens een advies van het college kan afleiden over hoe de vastgestelde opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en aan de stoornissen verwante problemen kunnen worden opgelost dan wel worden verminderd. § 4. Advisering Artikel 2.7 Advisering 1. Het college kan om deskundigenadvies vragen voor zover dit noodzakelijk is voor de beoordeling van de aanvraag.
DEF. febr. 2024
6
2. Het college kan ook consultatie en diagnostiek vragen aan een jeugdhulpaanbieder over welke jeugdhulp het beste passend is voor de jeugdige en/of diens ouder(s). 3. De jeugdige en/of zijn ouder(s) verleent zijn medewerking aan het onderzoek. 4. In principe geldt als uitgangspunt dat de jeugdige altijd wordt gezien en als dat aangewezen is, wordt gesproken.
HOOFDSTUK 3. BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK OP INDIVIDUELE VOORZIENINGEN Artikel 3.1 Weigeringsgronden 1. Geen individuele voorziening wordt verstrekt voor zover: a. sprake is van een andere voorziening als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, van de wet; b. de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) naar oordeel van het college toereikend zijn, waaronder in ieder geval gebruikelijke hulp wordt verstaan; c. de jeugdige en/of zijn ouder(s) met hulp van personen uit zijn sociaal netwerk de vastgestelde problemen en/of aan de stoornissen verwante problemen in voldoende mate kan wegnemen; d. het gebruik van een algemene voorziening de vastgestelde problemen en/of aan de stoornissen verwante problemen in voldoende mate kan wegnemen; e. de jeugdige geen ingezetene is van de gemeente Dinkelland, volgens het woonplaatsbeginsel. Artikel 3.2 Criteria algemeen 1. De individuele voorziening is gericht op het realiseren van een situatie, rekening houdend met de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.5 van de verordening, waarin de jeugdige in staat wordt gesteld tot: a. gezond en veilig op te groeien; b. te groeien naar zelfstandigheid, en c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. 2.
Er bestaat slechts aanspraak op een individuele voorziening voor zover deze als de goedkoopst passende individuele voorziening is aan te merken. 3. Het college stelt nadere regels over de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen. Artikel 3.3 Criteria (ambulante) en specialistische jeugdhulp 1. Jeugdhulp is gericht op het bereiken van de volgende resultaten: a. het leeftijdsadequaat kunnen uitvoeren van algemene dagelijkse handelingen en vaardigheden; b. het voeren van regie over algemene dagelijkse handelingen en vaardigheden; c. het bevorderen van de zelfredzaamheid; d. het aanleren en behouden van (nieuwe) vaardigheden die betrekking hebben op het (psychosociaal) functioneren en een bijdrage leveren aan gedragsverandering. 2. Afhankelijk van de vastgestelde problemen en/of stoornissen kan de behoefte aan jeugdhulp bestaan uit: a. praktische ondersteuning; b. ondersteuning bij praktische zaken en in het voeren van regie; c. specialistische/therapeutische ondersteuning; d. (procesdiagnose en) behandeling. 3. Bij de behoefte aan jeugdhulp als bedoeld in het tweede lid wordt onderscheid gemaakt in verschillende niveaus, welke afhankelijk zijn van de mate waarin problemen en/of stoornissen zich voordoen.
Het niveau is in ieder geval afhankelijk van:
DEF. febr. 2024
7
a. de mate van gedragsproblematiek; b. het vermogen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) om op relevante momenten zelf om ondersteuning te vragen; c. de motivatie van de jeugdige en/of zijn ouder(s) om jeugdhulp te ontvangen; d. de noodzaak van toezicht in verband met de veiligheid van de jeugdige en/of zijn ouder(s) of de omgeving (escalatiegevaar). 4. Afhankelijk van de aangewezen behoefte aan jeugdhulp en bijbehorende resultaten kan het college de jeugdhulp individueel of groepsgewijs verstrekken. 5. Groepsgewijze jeugdhulp biedt een structurele dagbesteding of behandeling, anders dan arbeid of onderwijs, met een welomschreven resultaat en kent een methodische aanpak. De aanpak is gericht op: a. het structureren van de dag; en/of b. de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden; en/of c. het aanleren van (nieuwe) vaardigheden betreffende het (psychosociaal) functioneren wat bijdraagt aan gedragsverandering. Artikel 3.4 Criteria wonen en verblijf 1. Het college kan een individuele voorziening wonen en verblijf verstrekken in de vorm van vervanging thuis. 2. Wonen en verblijf bestaat uit: a. de accommodatie; b. eten en drinken; c. hotelmatige diensten; d. leefklimaat (noodzakelijke jeugdhulp gedurende de dag en/of nacht). 3. De jeugdige kan in aanmerking komen voor pleegzorg als hij is aangewezen op gezinsopvang buiten het eigen gezin (zijn ouders). 4.
