Toelichting TAM-IMRO Rammelbeekweg 29.pdf
Tekst van het document
Afbeelding 5.1 – uitsnede AERIUS
De interne wijziging binnen het bedrijf, namelijk de wijziging van een melkrundveehouderij naar een akkerbouwbedrijf, wordt mogelijk gemaakt met intern salderen. Sinds 18 december 2024 mag intern salderen niet meer in de voortoets betrokken worden. Intern salderen mag in het projectspoor wel als mitigerende maatregel in de passende beoordeling bij de verplichte vergunningaanvraag worden meegenomen. Dit betekent dat intern salderen vergunningplichtig is geworden. De gemeente Dinkelland trekt deze lijn door naar het planspoor. Van belang is dat het nieuwe plan plaatsvindt in directe samenhang met beëindiging van de veehouderijactiviteiten op dezelfde locatie in het kader van de opkoopregeling. Het doel van de regeling is om daarmee stikstofemissie door vrijwillige beëindiging van veehouderijlocaties te verlagen en daarmee de stikstofdepositie vanuit de veehouderij op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden te verlagen, zodat die gebieden kunnen worden behouden en kunnen herstellen. Op grond van deze regeling mag maximaal 15% van de oorspronkelijk met het project vergunde ruimte worden benut. De mitigatie die ingezet wordt voor het nieuwe project is niet aan te merken als ‘passend’, aangezien deze voortvloeit uit een passende maatregel, zijnde de opkoopregeling. Daarmee wordt immers bijgedragen aan de doelen in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn.
Vervolgonderzoek in het kader van stikstofdepositie wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Zie voor een nadere toelichting bijlage 2. Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied is niet gelegen binnen het NNN. In navolgende afbeelding zijn met donkergrijs de NNN-gebieden in de omgeving van de locatie weergegeven. Daaruit volgt dat de bedrijfslocatie op circa 600 meter afstand van het Natuurnetwerk Nederland is gelegen. Echter wordt dit gebied niet aangetast cq. doorkruist.
Afbeelding 5.2 – impressie ligging plangebied ten opzichte van NNN-netwerk
Beschermde houtopstanden Binnen het projectgebied zijn geen beschermde houtopstanden gelegen. Daarnaast heeft het voornemen geen negatieve invloed op omliggende beschermde houtopstanden. Een toetsing aan het onderdeel houtopstanden is in dit voornemen dan ook niet aan de orde. Soortenbescherming In relatie tot de soortenbescherming kan over het plangebied worden opgemerkt dat het voornemen ziet op het planologisch borgen dat op de locatie in de toekomst geen dieren meer mogen worden gehouden (bedrijfsmatig). Gezien het voorgaande is van een negatief effect van de ontwikkeling op beschermde flora en fauna is dan ook geen sprake. Conclusie Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 5.5 Luchtkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate
bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Toetsing plan Op basis van artikel 5.54 van het Bkl worden bepaalde typen van inrichtingen uitgezonderd van de onderzoeksplicht. Het betreft bepaalde onder andere landbouwinrichtingen.
Er is sprake van een landbouwinrichting die in het artikel genoemd wordt, namelijk akkerbouw- of tuinbedrijven met open grondteelt. Er is daarom sprake van een NIBM-inrichting. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit’ • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Het plangebied is niet gelegen in een aandachtsgebied zoals opgenomen in artikel 5.51 lid 2 van het Bkl. Derhalve hoeft in dit kader geen nader onderzoek te worden verricht naar luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5 en PM10) van belang.
De geldende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) bedroeg de concentratie PM2,5 in 2023 ter plaatse minder dan 8 µg/m³, de concentratie PM10 minder dan 14 µg/m³ en de concentratie NO2 minder
dan 10 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Het voorgenomen initiatief is niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit het Bkl. 5.6 Geluid Algemeen De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.
De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • • • • •
het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Toetsing plan Met het oog op het beperken van geluidhinder is voor geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw een waarde vastgesteld. In onderhavig geval is geen sprake van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw. In die zin hoeft niet te worden getoetst of de waarden voor geluid worden overschreden. Anderzijds zal het akkerbouwbedrijf en het hobbymatig houden van paarden/pony’s geen geluidhinder opleveren voor omliggende burgerwoningen. Het akkerbouwbedrijf heeft conform de VNG-brochure een richtafstand voor geluid van 30 meter. De werkelijke afstand tot de maatgevende woning aan de Elsweg 8 bedraagt 260 meter. Er wordt ruim aan de afstand voldaan. Ook zonder akoestisch onderzoek is het dus aannemelijk dat wordt voldaan aan de standaardwaarden met betrekking tot geluid die zijn opgenomen in het omgevingsplan (zie art. 22.62 omgevingsplan). Voorts is van belang dat volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) de gemiddelde geluidsbelasting op omliggende burgerwoningen aanzienlijk minder dan 45 dB bedraagt.
