Toelichting TAM-IMRO Rammelbeekweg 29.pdf
Tekst van het document
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d Buitengebied Lattrop-Breklenkamp, Rammelbeekweg 29
Inhoudsopgave 1.
Inleiding ............................................................................................................................................ 3 1.1 1.2 1.3
2.
Inleiding en aanduiding plangebied ..................................................................................... 3 Beoordelingskader en belangenafweging ........................................................................... 3 Leeswijzer ............................................................................................................................ 4
Toekomstige situatie ........................................................................................................................ 6 2.1 Gewenste ontwikkeling............................................................................................................... 6 2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving .................................................................. 7
3.
Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege ................................................................................. 9 3.1 Omschrijving gevraagde activiteiten .......................................................................................... 9 3.2 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege ........................................................................... 9 3.2.1 Strijdigheden met bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’ ...................................................... 9 3.2.2. Bruidsschat ............................................................................................................................. 9 3.2.3 Gemeentelijke verordeningen ............................................................................................... 10
4.
Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg en participatie .............................................................. 11 4.1 Visie en beleid voor het plangebied ......................................................................................... 11 4.1.1 Nationale omgevingsvisie ..................................................................................................... 11 4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024 ............................................... 11 4.1.3 Omgevingsvisie Dinkelland ................................................................................................... 17 4.1.4 Buitengebied met kwaliteit .................................................................................................... 18 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders ........................................................ 20 4.2.1 Provinciaal vooroverleg ......................................................................................................... 20 4.2.2 Participatie omgeving ............................................................................................................ 20
5
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu ...................................................................................... 22 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking ..................................................................................... 22 5.2 m.e.r.-beoordeling .................................................................................................................... 23 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren ........................................................................... 23 5.4 Soortenbescherming en gebiedsbescherming ......................................................................... 24 5.5 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................ 27 5.6 Geluid ....................................................................................................................................... 29 5.7 Geur.......................................................................................................................................... 30 5.8 Omgevingsveiligheid ................................................................................................................ 31 5.9 Trilling .......................................................................................................................................
33 5.11 Archeologie ............................................................................................................................ 34 5.13 Bodem .................................................................................................................................... 35 5.14 Waterbelang ........................................................................................................................... 35
6
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties .......................................................................... 37 6.1 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties .................................................................... 37 6.2 Wijzigen omgevingsplan........................................................................................................... 37
7
Bijlagen ........................................................................................................................................... 39
1. Inleiding 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied Initiatiefnemer exploiteert ter plaatse van de Rammelbeekweg 29 te Lattrop-Breklenkamp een melkrundveehouderij met jongveeopfok. De maatschap heeft zich aangemeld voor de eerste tranche van de ‘Maatregel gerichte aankoop en beëindiging’(MGA-1), de zogenaamde ‘opkoopregeling’ van het ministerie van LNV die door de provincie wordt uitgevoerd. Initiatiefnemer zal de veehouderij beëindigen en de overstap maken naar akkerbouw. Als gevolg van deelname aan de regeling dient te worden gewaarborgd in het omgevingsplan dat de locatie niet langer gebruikt kan worden voor enige vorm van veehouderij. Aangezien het geldende ruimtelijke plan zodanig gewijzigd moet worden dat het houden van dieren op de betreffende locatie uitgesloten wordt, wordt een TAM-omgevingsplan opgesteld. Afbeelding 1.1 – impressie bestaande situatie
1.2 Beoordelingskader en belangenafweging Beoordelingskader Een TAM-imro is een alternatieve mogelijkheid om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer dit nog niet mogelijk is met de nieuwe standaarden onder de Omgevingswet. De TAM-imro wordt gebruikt voor het planologisch borgen van activiteiten die niet voldoen aan de regels van het omgevingsplan van rechtswege. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat uit: - (ruimtelijke) regels uit verschillende in artikel 4.6 Invoeringswet aangewezen vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen; - rijksregels over activiteiten, aangeduid als de bruidsschat. Bij het wijzigen van het omgevingsplan door middel van TAM-imro geldt enerzijds dat sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op het plan) nader worden onderzocht en afgewogen. De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. De volgende regels en instructies zijn van toepassing:
-
de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld. Bij het wijzigen van het omgevingsplan door middel van TAM-imro is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn deze regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit plangebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De initiatiefnemer wenst haar plan te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat. Belangenafweging Het college heeft bij het wijzigen van het omgevingsplan beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoeringen vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.
Een dergelijke beslissing is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het plangebied. Verder mag het plan niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit plangebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen. Onderhavige ontwikkeling, namelijk het formeel staken van de veehouderij en het uitsluiten van het houden van vee op de locatie voor in de toekomst, voldoet aan het vereiste dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het plan bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.
De wijziging van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het plan te realiseren. 1.3
Leeswijzer
Het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting (inclusief bijlagen). De onderhavige toelichting dient als motivering bij de te volgen procedure. De toelichting bij dit TAM-omgevingsplan bestaat uit 6 hoofdstukken. • Na de inleiding wordt in hoofdstuk 2 een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. • In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. • Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject.
• •
In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de systematiek van het TAM-omgevingsplan aan de orde.