De jeugdige kan in aanmerking komen voor andere vormen van vervanging thuis als en voor zover: a. dit noodzakelijk is om de ouder(s) of de personen uit het sociaal netwerk (tijdelijk) te ontlasten; b. de jeugdige daar gelet op de vastgestelde problemen en/of stoornissen op is aangewezen. Artikel 3.5 Criteria vervoer 1. De jeugdige kan in aanmerking komen voor het noodzakelijk vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. 2. Het vervoer als bedoeld in het eerste lid wordt noodzakelijk geacht als naar oordeel van het college: a. de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) ontoereikend is; b. de jeugdige niet met hulp van personen uit diens sociaal netwerk of vrijwilligers veilig kan reizen of op een andere manier door hen naar de locatie kan worden begeleid. Artikel 3.6 Heroverweging besluit individuele voorziening 1. Naar analogie van artikel 8.1.3 van de wet onderzoekt het college periodiek of er aanleiding is een beslissing als bedoeld in dit hoofdstuk te heroverwegen. Dit met uitzondering van besluiten als bedoeld in artikel 3.1 van dit hoofdstuk. 2. Artikel 2.6 van de verordening is niet van toepassing op de voorbereiding van het besluit als bedoeld in het eerste lid.
DEF. febr. 2024
8
HOOFDSTUK 4. PERSOONSGEBONDEN BUDGET Artikel 4.1 Algemeen 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet en het bepaalde in deze verordening. 2. Het college weigert een pgb voor de kosten van een individuele voorziening als deze is gerealiseerd: a. vóór het indienen van de aanvraag; b. ná het indienen van een aanvraag maar voordat het college daarop heeft beslist, tenzij het college de jeugdige en/of zijn ouder(s) schriftelijk toestemming heeft verleend. 3. Het college stelt nadere regels over de besteding van een verstrekt pgb in het geval van verblijf buiten de gemeente Dinkelland en het buitenland. Artikel 4.2 Regels persoonsgebonden budget algemeen 1. Het pgb mag niet worden besteed aan de ouder(s) dan wel personen uit het sociaal netwerk als en voor zover: a. het activiteiten betreft die naar oordeel van het college worden aangemerkt als eigen mogelijkheden en oplossend vermogen van de ouder(s); b. blijkt dat zij overbelast zijn of dreigen te geraken. 2.
Het pgb mag niet worden besteed aan de kosten voor: - bemiddeling (tussenpersonen of belangbehartigers), - het voeren van een pgb-administratie, - ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het pgb, - contributie voor lidmaatschappen (bijvoorbeeld van Per Saldo), - het volgen van cursussen over het pgb, - van informatiemateriaal, - het vervoer (reiskosten) van de derde aan wie het pgb wordt besteed. 3. Het college maakt geen gebruik van een verantwoordingsvrij bedrag. 4. Het college verleent geen éénmalige uitkering in geval van overlijden van de jeugdige of de budgethouder. 5. Declaraties op basis van een vast bedrag per maand zijn niet toegestaan. 6. De jeugdige met een indicatie voor jeugdhulp in de vorm van specialistische ondersteuning of behandeling, kan het pgb alleen besteden aan een daartoe gekwalificeerde beroepskracht. In dat kader worden de ouder(s) of personen uit het sociaal netwerk niet als gekwalificeerde beroepskracht aangemerkt. 7. Het pgb mag slechts worden besteed aan personen uit het sociaal netwerk, waaronder de ouder(s) als dit naar oordeel van het college leidt tot aantoonbare betere en effectievere ondersteuning en aantoonbaar doelmatiger is. 8. Het pgb wordt binnen drie maanden na toekenning aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verstrekking heeft plaatsgevonden. Artikel 4.3 Verplichtingen persoonsgebonden budget 1.
Voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) die in aanmerking wenst te komen voor een pgb geldt de verplichting een Budgetplan op te stellen. Het college stelt een format voor dit Budgetplan beschikbaar. 2. De budgethouder is verplicht om gebruik te maken van de op zijn situatie van toepassing zijnde modelovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank. Artikel 4.4 Hoogte persoonsgebonden budget 1. Voor de goedkoopst passende individuele voorziening hanteert het college gedifferentieerde tarieven die zijn afgeleid van ofwel de tarieven waarvoor het college de geïndiceerde jeugdhulp heeft ingekocht (hierna: het tarief) dan wel van andere bedragen. 2. a. Voor individuele jeugdhulp geldt:
DEF. febr. 2024
9
1 80% van het tarief voor jeugdhulpverleners die in dienst zijn van een professionele organisatie of als ZZP’er werkzaam zijn; 2 het bedrag zoals genoemd in artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg voor personen uit het sociaal netwerk of die niet als personen onder 1 kunnen worden aangemerkt; b. voor groepsgerichte jeugdhulp geldt: 1 80% van het tarief per dagdeel voor jeugdhulpverleners die in dienst zijn van een professionele organisatie of als ZZP’er werkzaam zijn; 2 het bedrag per dagdeel zoals genoemd in artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg voor personen uit het sociaal netwerk of die niet als personen onder 1 kunnen worden aangemerkt. 3. Voor wonen en verblijf geldt: a. 80% van het tarief voor jeugdhulpverleners die in dienst zijn van een professionele organisatie of als ZZP’er werkzaam zijn; b. het bedrag per etmaal zoals genoemd in artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg voor personen uit het sociaal netwerk of die niet als personen onder a kunnen worden aangemerkt. 4. Voor vervoer van en naar de locatie dan wel locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, geldt het tarief per kilometer. 5.
Voor het bedrag als bedoeld in artikel 5.22, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg geldt het bedrag geldend op 1 januari van elk kalenderjaar en als vakantiebijslag van toepassing is, dan is in het bedrag de vakantiebijslag als bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag verdisconteerd. 6. Het college stelt de tarieven die het verschuldigd is aan de (gecontracteerde) jeugdhulpaanbieders en de andere bedragen vast in het Financieel besluit.
HOOFDSTUK 5. BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK Artikel 5.1 Bevoegdheid 1. Ter voorkoming van het onterecht ontvangen van individuele voorzieningen of pgb’s, en ter bestrijding van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet is het college bevoegd controles uit te voeren die betrekking hebben op de naleving van: a. de regels uit de wet, tenzij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd bevoegd is; b. de regels uit deze verordening; c. de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met jeugdhulpaanbieders, waaronder de kwaliteit van de geboden jeugdhulp. 2. Onverminderd paragraaf 6b van de Regeling Jeugdwet kunnen de controles als bedoeld in het eerste lid betrekking hebben op de rechtmatigheid als ook op de kwaliteit en effectiviteit van de geboden jeugdhulp door derden in geval van een pgb. 3. Het college wijst een toezichthoudende ambtenaar aan voor de controle op de rechtmatige verstrekking van jeugdhulp (natura en pgb). 4. Het college kan: a. de besteding van pgb’s, al dan niet steekproefsgewijs, controleren en beoordelen. Tevens beoordeelt het college of de budgethouder nog voldoet aan de criteria om voor een pgb in aanmerking te komen. b. bij de controle als bedoeld in onderdeel a ook de derde betrekken aan wie het pgb wordt besteed. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan; c.
de jeugdhulp geboden door jeugdhulpaanbieders, al dan niet steekproefsgewijs, controleren en beoordelen of de aanbieder of de hulp nog voldoen aan de contractuele eisen die daaraan gesteld zijn. 5. Voor de controle als bedoeld in het eerste lid heeft het college geen specifieke aanleiding nodig. Het college kan bij de controles een thematische aanpak hanteren.
DEF. febr. 2024
10
6. De controles kunnen worden uitgevoerd door het college en/of de toezichthoudende ambtenaar als bedoeld in het derde lid. 7. In dit hoofdstuk van de verordening worden onder de budgethouder en/of de derde ook de ouder(s) van de jeugdige verstaan. Artikel 5.2 Informatieplicht en fraudepreventie Het college informeert jeugdigen, ouder(s) of wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening (in natura of in de vorm van een pgb) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Artikel 5.3 Medewerkingsplicht De jeugdhulpaanbieder, jeugdhulpverlener, budgethouder of de derde aan wie het pgb wordt besteed zijn desgevraagd verplicht aan de toezichthoudende ambtenaar of het college verantwoording af te leggen over de geboden jeugdhulp. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan. Artikel 5.4 Kwaliteitseisen De kwaliteitseisen die gelden voor de door het college gecontracteerde jeugdhulpaanbieders en jeugdhulpverleners zijn ook van toepassing op de derde aan wie het pgb wordt besteed, tenzij het pgb daardoor onbereikbaar wordt en de jeugdige en/of zijn ouder(s) onverkort voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1 van de wet en bepalingen van de verordening.
