CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22i Buitengebied, Postweg 19 Saasveld en Bornsedijk 14 Deurningen.pdf

Commissie Omgeving & Economie 17 november 2025, gemeente DinkellandBij agendapunt: 6: Voorstel inzake vaststelling omgevingsplan “TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22i Buitengebied, Postweg 19 Saasveld en Bornsedijk 14 Deurningen”31.070 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Hierbij geldt dat voor elke 1.200 m² te slopen landschapsontsierende bebouwing, één bouwkavel voor een woning kan worden toegekend; 2. Voor bedrijfsmatige kassen/een kassencomplex geldt een sloopverhouding van 1:5 ten opzichte van overige landschap ontsierende bebouwing, waarbij geldt dat hiermee per plan/locatie maximaal 3 compensatiewoningen gerealiseerd kunnen worden. 3. Alleen (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen kunnen worden ingezet, voor gebouwen met een ander (voormalig) bedrijfsmatig gebruik geldt maatwerk; 4. Alleen gebouwen die tenminste 5 jaar geleden zijn opgericht kunnen worden ingezet; 5. Alleen legaal opgerichte gebouwen kunnen worden ingezet, of aangetoond moet worden dat de gebouwen voor 1998 aanwezig waren; 6. Alleen volledige gebouwen kunnen worden ingezet en niet gedeeltes van gebouwen en/of (grotendeels) ingestorte gebouwen. De gemeente bepaalt of een niet-volledig gebouw kan worden ingezet voor deze regeling; 7. Karakteristieke gebouwen en monumentale gebouwen kunnen niet worden ingezet voor sloop en worden ingepast in de nieuwe erfopzet 8. Er mogen meerdere sloop- en bouwlocaties worden gecombineerd; 9. Tenminste 75% van de vereiste sloopoppervlakte voor een woning moet uit de gemeente komen waar de 30

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22i Buitengebied, Postweg 19 Saasveld en Bornsedijk 14 Deurningen

woning gebouwd wordt; 10. Op een slooplocatie moet tenminste 300m² worden gesloopt, tenzij het gaat om een veldschuur; 11. Alle landschapsontsierende gebouwen op een slooplocatie moeten worden gesloopt; 12. Bouwwerken zoals sleufsilo’s, mestplaten, mestbassins, (mest)kelders, hobby-/tunnelkassen en erfverharding moet worden verwijderd en tellen niet mee met de sloopoppervlakte. Torensilo’s en mestsilo’s kunnen worden meegeteld in de sloopoppervlakte; 13. De extra woning moet worden teruggebouwd op een slooplocatie waar sprake is van een erf met een functie (voormalig) agrarisch bedrijf, (voormalig) niet-agrarisch bedrijf dan wel een woonerf welke als zodanig is bestemd. Een locatie van een veldschuur geldt niet als geschikte terugbouwlocatie; 14. De woning en de bijbehorende bouwwerken dienen één erfensemble te vormen met de overige bebouwing (één-erf gedachte); 15. Wanneer de slooplocatie(s) niet geschikt is/zijn om een extra woning te bouwen vanuit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit, milieu-, ruimtelijke ordening- en/of overige wet- en regelgeving, kan de woning elders teruggebouwd worden. In dat geval dient de terugbouwlocatie aan te sluiten op bestaande bebouwing.

Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het bouwen in kernen, dorpsranden, buurtschappen, lintbebouwing, een bestaand erfensemble/erfstructuur (hieronder kan eventueel ook het ensemble/ de erfstructuur van een historisch(e) landgoed/ buitenplaats worden verstaan) of op de locatie van een solitair gelegen recreatiewoning waarbij deze wordt omgezet in een reguliere woning. Uitgangspunt is dat de impact van de nieuwe woning op de omgeving minimaal is; 16. Indien wordt voldaan aan de sloopnorm, mag een extra woning met bijbehorende bouwwerk(en) gebouwd worden conform de toegestane afmetingen (inhoud/oppervlakte/etc.) die gangbaar zijn in het geldend omgevingsplan voor de functie ‘Wonen; 17. In afwijking van lid 16 mag van de sloopoppervlakte boven de sloopnorm, maximaal 50% worden ingezet voor een groter bijbehorende bouwwerk bij de nieuw te bouwen of een te behouden woning, waarbij per woning niet meer dan 350 m² aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan. Indien de te behouden gebouwen landschapsontsierend zijn, worden eisen gesteld aan het verfraaien van de gebouwen zodat deze niet meer landschapsontsierend zijn; 18.

