Toelichting.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3
waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, zoals een melkrundveehouderijbedrijf, een akkerbouwbedrijf, een productiegerichte paardenhouderij, biologische bedrijven, waarbij dieren worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de bestaande Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, en naar de aard daarmee gelijk te stellen agrarische bedrijven. De afstand van het bouwvlak van het agrarische bedrijf tot de dichtsbijzijnde gevel van de nieuwe woning bedraagt ten minste 150 meter. Voor melkrundvee geldt op grond van de Wet geurhinder een veehouderij een afstand van 100 meter van het geurbelastende object tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Voor een productiegerichte paardenhouderij (paardenfokkerijen) geldt op grond van de VNG-brochure bedrijven en milieuzonering een richtafstand van 50 meter. Aan deze afstanden wordt voldaan waardoor het grondgebonden agrarische bedrijf aan de Siemertsteeg 1 geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Voor het overige geldt dat de dichtsbijzijnde milieubelastende functie is gelegen op een afstand van 260 meter. Op een afstand van 260 meter zijn de tennisvelden en overdekte sporthal gelegen.
Tennisbanen (met verlichting) behoren op grond van de vng-brochure tot milieucategorie 3.1 waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter in verband met het aspect 'geluid'. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Daarnaast ligt op een afstand van 330 meter de ijsbaan. Op grond van de VNG-brochure kan deze worden aangemerkt als 'veldsportcomplex met verlichting' waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter in verband met het aspect geluid. Aan de richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Daarnaast geldt dat de ijsbaan een incidenteel karakter heeft en derhalve akoestisch niet relevant kan worden beschouwd. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets Ten behoeve van het bestemmingsplan 'Het Spikkert, tweede fase', vastgesteld op 28 juni 2016 is een onderzoek uitgevoerd naar de geurbelasting van de dichtsbijzijnde geurbelastende objecten in de omgeving van het plangebied. Door Avenue adviseurs is een onderzoek uitgevoerd naar het geuraspect, zie Bijlage 3. Met het geuronderzoek is de uitbreidingslocatie beoordeeld op de aanvaardbaarheid van woningen in verband met de geuremissie van de (maatgevende) veehouderij aan de Siemertsteeg 5. Het onderzoek heeft antwoord gegeven op twee vragen: Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de betrokken veehouderij? Het plangebied van dit bestemmingsplan maakt onderdeel uit van de uitbreidingslocatie Weerselo, gelegen in het concentratiegebied Oost zoals is aangegeven in bijlage 1 bij de Meststoffenwet. De bebouwde kom kan worden omschreven als het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. Voor het uitbreidingsplan is daarom uitgegaan van een normstelling van 3,0 odour units per kubieke meter lucht.
Met behulp van invoergegevens (zoals onder meer geuremissie per bron, hoogte uitstroomopening en meteorologische gegevens) zijn stankcontouren berekend die de invloedssfeer van de veehouderijen aangeven. De geurcontouren van de veehouderij aan de Siemertsteeg 5, zijn nader onderzocht bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3
29
omdat dit bedrijf het dichtst bij de uitbreidingslocatie is gesitueerd. Binnen de 3 ouE/m3 contour mag in beginsel geen nieuwbouw plaatsvinden. Uit de berekeningen blijkt dat de veehouderij aan de Siemertsteeg 5 maatgevend is in de hoogte van de voorgrondbelasting. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van de veehouderij die de meeste geur veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtbij de uitbreidingslocatie is gelegen. In onderstaande figuur 4.2 is de 3 ouE/m3 contour van de Siemertsteeg 5 ten opzichte van de oorspronkelijke uitbreidingslocatie weergegeven.
Figuur 4.2: 3 ouE/m3 contour Siemertsteeg 5 Geconstateerd kan worden dat de geurcontour niet over het plangebied van dit bestemmingsplan valt. De geprojecteerde woningen liggen buiten de 3 ouE/m3 contour. Dat betekent dat het aspect geur geen belemmeringen oplegt aan de toegestane woningen.
4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Ten behoeve van het woningbouwplan Spikkert, tweede fase is in 2010 een gecombineerd verkennend bodemen asbestonderzoek uitgevoerd.