Voor personen uit het sociaal netwerk gelden de gestelde opleidingseisen niet, maar wel de Verklaring Omtrent Gedrag als bedoeld in artikel 4.16 van de wet. Artikel 5.5 Weigeringsgronden persoonsgebonden budget 1. Het college weigert het pgb als de budgethouder of diens wettelijk vertegenwoordiger geen Budgetplan indient of een bespreking van het Budgetplan weigert of, na daartoe te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt. 2. Het college kan het pgb weigeren als een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de door de budgethouder ingeschakelde derde: a. bij een eerdere verstrekking waarbij deze derde jeugdhulpverlener was of als vertegenwoordiger optrad niet heeft ingestaan voor nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen, b. blijkens de Basisregistratie Personen niet beschikt over een woonadres, c. rechtens zijn vrijheid is ontnomen, d. anderszins naar oordeel van het college geen of onvoldoende sprake is van gewaarborgde hulp wat betreft het nakomen van de voor de budgethouder aan het pgb verbonden verplichtingen. Artikel 5.6 Opschorting betaling persoonsgebonden budget aan Sociale Verzekeringsbank 1.
Het college kan de betaling van het pgb aan de Sociale Verzekeringsbank of de derde geheel of gedeeltelijk opschorten voor ten hoogste 13 weken als er een gegrond vermoeden bestaat dat niet of onvoldoende wordt voldaan aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 8.1.4, eerste lid aanhef en onder a, d of e, van de wet. 2. Een gegrond vermoeden als bedoeld in het eerste lid kan betrekking hebben op de budgethouder als ook op de derde aan wie het pgb wordt besteed. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan. 3. Gedurende de periode waarin de betaling van het pgb is opgeschort, voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit. Artikel 5.7 Verzoek aan Sociale Verzekeringsbank opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget 1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank verzoeken tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste 13 weken van een betaling uit het pgb als er een gegrond vermoeden bestaat dat niet of
DEF. febr. 2024
11
onvoldoende wordt voldaan aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 8.1.4, eerste lid aanhef en onder a, d of e, van de wet. 2. Een gegrond vermoeden als bedoeld in het eerste lid kan betrekking hebben op de budgethouder als ook op de derde aan wie het pgb wordt besteed. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan. 3. Gedurende de periode waarin de betaling van het pgb is opgeschort voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit. Artikel 5.8 Opschorting inzet individuele voorziening 1. Het college kan de inzet van een individuele voorziening geheel of gedeeltelijk opschorten voor ten hoogste 13 weken als er een gegrond vermoeden bestaat dat door de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet of onvoldoende wordt voldaan aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 8.1.4, eerste lid aanhef en onder a, d of e van de wet. 2. Gedurende de periode waarin de inzet van de individuele voorziening is opgeschort voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit.
HOOFDSTUK 6. BEEINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING Artikel 6.1 Beëindiging Behoudens artikel 8.1.4 van de wet kan het college een toegekende aanspraak op een individuele voorziening dan wel pgb in ieder geval geheel of gedeeltelijk beëindigen, als: a. niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld op grond van de wet of bij of krachtens de verordening; b. de jeugdige en/of zijn ouder(s) zich niet houdt aan de verplichtingen verbonden aan de individuele voorziening of die rechtstreeks voortvloeien uit het toegekende pgb; c. de jeugdige is overleden; d. de gemeente Dinkelland op grond van het woonplaatsbeginsel niet meer verantwoordelijk is voor het verstrekken van jeugdhulp. Artikel 6.2 Herzien of intrekken van besluiten 1. Naar analogie van artikel 8.1.2 van de wet, doet de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel wettelijke vertegenwoordiger aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten of omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding kunnen zijn tot een heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3 van de wet. 2.
Het college kan een besluit als bedoeld in het eerste lid herzien of intrekken als blijkt dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet of onvoldoende heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd in de wet of die bij of krachtens deze verordening van toepassing zijn waaronder inbegrepen het niet nakomen van de verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit het pgb of de dienstverleningsovereenkomst. Artikel 6.3 Terugvordering 1. Het college kan de kosten van een individuele voorziening dan wel pgb terugvorderen als het besluit is herzien of ingetrokken op grond van artikel 8.1.4, eerste lid aanhef en onder a, d of e, van de wet. 2. Het college kan de kosten van een individuele voorziening dan wel pgb van de jeugdige en/of zijn ouder(s) terugvorderen in geval van een onverschuldigde betaling. 3. De wijze waarop de terugvordering geïnd wordt, kan verrekening zijn met de uitkering die de jeugdige en/of de ouder(s) van het college ontvangt voor zijn levensonderhoud op grond van de Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of gewezen zelfstandigen.
DEF. febr. 2024
12
4. Het college kan de terugvordering als bedoeld in het eerste en tweede lid invorderen bij dwangbevel overeenkomstig artikel 8.1.4, derde lid, van de wet.
