CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Rossum Noord 2_Toelichting

Gemeenteraad 23 juni 2026, gemeente DinkellandBij agendapunt: 13: Voorstel inzake vaststelling omgevingsplan ‘Rossum Noord 2”21.109 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hierin bouwt men verder op de basis die al in proces van MijnDorp gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. Door inbreng van de samenleving is MijnOmgevingsvisie van ons allemaal! MijnOmgevingsvisie gaat in op: 1. de uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten); 2. hoe men daarop kan inspelen (speerpunten); 3. hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan); 4. welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart). Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn: 1. We doen het samen; 2. We geven het goede voorbeeld; 3. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt; 4. We wentelen niet af op volgende generaties. 4.1.3.2 Speerpunten In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's.

In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name het thema’s ‘leefbare kernen’ en ‘aantrekkelijk wonen’ van belang. ‘Leefbare kernen’ De gemeente Dinkelland wil kernen waar het lekker wonen is, waar bedrijvigheid is en waar mensen werk kunnen vinden. Maar ook vooral kernen waar ruimte is om elkaar te ontmoeten en om samen te komen. Van oudsher zijn inwoners van de kernen van Dinkelland gewend om de leefbaarheid van hun omgeving in eigen hand te nemen en te zorgen dat het er goed toeven is. Het versterken van de leefbaarheid van de kernen wordt door inwoners en gemeente via MijnDorp al langer samen opgepakt. Dit wil de gemeente voorzetten aan de hand van de speerpunten: voldoende voorzieningen; aantrekkelijk wonen; ruimte voor ondernemen en leefbare openbare ruimte. ‘Aantrekkelijk wonen’ De gemeente wil zorgen dat het aantal en soort woningen past bij de vraag. De gemeente wil graag binnen de grenzen van de kern bouwen. Wanneer daar geen plek beschikbaar is, dan wordt er 22

gekeken naar de randen van de kern. De huidige knelpunten zijn betaalbare woningen voor starters en ouderen. In de Woonvisie (zie paragraaf 4.1.4) van de gemeente wordt nader vooruit gekeken naar de vraag naar woningen. De gemeente houdt de behoeften op de lange termijn en de bestaande voorraad in het oog. Dit doet de gemeente door een meerjaren woningbouwprogramma op te stellen met inbreng van de kernen. Zo worden nieuwe woongebieden gezamenlijk ingericht. 4.1.3.3 Waardenkaart In afbeelding 4.3 is een uitsnede van de bijbehorende Waardenkaart weergegeven. Het plangebied is hierop aangeduid met de rode contour. Het gebied ligt in het ‘Gericht op beperkte ontwikkeling door gemiddelde waarde en dynamiek'. Daarnaast is er sprake van een ‘ontwikkellocatie’.

Afbeelding 4.3 Uitsnede Waardenkaart (Bron: Gemeente Dinkelland) ‘Beperkte ontwikkeling door gemiddelde waarde en dynamiek’ In dit gebied zijn waarden aanwezig voor modern, agrarisch gebruik alsmede landschapswaarden die van belang zijn voor natuur, beleving en recreatie. De waarden die hierbij een rol spelen zijn: openheid en beslotenheid, landschap met historisch herkenbare vormen van percelen, wegen en paden en een verspreid bebouwingspatroon, veel variatie in beplanting en grondgebruik en recreatieve belevingswaarde. Er wordt ingespeeld op de schaal van het landschap en het afwisselende karakter. De bouwwijze en inrichting dient te gaan zoals dat in de directe omgeving gebruikelijk is. De biodiversiteit wordt verbeterd en het water wordt vastgehouden. Tot slot is het gebied aangemerkt als ontwikkellocatie. 4.1.3.4 Toetsing van het initiatief aan MijnOmgevingsvisie Dinkelland De voorgenomen ontwikkeling, het toevoegen van maximaal 36 woningen (28 woningen en maximaal 8 voor de vrije markt) aan de kern Rossum, is passend binnen de omgeving. Het gebied is aangemerkt als ontwikkellocatie. De woningen sluiten aan op de bestaande kern en is bedoeld voor de bewoners van Rossum. Het draagt hier bij aan de speerpunten van aantrekkelijk wonen en leefbare kernen. De bebouwing zal geclusterd worden en zal aansluiten op de waarden van de landelijke kernen.

Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland'.