2. Toekomstige situatie 2.1 Gewenste ontwikkeling Initiatiefnemer exploiteert een melkrundveehouderij met jongveeopfok. Initiatiefnemer heeft zich met het bedrijf aangemeld voor de eerste tranche van de ‘Maatregel gerichte aankoop en beëindiging’ (MGA-1) die op 4 november 2020 is opengesteld middels de ‘Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden’ (Rpav). Het betreft de zogenaamde ‘opkoopregeling’ van het Ministerie van LNV die door de provincie uitgevoerd wordt. Initiatiefnemer zal de veehouderij beëindigen en de overstap maken naar akkerbouw. Daarnaast houdt initiatiefnemer hobbymatig paarden en pony’s. Als gevolg van deelname aan de regeling dient te worden gewaarborgd in het ruimtelijk plan dat de locatie niet langer kan worden gebruikt voor enige vorm van veehouderij (met uitzondering van het hobbymatig houden van dieren). Onderhavig plan voorziet er enkel in dat de veehouderijactiviteiten juridisch planologisch worden uitgesloten voor in de toekomst. Met deelname aan de regeling wordt de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor het agrarisch bedrijf gedeeltelijk ingetrokken en wordt de bebouwing ten behoeve van de veehouderij gesloopt. Het betreft de bestaande ligboxenstal en overige bouwwerken behorende bij het agrarisch bedrijf. Enkel de machineberging aan de overkant van de weg en de bedrijfswoning blijven behouden.
Initiatiefnemer zal het bedrijf voort zetten door akkerbouw uit te oefenen op de locatie aan de Rammelbeekweg 29 te Lattrop-Breklenkamp in combinatie met het hobbymatig houden van dieren. Het akkerbouwbedrijf betreft een volwaardig en actief agrarisch bedrijf. De toekomstige bedrijfsvoering beslaat een akkerbouwbedrijf met ca. 25 hectare grond waar onder andere gewassen worden geteeld, zoals mais en gras, en gronden worden bewerkt. Voor de opslag van gewassen en het stallen van landbouwvoertuigen wordt een machineberging gerealiseerd met een oppervlakte van 1.055 m2. Parallel aan de machineberging wordt een kleine berging met carport gebouwd. De carport staat ten dienste van de bedrijfswoning. De nieuw te realiseren bebouwing is reeds vergund. Zie voor een impressie van de toekomstige situatie navolgende afbeelding. Afbeelding 2.1 – impressie toekomstige situatie
2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door agrarische gronden, agrarische bedrijfsactiviteiten en enkele burgerwoningen die op afstand zijn gelegen. De dichtstbijzijnde gelegen burgerwoning betreft de Elsweg 8 te Lattrop-Breklenkamp op 260 meter afstand. Het dichtstbijzijnde bedrijf bevindt zich op 122 meter afstand aan de Elsweg 9 te Lattrop-Breklenkamp. Met het voornemen is sprake van een aanzienlijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Alle bedrijfsbebouwing (met uitzondering van de bedrijfswoning en de machineberging aan de overkant van de weg) wordt gesloopt. Hiervoor in de plaats wordt een moderne machineberging met aanbouw gerealiseerd. Het bebouwd oppervlak neemt af met circa 693 m2. Daarnaast worden alle sleufsilo’s verwijderd en wordt een groot deel verharding weggenomen. Het aanzicht vanaf de weg wordt hierdoor verbeterd. De situering en ruimtelijke uitstraling van de nieuwbouw zal aansluiten op het bestaande bedrijfsperceel. De nieuwe machineberging wordt immers gerealiseerd op de plek van de ligboxenstal. De huidige bebouwing is reeds landschappelijk ingepast door de bomenrijen die aanwezig zijn op het perceel, zowel aan de oostzijde als aan de noordzijde (wegkant). Deze bomen blijven behouden. Daarnaast wordt met het voornemen een aanvullende landschappelijke inpassing opgesteld.
De landschappelijke inpassing dient ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Zie voor het landschappelijk inpassingsplan bijlage 1 en navolgende afbeelding. Afbeelding 2.2 – uitsnede landschappelijke inpassing
Conform landschappelijke inpassing wordt evenwijdig aan de nieuw te bouwen machineberging een houtsingel geplaatst met solitaire bomen en onderbeplanting met een totale oppervlakte van 520 m 2. Daarnaast wordt aan de voorzijde een nieuw te planten walnotenboom geplaatst. Functioneel gezien past de nieuwe functie goed in de omgeving, aangezien het plangebied is gelegen in het agrarisch gebied. Voorts kan worden opgemerkt dat het houden van vee planologisch uitgesloten wordt en dat de vergunningen gedeeltelijk worden ingetrokken. Op deze wijze wordt gegarandeerd dat ter plaatse geen veehouderij meer wordt uitgeoefend. Dit draagt bij aan verbetering van het woon- en leefklimaat ter plaatse. Het plan is vanuit ruimtelijk oogpunt goed inpasbaar in de omgeving. Het perceel is in de bestaande situatie via twee inritten ontsloten op de Rammelbeekweg en via twee inritten ontsloten op de Elsweg. Deze inritten op de Rammelbeekweg blijven ongewijzigd. De uitsluiting op de Elsweg word teruggebracht naar één inrit. Het akkerbouwbedrijf is hierdoor goed bereikbaar. Zie voor een uitgebreidere onderbouwing paragraaf 5.3.
3. Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege In deze paragraaf wordt het initiatief getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege, bestaande uit: - Bestemmingsplannen, wijzigingsplannen - Hoofdstuk 22 Bruidsschat - Hogere waarden besluiten - Gemeentelijke verordeningen: Erfgoedverordening, Geurverordening Dinkelland, Verordening afvoer van hemelwater, Bodemkwaliteitskaart, Nota Omgevingskwaliteit (welstand); 3.1 Omschrijving gevraagde activiteiten Het voornemen omvat het juridisch-planologisch uitsluiten van veehouderijactiviteiten aan de Rammelbeekweg 29 te Lattrop-Breklenkamp. Deze wijziging is noodzakelijk voor deelname aan de opkoopregeling van het Ministerie van LNV. Het agrarisch bedrijf zal worden voortgezet als akkerbouwbedrijf. 3.2 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege 3.2.1 Strijdigheden met bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’ Op grond van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’ is het perceel bestemd als ‘Agrarisch – 1’. Het perceel kent bovendien een functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf’. Op grond van de functie en aanduiding is een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in combinatie met een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering toegestaan. Afbeelding 3.1 – uitsnede bestemmingsplan
Initiatiefnemers nemen deel aan de opkoopregeling waarna ze overstappen op akkerbouw. Om deel te nemen aan de opkoopregeling moet het planologisch onmogelijk worden gemaakt om een veehouderij uit te oefenen op locatie. De functie ‘Agrarisch - 1’ zal op de locatie behouden blijven ten behoeve van akkerbouw. Het uitsluiten van een veehouderij op locatie is geen mogelijkheid op grond van het omgevingsplan. Hiervoor wordt een TAM-imro procedure gevolgd. 3.2.2. Bruidsschat Van belang is dat met het voornemen enkel planologisch wordt gewaarborgd dat ter plaatse geen veehouderijactiviteiten meer uitgeoefend mogen worden. Het bouwvlak blijft ongewijzigd en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf’ wordt vervangen door ‘specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel akkerbouw bedrijf’. Voor de bouw van de nieuwe machineberging is reeds een omgevingsvergunning voor bouwen verleend. Enkel de bepalingen over geur, geluid en trillingen uit de bruidsschat zijn relevant voor het planvoornemen. Zie hoofdstuk 5 voor een toetsing van het planvoornemen aan deze aspecten.
3.2.3 Gemeentelijke verordeningen Geurverordening Gemeente Dinkelland heeft verschillende verordeningen vastgesteld. In het kader van de reeds uitgeoefende activiteit ter plaatse van de Rammelbeekweg 29 te Lattrop-Breklenkamp en het voorgenomen plan is de geurverordening relevant. De raad van de gemeente Dinkelland heeft op 19 april 2016 de Verordening geurhinder vastgesteld. In de geurverordening hanteert de gemeente eigen waarden (normen of afstanden) voor de geurhinder van veehouderijen. Conform de voorheen geldende Wet geurhinder en veehouderij dient de afstand tussen dierenverblijven met dieren waarvoor geen geuremissie per dier is vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij en een geurgevoelig object op zijn minst 50 meter bedragen. Deze afstand wordt in de geurverordening van Dinkelland verlaagd naar 25 meter, mits niet wordt voldaan aan de afstand van 50 meter en zij na 19 april 2016 niet hebben uitgebreid in het aantal vaste afstandsdieren. Omliggende percelen zijn allen op grotere afstand dan 50 meter gelegen. De geurverordening is als zodanig niet van toepassing voor het agrarisch bedrijf en het voorgenomen plan. Van belang is echter dat met het plan het houden van dieren op de locatie planologisch wordt uitgesloten en dat de overstap wordt gemaakt naar akkerbouw. Derhalve zal de geurhinder aanzienlijk afnemen.
4. Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg en participatie 4.1 Visie en beleid voor het plangebied Toetsing aan nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid/kaders. Vanuit het oogpunt van beleidsdoorwerking vooral gericht op gemeentelijke (omgevings)visie en beleid. 4.1.1 Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied De NOVI noemt de volgende nationale belangen die relevant zijn voor het planvoornemen: • • •
Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; Verbeteren en beschermen van natuur.
Toetsing plan De leefomgevingskwaliteit omvat zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het plan heeft een positief effect op beide aspecten. De ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd door de sloop van (verouderde) agrarische bedrijfsbebouwing zoals de schuren en het verwijderen van de sleufsilo’s. Hiervoor in de plaats wordt voorzien in moderne nieuwbouw. Het perceel inclusief de nieuwbouw wordt landschappelijk ingepast door de uitvoering van het landschappelijk inpassingsplan. Daarnaast wordt bijgedragen aan de milieukwaliteit. Doordat op de locatie in de toekomst geen veehouderijbedrijf mag worden uitgeoefend, wordt zowel het uitoefenen van een grondgebonden veehouderijbedrijf als een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf uitgesloten. Initiatiefnemer zal enkel hobbymatig dieren mogen houden. In de toekomstige situatie worden hobbymatig enkele paarden en pony’s gehouden. De geurhinder zal afnemen wanneer geen dieren meer worden gehouden. Door de staking van de veehouderij, met als gevolg dat de ammoniakemissie aanzienlijk zal afnemen, wordt bovendien bijgedragen aan verbetering en bescherming van de natuur. Tot slot is van belang dat initiatiefnemers de overstap maken naar akkerbouw. Hierdoor kan op verantwoorde wijze duurzaam voedsel worden geproduceerd.