Dit volgt uit de kaart die te raadplegen is via atlasleefomgeving. Aangezien de geluidsbelasting de toelaatbare geluidsbelasting niet overschrijdt, kan worden gesteld dat sprake is van een goed woonen leefklimaat. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Afbeelding 5.3 – uitsnede kaart Atlasleefomgeving
Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 5.7 Geur Algemeen Paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl bevat instructieregels die zorgen voor de toedeling van functies die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Er zijn voor drie bronnen regels gesteld: zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2), het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3) en enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4). Volgens artikel 5.92 Bkl wordt rekening gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat deze aanvaardbaar is. Met deze bepaling is geregeld dat bij de vaststelling van een omgevingsplan/BOPA in ieder geval rekening wordt gehouden met de geur van activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij moet rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. Wat aanvaardbaar is, kan afhankelijk zijn van de specifieke plaatselijke situatie en vergt een zorgvuldige belangenafweging van de gemeenteraad. Voor Dinkelland is er lokaal beleid ten aanzien van geur afkomstig van veehouderijen opgesteld in de Geurgebiedsvisie en de Geurverordening. Bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functie moet ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering.
Om dat te beoordelen moet er worden getoetst aan de normen in de BS en Bal waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als deze er niet toe leidt dat het geur emitterende bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor hem geldende normen (BS en Bal) dan is er sprake van een beperking in de bedrijfsvoering. Bij deze toets kan de Geurverordening van Dinkelland van belang zijn. Toetsing plan Met onderhavig planvoornemen is sprake van het wijzigen van een activiteit zodat het exploiteren van een veehouderij (met uitzondering van hobbymatig) wordt uitgesloten aan de Rammelbeekweg 29 te Lattrop-Breklenkamp. In plaats van een melkrundveehouderij wordt een akkerbouwbedrijf uitgeoefend. Het akkerbouwbedrijf zal naar verwachting nauwelijks geurhinder opleveren. De geurhinder zal, in
vergelijking tot de veehouderij, in ieder geval afnemen. Oorzaak hiervan is dat de akkerbouw met name de bewerking en opslag van gewassen en de stalling van werktuigen bevat. Deze activiteiten brengen geen geur met zich mee. Voor wat betreft de geur behorende bij een akkerbouwbedrijf geldt dat een afstand van 10 meter gehanteerd moet worden ten opzichte van omliggende gevoelige objecten. Hier wordt ruim aan voldaan. Conform artikel 22.101 van het omgevingsplan dient de afstand van een veehouderij waar dieren worden gehouden zonder geuremissiefactor (zoals de hobbymatig te houden paarden) tot een geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom 50 meter te bedragen voor het aspect geur. Aan deze afstand wordt voldaan. Conclusie Vanuit geurhinder bestaan er geen belemmeringen voor het planvoornemen. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies voor wat betreft het aspect geur. 5.8 Omgevingsveiligheid Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl).
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl.
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Specifieke situaties Bkl
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Toetsing plan Er moet getoetst worden aan regels omtrent externe veiligheid wanneer sprake is van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Met onderhavige ontwikkeling is sprake van het planologisch uitsluiten van het houden van dieren op de locatie aan de Rammelbeekweg 29 te Lattrop-Breklenkamp. Hiermee wordt de overstap gemaakt van een veehouderij naar een akkerbouwbedrijf. Het betreft geen (beperkt of zeer) kwetsbaar gebouw of locatie. Ondanks dat geen sprake is van een kwetsbare locatie heeft toch onderzoek plaatsgevonden naar risicobronnen in de omgeving van het plangebied.
Aan de hand van de EV-signaliseringskaart en de Atlas leefomgeving is bekeken of in de directe omgeving (binnen een straal van 1.500 meter) van het plangebied zich risicobronnen bevinden. Op 1,1 km afstand bevindt zich aan de Korenmorsweg 2 te Denekamp een mestvergister. Voor de veiligheid dient ten aanzien van mestvergisters een afstand van 50 meter te worden gehanteerd. Er wordt ruim voldaan aan deze afstand. Het plangebied bevindt zich niet in de risicocontour van de mestvergister. Voor het overige bevinden zich geen risicobronnen in de omgeving van het plangebied waar met onderhavig plan rekening mee moet worden gehouden. Zie navolgende afbeelding voor een uitsnede van de kaart.