23

4.1.4 Woonvisie Dinkelland 2021+ De 'Woonvisie 2021+' is op 5 juli 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Dinkelland vastgesteld. De Woonvisie is achterhaald door Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029, dat door het college is vastgesteld op 1 april 2025, omdat daarin de meest recente kwantitatieve en kwalitatieve behoefte is opgenomen. In paragraaf 5.1 (Ladder voor duurzame verstedelijking) is de toets aan dit programma opgenomen. 4.1.5 Casco-benadering in Noordoost Twente 4.1.5.1 Algemeen In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld.

Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel. 4.1.5.2 Casco-benadering in de praktijk De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het ‘kleinschalige groene karakter’ van het landschap in totaliteit. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel. Landschapstype Elementen die tot het casco behoren Elementen die niet tot het casco behoren Te compenseren elementen

Opmerking Mogen in principe niet verplaatst worden Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen

Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de casco-kaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie).

24

In afbeelding 4.4 is een fragment van de Cascokaart behorende bij de Casco benadering opgenomen, met daarbij in zwarte contour het plangebied.

Afbeelding 4.4 Uitsnede Casco-kaart Noordoost Twente (Bron: Atlas van Overijssel) 4.1.5.3 Toetsing van het initiatief aan de 'Casco-benadering in Noordoost-Twente' Zoals blijkt uit de in afbeelding 4.4 opgenomen uitsnede van de casco-kaart zijn binnen het plangebied geen onderdelen van het casco aanwezig. Wel grenst het plangebied aan de oostzijde en westzijde aan elementen van het casco. Deze elementen blijven gehandhaafd en de voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op de elementen. Het Casco-beleid vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders 4.2.1 Provinciaal vooroverleg Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft de ‘uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023’ vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden. Het plangebied ligt ten noorden van de kern Rossum. Dit is een locatie buiten het bestaand bebouwd gebied.

Voor woningbouwontwikkelingen in het buitengebied (Groene Omgeving) geldt dat er geen vooroverleg dient plaats te vinden wanneer het gaat om een vernieuwing van een bestaande (bedrijfs)woning en/of bijgebouw en kleinschalige uitbreiding zonder functiewijziging die aansluiten bij een woning. In voorliggend geval is dat niet het geval. Het plan is daarom voorgelegd aan de provincie. De provincie geeft aan dat het plan in het ruimtelijke beleid van de provincie past en er geen belemmeringen zijn. Het vooroverleg met de provincie is daarmee afgerond. Waterschap Vechtstromen Middels een watertoets is het waterschap op de hoogte gesteld van het plan. Hieruit volgt een normale procedure. Het plan is voorgelegd aan het waterschap. Zie ook paragraaf 5.12 van deze toelichting. In overleg met het waterschap is een waterstructuurplan opgesteld voor het plangebied.

25

4.2.2 Participatie omgeving In het kader van de voorgenomen ontwikkeling van het woningbouwplan Rossum Noord 2 en de voorliggend wijziging van het omgevingsplan, heeft overleg met de omgeving plaatsgevonden. Hiervan is een verslag gemaakt. Deze is als bijlage 2 opgenomen. Uit de inloopbijeenkomsten zijn reacties en suggesties opgehaald. Deze zijn zorgvuldig bekeken en waar relevant zijn aanpassingen doorgevoerd. Dit heeft geresulteerd in een aangepast ontwerp voor voorliggend plan. 4.2.3 Zienswijzen Deze paragraaf wordt ingevuld nadat het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan voor een periode van zes weken ter inzage heeft gelegen.

26

5.

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

Op basis van verschillende paragrafen van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid, waterbelangen, gezondheid en verschillende milieuaspecten, zoals geluid, bodemkwaliteit, lucht, geur, trillingen en duurzaamheid. Ook zijn er diverse regels in het Bkl opgenomen over gebiedsbescherming, soortenbescherming en het belang van cultureel erfgoed en archeologische waarden. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid. 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes.

Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan of de BOPA rekening te worden gehouden. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven). In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Er zijn meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over de begripsdefinitie van ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Op het realiseren van woningen is ondermeer de uitspraak ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921 van toepassing. Uit deze uitspraak blijkt dat het realiseren van 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. Voorliggend plan ziet toe op het toevoegen van maximaal 36 woningen (28 + 8 voor de vrije markt). De ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook van toepassing. In Bijlage 3 van deze motivering is dit nader uitgewerkt. Uit deze uitwerking blijkt dat het: • •

• •

•

Het ruimtelijk verzorgingsgebied van dit voorliggend plan is de kern Rossum. Het plan is met de provincie afgestemde woonprogramma meegenomen en is ook in de regio afgestemd. De Woondeal Twente laat met een woningbouwopgave van minimaal 19.100 woningen en een harde plancapaciteit van 17.207 woningen voldoende ruimte voor realisatie van voorliggend plan. De 36 woningen van voorliggend plan passen in de resterende plancapaciteit van de kleine kernen (inclusief Rossum) zoals vastgesteld in het Dinkellandse Volkshuisvestingsprogramma. Het plan ‘Rossum Noord 2’ draagt bij aan de invulling van de kwalitatieve woningbehoefte in Dinkelland, met een focus op sociale huurwoningen, levensloopbestendige (nultreden)woningen, goedkope koop en betaalbare kavels voor koopwoningen, gericht op doelgroepen met een grote en urgente woningbehoefte. Er zijn binnen het bestaand stedelijk gebied van de kern Rossum geen alternatieve geschikte locaties beschikbaar.

27

Conclusie Gelet op de vorenstaande conclusies wordt gesteld dat het plan voldoet aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. 5.2 m.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten gekoppeld aan een plan of besluit, zoals een omgevingsplan of omgevingsvergunning. De m.e.r.-procedure is bedoeld om het milieubelang volwaardig in de plan- of besluitvorming mee te nemen en mee te laten wegen. De wettelijke eisen ten aanzien van m.e.r. zijn vastgelegd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (hierna: ‘Ow’) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: ‘Ob’). Paragraaf 16.4.2 van de Ow en Afdeling 11.2 van het Ob gaan over de project-m.e.r.-(beoordelings)plicht. Paragraaf 16.4.1 van de Ow en Afdeling 11.1 van het Ob gaan over de plan-m.e.r.-(beoordelings)plicht. Een omgevingsplan kan zowel project-m.e.r.-(beoordelings)plichtig als plan-m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn. Situatie plangebied De ontwikkeling wordt planologisch mogelijk gemaakt door een wijziging van het omgevingsplan. Voorliggend plan voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject. Reden waarom voorliggend plan project-m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

Voor het omgevingsplan is ook een passende beoordeling opgesteld, nu in dat rapport (als interne salderingsmaatregel) rekening is gehouden met de beëindiging van bemesting van agrarische gronden waar ter plaatse de woningbouwontwikkeling wordt gerealiseerd. Nu een passende beoordeling is opgesteld en omdat vanwege de omvang van het plangebied sprake is van een klein gebied, is het plan tevens een plan-m.e.r.-beoordelingsplichtig. In zowel de project-m.e.r.-beoordeling als de plan-m.e.r.-beoordeling moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten optreden. Wanneer aanzienlijke milieueffecten optreden, moet de raad besluiten dat een project- respectievelijk plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld. Omdat het TAM-omgevingsplan Rossum Noord 2 zowel project-m.e.r.-beoordelingsplichtig als planm.e.r.-beoordelingsplichtig is, zijn beide beoordelingen gecombineerd in de notitie ‘Gecombineerde project- en plan-m.e.r.-beoordeling Rossum, Rossum Noord 2’. Op basis van dit document kan de raad in de vorm een gecombineerd project- en plan-m.e.r.-beoordelingsbesluit beslissen of aanzienlijke milieueffecten optreden en daarmee of voor het TAM-omgevingsplan Rossum Noord 2 een project- of plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 12 bij deze toelichting.

Conclusie Het TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2, dat voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject en waarvoor een passende beoordeling is opgesteld, is project- en plan-m.e.r.-beoordelingsplichtig. Uit een integrale beoordeling van de milieueffecten gelet op het voorliggende plan en de selectiecriteria uit bijlage III m.e.r.-richtlijn (in onderlinge samenhang beschouwd) concluderen wij dat het voorgenomen TAM-Omgevingsplan Rossum Noord 2 niet leidt tot aanzienlijke milieueffecten. Het opstellen van een project-milieueffectrapportage is daarom niet noodzakelijk. Uit deze inhoudelijk beoordeling volgt tevens, nu sprake is van een lokaal plan dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden, dat gelet op de criteria uit bijlage II bij de smb-richtlijn er eveneens geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Ook een plan-milieueffectrapportage is daarom niet aan de orde. In deze beoordeling is rekening gehouden met de volgende mitigerende maatregelen: de beëindiging van de bemesting op ca. 1,57 ha agrarische gronden gelegen in het plangebied. 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren 5.3.1 Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling) De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’.

Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: 28

• •

Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk Stedelijke zone: rest bebouwde kom

In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. In dit geval wordt uitgegaan van het gemiddelde aantal verkeersbewegingen per functie. Functie/activiteit

Verkeersgeneratie per Aantal woningen woning Vrijstaand 8,2 4 Twee-onder-één-kap 7,8 10 Tussenwoning of rijwoning 7,4 14 Appartement <100m2 5,6 8 Totaal aantal verkeersbewegingen per weekdagetmaal

Totaal 32,8 78 103,6 44,8 259,2

Als gevolg van het voornemen is sprake van een verkeersgeneratie van afgerond 260 verkeersbewegingen per weekdag etmaal. Voor de woningen worden twee ontsluitingswegen aangelegd. Deze zullen op de Hooimaat en de Reuvenkamp worden ontsloten. Gesteld wordt dat de nieuwe ontsluitingswegen en de direct omliggende infrastructuur de extra verkeersbewegingen zonder problemen en op een verkeersveilige manier kunnen opvangen en verwerken. 5.3.2 Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. Voor de parkeerbehoefte worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •

Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk Stedelijke zone: rest bebouwde kom

Functie/activiteit Vrijstaand Twee-onder-één-kap Tussenwoning of rijwoning Appartement <100m2

Parkeerplaatsen per Aantal woningen woning 2,3 4 2,2 10 2,0 14 1,6 8 Totaal aantal benodigde parkeerplaatsen

Totaal 9,2 22 28 12,8 72

Als gevolg van het voornemen is sprake van een parkeerbehoefte van 72 parkeerplaatsen. Het uitgangspunt is dat het parkeren op eigen erf plaatsvindt. Voor een vrijstaande woning wordt gerekend met een dubbele oprit en voor een twee-onder-één-kapwoning wordt gerekend met een enkele oprit. Type parkeerplaats(en)

Norm

Enkele oprit met garage Dubbele oprit met garage Parkeerplaatsen in openbaar gebied Parkeren langs de straat

1,0 parkeerplaats 1,8 parkeerplaats 1,0 parkeerplaats

Aantal binnen plangebied 10 4 49

Totaal

6

6 72

Totaal aanwezig

10 7,2 49

Er zijn 49 parkeerplaatsen aanwezig in openbaar gebied die ook als zodanig zijn ingericht, zie hiervoor ook het stedenbouwkundig plan in afbeelding 2.1 van deze motivering. Door de aanwezigheid van groen en wadi’s is het niet mogelijk om meer specifieke parkeerplaatsen te realiseren zodanig dat ze allemaal optimaal benut gaan worden. Het overige deel zal langs de straat geparkeerd worden. Er is daarvoor voldoende ruimte beschikbaar.

29

Gelet op het vorenstaande zijn er binnen het plangebied voldoende parkeerplaatsen gepland om te voldoen aan de parkeerbehoefte. 5.3.3 Conclusie Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren’ geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. 5.4 Soortenbescherming en gebiedsbescherming 5.4.1 Gebiedsbescherming 5.4.1.1 Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Situatie plangebied Voor het Natura 2000-gebied ‘Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek’ concluderen wij dat reeds gelet op de afstand op voorhand kan worden uitgesloten dat voorliggend plan Rossum Noord 2 (significante) gevolgen kan hebben vanwege alle andere verstoringsaspecten, dan stikstof. Gelet op de afstand en de resultaten uit het stikstofrapport (bijlage 4) kunnen significante effecten op voorhand worden uitgesloten op alle andere Natura 2000-gebieden. Reden waarom uitsluitend op het Natura 2000- gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek het aspect stikstof nader is beoordeeld. Uit de stikstofberekeningen volgt dat het plan op zichzelf beschouwd, zonder rekening te houden met interne saldering als mitigerende maatregel, een stikstofdepositietoename van maximaal 0,01 mol N/ja/jaar tot gevolg heeft op enkele hexagonen (maximaal 3,66 ha stikstofgevoelige habitats) aan de rand van het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek.