Gelet op het feit dat de onderzoeksresultaten ten tijde van de opstelling van het bestemmingsplan ‘Het Spikkert, tweede fase’ gedateerd waren, is het onderzoek in december 2015 geactualiseerd voor Het Spikkert, fase 2. De geldigheidsduur van een bodemonderzoek wordt gesteld op vijf jaar. Omdat mag worden aangenomen dat de milieuhygiënische toestand van de bodem sinds het vorige onderzoek (2010) niet is gewijzigd heeft het verrichte onderzoek in 2015 enkel betrekking gehad op de bovengrond (dus niet op de diepere ondergrond en het grondwater). Aangezien de reeds verrichte bodemonderzoeken reeds verouderd is door Kruse Milieu een verkennend bodemonderzoek (projectcode 20050516, d.d. 21 september 2020) uitgevoerd op een terreindeel ter grootte van 30
bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3
circa 1,2 hectare ter plekke van het Spikkert, derde fase. De onderzoekslocatie is onbebouwd en en grotendeels onverhard. Het terrein bestaat uit weiland met een puinweg. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. De bovengrond van de locatie is verdacht voor de aanwezigheid van asbest. Het overige deel van de locatie is onverdacht voor chemische componenten. De bovengrond, de ondergrond en het grondwater worden op verzoek van de gemeente Dinkelland aanvullend op PFAS onderzocht. De rapportage is als Bijlage 4 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. De resultaten worden hieronder weergegeven. Resultaten veldwerk In totaal zijn er 26 inspectiegaten gegraven. De boringen 1 en 2 zijn doorgezet tot 3.50 en 3.60 meter diepte en afgewerkt tot peilbuizen. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit zeer fijn zand in de bovengrond en matig fijn tot matig zand in de ondergrond met tussen 0.6 en 1.7 meter diepte een sterk zandige leemlaag. In de ondergrond zijn roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of op en in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater is aangetroffen op gemiddeld 2.26 meter min maaiveld.
Resultaten chemische analyses Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond (BG I en BG II) is niet verontreinigd; de ondergrond (BG III) is zeer licht verontreinigd met lood; de ondergrond (OG I en OG II) zijn niet verontreinigd; het grondwater (PB 1) is zeer licht verontreinigd met barium en nikkel; het grondwater (PB 2) is (zeer) licht verontreinigd met barium en zink. Resultaten PFAS-analyses Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: in de bovengrond (BG I, BG II en BG III) is geen PFAS verhoogd aangetoond. in de ondergrond (OG I en OG II) is geen PFAS verhoogd aangetoond. in het grondwater (PB 1) is PFOS en PFOA aangetoond, de gehalten liggen ruim onder de indicatieve niveaus voor ernstige verontreinigingen (SRChumaan ); in het grondwater (PB 2) is PFOS en PFOA aangetoond, de gehalten liggen ruim onder de indicatieve niveaus voor ernstige verontreinigingen (SRChumaan ). Resultaten asbestanalyses MM FF - 01 bevat geen asbest; MM FF - 02 bevat geen asbest. MM FF - 03 bevat geen asbest. MM FF - 04 bevat geen asbest. Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (BG III) en in het grondwater (PB 1 en PB 2) zijn verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 uit Bijlage 4.
In de bovengrond (BG I en BG II) en in de ondergrond (OG I en OF II) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 01, MM FF - 02, MM FF - 03 en MM FF - 04 is geen asbest aangetoond. In de grondmengmonsters van de bovengrond (BG I, BG II en BG III) en de ondergrond (OG I en OG II) is geen PFAS aangetoond. In het grondwater (PB 1 en PB 2) is PFOS en PFOA aangetoond, de gehalten liggen ruim onder de indicatieve niveaus voor ernstige verontreinigingen (SRChumaan ). Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen geplande nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).
bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3
31
4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.
in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Door Munsterhuis Geluidsadvies is een akoestisch onderzoek (projectnummer 20.108, d.d. 13 oktober 2020) uitgevoerd naar de geluidbelasting, afkomstig van het wegverkeer op de Legtenbergstraat en de Eertmansweg ter plaatse van de toekomstige woningen binnen het plan Spikkert, derde fase. De geluidbelastingen zijn vastgesteld door middel van Standaard Rekenmethode II, Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012( SRMII-2012). Het akoestisch onderzoek is als Bijlage 5 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Hieronder worden de resultaten weergegeven.
Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getroffen: Het blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van het wegverkeer op de Legtenbergerstraat ter plaatse van de toekomstige woningen niet wordt overschreden. Er dient geen hogere grenswaarde procedure gevolgd te worden voor wegverkeerslawaai afkomstig van de Legtenbergerstraat. Het blijkt dat de maximale cumulatieve geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer ter plaatse van de gevels van de toekomstige woningen maximaal 46 dB bedraagt. Derhalve dienen er geen geluidwerende voorzieningen bepaald te worden om aan het maximale binnenniveau van 33 dB te kunnen voldoen. Het aspect 'wegverkeerslawaai' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Daarnaast vormen de aspecten 'railverkeerslawaai' en 'industrielawaai', vanwege het ontbreken van een spoorweg en een geluidgezoneerd industrieterrein in de omgeving van het plangebied, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); 32
bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3
Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5 ). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen.
Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Dit bestemmingsplan voorziet in de herverkaveling van bestaande bouwrechten (woningen). Daarnaast worden er als gevolg van dit bestemmingsplan zeven nieuwe woningen toegevoegd. Om aan te tonen dat de verkeersbewegingen in het plan niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden wordt gebruik gemaakt van de NIBM-rekentool. Met deze rekentool kan worden aangetoond dat het plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In paragraaf 4.11 is beschreven dat de totale verkeersgeneratie van het plan 256 verkeersbewegingen bedraagt. In onderstaande berekening is het aantal verkeersbewegingen dan ook op 256 verkeersbewegingen per dag gesteld. Er is geen sprake van vrachtverkeer.
Figuur 4.3: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan in overeenstemming is met de wet- en bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3
33
regelgeving met betrekking tot de luchtkwaliteit.
4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.
Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets
34
bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3
Figuur 4.4: Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl). Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 875 meter van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.
De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3
35
concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen.
Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Watertoetsproces Zoals eerder is aangegeven maakt het plangebied deel uit van de uitbreidingslocatie 'Het Spikkert' te Weerselo. Het juridische-planologisch kader voor dit uitbreidingsplan is reeds op 28 juni 2016 vastgesteld (bestemmingsplan 'Het Spikkert, tweede fase'. Het plangebied van dit bestemmingsplan maakt onderdeel uit van deelgebied 'B'. Ten behoeve van de uitbreidingslocatie 'Het Spikkert' is door Roelofs een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd en is een waterstructuur opgesteld en verwerkt in het rapport 'Waterstructuur 't Spikkert' (documentnummer R01-D05-31042133-mwg, d.d. 18 januari 2016). Het rapport is als Bijlage 6 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Ten opzichte van het plan van 2016 zijn er in fase 3 diverse wijzigingen in het stedenbouwkundig plan aangebracht. Derhalve is door Roelofs een actualisatie van het waterhuishoudingsplan opgesteld (documentnummer N01-D03-41128203-rek, d.d. 2 november 2021). De notitie ten behoeve van de actualisatie van het waterhuishoudingsplan is als Bijlage 7 bij de toelichting opgenomen. Hieronder wordt kort ingegaan op de notitie.
Het waterschap Vechtstromen hanteert het uitgangspunt dat eenmaal vastgelegde en goedgekeurde plannen niet hoeven te worden aangepast. In het oude beleid werd bij uitbreidingen een retentie gevraagd waarin een bui van 40 mm in 75 minuten met een maximale peilstijging van 0,30 m geborgen kon worden. In het nieuwe beleid wordt een retentie van 55 mm gevraagd. Met de opdrachtgever Noaberkracht Dinkelland-Tubbergen is overeengekomen om de berging te dimensioneren op 55 mm. Hiermee wordt er binnen het plan meer water geborgen dan strikt noodzakelijk. Ten opzichte van het waterstructuurplan uit 2016 zijn in het stedenbouwkundig ontwerp voor dit bestemmingsplan (fase 3) de volgende zaken gewijzigd: Openbare verharding 0,51 ha (was 0,26 ha); Daken en particuliere verharding 0,44 ha (was 0,41 ha), waarvan: 1. Vrijstaande woning 0,09 ha (was 0,29 ha); 2. 2-onder-1-kapwoning 0,25 ha (was 0,08 ha); 3. Rijwoning 0,10 ha (was 0,04 ha) Met name het wegoppervlak is toegenomen door parkeervakken in het plan en de andere wegenstructuur. Het totale verhard oppervlak bedraagt 0,95 ha (was 0,67 ha). Dat betekent dat het verhard oppervlak met 0,28 ha is toegenomen ten opzichte van het waterstructuurplan uit 2016. Het bruto planoppervlak is ongewijzigd en bedraagt ca. 2,0 ha. In figuur 4.5 is het stedenbouwkundig plan inclusief de situering van de (te realiseren) wadi's weergegeven.
36
bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3
Figuur 4.5: Stedenbouwkundig plan incl. situering (te realiseren) wadi's (bron: Roelofs Groep) Waterberging Het watersysteem moet voldoen aan de normen van waterschap Vechtstromen. Het waterschap geeft aan dat het systeem berekend moet zijn op een neerslaghoeveelheid van 55 mm. Hierop mag 3 mm in mindering worden gebracht als gevolg van verdamping en plasvorming. De bergingseis voor het plan is derhalve 52 mm. In het reeds aangelegde deel van de wijk (westkant uitbreiding) is 0,38 ha verhard oppervlak aangesloten op de aangelegde wadi's. Aan de noordkant van de uitbreiding zal, overeenkomstig met het waterstructuurplan uit 2016, 0,43 ha aangesloten worden op de wadi's. Dat maakt 0,81 ha verhard oppervlak dat afvoert op de wadi's. Hier komt dan 0,95 ha bij van fase 3. Bij een bergingseis van 55-3=52 mm en een totaal verhard oppervlak van 1,76 ha bedraagt de totale bergingsopgave 915 m3. De wadistructuur is in figuur 4.6 weergegeven. Aan de westkant zijn de reeds aangelegde wadi's gearceerd weergegeven. De wadi's (2 en 3 in figuur 4.5) kunnen verbreed worden (diepte 0,50 m, waterdiepte 0,30 m en talud 1:5). Daarnaast worden er aan de noord- en zuidkant van fase 3 extra wadi's aangelegd (1 en 5 in figuur 4.5). De bodem van de nieuwe wadi aan de noordzijde (1) ligt op NAP + 17,40 m met een roosterdeksel op NAP + 17,50 m.