In afwijking van lid 11 kunnen gebouwen die in eerste instantie landschapsontsierend zijn, maar waarin bedrijfsmatige activiteiten mogelijk zijn, worden uitgezonderd van sloop mits dit landschappelijk en stedenbouwkundig aanvaardbaar is, de gebouwen zodanig verfraaid worden dat deze niet meer landschapsontsierend zijn en voldaan wordt aan de voorwaarden uit paragraaf 3.4. 19. Middels een beeldkwaliteitsplan dient de beeldkwaliteit van de woning vastgelegd te worden. Er is een standaard beeldkwaliteitsplan opgesteld welke hiervoor gebruikt kan worden. Indien dit plan niet volstaat voor een specifiek project, dient een initiatiefnemer zelf een beeldkwaliteitsplan aan te leveren. Het beeldkwaliteitsplan dient akkoord te worden bevonden door de gemeente; 20. In het gemeentelijk woningbouwprogramma moet voldoende ruimte beschikbaar zijn voor de te bouwen woningen in het buitengebied; 21. Het toepassen van de regeling houdt in dat dat op alle betrokken locaties de bedrijfsmatige agrarische activiteiten gestaakt moeten worden. Dit houdt tevens in dat de hiervoor bedoelde vergunningen en toestemmingen moeten worden ingetrokken door de vergunninghouder, de locaties een passende functie krijgen conform het nieuwe gebruik en planologisch wordt geregeld dat de bedrijfsmatige agrarische activiteiten moeten worden beëindigd; 22.

De planologische bouwmogelijkheden op alle betrokken locaties worden aangepast aan de nieuwe situatie. Dit betekent onder andere dat de resterende bebouwing na sloop op de slooplocatie(s) beschouwd wordt als de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing op het betreffende perceel. 4.7.1 Functiewijziging ‘Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’ Voor de functiewijziging van de functie ‘Agrarisch bedrijf’ naar de functie ‘Wonen’ is, voor zover geen sprake is van de bouw van een extra woning, geen aanvullende kwaliteitsinvestering vereist. Een extra woning wordt uitsluitend toegestaan indien voldaan wordt aan de regels uit paragraaf 3.5. Het toepassen van deze regeling houdt tevens in dat dat op de betrokken locatie de bedrijfsmatige agrarische activiteiten gestaakt moeten worden. Dit houdt tevens in dat de hiervoor bedoelde vergunningen en toestemmingen moeten worden ingetrokken.

Beoordeling van plannen: 3.5 Extra woningen (Rood voor Rood) Ter compensatie van de sloop van tenminste 1.200 m² aan landschap ontsierende gebouwen en een investering in ruimtelijke kwaliteit, mag een woning met bijbehorende bouwwerk(en) worden gerealiseerd met een bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22i Buitengebied, Postweg 19 Saasveld en Bornsedijk 14 Deurningen

31

inhoud/oppervlakte conform het omgevingsplan van rechtswege. Uitgangspunt is dat de compensatiewoning teruggebouwd wordt op de slooplocatie, dat is met het voornemen deels het geval. Uit dossieronderzoek naar de legale situatie is een totale sloopoppervlakte van circa 3.888 m² voort gekomen. Hiermee wordt ruim voldaan aan de sloopnorm voor drie compensatiewoningen. Alle landschap ontsierende gebouwen op de slooplocatie moeten worden gesloopt. Hier wordt aan voldaan op locatie Postweg 19. Er is sprake van een volledige herontwikkeling van het erf. Uitgangspunt voor de compensatiewoning is dat deze moet worden teruggebouwd op een slooplocatie waar sprake is van een erf met een functie (voormalig) agrarisch bedrijf, dan wel een woonerf welke als zodanig is bestemd. Hier wordt voor twee compensatiewoningen aan voldaan. De huidige agrarische bedrijfsfunctie wordt omgezet naar een reguliere woonfunctie. De milieuvergunning en planologische mogelijkheden voor uitoefening van een agrarische veehouderij worden ingetrokken. De erflocatie biedt ruimte voor de toevoeging van twee extra woningen. Het toekennen van een derde wooneenheid zou voor te veel losse gebouwen zorgen, waardoor de ruimtelijke kwaliteit niet gewaarborgd kan worden. Een woonrecht voor compensatiekavel wordt daarom verplaatst naar de locatie Bornsedijk 14 in Deurningen.

Aldaar is sprake van een locatie die aansluit aan de bestaande lintbebouwing, is de woonfunctie reeds toegekend en is in de praktijk sprake van een tuin. De kavel biedt echter voldoende ruimte om een woning met bijbehorende bouwwerk te realiseren. De sloopppervlakte boven de sloopnorm voor rood voor rood wordt ingezet voor vergroten van de inhoud van één compensatiewoning aan de Postweg. In overeenstemming met voorwaarde 17 van paragraaf 3.5 en de algemene randvoorwaarde 12 van paragraaf 2 is een gecombineerde toepassing van de in de beleidsregel opgenomen onderdelen mogelijk. Onderstaand is eveneens de toetsing aan paragraaf 3.1 (uitbreiding woning) uitgewerkt. Voor de beoordeling van de erfopzetten is het plan voor zowel Postweg 19 als Bornsedijk 14 voorgelegd aan het Kwaliteitsteam. Dat heeft goedkeuring verschaft aan de opzet en de betreffende adviezen zijn opgenomen in Bijlage 3 en Bijlage 4. Het Ruimtelijke kwaliteitsplan Bijlage 1 voorziet in een juiste ruimtelijke kwaliteit van het erf.