Uit de ecologische beoordeling opgenomen in paragraaf 5.2 van de passende beoordeling (bijlage 5) volgt (onder meer) dat een toename van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op alleen de rand van het Natura 2000-gebied (maximaal 3,66 ha kwalificerende habitats) niet zal leiden tot veranderingen in de vegetatiesamenstelling, groeisnelheid of onderlinge concurrentieverhoudingen tussen plantensoorten van de betreffende kwalificerende habitats. Evenmin leidt deze zeer geringe toename tot wijzigingen in de beheeropgave en het uitvoeren van herstelmaatregelen. De berekende stikstofdepositie is te gering om enig effect te hebben op de overbelaste stikstofgevoelige habitattypen en (leefgebied van) soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor dit Natura 2000-gebied. De maximaal berekende toename van 0,01 mol N/ha/jaar, ook gelet op het zeer beperkte effectgebied, is dan ook 30

dermate gering dat significante gevolgen op voorhand niet op kunnen treden, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen. Het plan kan in overeenstemming met het gebiedsbeschermingsrecht worden vastgesteld. Hoewel daarmee ook verzekerd is dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek door voorliggend plan niet worden aangetast, is zekerheidshalve (nu sprake is van een zeer gering berekend planeffect) in de passende beoordeling aanvullend nog rekening gehouden met de beëindiging van de bemesting van agrarische gronden in het plangebied. De beëindiging van de bemesting is als interne salderingsmaatregel betrokken in deze passende beoordeling. Uit de stikstof-verschilberekeningen van het voorliggende plan ten opzichte van het gebruik dat onderdeel uitmaakt van de referentiesituatie (intern salderen met beëindiging bemesting) volgt, dat per saldo nergens sprake is van een toename van stikstofdepositie. Op geen enkel stikstofgevoelig habitattype wordt een toename berekend van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Dat geldt voor zowel de aanlegfase, als voor de gebruiksfase (zie hoofdstuk 6 in de passende beoordeling in samenhang met het stikstofrapport).

Verder is in hoofdstuk 7 in de passende beoordeling geconcludeerd en onderbouwd dat het additionaliteitsvereiste (gelet op de uitgevoerde vergewisplicht) niet in de weg staat aan de inzet van de salderingsmaatregel als mitigerende maatregel in deze passende beoordeling. Hieruit volgt dan ook dat gelet op interne saldering de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek niet worden aangetast. Verzekerd is dan ook dat door voorliggend plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek niet worden aangetast. Het omgevingsplan kan in overeenstemming met het Natura 2000-gebiedsbeschermingsrecht worden vastgesteld. 5.4.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Conclusie Het plangebied ligt op circa 1,13 kilometer afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.

5.4.2 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Situatie plangebied Er is door Natuurbank Overijssel in oktober 2023 een verkennend natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is in 2026 geactualiseerd op basis van een nieuw veldonderzoek en toetsing aan vigerende wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden.

31

De voorgenomen ontwikkeling heeft negatieve gevolgen voor verschillende beschermde diersoorten. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde dieren gedood en gaan voortplantings- en rustplaatsen verloren. Met uitzondering van buizerd, steenuil en veldspitsmuis, kunnen de werkzaamheden uitgevoerd worden overeenkomstig wet- en regelgeving voor beschermde soorten. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan het effect op de nestplaats van buizerds, steenuilen en veldspitsmuizen niet bepaald worden. Om de wettelijke consequenties voor beschermde soorten volledig in beeld te brengen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de betekenis van het plangebied voor buizerds, steenuilen en veldspitsmuizen. Hoewel in het rapport van Natuurbank Overijssel is opgenomen dat er nader onderzoek naar de buizerd noodzakelijk is, geldt dat op dit moment niet meer. Onderzoek naar de buizerd is niet meer nodig doordat deze soort in maart 2026 in een andere beschermingscategorie is gekomen en niet meer jaarrond beschermd. Conclusies van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • • •

Geen beschermde grondgebonden zoogdieren of amfibieën opzettelijk doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van het plangebied voor steenuil; Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van het plangebied voor veldspitsmuis.