Deze wadi stroomt over naar wadi 2 via een duiker met roosterdeksels op NAP + 17,50 m. Tussen wadi 2 en 3 is het maaiveld verlaagd. Deze beide wadi's kunnen dus als communicerend vat overlopen naar wadi 3. Wadi 3 is met een duiker met roosterdeksel verbonden met wadi 4. Wadi 5 is door middel van een duiker met roosterdeksels op NAP+ 17,40 m verbonden met wadi 4. De bodem van wadi 5 ligt op NAP + 17,30. Wadi 4 stroomt via een duiker met roosterdeksel over naar de sloot langs de Eertmansweg. De wegen en daken van woningen die grenzen aan een wadi voeren via het maaiveld af naar de dichtstbijzijnde wadi. Zo wordt de weg aan de noordkant op één oor gelegd richting wadi, en voeren de dakgoten van deze woningen via goten in de tuin af naar de weg. Voor de overige woningen en wegen worden goten in de weg aangebracht die afvoeren naar de wadi's. In figuur 4.6 is tevens de berging per wadi weergegeven. Dit betreft in totaal 915 m³. Daarmee wordt voldaan aan de bergingseis van 55-3=52 mm over het verhard oppervlak van 1,76 ha. bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3
37
Figuur 4.6: Wadistructuur (bron: Roelofs Groep) Ontwerp vuilwaterafvoer In figuur 4.7 is het vuilwaterriool schetsmatig weergegeven inclusief de dimensionering van de strengen. Er wordt conform het waterstructuurplan 2016 gebruik gemaakt van een minimale diameter van ø 250 mm en een afschot van 1:250 voor de eerste 150 m, vervolgens 1:330 (150 – 300 m) en daarna 1:500.
38
bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3
Figuur 4.7: Revisie en nieuw te leggen VWA-riolen (bron: Roelofs Groep) Een deel van het vuilwaterriool is reeds aangelegd op basis van het vorig stedenbouwkundig plan. In bijlage I van Bijlage 7 is de revisie hiervan weergegeven. Een deel van het riool ligt straks onder de kavels (tuinen en woningen). Geadviseerd wordt om een deel opnieuw aan te leggen, vanaf put VWA011. Dat betekent dat de strengen en putten tussen putnummers VWA033, VWA034 en VWA011 verwijderd dienen te worden. In figuur 4.7 is in roze het te handhaven riool weergegeven, en in zwart het nieuw ontworpen riool. Een eventuele extra fase ten noorden van dit plan kan hier wellicht nog (deels) onder vrijverval op worden aangesloten. In het reeds aangelegde VWA-riool zullen enkele tussenputten aangebracht moeten worden om de zijtak aan te sluiten en zal put VWA011 enkele meters naar het oosten verplaatst moeten worden (of toepassen van een extra put). Op 22 juli 2020 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 8. Op grond van de beantwoording van de watertoets geldt de normale procedure.
4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Ten behoeve van het bestemmingsplan voor woningbouwplan Het Spikkert, tweede fase, (vastgesteld op 28 juni bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3
39
2016) is in 2012 een flora en faunaonderzoek uitgevoerd door Eelerwoude. Daarnaast is te behoeve van het vigerende bestemmingsplan is 2015 een nieuw flora en fauna onderzoek verricht (projectnummer P7476, d.d. 16 november 2015). Aangezien de reeds uitgevoerde onderzoeken verouderd zijn is door Natuurbank Overijssel onderzoek uitgevoerd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. Het plangebied is op 28 juli 2020 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. De resultaten zijn verwerkt in de quickscan natuurwaarden (projectnummer 2686, versie 1.0, d.d. 7 september 2020). Hieronder worden de resultaten weergegeven. Het rapport is opgenomen als Bijlage 9 bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 890 meter afstand van gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande figuur 4.8 wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Figuur 4.8: Ligging plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas van Overijssel) Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren zijn in figuur 4.8 met de donkergroene en gele kleur aangeduid. Met de gele kleur wordt het uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000 aangeduid. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Natura 2000-gebied Het plangebied ligt op minimaal 1,12 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Lemselermaten. In figuur 4.9 is de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
40
bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3
Figuur 4.9: Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebied (bron: Atlas van Overijssel) Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar het Natura 2000-gebied Lemselermaten bestaat voor een aanzienlijk deel uit stikstofgevoelige habitattypen. Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied Lemselermaten is een negatief effect uitgesloten.