3.1 Uitbreiding woning Zoals benoemd in de vorige alineas wordt in totaal 3.888 m2 aan landschapsontsierende bebouwing gesaneerd in het kader van rood voor rood. Voor drie compensatiekavels wordt 3.600 m2 aangewend (3*1.200 m2). Er resteert daarom 288 m2 en deze oppervlakte wordt ingezet ten behoeve van een vergroting van de inhoud van één van de compensatiewoningen. Op basis van de algemene randvoorwaarde 12 van paragraaf 2 is een gecombineerde toepassing van de in de beleidsregel opgenomen onderdelen mogelijk. De voorwaarden voor inzet sloop zijn nagenoeg gelijk aan die voor rood voor rood en daarmee voldoet het aan de gestelde voorwaarden. Eén van de nieuwe woningen aan de Postweg kan daarmee tot een maximale inhoudsmaat van 1.038 m3 gebouwd worden.

4.7.1 Functiewijziging ‘Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’ In onderhavig geval is sprake van de bouw van extra woningen. Daarom wordt voldaan aan de sloopcompenstatie voor een woontitel. Daarnaast wordt het erf landschappelijk ingepast. Op 8 januari 2025 zijn de omgevingsvergunningen milieu voor het agrarisch bedrijf Postweg 19 en 19a in Saasveld geheel ingetrokken. Met inachtneming hiervan wordt voldaan aan de voorwaarden voor omzetting naar wonen. Resumerend De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten zoals gesteld in het beleid 'Buitengebied met kwaliteit' van de gemeente Dinkelland. 4.1.5

Omgevingsplan Dinkelland, onderdeel bestemmingsplan Buitengebied 2010.

Voor de herbouw van de bestaande woning aan de Postweg 19 in Saasveld wordt de huidige inhoudsmaat van 1.100 m3 opgenomen. Conform de regels uit Buitengebied 2010 geldt voor de bouwregels van de functie wonen: "de inhoud van een woning binnen een hoofdgebouw zal ten hoogste 750 m³ bedragen, tenzij de bestaande inhoud van een woning binnen een hoofdgebouw meer bedraagt dan 750 m³, in welk geval de inhoud van een woning binnen een hoofdgebouw ten hoogste de bestaande inhoud zal bedragen;" Vervolgens is onder de binnenplanse afwijkingsregels het volgende opgenomen:

32

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22i Buitengebied, Postweg 19 Saasveld en Bornsedijk 14 Deurningen

"b. het bepaalde in lid 36.2.1. onder d en toestaan dat, in geval van gehele sloop van het hoofdgebouw met een bestaande inhoud van meer dan 2.000 m³, een nieuw hoofdgebouw wordt gebouwd met een inhoud van ten hoogste 2.000 m³, mits: 1 het nieuwe hoofdgebouw wordt gebouwd overeenkomstig de bestaande karakteristieke hoofdvorm; 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden, de woonsituatie, de waarden van de historische buitenplaatsen en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;" Beoordeling van dit plan: Zoals aangegeven is de maximum inhoudsmaat normaliter 750 m3. In dit geval is een bestaande bedrijfswoning met een inhoud van 1.100 m3 aanwezig op de locatie Postweg 19. De wens is om deze woning te herbouwen, derhalve wordt opgenomen dat de reeds aanwezige inhoudsmaat van 1.100 m3 herbouwd mag worden. 4.1.6

Woonvisie Dinkelland 2021+

Op 5 juli 2021 heeft de gemeenteraad van Dinkelland de Woonvisie 2021+ vastgesteld. De woonvisie vormt de basis voor strategische afwegingen die de gemeente maakt op het gebied van wonen. Meer woningen De komende jaren gaat de gemeente voldoende woningen bouwen om te voorzien in de verwachte vraag. Om dat te bewerkstelligen is het ten eerste zaak om goed inzicht te hebben in die verwachte woningvraag. De afgelopen vijf jaar is het aantal huishoudens in Dinkelland gegroeid met ongeveer +470. Voor de komende jaren gaan de gemeente uit van een woningbehoefte tussen de +225 en +800 woningen voor de periode 2021-2030. Voor deze woonvisie gaan de gemeente uit van de middeling van deze bandbreedte. Dit betekent dat uitgegaan wordt van een woningbehoefte van 515 woningen voor de periode 2020-2030. Daarbij zal het grootste deel van de vraag gericht zijn op het bedienen van de lokale behoefte, maar houden we ook rekening met de instroom van vestigers. Gezien de huidige druk op de markt wil de gemeente deze woningbouwopgave zoveel mogelijk de komende vijf jaar realiseren. De gemeente wil een ruimere plancapaciteit aan houden dan enkel koersen op de verwachte woningbehoefte. De ervaring leert dat een deel van de plannen vertraging oploopt of helemaal niet doorgaat.