HOOFDSTUK 7. KWALITEIT EN INSPRAAK Artikel 7.1 Kwaliteitseisen jeugdhulp 1. Jeugdhulpaanbieders en jeugdhulpverleners zorgen voor een goede kwaliteit van jeugdhulp, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 2. Voor jeugdhulp gelden verder in ieder geval de volgende uitgangspunten: a. de jeugdhulp die geïndiceerd is, wordt in samenspraak met de jeugdige, zijn ouder(s) en/of zijn vertegenwoordiger besproken; b. de jeugdhulp is veilig: de relatie tussen de jeugdige en/of zijn ouder(s) en beroepskracht is vertrouwd en stabiel waarbij de privacy in acht wordt genomen; c. de jeugdhulp garandeert continuïteit, samenhang en resultaten: de beroepskracht is deskundig en gericht op het behalen van resultaten en werkt waar nodig samen met andere jeugdhulpverleners dan wel andere professionals en onderhoudt contacten met de personen uit het sociaal netwerk van de jeugdige; d. de leefomgeving (wonen en verblijf) past bij de leeftijd en ondersteuningsbehoefte van de jeugdige. 3. Behoudens andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de eisen door periodieke overleggen met de jeugdhulpaanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de jeugdige en/of zijn ouder(s) ter plaatse controleren van de geleverde jeugdhulp. Artikel 7.2 Verhouding prijs en kwaliteit 1.
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht; b. de voor de sector toepasselijke arbeidsvoorwaarden in relatie tot de zwaarte van de functie; c. redelijke overheadkosten; d. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; e. reis- en opleidingskosten; f. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; en g. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 2. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. Artikel 7.3 Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval jeugdigen, hun ouder(s) of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.
Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.
DEF. febr. 2024
13
HOOFDSTUK 8. SLOTBEPALINGEN Artikel 8.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of zijn ouder(s) afwijken van hetgeen in deze verordening is bepaald, voor zover toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 8.2 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2024. 2. De Verordening Jeugdhulp Gemeente Dinkelland 2021 wordt met ingang van 1 januari 2024 ingetrokken. 3. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Dinkelland 2024. 4. Het college heeft de bevoegdheid een besluit op grond van aan deze verordening voorafgaande verordeningen in te trekken met toepassing van deze verordening. Het college kan daarvoor een ander besluit in de plaats stellen. Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 23 april 2024. De raadsgriffier,
De voorzitter,
L.J.H. Engelbertink
J.G.J. Joosten
DEF. febr. 2024
14
Toelichting Verordening Jeugdhulp gemeente Dinkelland 2024 Algemene toelichting Met de Jeugdwet is in 2015 het verzekerd recht op zorg vervangen door een jeugdhulpplicht voor gemeenten als ouders en jeugdigen er (eenvoudig gezegd) samen niet uitkomen. Dit nieuwe jeugdstelsel heeft het uiteindelijke doel het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van diens gezin en sociale omgeving (TK 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 2). Ouders en jeugdigen moeten leren (weer) op eigen vaardigheden te vertrouwen zodat zij zelf verder kunnen, zonder hulp van de overheid. Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen (TK 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 136). Deze uitgangspunten zijn (ook) in artikel 2.1 van de Jeugdwet verankerd; de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf en er moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociaal netwerk. Ouders hebben naast het recht ook een plicht om hun minderjarig kind te verzorgen en op te voeden (art. 1:247 van het Burgerlijk Wetboek).
Daaronder wordt mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Voor de normale oudertaken is in de verordening het begrip gebruikelijke hulp opgenomen. Een jeugdige en/of zijn ouder(s) kan (individuele) jeugdhulp nodig hebben in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. Zij kunnen in dat geval een beroep doen op de (mede) door gemeente Dinkelland georganiseerde jeugdhulp. Bij de jeugdhulpplicht hoort een resultaatverplichting. Dat wil zeggen dat passende jeugdhulp moet worden geboden (art. 2.5, vierde lid, van de wet). Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) dat wenst, kan de noodzakelijke jeugdhulp ook in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) worden verstrekt. Samen met de professional van de gemeente Dinkelland bespreekt de jeugdige en/of zijn ouder(s) de mogelijkheden om voor een pgb in aanmerking te komen. Eigen verantwoordelijkheid De wetgever stimuleert burgers regie te nemen over hun leven en zelf verantwoordelijk te zijn voor hun eigen ontplooiing.