Beoordeling stikstof Als gevolg van de voorgenomen activiteiten zal emissie van NOx plaats vinden, als gevolg van de inzet van materieel met een verbrandingsmotor tijdens de sloop- en bouwfase en een tijdelijke toename van verkeer tijdens de ontwikkelfase als gevolg van transport van sloop- en bouwmateriaal, materieel en personeel. Gelet op de ligging van het plangebied, op minimaal 980 meter afstand van een Natura 2000-gebied en de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, kan een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, niet op voorhand uitgesloten worden. Door middel van een stikstofberekening kan het effect van de voorgenomen activiteiten vastgesteld worden. Om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied te onderzoeken is door Ingenieursbureau Tauw een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (kenmerk: R001-1276615JWO-V05-los-NL). De rapportage is opgenomen als Bijlage 10 bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt dat de stikstofdemissie die gepaard gaat met de voorgenomen ontwikkeling bezien moet worden in relatie tot de referentiesituatie.
Als referentiesituatie geldt bij de vaststelling van een nieuw bestemmingspan ter vervanging van het vigerende bestemmingsplan: de huidige - legale - feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het plan. Aangezien er in de huidige situatie op grond van het vigerende bestemmingsplan 26 woningen zijn toegestaan. Als gevolg van de herverkaveling voorziet dit bestemmingsplan in de realisatie van 33 woningen. Er worden derhalve (planologisch) 7 nieuwe woningen aan het plangebied toegevoegd. Om de stikstofdepositie als gevolg van het plan te berekenen is door Ingenieursbureau Tauw een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd naar de realisatie van 7 nieuwe woningen. De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2020. Voor de beoogde situatie is gerekend voor het rekenjaar 2021. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een vergunning Wet natuurbescherming. Als bijlagen bij de rapportage behoren AERIUS projectbestanden met rekenresultaten (bronnen, rekenpunten en resultaten) van de aanleg- en gebruiksfase. Voor de rekenresultaten en invoergegevens wordt verwezen naar hoofdstuk 4 en 5 van de bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3
41
rapportage. Hieronder worden de resultaten van de AERIUS-berekening voor de aanlegfase en gebruiksfase weergegeven. Resultaten aanlegfase Met het rekenmodel AERIUS wordt een depositie berekend op twee Natura 2000-gebieden: Max 0,01 mol/ha gedurende 1 jaar op Lemselermaten Max 0,01 mol/ha gedurende 1 jaar op Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek. De berekende stikstofdepositie is op basis van de gestelde uitgangspunten in Hoofdstuk 4 uit Bijlage 10: Bij gebruik STAGE IV klasse werktuigen en gestelde bedrijfsuren en vermogen Verkeersgeneratie van voertuigen die van en naar de projectlocatie rijden. Resultaten gebruiksfase Voor de gebruiksfase berekend AERIUS geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Dit geldt ook wanneer gerekend wordt met de emissies ten gevolge van eventuele sfeerhaarden. Conclusie Tijdens de aanlegfase wordt een zeer geringe toename van stikstofdepositie berekend op habitats en leefgebieden van soorten, waarvan de kritische depositiewaarde reeds is overschreden. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat de natuurlijke kenmerken van deze habitats en leefgebieden van soorten niet worden aangetast. De uitgangspunten van de aanlegfase kunnen worden herzien door de uitvoerende aannemer(s), waardoor de stikstofdepositiebijdrage ten gevolge van de aanlegfase van 0,01 op 0,00 mol/ha/jaar zou kunnen uitkomen.
Wellicht zijn er bepaalde keuzes te maken waardoor de stikstofemissie kan worden teruggebracht, zoals het naar beneden bijstellen van het aantal bedrijfsuren van werktuigen of het gebruik van elektrische werktuigen. Echter, een stikstofdepositiebijdrage tijdens de aanlegfase van 0,01 mol/ha gedurende 1 jaar zal het vaststellen van het bestemmingsplan in principe niet in de weg staan. Een project met alléén kleine tijdelijke deposities in de aanlegfase kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar (of een equivalent hiervan) zijn in beginsel niet vergunningplichtig voor het aspect stikstofdepositie. Een bestemmingsplan kan alleen worden vastgesteld indien er afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten geen sprake is van significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Plannen kunnen alleen worden vastgesteld indien er geen gevolgen zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000-gebieden. Als gevolg van de uitgevoerde stikstofdepositieberekening (AERIUS-berekening) is door Tauw een ecologische voortoets uitgevoerd (kenmerk R002-1281664-V01, d.d. 6 juni 2021) om na te gaan of de beoogde ontwikkeling gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden, en zo ja welke gevolgen.