Willen we tijdig kunnen inspelen op de behoefte dan is een programma van 130% reëel; zo'n 665 woningen (ervan uitgaande dat 30% van de plannen niet of vertraagd wordt gerealiseerd). Reservering Rood voor Rood Er ligt een grote opgave voor het buitengebied. De verwachting is dat de komende jaren veel agrarische bedrijven zullen stoppen. Deze bedrijven moeten hierbij geholpen worden. Via de rood voor rood regeling wordt het financieel mogelijk om vrijkomende agrarische bebouwing te slopen door hiervoor in de plaats woningen te bouwen. Voor de ruimtelijke inpasbaarheid ligt de ontwikkeling van ruime grondgebonden woningen het meest voor de hand. Daarmee bieden we ruimte voor de vraag naar ruim wonen in het buitengebied, waarmee we inspelen op een regionale vraag (zowel woningzoekenden uit de gemeente Dinkelland als daarbuiten). De gemeente Dinkelland reserveert 60 woningen voor de rood voor rood regeling. Het is wel belangrijk dat de te realiseren woningen tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied leiden. Beoordeling van de plannen: Er is ruimte voor het toevoegen van in totaal 60 woningen in het kader van Rood voor Rood in het buitengebied. Het toevoegen van drie compensatiewoningen past binnen deze programmering.

In de brief als reactie op het principeverzoek heeft de gemeente Dinkelland aangegeven dat in het woningbouwprogramma de woningen zijn gereserveerd. De compensatiewoningen past dan ook binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma. Geconcludeerd wordt dat het initiatief is in overeenstemming is met de Woonvisie 2021+. 4.1.7

Casco benadering Noordoost Twente

De gemeente Dinkelland hanteert, vooral ter bescherming van het bestaande landschap, het casco beleid. Door het casco beleid is het mogelijk om via een kaart te achterhalen of een ontwikkeling wel of niet in strijd is met elementen welke tot de casco behoren. Elementen als onderdeel uitmakend van de Casco zijn in principe niet te verwijderen (groen lijnen/vlakken op de kaart). bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22i Buitengebied, Postweg 19 Saasveld en Bornsedijk 14 Deurningen

33

afbeelding 4.8: fragment van de cascokaart ter plaatse van Postweg 19 (bron: geo.overijssel.nl)

afbeelding 4.9: fragment van de cascokaart ter plaatse van Bornsedijk 14 (bron: geo.overijssel.nl) Beoordeling van plannen: Postweg 19 Op het perceel ligt aan de voorzijde (nabij de Postweg) een casco element. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed of gevolgen voor het bestaande casco element. Bornsedijk 14 Op het perceel bevindt zich een casco element, namelijk de houtsingel (ook NNN-onderdeel). Het casco/NNN element betreft verwilderde tuinbeplanting. Ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit is ervoor gekozen om de houtopstand grotendeels te vellen en te vervangen voor een nieuw inheems sortiment. De ontwikkeling heeft daarom geen consequenties voor het cascobeleid en/of het cascobeleid heeft geen consequenties voor de ontwikkeling.

34

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22i Buitengebied, Postweg 19 Saasveld en Bornsedijk 14 Deurningen

4.1.8

Beeldkwaliteit

De Nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 is in dit geval van toepassing, omdat een specifiek beeldkwaliteitsplan voor rood voor rood op 26 maart 2024 door de raad is vastgesteld en onderdeel is geworden van de Nota omgevingskwaliteit. Toetsing op welstand vindt uiteindelijk plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de extra woningen, waarvoor het genoemde beeldkwaliteitskader de randvoorwaarden vormt. Voor de volledigheid is het vastgestelde en geldende beelkwaliteitsplan opgenomen als Bijlage 2 Op voorhand worden geen belemmeringen verwacht voor wat betreft de uitvoering van voorliggend plan.

4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak heeft gedaan. 4.2.1

Provinciaal vooroverleg

De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst gepubliceerd van categorieën plannen en besluiten waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder een plan op basis van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving en deels NNN voor wat betreft een houtsingel aan de Bornsedijk 14 . Hiervoor is het plan in het kader van vooroverleg aan de provincie voorgelegd. Op 3 juni 2025 heeft de provincie hierop het volgende aangegeven. "Het rood voor rood plan ziet er goed uit. De ruimtelijke kwaliteit van het erf Postweg 19 gaat erop vooruit, de twee nieuwe woningen kunnen goed op het huidige erf worden ingepast. De derde compensatiewoning is passend aan het eind van het rijtje aan de Bornsedijk. De groensingel aan de noord- en westzijde van het erf Bornsedijk 14 is begrensd als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Deze is op de concept-plankaart opgenomen binnen de functie wonen. Op grond van de beschermende regelgeving voor het NNN moet deze een groene functieaanduiding krijgen, bijvoorbeeld “natuur” of “landschapselement”. Het voorgestelde assortiment is prima. Wanneer de plankaart op dit onderdeel wordt aangepast zijn wij akkoord met dit concept-TAM-Omgevingsplan.