4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024 Omgevingsvisie Overijssel Provinciale Staten van Overijssel hebben op 12 april 2017 de Omgevingsvisie Overijssel 2017 (hierna: de omgevingsvisie) vastgesteld. Naderhand is de omgevingsvisie meerdere malen geactualiseerd. De laatste actualisatie dateert van 8 november 2023. In de omgevingsvisie schetst de provincie haar visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de rode draden van de omgevingsvisie: -
Bij duurzaamheid horen de volgende vier ambities: o een klimaatbestending Overijssel; o een duurzame energiehouding; o het sluiten van kringlopen; o het beter benutten van bestaande ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur
-
bij ruimtelijke kwaliteit horen de volgende zeven ambities:
o o o o o o o -
natuur als ruggengraat; een continu en beleefbaar watersysteem als dragende structuur van Overijssel; voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen; brede waaier aan woon-, werk- en mixmilieus: elk buurtschap, dorp en stad zijn eigen kleur; zichtbaar en beleefbaar mooi landschap; het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken; sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel.
bij sociale kwaliteit horen de volgende drie ambities: o het Overijssels ‘noaberschap’ koesteren; o stimuleren van culturele identiteit; o verbinden van de lokale kennis en energie met de ontwikkeling van provinciaal beleid en de uitvoering van ruimtelijke opgaven.
Centrale beleidsambitie en provinciale belangen De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities. Deze benadert de provincie vanuit de – overkoepelende – rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit, waarvoor zij – themaoverstijgende – kwaliteitsambities heeft geformuleerd. De negen centrale beleidsthema’s zijn: 1. Woonomgeving: goed en plezierig wonen, nu en in de toekomst; 2. Economie en vestigingsklimaat: een vitale en zichzelf vernieuwende regionale economie met flexibele vestigingsmogelijkheden; naast kennisintensieve maakindustrie, mkb en logistiek ook voor topsectoren, ondernemingen, start-ups en zzp-ers; 3. Natuur: een gezonde en aantrekkelijke natuur voor mensen, dieren en planten; een natuur die beleefd en gebruikt kan worden, kan profiteren van (economische) ontwikkelingen en rijk is aan plant- en diersoorten (biodiversiteit); 4. (Binnen-)steden en landschap: versterken complementariteit van bruisende steden en vitaal platteland als ruimtelijk, cultureel, sociaal en economisch samenhangend geheel; 5. Mobiliteit: een veilige, betrouwbare (tijdsduur) en vlotte (keten)reis van personen en goederen van en naar stedelijke netwerken binnen en buiten Overijssel; 6.
Regionaal waterbeheer: watersystemen met goede ecologische en chemische kwaliteit, die voor de lange termijn klimaatbestendig, veilig en beleefbaar zijn; 7. Veiligheid en gezondheid: veilig, gezond en schoon kunnen wonen, werken, recreëren en reizen; 8. Energie: een betrouwbare, duurzame en betaalbare energievoorziening met beperking van uitstoot van broeikasgassen; 9. Ondergrond: balans behouden tussen gebruik en bescherming van de ondergrond. De centrale beleidsambities geven een overzicht van alle onderwerpen die Overijssel in ieder geval van provinciaal belang vinden. Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de provinciale ambities, gebruikt Overijssel het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Dit model (zie figuur 3.1) is gebaseerd op drie niveaus, te weten: 1. generieke beleidskeuzes: ‘of’ er een maatschappelijke opgave is; 2. ontwikkelingsperspectieven: ‘waar’ het initiatief past en ontwikkeld kan worden; 3. gebiedskenmerken: ‘hoe’ een initiatief ingepast kan worden in het landschap.
Afbeelding 4.1 – uitsnede omgevingsvisie
Generieke beleidskeuzes (‘of’) Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In heel Overijssel is een aantal beleidskeuzes van toepassing op nagenoeg alle thema’s en locaties. Dit zijn: • integraliteit; • toekomstbestendigheid; • concentratiebeleid; • (boven)regionale afstemming; • zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Samen geven deze beleidskeuzes invulling aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Deze Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de stappen die gemeenten in de onderbouwing van nieuwe stedelijke ontwikkelingen op grond van de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening) moeten doorlopen. Dit stelt immers ook eisen aan het onderbouwen van de (regionale) behoefte en de regionale afstemming van stedelijke ontwikkelingen. De Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden. Ontwikkelingsperspectieven (‘waar’) Na het beantwoorden van de ‘of-vraag’, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de visie op de toekomst van Overijssel onderscheidt de provincie zes ontwikkelingsperspectieven.
Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. Gebiedskenmerken: vier-lagen-benadering (‘hoe’) Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken verstaat de provincie de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor alle gebiedstypen in Overijssel zijn in de Catalogus Gebiedskenmerken (hierna: de catalogus) beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden. De aanwezige gebiedskenmerken zijn onderscheiden in vier lagen: 1. Laag van de beleving: de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving; 2. Stedelijke laag: de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en waterwegen;
3. Laag van de agrarisch cultuurlandschappen: het palet van agrarische cultuurlandschappen met hun dragende structuren en nederzettings-vormen; 4. Natuurlijke laag: de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier ‘van nature’ op vestigt. Toetsing plan Generieke beleidskeuzes (of) Het plangebied ligt volgens de gebiedsspecifieke beleidskeuzekaart van de provincie Overijssel in het Nationaal Landschap Noordoost-Twente. Het Nationale Landschap Noordoost-Twente is een gebied met (inter)nationaal zeldzame of unieke landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. De provincie wil (onderdelen van) het voormalig rijksbeleid voortzetten omdat de Nationale Landschappen dé parels zijn van het Overijsselse landschap. Het ruimtelijke beleid is gericht op het behouden, duurzaam beheren en waar mogelijk versterken van de bijzondere kwaliteiten van deze gebieden. Met onderhavig voornemen wordt enkel de mogelijkheid om ter plaatse vee te houden uitgesloten. Initiatiefnemers stappen over naar akkerbouw. In het kader van het plan wordt een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, met als doel dat de landschapswaarden worden behouden en worden versterkt. Afbeelding 4.2 – generieke beleidskeuzeskaart
Ontwikkelingsperspectief (Waar) Het projectgebied kent op basis van de ontwikkelingsperspectievenkaart van de provincie Overijssel het ontwikkelingsperspectief ‘Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’. Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, willen we in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Met onderhavig planvoornemen wordt iedere vorm van veehouderij uitgesloten. De agrarische functie en het bouwvlak blijven van kracht ten behoeve van de akkerbouwactiviteiten die initiatiefnemer wil uitoefenen. De functie ‘akkerbouw’ past binnen het landschap ter plaatse.
Zoals vermeld blijft de oppervlakte van het bouwvlak gelijk, waardoor niet méér bebouwing wordt toegestaan dan met het huidige ruimtelijke plan het geval is. Bovendien wordt voorzien in een landschappelijke inpassing, waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbeterd.
Afbeelding 4.3 - ontwikkelingsperspectievenkaart
Gebiedskenmerken (Hoe): laag van de beleving Op basis van de laag van beleving ligt het plangebied in het gebied ‘Donkerte’. Beoogd wordt om in dit gebied alleen minimaal noodzakelijk kunstlicht toe te passen. Er is veel aandacht voor het vermijden van onnodig kunstlicht bij ontwikkelingen in het buitengebied. Met het voornemen wordt geen extra kunstlicht toegevoegd in het buitengebied. Afbeelding 4.4 – laag van de beleving kaart
Gebiedskenmerken (Hoe): stedelijke laag Op basis van de stedelijke laag komen geen gebiedskenmerken voor in het plangebied. Gebiedskenmerken (Hoe): laag van het agrarisch cultuurlandschap Het plangebied is gelegen in het ‘Oude hoevenlandschap’. De ambitie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Deze erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken, recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplantingen. Binnen deze structuren zijn er vol op mogelijkheden om een functioneel grootschalige landbouw in een kleinschalig landschap te ontwikkelen. Binnen het plangebied wordt planologisch geborgd dat er plaatse geen veehouderijactiviteiten meer mogen worden uitgeoefend. Initiatiefnemers maken de overstap naar akkerbouw, een andere vorm van
landbouw. Aangezien binnen het Oude hoevenlandschap veel ruimte wordt geboden voor landbouw, past het planvoornemen binnen de ambities voor dit gebied. De kenmerkende structuren van het landschap zoals aanwezig ter plaatse worden in stand gehouden en verbeterd, onder andere door de uitvoering van het landschappelijk inpassingsplan. De ontwikkeling is dus inpasbaar in het landschap. Afbeelding 4.5 – kaart laag van het agrarisch cultuurlandschap
Gebiedskenmerken (Hoe): natuurlijke laag Het van toepassing zijnde gebiedskenmerk voor de natuurlijke laag is gedeeltelijk ‘Beekdalen en natte laagtes’ en gedeeltelijk ‘Dekzandvlakte en ruggen’. In de ‘Catalogus Gebiedskenmerken’ (hierna: de catalogus) is aan Dekzandvlakte en ruggen de volgende ontwikkelingsrichting gekoppeld: “Binnen het gebiedskenmerk ‘dekzandvlakten en ruggen’ dienen ontwikkelingen bij te dragen aan het beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Tevens is de (strekkings)richting van het landschap het uitgangspunt voor de ontwikkeling.” De ambitie voor de Beekdalen en natte laagtes is als volgt de definiëren: De ambitie is de beekdalen als functionele en ruimtelijke dragende structuren van het landschap betekenis te geven. Ruimte voor water, continuïteit van het systeem zijn leidend. Tevens is de ambitie afwenteling van wateroverlast op stroomafwaarts gelegen gebieden te voorkomen door het beeksysteem als eenheid te beschouwen en het vasthouden van water te bevorderen. Tot slot zijn beekdalen belangrijke verbindingen voor mens, plant en dier. Onderhavig plan doet geen afbreuk aan de bestaande landschappelijke en cultuurhistorische elementen. Afbeelding 4.6 – kaart natuurlijke laag
Conclusie Het plan past binnen de ambities die de provincie in de omgevingsvisie heeft verwoord. Omgevingsverordening Overijssel De omgevingsverordening wordt ingezet voor die beleidsonderwerpen uit de omgevingsvisie die de provincie juridisch vastgelegd wil hebben. Daartoe stelt de omgevingsverordening regels met betrekking tot de inhoud van omgevingsplannen. De Omgevingsverordening Overijssel 2024 (hierna: omgevingsverordening), die sinds 1 januari 2024 in werking is, bevat deze regels. In de omgevingsverordening zijn onder andere regels opgenomen over landschap en natuur en agrarische activiteiten, zoals de ‘geitenstop’. Het perceel is gelegen in een gebied waar een verbod op nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen geldt. Ook glastuinbouw is niet toegestaan. Het planvoornemen ziet niet op dergelijke agrarische activiteiten, waardoor deze regels niet van toepassing zijn. In artikel 4.8 van de omgevingsverordening is opgenomen dat in omgevingsplannen alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken. Uit de toetsing aan de omgevingsvisie van Overijssel en het landschappelijk inpassingsplan dat is opgesteld voor de locatie, volgt dat er een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt.
