CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Rossum Noord 2_Toelichting

Gemeenteraad 23 juni 2026, gemeente DinkellandBij agendapunt: 13: Voorstel inzake vaststelling omgevingsplan ‘Rossum Noord 2”21.109 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningsplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.

41

5.11.2 Situatie plangebied In het kader van voorgenomen ontwikkeling is ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het uitgevoerde onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar Bijlage 7 bij deze toelichting. Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde monstermateriaal geen bijzonderheden waargenomen. Op basis van zintuiglijke waarnemingen is in het opgeboorde bodemmateriaal geen asbestverdacht materiaal waargenomen (indicatieve waarneming). Bovengrond De bovengrondmengmonsters MM1, MM2 en MM4 bevatten geen van de onderzochte componenten verhoogd gehalte ten opzichte van de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. Bovengrondmengmonster MM3 bevat een verhoogd gehalte molybdeen (zware metalen) ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het verhoogd gemeten gehalte molybdeen is niet te relateren aan zintuigelijk waargenomen bodemvreemde bijmengingen in het opgeboorde monstermateriaal. Ondergrond De ondergrondmengmonsters MM5 en MM7 bevatten geen van de onderzochte componenten verhoogd gehalte ten opzichte van de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. Ondergrondmengmonster MM6 bevat een verhoogd gehalte kobalt (zware metalen) ten opzichte van de achtergrondwaarde.

Het verhoogd gemeten gehalte kobalt is niet te relateren aan zintuigelijk waargenomen bodemvreemde bijmengingen in het opgeboorde monstermateriaal. In gebieden welke reeds langere tijd door de mens in gebruik zijn (o.a. langdurige bewoning of menselijk gebruik) worden vaker verhoogde gehalten aan o.a. zware metalen, PAK’s en /of minerale olie in de grond gemeten. In algemene zin wordt opgemerkt dat antropogene beïnvloeding van een locatie in de meeste gevallen een negatief effect heeft op de kwaliteit van de bodem. Zware metalen bezitten veelal een geringe mobiliteit in de bodem en hechten zich met name aan sliben kleideeltjes. Zware metalen komen van nature in bepaalde concentraties in de bodem voor. Deze concentraties kunnen verhoogd voorkomen in het stedelijk milieu. De afgifte vindt onder andere plaats door dakpannen, dakgoten, kabels en leidingen, verkeer en afval. Ook depositie van zware metalen op de bodem door industriële activiteiten is een mogelijke oorzaak van verhoogde concentraties.

Grondwater Het grondwater bevat plaatselijk een verhoogd gehalte barium, nikkel en zink (zware metalen) ten opzichte van de streefwaarde. De tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex waarde (>0.5) wordt in deze gevallen niet overschreden zodat er uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding is tot het instellen van aanvullend onderzoek. 5.11.3 Conclusie De bodem wordt geschikt geacht voor het toekomstige gebruik (wonen en tuin). Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.12

Waterbelang

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. 5.12.1 Vigerend beleid Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 42

Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. Provinciaal beleid Overijssel In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. Beleid Waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het Waterschap heeft de Watervisie 2050 vastgesteld.

In deze Watervisie staan de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: • • •

de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat; de transitie naar een duurzame ontwikkeling.

5.12.2 Watertoets In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Het volledige waterhuishoudkundig plan is opgenomen in Bijlage 8. Onderdeel van het waterhuishoudkundig plan is de digitale watertoets. Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets.