Indien (significante) gevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten dient op basis van artikel 2.8, eerste lid Wnb, een passende beoordeling te worden gemaakt van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelen voor dat gebied. Een plan mag dan uitsluitend worden vastgesteld indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat er geen sprake is van (significante) gevolgen. De ecologische voortoets heeft als doel te bepalen of een passende beoordeling noodzakelijk is. Ecologische voortoets De ecologisch voortoets (kenmerk R002-1281664-V01, d.d. 6 juni 2021) is als Bijlage 11 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Op basis van de stikstofberekening (Bijlage 10), zijn de locaties waar sprake is van een toename van stikstofdepositie in beeld gebracht. Hierbij worden de relevante instandhoudingsdoelen beschouwd. Onder relevante instandhoudingsdoelen worden de instandhoudingsdoelen verstaan die gevoelig zijn voor stikstofdepositie en waar ook sprake is van een toename van stikstofdepositie als gevolg van het beoogd voornemen. Habitattypen en leefgebieden van soorten die niet stikstofgevoelig zijn of waar geen toename is berekend worden als niet relevant beschouwd en niet verder in de beoordeling betrokken.
Uit de AERIUS berekening blijkt dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de aanlegfase sprake is van een tijdelijke toename van stikstofdepositie in twee Natura 2000-gebieden. Dit betreft Natura 2000-gebied Lemselermaten en Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek. In beide Natura 2000-gebieden zijn uitsluitend aangewezen als Habitatrichtlijngebied. De resultaten van de AERIUS berekening zijn weergegeven in onderstaande tabel 4.1.
42
bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3
Tabel 4.1: Projectbijdrage als gevolg van beoogde ontwikkeling op Natura 2000-gebieden in de aanlegfase (bron: Tauw) Op basis van het uitgevoerde stikstofdepositieonderzoek en de ecologische voortoets kan geceoncludeerd worden dat in de aanlegfase sprake is van stikstofdepositie op twee Natura 2000-gebieden, Lemselermaten en Achter de Voort, Agelerbroek &Voltherbroek. De maximale projectbijdrage op een overbelast leefgebied betreft 0,01 mol/ha/jaar. Waarbij de aanlegfase 20 maanden zal duren. Uit de effectbeoordeling blijkt dat als gevolg van beperkte en tijdelijke depositie significante effecten op deze habitattypen als gevolg van de aanlegfase op voorhand kunnen worden uitgesloten. Soortenbescherming Op 28 juli 2020 is het plangebied onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Hieronder worden de resultaten weergegeven. Voor de vollede rapportage van de soortenbescherming wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van Bijlage 9 van de toelichting van dit bestemmingsplan. De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'.
Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden', en het opzettelijk 'verstoren, beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren of te doden en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een weinig geschikt functioneel leefgebied van beschermde dieren en tot een ongeschikte groeiplaats van beschermde planten.
Grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vogels en amfibieën benutten het plangebied als foerageergebied, grondgebonden zoogdieren bezetten er een vaste rust- en voortplantingsplaats en amfibieën bezetten er een (winter)rustplaats. Er nestelen geen vogels in het plangebied en vleermuizen bezetten er geen vaste rust- of voortplantingsplaats. Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die mogelijk gedood worden en waarvan de vaste rust- en/of voortplantingsplaats mogelijk beschadigd of vernield wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden' en het 'beschadigen en vernielen van vaste rust- en/of voortplantingsplaats'. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende beschermde dieren, niet aangetast. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.10
Archeologie en Cultuurhistorie
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden.
bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3
43
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.10.1 Archeologie In opdracht van de gemeente Dinkelland is in 2010 een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Archeodienst Rapport 29, d.d. 4 februari 2010). Dit archeologisch onderzoek heeft bestaan uit een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek.
De doelstelling van het bureauonderzoek was het verwerven van informatie aan de hand van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. Op basis van de resultaten is een archeologische verwachting opgesteld. Als gevolg van het archeologisch onderzoek zijn proefsleuven gegraven en enkele opgravingen gedaan. De eindconclusie van het archeologisch onderzoek is dat het onderzoek een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de ontstaansgeschiedenis van Weerselo. Met name de aanwezigheid van bewoning in de Prehistorie in een laaggelegen, vochtig landschap is een belangrijke constatering. Het blootgelegde erf is waarschijnlijk slechts een klein deel van een zeer uitgebreid nederzettingsterrein, zoals dat bijvoorbeeld ook in Borne is blootgelegd. Bovendien is wederom vastgesteld dat lager gelegen delen van het landschap in het verleden in bepaalde perioden eveneens deel uitmaakten van grootschalige nederzettingsterreinen. Op basis van de reeds uitgevoerde archeologische onderzoeken is bepaald dat er geen dubbelbestemming voor de archeologische waarden in het gebied hoeft worden opgenomen. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 4.10.2 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn.
Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat binnen het plangebied van dit bestemmingsplan geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
4.11
Verkeer en parkeren
4.11.1 Verkeer Het plangebied wordt via Erve Spikkert en de Eertmansweg ontsloten op de Legtenbergstraat. De Legtenbergstraat is op grond van het 'Strategisch Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan voor Dinkelland 2019' (hierna: GVVP) aangemerkt als een "erftoegangsweg type A" waarvoor een wegintensiteit geldt van 4.000 tot 6.000 motorvoertuigbewegingen per dag met een rijbaanbreedte van 5 tot 7 meter. De maximumsnelheid bedraagt 50 km per uur. De Eertmansweg is in het GVVP gecategoriseerd als "erftoegangsweg type B". Voor deze erftoegangsweg geldt een verkeersintensiteit van 3.000 tot 4.000 motorvoertuigen per etmaal. Ten behoeve van het vigerende bestemmingsplan 'Het Spikkert, tweede fase' is in 2014 een memo opgesteld (DIN004, d.d. 3 oktober 2014) waarin antwoord werd gegeven op de vragen hoeveel verkeer de Eertmansweg en de Legtenbergstraat in de toekomst te verwerken krijgen als gevolg van de woningbouwlocatie Het Spikkert en of deze wegen daarop berekend zijn. Hieronder wordt de conclusie van de Memo voor de weginrichting voor zowel de Legtenbergstraat als de Eertmansweg weergegeven. 44
bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3
Weginrichting Legtenbergstraat De huidige inrichting van de Legtenbergerstraat ten noorden van Eertmansweg (richting buitengebied / Reutum) bestaat uit asfaltverharding met breedte van circa 5,30 meter. Aan één zijde trottoirband, aan andere zijde berm en sloot. Fietssuggestiestroken met breedte 1 meter aan weerszijden binnen dit profiel. Deze wegbreedte past bij de toekomstige verkeersintensiteit (zowel met als zonder rondweg) en daarom is sprake van een acceptabele situatie. De huidige maximumsnelheid bedraagt 50 km/h. Na de (eventuele) aanleg van de rondweg zal de maximumsnelheid naar 30 km/h worden gebracht binnen de huidige vormgeving. Het profiel van de Legtenbergerstraat past binnen de richtlijnen van Duurzaam Veilig. De gemeente gaat uit van de aanleg van de rondweg. Wanneer deze rondweg niet gerealiseerd zou worden, verdient het aanbeveling de maximum snelheid naar 30 km/h aan te passen. De Legtenbergerstraat is dan volledig ingericht conform de categorisering in het GVVP. De intensiteiten zijn geen aanleiding de snelheid op 50 km/h te houden. Weginrichting Eertmansweg De Eertmansweg zal als gevolg van het totale uitbreidingsplan, opnieuw worden ingericht. De huidige weg van 3,5 meter breed met aan weerszijden een berm en sloot zal worden verbreed naar 5,00 meter met aan de noordzijde langsparkeervakken.
De kencijfers van CROW geven aan dat voor een erftoegangsweg met een rijbaan voor gemengd verkeer en parkeren in havens bij tweerichtingsverkeer een minimale wegbreedte van 4,80 meter gehanteerd wordt. Daarnaast wordt voor de parkeerhavens een breedte van 2,00 meter gehanteerd en voor een voetpad 1,80 meter. De nieuwe inrichting met een beoogde wegbreedte van 5,00 meter voor het gemengd verkeer voldoet aan de kencijfers van CROW. Onder gemengd verkeer valt ook het gebruik door middel van vracht- en landbouwverkeer. Het past bij de functie van de weg dat grotere voertuigen mogelijk op elkaar moeten wachten of uitwijken wanneer deze elkaar willen passeren. De toekomstige wegbreedte van de Eertmansweg past bij de toekomstige verkeersintensiteit van de Eertmansweg (zowel met als zonder rondweg) en daarom is sprake van een acceptabele situatie. Toets herverkaveling en toevoeging nieuwe woningen Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de herverkaveling van woningbouwplan Het Spikkert. Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan worden zeven nieuwe woningen toegevoegd. Het vigerende bestemmingsplan biedt voor onderhavig plangebied de mogelijkheid om 16 vrijstaande woningen, vier aaneengebouwde woningen en 6 twee-onder-een kapwoningen te realiseren.
Op grond van de herverkaveling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt is het mogelijk om 10 aaneengebouwde woningen, 5 vrijstaande woningen en 18 twee-onder-een kapwoningen te realiseren. Op grond van de beleidsnota 'Bouwen & Parkeren 2018' van de gemeente Dinkelland geldt dat het plangebied wordt aangemerkt als 'rest bebouwde kom'. Op basis van de adresdichtheid geldt dat de kern Weerselo wordt aangemerkt als 'niet-stedelijk'. Op basis hiervan kan op grond van de CROW-uitgave 381 de verkeersgeneratie voor de woningen bepaald worden. Voor vrijstaande woningen geldt voor gebiedstype 'rest bebouwde kom' en 'niet - stedelijk' een gemiddelde verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per dag. Voor twee-kappers geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,8 verkeersbewegingen en voor aaneengebouwde woningen een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,4 verkeersbewegingen per dag. De totale verkeersgeneratie van de huidige planologische situatie bedraagt totaal (16 * 8,2 + 6 * 7,8 + 4 * 7,4 = 207,6 ) afgerond 208 verkeersbewegingen per dag. De verkeersgeneratie als gevolg van de herverkaveling en de toevoeging van 7 woningen bedraagt (5 * 8,2 + 18 * 7,8 + 10 * 7,4 = 255,4) afgerond 256 verkeersbewegingen per dag. In de toekomstige situatie neemt het aantal verkeersbewegingen derhalve toe met 48 verkeersbewegingen per dag.