Kenmerkend voor het perceel is dat het is gelegen in ‘beekdalen en natte laagtes’, het ‘nationaal Landschap Noord-Oost Twente’, het ‘Oude hoevenlandschap’, het ‘informele trage netwerk’ en ‘Bakens in de tijd’. Dit volgt tevens uit de provinciale omgevingsvisie van Overijssel. Reeds is onderbouwd dat het planvoornemen geen belemmeringen kent vanwege de ligging in deze gebieden. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de omgevingsverordening. 4.1.3 Omgevingsvisie Dinkelland Op 16 maart 2021 heeft de gemeente Dinkelland de omgevingsvisie ´MijnOmgevingsvisie Dinkelland´ vastgesteld. De omgevingsvisie gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. De visie van de gemeente Tubbergen is gericht op: - Buitengebied in balans o Toekomstgerichte agrarische sector o Goede staat van natuur en landschap o Kwalitatief toerisme - Leefbare kernen o Voldoende voorzieningen o Aantrekkelijk wonen o Ruimte voor ondernemen o Leefbare openbare ruimte - Leefomgeving van de toekomst o Energieneutraal in 2050 o Duurzaam beheer o Gezonde leefomgeving o Veilige leefomgeving Toetsing plan Het plangebied is gelegen in een gebied met de ontwikkelingsrichting ‘Nieuwe landschap-structuren, veel ruimte schaalvergroting’. Zie navolgende afbeelding. Dit gebied kenmerkt zich door het open landschap met vergezichten, wegen met bomenrijen, een moderne erfopzet en kavelsloten.
In dit gebied moet rekening worden gehouden met het agrarische karakter, de schaal van het landschap, heldere structuren en de bouwwijze en inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is. De gemeente wil in dit gebied ruimte geven aan duurzame opwekking van energie, combinaties van functies en kleinschalige detailhandel en variatie in beplanting. Het planvoornemen ziet op het planologisch waarborgen dat aan de Rammelbeekweg 29 te Lattrop-Breklenkamp geen veehouderijactiviteiten meer mogen worden uitgeoefend. De veehouderij wordt formeel gestaakt en de
overstap wordt gemaakt naar akkerbouw. Nu sprake is van een agrarische ontwikkeling/wijziging wordt rekening gehouden met het agrarische karakter van het gebied. Afbeelding 4.7 – uitsnede waardenkaart omgevingsvisie
Conclusie Het voornemen is in overeenstemming met de omgevingsvisie van Dinkelland. 4.1.4 Buitengebied met kwaliteit De gemeente Dinkelland heeft ruimtelijk beleid opgesteld ten aanzien van het buitengebied. Het betreft het beleid ‘Buitengebied met kwaliteit’. Het doel van de beleidsregel is om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Daarnaast wil de gemeente economische ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. Toetsing plan In onderhavig geval is enkel sprake van het planologisch waarborgen dat geen veehouderijactiviteiten meer kunnen worden uitgeoefend aan de Rammelbeekweg 29 te Lattrop-Breklenkamp. Per saldo neemt de oppervlakte van het bouwvlak en de bebouwing niet toe. Dit betekent dat geen sprake is van een ‘uitbreiding’. In het kader van het plan hoeft geen KGO-bijdrage te worden geleverd. Conclusie Er hoeft geen investering te worden gedaan in de Groene Omgeving volgens het Beleid Buitengebied met Kwaliteit.
4.1.5 Beleidsnota “De casco-benadering in Noordoost-Twente” Algemeen In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld.
Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.
Casco-benadering in de praktijk
De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het ‘kleinschalige groene karakter’ van het landschap in totaliteit. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel.