Voor de Jeugdwet geldt het uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s) en de jeugdige zelf ligt. Personen uit de naaste omgeving kunnen daarbij ook hulp bieden. Een jeugdige en/of zijn ouder(s) kan (individuele) jeugdhulp nodig hebben in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. Zij kunnen in dat geval een beroep doen op de door gemeente Dinkelland georganiseerde jeugdhulp. Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) dat wenst, kan de noodzakelijke jeugdhulp ook in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) worden verstrekt. Maatwerk Bij de beoordeling of het bieden van individuele jeugdhulp nodig is, gaat het om maatwerk rekening houdend met de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Daaronder valt in ieder geval de gebruikelijke hulp van de ouder(s) aan hun kind. Hierover gaan de professionals van de gemeente Dinkelland met de jeugdige en/of zijn ouder(s) in gesprek. Daarbij staat het te bereiken resultaat centraal en wordt zoveel mogelijk een integrale benadering nagestreefd. Dat wil zeggen dat de jeugdhulp wordt afgestemd op de sociale omgeving waar de jeugdige en/of zijn ouder(s) onderdeel van uit maakt.
Ook andere wetten zoals de Participatiewet en de Wmo 2015 kunnen een rol bij spelen. Van het gesprek ontvangt de jeugdige en/of zijn ouder(s) een verslag. De gemeente Dinkelland voert de regie op het te behalen resultaat zoals dat in het besluit is vastgesteld.
DEF. febr. 2024
15
Opdracht gemeenteraad Artikel 2.9 van de wet geeft de gemeenteraad de opdracht om een verordening vast te stellen met de regels die noodzakelijk zijn ter uitvoering van de wet. Deze verordening is dan ook een essentieel document voor de concrete uitwerking van het beleid van de gemeente Dinkelland. Voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) van Dinkelland biedt deze verordening duidelijkheid over wat zij van de gemeente mogen verwachten, maar ook wat bij de beoordeling van de aanspraak (redelijkerwijs) van hen wordt verwacht. Voor de professionals van de gemeente Dinkelland biedt de verordening de benodigde kaders en criteria om op een resultaatgerichte manier tot maatwerk te komen in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) die zich meldt met een hulpvraag en een aanvraag indient. Met een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, is gewaarborgd dat de jeugdige in staat wordt gesteld: a. gezond en veilig op te groeien; b. te groeien naar zelfstandigheid, en c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Onder jeugdhulp (art. 1.1, eerste lid, van de wet) wordt verstaan: 1°.
ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen; 2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en 3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht. Artikelsgewijze toelichting HOOFDSTUK 1.
BEGRIPSBEPALINGEN EN VORMEN VAN JEUGDHULP Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder a: algemene voorziening Het gaat bij een algemene voorziening om een vrij toegankelijke voorziening voor degene die zich hiertoe wendt voor ondersteuning of hulp. Er vindt geen toegangsbeoordeling plaats. Dit betekent dat voorafgaand ook geen onderzoek wordt gedaan naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Een algemene voorziening wordt dus niet op aanvraag verleend. Artikel 2.9 onder a van de wet spreekt van 'overige voorzieningen'. In de parlementaire geschiedenis op de wet wordt echter ook gesproken over een ‘algemene’ of ‘vrij toegankelijke voorziening’. Omdat het begrip 'algemene voorziening' ook binnen de Wmo 2015 wordt gehanteerd, is deze overgenomen in de verordening. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder b: andere voorziening Een andere voorziening verwijst naar artikel 1.2, eerste lid, van de wet (voorliggende voorziening). Het kan gaan om een aanspraak die de jeugdige heeft op grond een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz).
DEF. febr. 2024
16
Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder c: budgethouder Het pgb wordt toegekend aan de jeugdige of zijn ouder(s). Een jeugdige kan vanaf 16 jaar budgethouder zijn. De budgethouder is uiteindelijk verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de taken verbonden aan het pgb en de aan het pgb verbonden verplichtingen (overeenkomsten aangaan, declareren en verantwoorden). Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder d: budgetperiode De budgetperiode is afhankelijk van de geïndiceerde individuele voorziening waar de hoogte van het pgb op is gebaseerd. Het college stelt de budgetperiode vast in het besluit op de aanvraag. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder e: budgetplan Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder f: Familiegroepsplan Het familiegroepsplan is een hulpverleningsplan of plan van aanpak dat de ouders opstellen samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren (art. 1.1 van de wet). Voor de jeugdhulpaanbieder geldt de verplichting om de jeugdige en/of zijn ouder(s) bij het bieden van jeugdhulp als eerste de mogelijkheid te bieden een familiegroepsplan op te stellen. Bij een ondertoezichtstelling geldt dat ook voor de gecertificeerde instelling (art. 4.1.2 van de wet).