De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenaamde 'normale procedure' van toepassing is. In het waterhuishoudkundig plan is tevens de lokale waterhuishouding en de gevolgen van de herontwikkeling op de huidige waterhuishoudkundige situatie in kaart gebracht. Binnen het plangebied 43

zal het hemelwater en vuilwater (droogweerafvoer) gescheiden worden afgevoerd. Hierbij is gekozen om het hemelwater over het maaiveld en via natuurlijk afschot te laten afstromen naar verschillende wadi’s binnen het plangebied. Een deel van de straten wordt hiervoor voorzien van molgoten. In combinatie met de plantontwikkeling van fase 3 worden de wadi’s welke bij de eerdere ontwikkeling van Rossum noord (fase 1) zijn aangelegd, aangepast en uitgebreid. Door de ontwikkeling is in het openbaar gebied straks circa 9.750 m2 verharding aanwezig. In lijn met de beringseis (37 mm) is binnen het plangebied 360 m3 bergingscapaciteit benodigd. In verband met de slechte doorlatendheid van de (onverzadigde) bodem en de kleilagen aan de oostzijde van het plangebied, wordt aanbevolen drainage aan te leggen onder de infiltratiemiddelen en kleilagen te doorbreken. Centraal in het plangebied is een afwateringsloot gelegen. Deze sloot wordt omgeleid langs de westen noordzijde van het plangebied. Er zijn voldoende mogelijkheden om de sloot onder vrij verval te laten afstromen op de Rossumerbeek. Vanuit de wadi’s wordt eveneens een overstort gerealiseerd op de Rossumerbeek, welke in werking treedt op moment dat de wadi’s gevuld zijn. De vloerpeilen zijn opgenomen in de regels en het is mogelijk te bouwen met kruipruimten.

Op basis van de toekomstige inrichting van het plangebied zijn er voldoende ruimte aanwezig om deze te sluiten op de bestaande peilen op aangrenzende percelen. 5.12.3 Conclusie Wanneer de adviezen uit het waterhuishoudkundig plan worden opgevolgd, en nader worden uitgewerkt is er vanuit het aspect water sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.13 Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen 5.13.1 Algemeen Om gewassen te beschermen, worden (chemische) bestrijdingsmiddelen gebruikt. Deze middelen worden door middel van spuitbomen aangebracht op gewassen en een deel hiervan kan verwaaien naar de naastliggende omgeving. Dit wordt ook wel drift genoemd. Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de openlucht worden geteeld in de buurt van gevoelige functies, zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van risico’s van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers.

Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die hierin worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlakte water. Het Besluit activiteiten leefomgeving is daarom evenmin bruikbaar. De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State doet met enige regelmaat uitspraak over zogenoemde spuitvrije zones. De rechtspraak over spuitvrije zones ziet op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en agrarische bedrijvigheid. Uit deze rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ‘niet onredelijk wordt geacht’. Deze afstand mag wel worden verkleind, maar dan moet de overheid dit wel goed motiveren aan de hand een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Echter, het gebruik van reken modellen is volgens de rechtspraak nog weinig succesvol. In eerste instantie betroffen de uitspraken van de Afdeling kwesties over hoogstamteelt. De spuithoogte bij deze teelt is hoger dan bij andere teelten. De grotere hoogte van spuiten leidt tot een ruimere verspreiding van het middel door de lucht naar de omgeving. Deze drift is mede afhankelijk van de windrichting en windkracht.

Uit recente rechtspraak volgt dat het niet alleen gaat om gewasbescherming bij hoogstamteelt, maar om agrarische bedrijvigheid waarbij agrarische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.

44

5.13.2 Situatie plangebied Voor de delen van de agrarische percelen 773 en 927 die zijn gelegen binnen een afstand van 50 meter van de voorziene woningen, verbiedt het plan zonder overgangsrecht het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zodra de woningen in gebruik zijn genomen. Dit verbod dient ter bescherming van het woon- en leefklimaat en om de realisatie van de woningen planologisch mogelijk te maken. Hiervoor is onderzocht in hoeverre de gebruiksmogelijkheden van de agrarische gronden worden beperkt en wat de gevolgen voor de eigenaren/gebruikers van de agrarische gronden zijn. Hierna wordt inzichtelijk gemaakt dat de spuitvrije zone noodzakelijk is in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Daarvoor wordt aan de hand van de criteria geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid getoetst of de spuitvrije zone evenredig is. 5.13.2.1 Geschiktheid Geschiktheid betekent dat een maatregel geschikt is om het doel te bereiken. Het doel van het verbod is ter plaatse van de geplande woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verzekeren en daarmee om aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) te voldaan.

Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat in beginsel een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies (zoals woningen) en agrarische percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen (mogen) worden gebruikt, in acht moet worden genomen. Deze afstand kan alleen worden verkleind als daaraan een deugdelijke motviering ten grondslag ligt, die gebaseerd is op een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat op dit moment een wetenschappelijk aanvaardbaar model ontbreekt waarmee in het kader van ETFAL een afstand voor aanvaardbare spuitvrije zone kan worden bepaald. Modellen zoals het PRI en EFSA zijn vanwege verschillende kritiekpunten niet bruikbaar om deze afstand te bepalen. Daarom kan een kortere afstand niet worden onderbouwd. Dat betekent dat het noodzakelijk is om een afstand van 50 meter aan te houden tussen de woningen en de agrarische percelen, om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen. Zonder het instellen van een spuitvrije zone binnen deze afstand kunnen de woningen dus niet planologisch mogelijk worden gemaakt. De maatregel (spuitvrije zone) is daarmee geschikt om het doel te bereiken (het mogelijk maken van de woningen).

5.13.2.2 Noodzakelijkheid Noodzakelijkheid houdt in dat de maatregel noodzakelijk moet zijn om het doel te bereiken, waarbij de vraag moet worden beantwoord of een minder belastende maatregel bestaat. Op grond van de rechtspraak moet een spuitvrije zone van 50 meter-afstand in acht genomen worden. Zoals gezegd bestaan op dit moment geen (goed) bruikbare modellen om te berekenen of en zo ja hoe een kortere afstand gemotiveerd kan worden. Deze modellen kunnen bijvoorbeeld de driftreductie van maatregelen niet (goed) berekenen. Ook is er nog veel wetenschappelijke onduidelijk over bijvoorbeeld welke middelen in welke mate schadelijk zijn en wat de gevolgen van cumulatie van gewasbeschermingsmiddelen zijn. Daarom is een verbod op het gebruik van alle soorten gewasbeschermingsmiddelen binnen 50 meter van de gevoelige functies, zonder permanent overgangsrecht, noodzakelijk om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen. Er is geen minder ingrijpende maatregel waarmee het beoogde doel (het mogelijk maken van de woningbouw) kan worden bereikt. Wel is in het kader van de noodzakelijkheid (maar ook in het kader van de evenwichtigheid) ervoor gekozen om de spuitvrije zone van kracht te laten worden pas op het moment dat de voorziene woningen in gebruik worden genomen. Daardoor is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen toegestaan zolang de woningen niet in gebruik zijn. 45

5.13.2.3 Evenwichtigheid De evenwichtigheid houdt in dat dat de maatregel in het concrete geval niet onredelijk bezwarend mag zijn. Daarbij mag het belang worden betrokken dat met de maatregel wordt gediend. In dit geval is dat het mogelijk maken van woningen. Allereerst is van belang dat de agrarische functie van de gronden behouden blijft, omdat het plan de agrarische functie niet wegbestemt. Het plan voorziet alleen in een spuitvrije zone. Deze spuitvrije zone geldt bovendien pas op het moment dat een van de woningen in gebruik wordt genomen, en niet al op moment van inwerkingtreding van het omgevingsplan. Verder maakt de spuitvrije zone het bestaand gebruik niet onmogelijk. De percelen 773 en 927 worden sinds 2014 gebruikt als grasland. De afgelopen tien jaren zijn geen gewassen geteeld waarvoor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen noodzakelijk is. Gewasbeschermingsmiddelen worden voor grasland gebruikt voor onkruidbestrijding. Maar, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor grasland is niet noodzakelijk. Onkruidbestrijding kan ook mechanisch, handmatig en/of met beweiding plaatsvinden. Het huidige gebruik als grasland kan daarom worden voortgezet. Wel is het zo dat de teelt van andere gewassen dan gras niet meer mogelijk is, omdat voor de meeste andere soorten gewassen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wel noodzakelijk is.