Afbeelding 5.4 – uitsnede kaart met ligging plangebied ten opzichte van risicobronnen
Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 5.9 Trilling Algemeen Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl bevat instructieregels die zien op activiteiten, anders dan het wonen, die op een locatie worden uitgevoerd en die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. De instructieregels gelden zowel bij het toestaan van de trillingveroorzakende activiteit, als bij het toestaan van trillinggevoelige gebouwen. De in deze paragraaf vastgelegde instructieregels zijn niet van toepassing op trillingen die afkomstig zijn van het gebruik van woningen. Het onderdeel trillingen is vervolgens uitgewerkt in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van de Bruidsschat en art. 5.87 Bkl. Toetsing plan Met het planvoornemen wordt geen locatie toegelaten die trillingen veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, zoals een woonfunctie, een onderwijsfunctie of een gezondheidszorgfunctie.
In dit kader is van belang dat het plangebied landelijk is gelegen en dat de dichtstbijzijnde woning zich bevindt op een afstand van 260 meter. De enige trilling die zou kunnen voorkomen betreft het stationair draaien van motoren van voertuigen, maar deze trilling is dusdanig beperkt van aard dat dit geen gevolgen heeft voor omliggende woningen. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.11 Archeologie Algemeen De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onder¬zoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumen¬ten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waar¬denkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorischedubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan.
Toetsing plan Conform de cultuurhistorische waardenkaart is het plangebied gedeeltelijk gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting en gedeeltelijk in een gebied met een lage archeologische verwachting. Zie ter impressie navolgende afbeelding. De archeologische verwachtingen zijn doorvertaald in het tijdelijk deel van het omgevingsplan door dubbelbestemmingen op te nemen. De dubbelbestemmingen hebben tot doel om gebieden met archeologische waarden te behouden en te beschermen. Het plangebied is niet voorzien van een dergelijke dubbelbestemming. Dit betekent dat het plangebied geen bescherming geniet, waardoor in geval van gebouwelijke ontwikkelingen geen archeologische onderzoeksplicht geldt. Afbeelding 5.5 – uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (archeologie)
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.13 Bodem Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; o beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; o evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; o duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. Toetsing plan In onderhavig geval is enkel sprake van het planologisch borgen dat in de toekomst geen vee meer mag worden gehouden op de locatie aan de Rammelbeekweg 29 te Lattrop-Breklenkamp. Initiatiefnemer zal als gevolg hiervan overstappen naar akkerbouw.
Van belang is echter dat onder de huidige functie met bijbehorende functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch gebruik’ akkerbouw rechtstreeks is toegestaan. In die zin vindt geen wijziging plaats van het omgevingsplan voor het grondgebruik en de functie. Dit betekent dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie als akkerbouw. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 5.14 Waterbelang In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water en watersystemen. Algemeen Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Rijksbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt.
Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Provincie In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.
Waterschap vechtstromen
Ter plaatse van de projectlocatie is waterschap Vechtstromen (hierna: het waterschap) verantwoordelijk voor het waterbeheer. Het beleid van het waterschap is verwoord in het Waterbeheerprogramma 20222027. Het Waterbeheerprogramma is een belangrijk instrument, waarmee het waterschap aangeeft welke beleidsdoelen het nastreeft, welke inspanningen het pleegt om dat beleid te realiseren en welke financiële middelen daarmee gemoeid zijn. Toetsing plan Op 21 februari 2023 is in het kader van het planvoornemen de digitale watertoets ingevuld. Zie voor de digitale watertoets bijlage 3. Op basis van de locatie en de gegeven antwoorden blijkt dat de korte procedure van toepassing is. Dit betekent dat kan worden volstaan met de standaard waterparagraaf. Riolering en afvalwaterketen Via een gescheiden stelsel wordt ter plaatse het afvalwater en het hemelwater gescheiden van elkaar getransporteerd. Hemelwater Het voornemen ziet op het planologisch borgen dat in de toekomst geen vee meer kan worden gehouden op de locatie aan de Rammelbeekweg 29 te Lattrop-Breklenkamp. Initiatiefnemers maken de overstap naar akkerbouw. Alle bedrijfsbebouwing (muv machineberging overkant van de weg) wordt gesloopt en hiervoor in de plaats wordt één nieuwe machineberging gerealiseerd. De berging heeft een oppervlak van 1.055 m2 en wordt gerealiseerd op de plek waar momenteel de ligboxenstal staat.