Zo’n familiegroepsplan moet gebruikt worden bij het bieden van de jeugdhulp omdat namelijk gewerkt moet worden volgens dat plan. De bedoeling van het familiegroepsplan is dat alle direct betrokkenen de mogelijkheid krijgen mee te denken en te helpen aan een oplossing voor gedwongen of vrijwillige jeugdhulp. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder g: Financieel besluit Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder h: gebruikelijke hulp In dit onderdeel is invulling gegeven aan zogeheten normale oudertaken. Het college kan zich daarbij baseren op de regels die daarover op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) tot stand zijn gekomen. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder i: gewaarborgde hulp Ouders of jeugdigen kunnen afhankelijk zijn van anderen ter compensatie van het gebrek aan capaciteiten of bekwaamheden om zelf de regie te voeren over de aan het pgb verbonden taken. Uit onderzoek moet blijken dat dergelijke hulp gewaarborgd is. Dat wil zeggen dat deze persoon moet kunnen instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen zoals: de keuze van de jeugdhulpverlener, de kwaliteit en het behalen van het te bereiken resultaat en de financiële verantwoording rondom het pgb.
Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder j: hulpvraag Onder de hulpvraag wordt een aanvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) verstaan van de behoefte aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet. De aanvraag wordt schriftelijk gedaan op een daarvoor bestemd formulier. Na ontvangst van de aanvraag voert het college een onderzoek uit (zie artikel 2.5 van de verordening). Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder k: individuele voorziening Bij een individuele voorziening gaat het om een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden vorm van jeugdhulp die alleen op aanvraag wordt verleend. Een individuele voorziening is dus niet vrij toegankelijk.
DEF. febr. 2024
17
Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder l: nadere regels Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder m: persoonlijk plan Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder n: pgb Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder o: professionele organisatie De definitie is van belang om de hoogte van het pgb te bepalen. In de verordening worden gedifferentieerde tarieven gebruikt. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder p: sociaal netwerk De wet kent geen definitie van het sociaal netwerk. Daarom wordt aangesloten bij de definitie die is opgenomen in de Wmo 2015. Het gaat om personen uit de huiselijke kring zoals een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of zijn ouder(s) een sociale relatie onderhoudt. De ouders vallen in ieder geval onder het sociaal netwerk (TK 2012/13, 33 684, nr. 11, p. 17). Deze personen kunnen een bijdrage leveren aan de oplossing van de hulpvraag. Of dat zo is, komt aan de orde bij het onderzoek dat het college verricht als een jeugdige en/of zijn ouder(s) zich meldt met een hulpvraag.
Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder q: spoedeisende situatie De wet bepaalt in artikel 2.6, eerste lid onder b, dat het college er voor zorg draagt dat de jeugdhulp te allen tijde bereikbaar en beschikbaar is en ingezet wordt als dat nodig is. Daarnaast kan het college, als daar aanleiding voor is, ook vragen om een machtiging voor gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder r: wet Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder s: ZZP’er De definitie is van belang om de hoogte van het pgb te bepalen. In de verordening worden gedifferentieerde tarieven gebruikt. Artikel 1.1 tweede lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.2 Vormen van jeugdhulp Algemeen Dit artikel geeft een nadere uitwerking van artikel 2.9, onder a, van de wet, waarin is bepaald dat bij verordening regels worden gesteld over de door het college te verstrekken individuele voorzieningen en algemene voorzieningen. Op deze manier wordt een duidelijk beeld gegeven van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. Eerste lid Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke algemene voorziening. Hier kunnen de jeugdige en/of zijn ouder(s) gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben.
DEF. febr. 2024
18
Tweede lid Dit lid bepaalt welke individuele voorzieningen in ieder geval beschikbaar zijn en door het college kunnen worden verstrekt. Onderdeel a. en b. Zo kan de inzet van (ambulante) begeleiding (individueel of groepsgewijs) zijn aangewezen, gericht op het bevorderen van het zelfstandig functioneren van jeugdigen. Begeleiding kan ook gericht zijn op het bevorderen van de maatschappelijke participatie of op het voorkomen van verwaarlozing of opname in een instelling. Ondersteuning van de ouders bij de opvoeding van hun kind is geen begeleiding in de zin van de wet, maar valt onder opvoedondersteuning (zie onderdeel g.). Onderdeel c. Voor wat betreft de persoonlijke verzorging geldt dat het college alleen verantwoordelijk is voor verzorgende handelingen bij jeugdigen die gericht zijn op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij de algemeen dagelijkse levensverrichtingen. Sinds 1 januari 2018 is de afbakening tussen de Zorgverzekeringswet en de Jeugdwet voor de persoonlijke verzorging beter geregeld. Onderdeel d. De jeugdige kan ook zijn aangewezen op behandeling. Denk in dat kader aan de behandeling van GGZ-problematiek waaronder ernstige dyslexie (ED). Die kan individueel of groepsgewijs worden geboden. Gelet op het wettelijk kader zal daarvoor eerst een diagnose gesteld moeten worden.