Maar de beperking van die gebruiksmogelijkheden is aanvaardbaar, omdat de afgelopen tien jaren dergelijke gewassen niet zijn geteeld. Het gaat dus om een beperking van niet benutte planologische mogelijkheden. De spuitvrije zone is uitsluitend van toepassing op de delen van de percelen die binnen 50 meter van de voorziene woningen liggen. Als gevolg hiervan is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op ongeveer een 20% van perceel 773 en ongeveer 6% van perceel 927 niet mogelijk. Op het resterende, grootste, deel van de percelen blijft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen toegestaan. Daarbij is er rekening mee gehouden dat de oppervlaktes die beïnvloed worden door de spuitvrij zone groter zijn dan de spuitvrije zone, omdat agrarische percelen in rechte lijnen worden bewerkt. Uit een uitgevoerde taxatie blijkt dat de spuitvrije zone leidt tot een waardedaling van de gronden. De gemeente heeft aan de eigenaren van de percelen laten weten dat de gemeente bereid is om het geleden nadeel te vergoeden. De vergoeding van deze bedragen wordt op voorhand toegezegd en betaald indien de woningen in gebruik worden genomen. Er blijft een beperkt nadeel vanwege het normaal maatschappelijk risico voor rekening van de eigenaren van de percelen.

Omdat de gemeente bereid is het nadeel te vergoeden en daarvoor een concreet aanbod aan de eigenaar heeft gedaan, heeft de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht mogen toekennen aan het belang van de bouw van 36 woningen in een situatie van woningnood. 5.13.3 Conclusie Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is niet toegelaten binnen een zone van 50 meter bij gevoelige functies. In de regels is dat tot uitdrukking gebracht door een aanduiding op te nemen “specifieke vorm van agrarisch uitgesloten – spuiten van gewasbeschermingsmiddelen”. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij het agrarisch gebruik van gronden is daarmee niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch uitgesloten – spuiten van gewasbeschermingsmiddelen”. De spuitvrije zone is in overeenstemming met ETFAL en de gevolgen daarvan zijn evenredig.

46

6.

Financiële haalbaarheid

De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. In voorliggend geval is er geen sprake van te verhalen kosten omdat er sprake is van een gemeentelijk plan. Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.

47

7.

Juridische verantwoording

7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 7.2 Opzet van de regels 7.2.1 Algemeen Zoals in de inleiding is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet.

Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van een bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • • • •

inleidende regels; functieregels en gebiedsaanwijzingen; algemene regels voor activiteiten; overgangsregels.

7.2.2 Preambule voor hoofdstuk en artikelnummering De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij ‘artikel 1’ begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven. Preambule Dit plan beoogt het realiseren van 36 woningen ten noorden van de kern Rossum. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland. Dit hoofdstuk is op grond

48

van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. • • •

De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22h van het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22h' gelezen worden. De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22h bij het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland.

Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels. 7.2.3 Juridisch ponsen Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-IMRO omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Met andere woorden: het is niet mogelijk om in een TAM-IMRO omgevingsplan te ‘ponsen’. Om te voorkomen dat op een bepaalde locatie zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereikbepaling opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels: Artikel 3 (Toepassingsbereik) 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Rossum Noord 2 waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1774.TAMKKROSSUMNOORD2-OW01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

7.2.4 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

• • • •

Anti-dubbeltelregel (artikel 10): Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene ruimtelijke bouwactiviteiten (artikel 11): In deze regels zijn is het uiterlijk van de bouwwerken geregeld. Planologische gebruiksactiviteiten (artikel 12): In deze regels is aangegeven wat onder verboden gebruik wordt verstaan. Parkeeractiviteiten (artikel 13): In deze regels is zijn de regels omtrent parkeereisen opgenomen. Overige regels (artikel 14): In dit artikel zijn de aanvraagvereisten opgenomen.