Het oppervlak bebouwing neemt met 693 m2 af. Oppervlaktewater In navolgende afbeelding zijn de waterlopen in de omgeving van het plangebied weergegeven. Het plangebied doorkruist geen waterlopen. Wel bevindt zich direct ten zuiden van het plangebied een waterloop. Het voornemen leidt niet tot nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater aangezien geen water wordt aan- of afgevoerd uit oppervlaktewaterlichamen. Bovendien wordt met het planvoornemen geen water onttrokken aan oppervlaktewaterlichamen. Afbeelding 5.4 – uitsnede leggerkaart Vechtstromen
Conclusie Vanuit het aspect water en watersystemen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
6
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
6.1 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels. In Hoofdstuk 3 Beleid en Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten is aangegeven dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In deze paragraaf worden de conclusies uit de genoemde hoofdstukken beschreven. In paragraaf 5.2 wordt beschreven op welke wijze het TAM-omgevingsplan is opgesteld. Het planvoornemen heeft betrekking op het planologisch waarborgen dat geen dieren meer mogen worden gehouden op de locatie aan de Rammelbeekweg 29 te Lattrop-Breklenkamp. In plaats van de veehouderij wordt in de toekomst akkerbouw uitgeoefend. Als gevolg van het beëindigen van het agrarisch bedrijf neemt zowel de ammoniak als de geurhinder af. Daarnaast wordt door de sloop van verouderde bebouwing en het realiseren van een nieuwe machineberging, de ruimtelijke kwaliteit verhoogd. Het bebouwd oppervlak neemt aanzienlijk (met 693 m2) af. Voorts wordt een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit door uitvoering van het landschappelijk inpassingsplan. De nieuwe functie akkerbouw past bij de aard van het gebied waar veelal agrarische bedrijvigheid aanwezig is.
Aangezien akkerbouw reeds is toegestaan binnen de aanwezige agrarische functie, zal de impact van de beoogde ontwikkeling beperkt van aard zijn en treden er geen nadelige gevolgen voor het milieu op. Verondersteld wordt dat de wijziging voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 6.2 Wijzigen omgevingsplan Voor de systematiek van het 'TAM-omgevingsplan Rammelbeekweg 29 te Lattrop-Breklenkamp’ is aangesloten bij het ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2010’. Via dit TAM-omgevingsplan wordt via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan gewijzigd. Het TAM-omgevingsplan maakt juridisch gezien deel uit van het omgevingsplan, maar heeft technisch gezien het 'oude' format. Dit betekent dat oude begrippen zoals bestemmingsregels nog in het TAM-omgevingsplan voorkomen. De regels van het TAM-omgevingsplan zijn onderverdeeld in: • • • •
Inleidende regels; Bestemmingsregel; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.
6.2.1 Inleidende regels Om misverstanden over de toepassing en interpretatie van het TAM-omgevingsplan te voorkomen worden in de begripsbepalingen (artikel 1) de verschillende in het plan voorkomende begrippen nader omschreven, ook om de eenduidigheid bij het gebruik van het plan te bevorderen. Bij de meet- en regelbepalingen (artikel 2) wordt beschreven hoe voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan bepaalde maten gemeten dienen te worden. Alleen de begrippen en meet- en regelbepalingen die nodig zijn voor de toepassing van dit TAMomgevingsplan zijn opgenomen. 6.2.2 Bestemmingsregels De regels zijn opgebouwd volgens een vast stramien. De volgende standaardindeling wordt gehanteerd: • • •
Functieomschrijving; Beoordelingsregels; Specifieke functieregels;
• •
Omgevingsplanactiviteit; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden.
In het voorliggende TAM-omgevingsplan komt de volgende functie voor: ‘Agrarisch – 1’. Nadere toelichting op regels De functie ‘Agrarisch – 1’ wordt ter plaatse gebruikt voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf dat uitsluitend is gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen. Hiervoor wordt de activiteitaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel akkerbouw bedrijf’ opgenomen. De activiteitaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf’, op grond waarvan zowel een grondgebonden als een niet-grondgebonden bedrijf is toegestaan, wordt verwijderd. De vergunningen van de veehouderij worden ingetrokken, zodat alleen nog hobbymatig dieren kunnen worden gehouden. Het bouwvlak blijft ongewijzigd. 5.2.3 Algemene regels en overgangsregels In het TAM-omgevingsplan is een aantal algemene regels opgenomen. Het betreft hier een aantal algemene bouw- en gebruiksregels en een aantal algemene afwijkingsregels. Tenslotte zijn bepalingen ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen in het TAM-omgevingsplan.
7
Bijlagen
Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3:
Landschappelijk inpassingsplan Rapport stikstof Digitale watertoets