Dat zal in ieder geval zo zijn voordat behandeling van ernstige dyslexie wordt ingezet. Onderdeel e. De jeugdige kan jeugdhulp ontvangen in de thuissituatie maar ook kan jeugdhulp buiten het gezin zijn aangewezen: wonen en verblijf. Denk bijvoorbeeld aan pleegzorg. Onderdeel f. De wet schrijft voor dat ook het vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp binnen het bereik van de wet valt (art. 2.3, tweede lid, van de wet). Onderdeel g. Tijdens het onderzoek kan ook de vraag aan orde zijn of aan de ouder(s) opvoedondersteuning moet worden verstrekt. HOOFDSTUK 2 TOEGANG TOT JEUGDHULP § 1. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon Artikel 2.1 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon Eerste lid Artikel 2.2.4 van de Wmo 2015 draagt het college op in ieder te geval te zorgen voor cliëntondersteuning. Het gaat in alle gevallen om onafhankelijke ondersteuning voor ingezetenen waarbij hun belang het uitgangspunt moet zijn. Cliëntondersteuning is domeinoverstijgend en heeft ook betrekking op de Jeugdwet. Dit maakt integrale dienstverlening aan ingezetenen nog beter mogelijk. Na de melding van de hulpvraag informeert het college de jeugdige en zijn ouder(s) over deze mogelijkheid. Het college kan deze cliëntondersteuning aanbieden, maar de jeugdige en zijn ouder(s) kunnen zich ook laten bijstaan door andere (externe) ondersteuners.
Denk aan een bestaande cliënten- of belangenorganisatie. Van belang is verder nog dat het college moet zorgen dat cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner moet immers onpartijdig (kunnen) zijn en alleen in het belang van de jeugdige en zijn ouder(s) handelen. Tweede en derde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Zie verder toelichting bij artikel 2.3, derde en vierde lid, van de verordening. § 2. Wettelijke verwijzers Artikel 2.2 Via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Eerste lid De wet regelt dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist (art. 2.6, eerste lid onder g, van de wet). Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige precies nodig heeft. Een
DEF. febr. 2024
19
jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft gecontracteerd. In de praktijk zal het - mede gelet op de professionele standaard als bedoeld in artikel 453 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek - de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Dit vanzelfsprekend in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s). Bij deze beoordeling zal de jeugdhulpaanbieder zich wel moeten houden aan de afspraken die daarover met de gemeente zijn gemaakt in het contract en/of de verordening. Tweede lid In dit lid is bepaald dat het college afspraken kan maken met de jeugdhulpaanbieder over de inzet van jeugdhulp. In artikel 2.7, vierde lid, van de wet is nog de verplichting neergelegd dat het college afspraken maakt met de wettelijke verwijzers en zorgverzekeraars over de invulling van het verwijsrecht en de voorwaarden die hieraan kunnen worden gesteld. Daarbij dienen in ieder geval afspraken gemaakt te worden over de wijze waarop de regierol van de gemeenten vanuit het uitgangspunt «1 gezin, 1 plan, 1 regisseur» geborgd wordt en het voorschrijf- en verwijsgedrag van huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen.
De gemeente kan hierdoor niet alleen de kosten beheersen, maar ook de regie houden op het gehele hulpverleningsproces dat rondom de jeugdige en zijn ouders plaatsvindt en wordt niet «buitenspel» gezet. Gemeenten kunnen, zoals de verzekeraars dat ook doen, spiegelinformatie leveren aan huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen. Dit houdt in dat zij worden geïnformeerd over hun cliëntenbestand, de aandoeningen en de doorverwijzingen en dat dit in relatie wordt gebracht met de gegevens van andere huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen. Het doel hiervan is dat zij zich bewust worden van hun handelen en eventueel hun handelen hierop aanpassen in een door de verzekeraar en de gemeente gewenste richting (TK 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 149). Overige toegang In de verordening hoeven geen regels te worden vastgesteld over de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering of Veilig Thuis Twente (VTT). De gecertificeerde instelling bepaalt zelfstandig of jeugdhulp nodig is en zo ja, welke jeugdhulp (art. 3.5, eerste lid, van de wet). Bij jeugdreclassering heeft niet alleen de gecertificeerde instelling deze bevoegdheid, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is zoals: de rechter, de officier van justitie en de directeur van de justitiële jeugdinrichting.