Het plan hoeft dan niet opnieuw voor vooroverleg te worden ingediend." Naar aanleiding van de reactie van de provincie is de verbeelding op dit onderdeel aangepast en heeft de als NNN begrensde groensingel de functie 'Bos - Natuur' gekregen.

4.2.2

Waterschap Vechtstromen

Op 25 januari 2025 is de digitale watertoets voor beide planlocaties uitgevoerd. De korte procedure van het waterschap Vechtstromen is hierbij van toepassing verklaard, waarbij geadviseerd is om de standaard uitgangspunten te hanteren bij het uitwerken van de waterparagraaf. Op 8 mei 2025 heeft daarop afstemming plaatsgevonden met de adviseur van het waterschap. Er zijn daarbij aandachtspunten genoemd voor wat betreft het verwerken van hemelwater, de peilhoogten van de bebouwing in relatie tot de grondwaterstanden en de mogelijkheden voor verwerking van afvalwater. De besproken punten zijn verwerkt in de waterparagraaf en op basis daarvan is er vanuit het waterschap Vechtstromen geen belemmering voor het voornemen. 4.2.3

Participatie omgeving

De gemeenteraad heeft het beleid ‘Inwonersparticipatie’ vastgesteld en daarin is een ‘Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie’ opgenomen. Beschrijving van de wijze van participatie, de keuze waarom voor deze wijze van participatie is gekozen en wat het resultaat hiervan is: Een overzicht van de participatiestappen en opgehaalde resultaten van de participatie met een beschrijving van welke onderdelen van het plan of welke alternatieven van een plan kunnen rekenen op draagvlak en waarvoor minder of geen draagvlak is; Een beschrijving wat is gedaan met de resultaten van de participatie. Heeft de inbrengen van participanten bijvoorbeeld geleid tot een aanpassing van uw plan en op welke manier?; Een beschrijving van de overwegingen wat wel en niet is meegenomen en de onderbouwing. Voor beide planlocaties geldt dat initiatiefnemers met omwonenden gesproken hebben. Dit is uitgewerkt in Bijlage 5 en Bijlage 6. De verslagen laten zien dat er vanuit omwonenden wat vragen of suggesties zijn gedaan, bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22i Buitengebied, Postweg 19 Saasveld en Bornsedijk 14 Deurningen

35

maar dat in de basis de plannen positief ontvangen worden. Eén concrete aanpassing vanuit de participatie is dat aan de Bornsedijk de nieuwe woning in gelijke lijn wordt gerealiseerd met de huidige woning Bornsedijk 14. Dit mede op verzoek van de bewoners van nr. 12. Initiatiefnemers zijn blij met de de gegeven input. De gemaakte opmerkingen geven op dit moment verder geen directe aanleidingen om planwijzigingen aan te brengen.

36

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22i Buitengebied, Postweg 19 Saasveld en Bornsedijk 14 Deurningen

Hoofdstuk 5

Omgevingsaspecten

Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 'Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.

5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven. Inhoud en strekking van de instructieregel komen overeen met de laddertoets die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold op basis van artikel 3.1.6 lid 3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Met artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen wijziging beoogd ten opzicht van artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven). Uit artikel 5.129g, eerste lid, Bkl volgt dat de laddertoets in ieder geval van toepassing is op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren.

Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Stedelijke ontwikkeling In voorliggend geval wordt een agrarisch bedrijfsperceel omgevormd, waarbij de in onbruik rakende bebouwing gesaneerd wordt en conform de rood voor rood regeling drie compensatiewoningen gebouwd mogen worden. Deze woningen worden gerealiseerd aan de Postweg en één aan de Bornsedijk. De ontwikkeling blijft ruim onder de 12 woningen, de grens waarbij sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bovendien geeft het plan invulling aan een ruimte voor ruimte-regeling. Conclusie Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zodat er niet hoeft te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Zoals blijkt uit hoofdstuk 4 voorziet het plan in een behoefte. bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22i Buitengebied, Postweg 19 Saasveld en Bornsedijk 14 Deurningen

37

5.2 Besluit milieueffectrapportage Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor plan / programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

De voorgenomen activiteit, het saneren van landschapsontsierende bebouwing en het in plaats hiervan bouwen van drie compensatiewoningen, staat niet benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er ook geen noodzaak tot een m.e.r.-beoordeling. Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).

5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en -afwikkeling) De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)'. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Het voorliggend plan voorziet in de sanering van een veehouderij aan de Postweg 19 in Saasveld en de nieuwbouw van compensatiewoningen aan de Postweg 19 Saasveld en Bornsedijk 14 in Deurningen.