Landschapstype Elementen die tot het casco behoren Elementen die niet tot het casco behoren Te compenseren elementen
Opmerking Mogen in principe niet verplaatst worden Mogen verplaatst worden, als aan de regels van casco-benadering wordt voldaan Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen
Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de casco-kaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). In navolgende figuur is een uitsnede van de Cascokaart behorende bij de Casco-benadering opgenomen, met daarbij in het zwart omlijnd het plangebied. Afbeelding 4.8 – Uitsnede Cascokaart
Toetsing Het plangebied is gedeeltelijk gelegen in een gebied dat onderdeel is van het casco. Aangezien met het planvoornemen sprake is van het kappen van een bestaand casco-element, heeft de ontwikkeling gevolgen ten aanzien van het beleid dat wordt gevoerd. Het gekapte casco-element wordt opnieuw aangeplant. Het cascobeleid heeft daarom geen consequenties voor de ontwikkeling. Conclusie Het cascobeleid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders Op 17 juli 2023 is een principeverzoek ingediend voor de ruimtelijke omgevingsplanactiviteit. Het principeverzoek gaat over het wijzigen van de activiteit zodat het houden van dieren kan worden uitgesloten aan de Rammelbeekweg 29 te Lattrop-Breklenkamp. Het college heeft op 5 februari 2024 een principe-uitspraak gedaan waarin zij aangeven in principe bereid te zijn om medewerking te verlenen aan het verzoek. Er wordt enkel medewerking verleend onder enkele voorwaarden: - Alle vergunningen voor het houden van vee worden ingetrokken; - De activiteitaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf’ wordt verwijderd; - De activiteitaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel akkerbouw bedrijf’ wordt opgenomen; - Er dient een landschapsplan te worden aangeleverd; - Er dient een overeenkomst te worden gesloten met de gemeente.
4.2.1 Provinciaal vooroverleg Initiatiefnemer heeft zich met het bedrijf aangemeld voor de eerste tranche van de ‘Maatregel gerichte aankoop en beëindiging’ (MGA-1) die op 4 november 2020 is opengesteld middels de ‘Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden’ (Rpav). Het betreft de zogenaamde ‘opkoopregeling’ van het Ministerie van LNV die door de provincie uitgevoerd wordt. In dat kader heeft vooroverleg plaatsgevonden met de provincie. Een specifiek aandachtspunt is dat de provincie als voorwaarde hanteert dat planologisch moet worden geborgd dat op de locatie geen dieren meer kunnen worden gehouden. Onderhavige toelichting voorziet daarin. De provincie is tevens betrokken vanwege het aspect ‘natuur’. Initiatiefnemers gaan zich richten op akkerbouw in plaats van veehouderijactiviteiten. Initiatiefnemers zullen enkel nog hobbymatig dieren houden. De provincie heeft de stikstofberekeningen van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase beoordeeld. Op 6 februari 2023 heeft gedeeltelijke intrekking van de ammoniak plaatsgevonden. Met het voornemen is sprake van intern salderen. 4.2.2 Participatie omgeving De gemeenteraad heeft het beleid ‘Inwonersparticipatie’ vastgesteld en daarin is een ‘Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie’ opgenomen. Initiatiefnemer heeft in de beginfase van zijn plannen geparticipeerd met omwonenden.
Hiermee wordt onder andere beoogd om de kwaliteit van de besluitvorming te verbeteren en om draagvlak te creëren voor het plan. Initiatiefnemer heeft ervoor gekozen om omwonenden afzonderlijk te informeren over het initiatief. Voor deze wijze van participatie is gekozen aangezien initiatiefnemer goed contact heeft met zijn buren en een afzonderlijk gesprek gelegenheid biedt om de situatie uit te leggen. Aan omwonenden is (vrijblijvend) om een mening gevraagd ten aanzien van het initiatief. Omwonenden hebben kennis genomen van het plan en hebben positief gereageerd. Geen van hen heeft een bezwaar naar voren gebracht, mede aangezien het plan enkel positieve effecten heeft op de omgeving vanwege het staken van de veehouderij. De participatie heeft er niet toe geleid dat wijzigingen in het plan zijn aangebracht.
4.2.3 Zienswijzen Naast participatie is het voor belanghebbenden mogelijk om in de formele besluitvormingsprocedure bezwaren kenbaar te maken. Het TAM-IMRO omgevingsplan met bijbehorende stukken wordt als ontwerp ter inzage gelegd gedurende zes weken. Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen. Onderhavig plan heeft ter inzage gelegen van 25 december tot en met 5 februari. Tegen het plan zijn geen zienswijzen naar voren gebracht. Het plan wordt daarom ongewijzigd vastgesteld.
5
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat een omgevingsplan moet voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten nader onderzocht en afgewogen. De volgende regels en instructies zijn van toepassing: - de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 ‘Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ van het Bkl; - de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; - eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt.
Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven). Toetsing plan Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. De Laddertoets geldt alleen voor de toevoeging van nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Bij ontwikkelingen moet worden beoordeeld of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan kon worden gerealiseerd. Uit jurisprudentie volgt dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Onderhavige ontwikkeling omvat het planologisch borgen dat geen veehouderijactiviteiten meer kunnen worden uitgeoefend op de locatie.