7.2.5 Overgangsregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.

49

7.3

Verantwoording van de regels

Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Agrarisch (Artikel 4) De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor het agrarische gebruik, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, natuurlijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden, doeleinden van agrarisch natuurbeheer en extensief dagrecreatief medegebruik. Er is een aanduiding opgenomen voor het uitsluiten van het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen. Deze aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen’ is gelegd op agrarische gronden tot 50 meter afstand van de woningen. Verder wordt zoveel mogelijk aangesloten op de tijdelijke delen van het omgevingsplan, het bestemmingsplan ‘Rossum Noord’ en het ‘Paraplubestemmingsplan kernen gemeente Dinkelland’. Agrarisch-2 (Artikel 5) De agrarische gronden ten noorden van het plangebied liggen oorspronkelijk in het buitengebied van de gemeente Dinkelland.

Gronden die met ‘Agrarisch-2’ zijn onder meer aangewezen voor het agrarische gebruik, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, natuurlijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden, doeleinden van agrarisch natuurbeheer en extensief dagrecreatief medegebruik. Er is een aanduiding opgenomen voor het uitsluiten van het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen. Deze aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen’ is gelegd op agrarische gronden tot 50 meter afstand van de woningen. Verder wordt zoveel mogelijk aangesloten op het tijdelijke deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’. Groen (Artikel 6) De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, voet- en fietspaden, in- en uitritten, parkeervoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. De gronden ter plaatse van de wadi’s hebben een ‘Groen’ functie gekregen. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Verder is zoveel mogelijk aangesloten op de tijdelijke delen van het omgevingsplan, het bestemmingsplan ‘Rossum Noord’ en het ‘Paraplubestemmingsplan kernen gemeente Dinkelland’. Verkeer (Artikel 7) Daar waar binnen het plangebied parkeer- en verkeersvoorzieningen zijn beoogd is de functie 'Verkeer' opgenomen.

Deze gronden zijn bestemd voor onder meer wegen, straten en (fiets)paden en parkeervoorzieningen. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Verder is zoveel mogelijk aangesloten op de tijdelijke delen van het omgevingsplan, het bestemmingsplan ‘Rossum Noord’ en het ‘Paraplubestemmingsplan kernen gemeente Dinkelland’. Water (Artikel 8) Daar waar binnen het plangebied een watergang is beoogd, is de functie 'Water' opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor onder andere water, oevers en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishoudkunde, waterafvoer en waterberging. Wonen – Wonen in de bebouwde kom (Artikel 9) Ter plaatse van de beoogde woningen is de functie 'Wonen – Wonen in de bebouwde kom' opgenomen. Deze gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor wonen. Op de voor 'Wonen – Wonen in de bebouwde kom' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met de omschrijving. Als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden gebouwd, waarbij geldt dat het aantal woningen per bouwvlak één is tenzij dat is aangegeven met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. Verder is met de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' de maximale goot- en bouwhoogte aangegeven. In het zuidwesten van het plangebied is een bouwvlak opgenomen.

Om ruimte te bieden aan de markt voor verdere ontwikkeling, mogen hier naast rijwoningen ook gestapelde woningen worden gebouwd. Met de aanduiding ‘gestapeld’ is dit aangegeven. Er zijn maximaal 8 (gestapelde) woningen toegestaan. Voor

50

het overige is zoveel mogelijk aangesloten op de tijdelijke delen van het omgevingsplan, het bestemmingsplan ‘Rossum Noord’ en het ‘Paraplubestemmingsplan kernen gemeente Dinkelland’.

51

Bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12

Groenplan Participatieverslag Ladderonderbouwing AERIUS-berekening Passende beoordeling Quickscan natuurwaardenonderzoek Bodemonderzoek Waterhuishoudkundig plan Onderzoek indirecte akoestische effecten Onderzoek lichthinder Zienswijzennotitie Gecombineerde plan- en project-mer-beoordeling

52

53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/1047/documents/25311