Voor de locatie Postweg 19 in Saasveld geldt dat de verkeersbewegingen vanuit het agrarisch bedrijf vervallen, vanwege het staken van de agrarische bedrijvigheid. In plaats hiervan worden extra twee compensatiewoningen gerealiseerd. De bestaande woning wordt daarnaast herbouwd, maar de verkeersbewegingen wijzigen als gevolg hiervan niet. Hiermee is de worst-case verkeersontwikkeling maximaal 17 (8,4 verkeersbeweging per woning). Dit beperkte aantal is zo laag dat de verkeersontwikkeling geen problemen veroorzaken op de omliggende wegen zoals de Postweg. De betrefffende wegen zijn gebiedsontsluitingswegen voldoende toeberekend op dergelijke aantallen. Aan de Bornsedijk 14 zal sprake zijn van een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen (8,4 verkeersbewegingen) als gevolg van de nieuwe woning. Het aantal verkeersbewegingen neemt zodoende als gevolg van de plannen beperkt toe. Het bestaande wegennet is voldoende toegerust op de ontsluiting van het plangebied ten behoeve van één extra woning. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan. Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. 38

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22i Buitengebied, Postweg 19 Saasveld en Bornsedijk 14 Deurningen

Uitgangspunten en parkeerbenodigdheden Het plangebied ligt in een gebied met de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk' in een deel van de gemeente Dinkelland dat behoort tot het gebiedstype 'buitengebied'. In voorliggend geval worden aan de Postweg in de nieuwe situatie twee extra vrijstaande woningen gebouwd. Hiermee is sprake van een parkeerbehoefte van (gemiddeld 2,4 per woning) afgerond 5 parkeerplaatsen. Daarnaast wordt de bestaande woning op het erf vervangen en ook daar wordt voorzien in eigen parkeerbehoefte (minimaal 3 parkeersplaatsen). Gelet op de omvang van het toekomstige woonerf is er ruim voldoende ruimte om op eigen erf in de parkeerbehoefte te voorzien. Voor de locatie Bornsedijk 14 geldt dat één vrijstaande woning wordt toegevoegd met een parkeerbehoefte van 2,4 parkeerplaats, maakt afgerond 3 parkeerplaatsen. Het erf voorziet in voldoende ruimte om in deze parkeerbehoefte te voorzien. Overigens is er geen toename van de parkeerdruk in de omgeving van de planlocaties, doordat er volledig op eigen erf wordt voorzien in de benodigde parkeervoorziening. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.

5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming Door Natuurbank Overijssel zijn in een quickscan natuurwaarden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In het rapport Bijlage 10 worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. 5.4.1

Gebiedsbescherming

5.4.1.1 Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Situatie plangebied Het plangebied aan de Postweg 19 in Saasveld ligt op minimaal 4,97 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is Lemselermaten. Het plangebied aan de Bornsedijk 14 in Deurningen ligt op minimaal 3,08 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is Lonnekermeer. De plangebieden behoren niet tot het Natura 2000-gebied. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22i Buitengebied, Postweg 19 Saasveld en Bornsedijk 14 Deurningen

39

gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Op basis van de advieslijn van de omgevingsdienst Twente, kan geconcludeerd worden dat de afstanden van circa 3 en 5 kilometer tot N2000 voldoende ruim zijn om eventuele stikstofdepositie uit te sluiten.

Overige negatieve effecten kunnen op Natura 2000-gebieden voor beide locaties worden uitgesloten. Conclusie Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 5.4.1.2 Natuurnetwerk Nederland In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe.

Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. Situatie plangebied Het deelgebied aan de Postweg behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Voor het deelgebied aan de Bornsedijk is sprake van een relatief kleinschalige nieuwe ontwikkeling binnen gronden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland. Er dient een zorgvuldige afweging onderzocht te worden van alternatieven en er dient een compensatieplan opgesteld te worden. In voorliggend geval wordt het betreffende NNN-deel juist versterkt door het een planologisch passende functie toe te kennen (dat was tot nu toe woonfunctie) en door concrete landschapsmaatregelen te treffen die de natuurwaarden verhogen.

Gelet op de kleinschaligheid van de voorgenomen activiteiten worden de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied door de nieuwe ontwikkeling in beperkte mate aangetast, maar worden tegelijkertijd ook juist versterken verricht om dit te compenseren. Conclusie De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal en waar sprake is van NNN-gronden binnen het plangebied, worden daar juist landschappelijke ingrepen gedaan om de natuurwaarden te verhogen. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en 40

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22i Buitengebied, Postweg 19 Saasveld en Bornsedijk 14 Deurningen

omgevingscondities van het NNN. 5.4.2

Soortenbescherming

In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.

Situatie plangebied Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten Postweg 19 Saasveld: Het plangebied vormt geen geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied maar mogelijk nestelen er nestelen vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en amfibieën er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats. Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en er nestelen mogelijk huismussen, boerenzwaluwen, huiszwaluwen en kerkuilen op het terrein. Aangezien nesten van huismussen, boerenzwaluwen, huiszwaluwen en kerkuilen jaarrond beschermd zijn moet er nader onderzoek uitgevoerd worden om vast te kunnen stellen of deze nesten aanwezig zijn en of er een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd moet worden voor het slopen van de bebouwing. Van de overige in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats.

Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Indien de werkzaamheden toch in de voortplantingsperiode van vogels worden uitgevoerd moet er een broedvogelscan uitgevoerd worden. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de bosmuizen, huisspitsmuizen en rosse woelmuizen die een vaste rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling geldt niet voor steenmarter, voor deze soort dient nader onderzocht te worden of er verblijfplaatsen aanwezig zijn op het erf. Voor de andere beschermde grondgebonden zoogdieren op het erf geldt geen vrijstelling voor het doden.

Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Er dient wel nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid van vaste rust- en voortplantingsplaatsen van steenmarter. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan pas doorgaan wanneer het nadere onderzoek op het erf is afgerond. Door het slopen van de bebouwing worden mogelijk vleermuizen of verblijfplaatsen van vleermuizen negatief beïnvloed. Vleermuizen zijn strikt beschermd en mogen alleen met een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit negatief beïnvloed worden. Om vast te kunnen stellen of vleermuizen negatief beïnvloed worden, dient de functie van de bebouwing voor vleermuizen vastgesteld te worden. Geadviseerd wordt om aanvullend onderzoek uit te voeren naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen, conform het vleermuisprotocol 2021. Dat houdt in dat de bebouwing meermaals onderzocht dient te worden in de periode half mei – september.

Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22i Buitengebied, Postweg 19 Saasveld en Bornsedijk 14 Deurningen

41

amfibieën, waarvan mogelijk de vaste (winter)rustplaats negatief beïnvloed wordt geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten Bornsedijk 14 Deurningen Het plangebied vormt geen geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied maar mogelijk nestelen er vogels. Grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en amfibieën benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Er nestelen mogelijk vogels in de bomen die gerooid gaan worden en in de aangrenzende houtwal. Als gevolg van het bouwen van de woning en het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield.

Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepaling verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte peridode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Indien de werkzaamheden toch in de voortplantingsperiode van vogels worden uitgevoerd moet er een broedvogelscan uitgevoerd worden. Conclusie Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg. Initiatiefnemer is er zelf verantwoordelijk voor dat voor de locatie Postweg 19 zowel nader onderzoek naar de nesten van huismussen, boerenzwaluwen, huiszwaluwen en kerkuilen als nader onderzoek naar de aanwezighed van vaste rust- en voortplantinsplaasen van steenmarter als nader onderzoek naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen wordt uitgevoerd.

5.5 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Beoordeling van de plannen: Het voorliggend plan voorziet in de transformatie van het erf ter plaatse van de Postweg 19 en de bouw van een compensatiewoning op de locatie Bornsedijk 14. 42

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22i Buitengebied, Postweg 19 Saasveld en Bornsedijk 14 Deurningen

Postweg 19, Saasveld Gekeken is wat de effecten van verkeersbewegingen vanuit twee vrijstaande woningen bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Zie onderstaand de NIBM-tool voor de verkeersbewegingen vanuit de locatie Postweg.

Afbeelding 5.1: NIBM-tool worst-case berekening vanwege de ontwikkeling (bron: infomil.nl)

Bornsedijk 14 Deurningen Bekeken is wat de effecten van verkeersbewegingen vanuit een vrijstaande woning bijdraagt. Zie onderstaand de NIBM-tool voor de verkeersbewegingen vanuit het plan aan de Bornsedijk.

Afbeelding 5.2: NIBM-tool worst-case berekening vanwege de ontwikkeling (bron: infomil.nl) De NIBM-tool laat zien dat er geen sprake is van significante gevolgen voor de luchtkwaliteit. De gevolgen van het plan op de luchtkwaliteit is daarmee 'niet in betekende mate'. Conclusie Het voorliggende plan draagt niet bij aan een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit. bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22i Buitengebied, Postweg 19 Saasveld en Bornsedijk 14 Deurningen

43

5.6 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen.

De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: woningen; Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl.

Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:

Afbeelding 5.3: standaarwaarden (bron: art. 5.78T van het Bkl)

Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan 44

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22i Buitengebied, Postweg 19 Saasveld en Bornsedijk 14 Deurningen

naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend. Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Woongebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB). Situatie plangebied, weg- en verkeerslawaai Postweg 19 De Postweg betreft een 60 km/u weg die wordt benut door vrijwel enkel bestemmingsverkeer. Er is daarmee sprake van relatief lage intensiteiten in combinatie met een behoorlijk aangehouden afstand ten opzichte van de weg voor de nieuwe woningen. De nieuwe woning komt namelijk op circa 20 meter afstand tot de as van de weg. Het betreft een asfaltweg, zoals gezegd enkel gebruikt door bestemmingsverkeer. De geluidsbelasting is niet hoger dan 43 dB op de locatie van de nieuwe dichtstbijzijnde woning.

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan op basis van de situering en de karakteristieken van de weg verondersteld worden.