Ter vervanging van de bestaande bebouwing wordt een nieuwe machineberging gerealiseerd, waarvoor de vergunningen reeds zijn verleend. De ontwikkeling wordt niet als een stedelijke ontwikkeling gekwalificeerd, waardoor de ladder formeel niet doorlopen hoeft te worden.
Conclusie Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er naar aard en omvang geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De ladder hoeft daarmee niet doorlopen te worden. 5.2 m.e.r.-beoordeling Algemeen Onderdeel van de beoordeling of toelichting volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.1 van de Omgevingswet en afdeling 11.1 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een plan-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.1 van het Omgevingsbesluit. Een plan-m.e.r. is verplicht als het plan/programma kaderstellend is voor m.e.r.-(beoordelings)-plichtige besluiten of als een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van natuurwetgeving. In twee situaties dient een plan-mer-beoordeling opgesteld te worden: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn opgenomen. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V van het omgevingsbesluit, maar het gaat om een kleine wijziging van een plan of een plan voor kleine gebieden op lokaal niveau.
Toetsing plan Voor de vraag of sprake is van een m.e.r-(beoordelings)plichtig besluit dient allereerst te worden gekeken naar de omschrijving in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Aangezien met het initiatief geen sprake is van een project als in kolom 1 van bijlage V is geen sprake van een m.e.r.(beoordelings)plicht. In die zin is het omgevingsplan geen kaderstellend plan voor het besluit. Bovendien is geen sprake van een situatie waarvoor een passende beoordeling opgesteld dient te worden op grond van natuurwetgeving. Het plan is dus niet mer-plichtig. Aangezien het plan niet mer-plichtig is, dient beoordeelt te worden of een plan-mer-beoordeling uitgevoerd moet worden. De plan-mer-beoordeling is enkel noodzakelijk indien sprake is van een plan dat kaderstellend is voor projecten die niet zijn opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit, maar die wel milieueffecten kunnen hebben. Uit onderhavige toelichting volgt dat het voornemen niet leidt tot aanzienlijke milieugevolgen. Derhalve is een mer-beoordeling niet noodzakelijk. Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het plan is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat geen mer-plicht of mer-beoordelingsplicht geldt.
5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren Algemeen De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘toekomstig parkeren’ (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid moet vervolgens worden beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden aangetoond dat de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren moet worden getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018.
Toetsing plan Verkeersgeneratie- en afwikkeling De verkeersgeneratie dient te worden bepaald aan de hand van de CROW-uitgave ‘toekomstbestendig parkeren’. Van belang is echter dat geen van de genoemde functies in de CROW-uitgave overeenkomt met akkerbouw. Derhalve dient de toetsing plaats te vinden aan de hand van een weergave van de praktijk. Het plangebied is in de bestaande situatie via twee inritten ontsloten op de Rammelbeekweg en via twee inritten ontsloten op de Elsweg. De verkeersontsluiting wordt gewijzigd, in die zin dat één ontsluiting op de Elsweg komt te vervallen. Het plan leidt niet tot een verhoging van de verkeersintensiteit op het omliggende wegennet aangezien niet meer vee wordt gehouden. De veehouderij wordt namelijk volledig gestaakt. Het hobbymatig houden van dieren blijft toegestaan. Het voornemen ziet erop toe dat planologisch wordt geborgd dat ter plaatse het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een agrarisch bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door het houden van dieren verboden is. Ten aanzien van verkeersveiligheid is in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018 opgenomen dat vrachtverkeer en landbouwverkeer op smalle wegen onveiligheid veroorzaken en dat de kwaliteit van wegbermen verslechterd door gebruik van smalle wegen door zwaar verkeer.
De gronden van initiatiefnemer die zij voornemens zijn te gaan bewerken in het kader van akkerbouw, bevinden zich voor een groot deel aansluitend op de huiskavel of in de directe omgeving. Dit betekent dat beperkt gebruik wordt gemaakt van het omliggende wegennet. Op deze wijze wordt de verkeersveiligheid gewaarborgd. Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. Uitgangspunt is dat de parkeernormen zijn gebaseerd op de gemiddelde parkeerkencijfers uit publicatie 317 CROW. Er wordt voor het gehele grondgebied een onderscheid gemaakt naar drie zones: “centrum”, “rest bebouwde kom” en “buitengebied’. Het plangebied is gelegen in het buitengebied. Geen van de functies in bijlage I bij de beleidsnotitie komt echter overeen met akkerbouw of een andere vorm van landbouw. Het voornemen betreft het planologisch waarborgen dat in de toekomst op de locatie geen dieren meer mogen worden gehouden (bedrijfsmatig). Initiatiefnemers maken de overstap naar akkerbouw en zijn voornemens hobbymatig enkele paarden en pony’s te houden. Met de voorgenomen ontwikkeling neemt de parkeerbehoefte ter plaatse niet toe.
Het plangebied is van voldoende omvang om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien. Conclusie Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen voorliggende ontwikkeling. 5.4 Soortenbescherming en gebiedsbescherming Algemeen Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd.
De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Toetsing plan Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, ‘Bergvennen & Brecklenkampse Veld’ en ‘Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek’, bevinden zich respectievelijk op circa 700 meter ten noorden van het plangebied en 5,4 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Zie voor de ligging van de Natura 2000-gebieden ten opzichte van het plangebied navolgende afbeelding.