Gelet op de kenmerken van de Legtenbergstraat en de Eertmansweg kan deze toename aan verkeersbewegingen via de huidige infrastructuur afgewikkeld worden. 4.11.2 Parkeren Om het parkeren ook na 1 juli 2018 te kunnen reguleren is het bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan Parkeren Dinkelland" vastgesteld door de raad van de gemeente Dinkelland op 29 mei 2018. Elke initiatiefnemer van een plan is zelf verantwoordelijk voor het realiseren van zijn eigen parkeervoorzieningen. Een nieuw initiatief (uitbreiding, nieuwbouw of functiewijziging) mag geen onaanvaardbare problemen veroorzaken in de omgeving. Dit betekent dat in beginsel de parkeerbehoefte op eigen erf moet worden gerealiseerd. bestemmingsplan Weerselo, Spikkert 3
45
Ten behoeve van het parkeren heeft de gemeente Dinkelland de beleidsnota 'Bouwen & parkeren 2018' vastgesteld. Voor Dinkelland en Tubbergen wordt eenduidig beleid en duidelijke parkeernormen vastgesteld met deze beleidsnotitie. De nieuwe parkeernormen voor beide gemeenten zijn opgenomen in bijlage I van de beleidsnotitie. Voor veel voorkomende gebruiksfuncties zijn de parkeernormen vermeld. Andere parkeernormen kunnen afgeleid worden uit publicatie 317, op grond van de uitgangspunten in deze beleidsnotitie. De parkeerbehoefte van een bouwplan en/of een gebruikswijziging wordt bepaald door het vermenigvuldigen van de parkeernorm met de bruto vloeroppervlakte of met een aantal. Dat kan op grond van de afzonderlijke ruimtes in een bouwwerk of op grond van het totale bouwwerk (b.v. een kantoorgebouw, indien van zeer homogene functie sprake is). Daarbij wordt de rekensystematiek uit bijlage IV in acht genomen. Het berekende aantal parkeerplaatsen is de “nieuwe” parkeerbehoefte van het bouwplan of de gebruikswijziging. Bij verbouw of wijziging van een bestaand bouwwerk, mag de parkeerbehoefte van de bestaande (oude) situatie in mindering worden gebracht. Aldus wordt voorkomen dat een nieuw bouwplan bezwaard wordt met tekortkomingen uit het verleden (b.v. te weinig parkeerplaatsen bij het bestaande gebouw of functie).
In het kader van een bouwplan hoeft alleen de toename van de parkeerdruk, die dus het gevolg is van het bouwplan zelf, te worden gecompenseerd door de aanvrager. Het omgekeerde is ook het geval. Als er gedurende langere tijd sprake is van leegstand, dan is de bestaande parkeervraag nul (0). Bij een leegstandsperiode van = 5 jaar is de oude parkeerbehoefte gelijk aan 0. Zoals is aangegeven maakt dit bestemmingsplan de herverkaveling van bestaande bouwmogelijkheden en de toevoeging van zeven nieuwe woningen mogelijk. Als gevolg van het plan worden 10 aaneengebouwde woningen, 5 vrijstaande woningen en 18 twee-onder-een kapwoningen gerealiseerd. Op grond van de beleidsnota 'Bouwen & parkeren 2018' geldt voor aaneengebouwde woningen een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning. Voor vrijstaande woningen geldt een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning en voor twee-onder-een kapwoningen een parkeernorm van 2,2 parkeerplaatsen per woning. Voor vrijstaande woningen en twee-onder-een kapwoningen wordt uitgegaan van twee parkeerplaatsen op eigen erf. Aaneengesloten woningen (rijen) krijgen parkeerplaatsen in het openbaar gebied. Op grond van de parkeernormen geldt een totale parkeerbehoefte van (2 * 10 + 5 * 2,3 + 2,2 * 18 = 51,1 ) 52 parkeerplaatsen. In de openbare ruimte worden 27 parkeerplaatsen gerealiseerd voor de tien aaneengebouwde woningen.
De vrijstaande woningen en twee-onder-een kapwoningen voorzien in twee parkeerplaatsen op eigen erf. Daarmee wordt voorzien 46 parkeerplaatsen. Als gevolg van het plan worden in totaal 73 parkeerplaatsen/parkeermogelijkheden gerealiseerd. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het aspect 'parkeren' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.