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22i Buitengebied, Postweg 19 Saasveld en Bornsedijk 14 Deurningen

45

Afbeelding 5.4 geluidskaart omgeving Postweg 19 wegverkeerslawaai (bron: Atlas Leefomgeving) Bornsedijk 14 De Bornsedijk betreft een 60 km/u weg die wordt benut door vrijwel enkel bestemmingsverkeer. Er is daarmee sprake van relatief lage intensiteiten in combinatie met een behoorlijk aangehouden afstand ten opzichte van de weg voor de nieuwe woning. De nieuwe woning komt namelijk op circa 21 meter afstand tot de as van de weg. Het betreft een asfaltweg, zoals gezegd enkel gebruikt door bestemmingsverkeer. De nieuwe woning komt op de rand van lichtgroen met donkergroen, daarmee is de geluidsbelasting circa 48 dB en onder de standaardwaarde van 50 dB. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan op basis van de situering en de karakteristieken van de weg verondersteld worden.

46

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22i Buitengebied, Postweg 19 Saasveld en Bornsedijk 14 Deurningen

Afbeelding 5.5 geluidskaart omgeving Bornsedijk 14 wegverkeerslawaai (bron: Atlas Leefomgeving) Situatie plangebied, industrielawaai Voor wat betreft industrielawaai wordt geconstateerd dat er geen industrieterreinen met geluidsplafond in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Voor railverkeer wordt op de planlocatie geen geluidsbelasting aangegeven en daarmee ligt de planlocatie ook buiten de hiervoor aangegeven geluidscontour. Situatie plangebied, geluid door belastende activiteiten Postweg 19, Saasveld Het dichtstbijzijnde (agrarisch) bedrijf nabij Postweg 19 betreft het erf Postweg 28 in Saasveld. De locatie ligt op minstens 90 meter van het plangebied, waardoor er geen belemmeringen ontstaan als gevolg van de voorliggende ontwikkeling voor wat betreft geluid. Daarnaast ligt aan de Postweg 17 een bedrijf met jongvee en vleesvee op een afstand van minimaal 145 meter. De onderlinge afstand is ruim meer dan de benodigde geadviseerde afstand van 30 meter voor geluid. Bornsedijk 14 Deurningen Aan de Bornsedijk 14 geldt dat een grondgebonden agrarisch bedrijf is gelegen op 120 meter van het plangebiedwaardoor er geen belemmeringen ontstaan als gevolg van de voorliggende ontwikkeling voor wat betreft geluid. De onderlinge afstand is ruim voldoende en in de tussenliggende ruimte is ook reeds een woning aanwezig.

Het betreffende bedrijf wordt daarom niet geschaad in de mogelijkheden en andersom is er sprake van een evenwichtige toedeling van functie aan de planlocatie. Met inachtneming van het voorgaande is sprake van een aanvaarbare situatie voor het aspect geluid.

5.7 Geur In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. Er moet dus overwogen worden wat de beste locatie is voor een geurveroorzakende activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22i Buitengebied, Postweg 19 Saasveld en Bornsedijk 14 Deurningen

47

De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is. Beoordeling van de plannen: Onderhavige plannen maken een transformatie op het erf Postweg 19 in Saasveld mogelijk en voorzien dit erf van extra woningen. De betreffende ontwikkeling beoogt daarmee om nieuwe geurgevoelig objecten te realiseren. Aan de Bornsedijk 14 is ook sprake van het toevoegen van een woning (en daarmee een geurgevoelig object). Onderstaand wordt per locatie de situatie voor geur behandeld. Postweg 19 Saasveld Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf nabij Postweg 19 betreft het erf Postweg 28 in Saasveld. De locatie ligt op minstens 90 meter van het plangebied, waardoor er geen belemmeringen ontstaan als gevolg van de voorliggende ontwikkeling voor wat betreft geur. Daarnaast ligt aan de Postweg 17 een bedrijf met jongvee en vleesvee op een afstand van minimaal 145 meter. De onderlinge afstand is ruim meer dan de benodigde vaste afstand van 50 meter conform artikel 5.111 en 5.115 van het Bkl die geldt bij ruimte voor ruimte-ontwikkelingen. Gezien de ruime onderlinge afstand worden belemmeringen vanuit geur niet voorzien.

Er blijft sprake van een aanvaardbare situatie aangaande geur. Bornsedijk 14 Deurningen Aan de Bornsedijk 14 geldt dat een grondgebonden agarrisch bedrijf is gelegen op 120 meter van het plangebied. Het betreft een melkrundveehouderij waar volgens de vergunning alleen dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden. De onderlinge afstand is ruim voldoende en in de tussenliggende ruimte is ook reeds een woning aanwezig. Het betreffende bedrijf wordt daarom niet geschaad in de mogelijkheden en andersom is er sprake van een evenwichtige toedeling van functie aan locatie.

5.8 Omgevingsveiligheid Algemeen Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/953/documents/24305