5.4.3 Conclusie De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de specifieke zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Voor een groot deel van de soorten geldt dat overtreding van verbodsbepalingen kan worden voorkomen door het treffen van maatregelen en door zorgvuldig te werken. Voor de soorten waarvoor nog nader onderzoek wordt uitgevoerd geldt dat, afhankelijk van de uitkomsten daarvan, maatregelen kunnen worden getroffen of, indien nodig, een omgevingsvergunning worden aangevraagd. De soortenbescherming maakt de uitvoering van het plan op voorhand niet onmogelijk.

5.5 Luchtkwaliteit 5.5.1 Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 32

Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 5.5.2 Situatie plangebied Het plangebied in de gemeente Dinkelland ligt niet in een aandachtsgebied met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). Dit volgt uit artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling (toevoegen 36 woningen), in verhouding tot de standaardgevallen NIBM kan worden gesteld dat het project ‘niet in betekende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Het realiseren van 36 woningen blijft namelijk ruim onder de gestelde standaardgevallen uit artikel 5.54 van het Bkl. Een verdere toetsing aan de rijkomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof is niet nodig. 5.5.3 Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.6 Geluid 5.6.1 Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge).

Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •

activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Geluidbeleid Dinkelland De gemeente Dinkelland beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het “Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland” en de “Nota hogere grenswaarden” . Burgemeester en wethouders kunnen gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. 33

De gemeente Dinkelland past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend. Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype ‘Woongebied’. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde ‘redelijk rustig’ (48 dB) en de bovengrens ‘onrustig’ (53 dB). 5.6.2 Situatie plangebied Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: • • •

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

In de nabije omgeving liggen geen spoorwegen. De dichtstbijzijnde spoorlijn ligt op circa 7,3 kilometer van het plangebied. Het plangebied ligt op circa 150 meter van de Reimerweg. De Reimerweg is deels een 30 km/u weg en gaat over in een 60 km/u weg. Het plangebied valt hiermee binnen een geluidaandachtsgebied. De overige in de nabije omgeving aanwezige wegen betreffen 30 km/uur wegen. Ten aanzien van de Reimerweg wordt opgemerkt dat deze weg primair worden gebruikt door bestemmingsverkeer van de aan deze weg gelegen erven. Er is sprake van een beperkte verkeersintensiteit. Gelet op het vorenstaande en de afstand tot het plangebied kan er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat de geluidsbelasting afkomstig van de voorgenoemde weg dermate beperkt is dat wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 Lden op de gevels van de beoogde woningen. Ten aanzien van de 30 km/uur wegen geldt dat uit jurisprudentie blijkt dat 30 km/uur wegen in de beoordeling moeten worden meegenomen, indien vooraf aangenomen had kunnen worden dat deze wegen een geluidbelasting veroorzaken die hoger ligt dan de standaardwaarde (53 Lden). Ook ten aanzien van de omliggende 30 km/uur wegen geldt dat deze wegen primair worden gebruikt door bestemmingsverkeer (hoofdzakelijk personenauto's). Er is sprake van een beperkte verkeersintensiteit.

Gelet op het vorenstaande kan er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat de geluidsbelasting afkomstig van de 30 km/uur wegen dermate beperkt is dat wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 Lden op basis van het Bkl op de gevels van de beoogde woningen. Ook kan worden aangenomen dat er voldaan kan worden aan de ambitiewaarde ‘redelijk rustig’ (48 dB) uit het gemeentelijk geluidbeleid. Samenvattend wordt geconcludeerd dat het aspect wegverkeerslawaai geen nader onderzoek behoeft en dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat inzake wegverkeerslawaai. Indirecte akoestische effecten In artikel 5.78af (indirecte akoestische effecten) uit het Bkl staat beschreven dat een toename van de verkeersintensiteit veroorzaakt op een weg of spoorweg niet mag leiden tot een toename van meer dan 1,5 dB op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Er is daarom een akoestisch onderzoek naar indirecte akoestische effecten op bestaande woningen uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 9. Hieronder wordt een samenvatting gegeven. Er is onderzoek uitgevoerd naar de geluidseffecten op de woonomgeving vanwege het extra wegverkeer als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling Rossum Noord 2 te Rossum. Hiertoe is het 34

heersende geluid door wegen vanwege het wegverkeer in beeld gebracht en vergeleken met het toekomstige geluid door wegen na realisatie van de woningen. De uitkomsten zijn getoetst aan de normen van de Omgevingswet. Deze Wet hanteert een standaardwaarde van 53 dB en een criterium van 1,5 dB om te bepalen of een geluidsverandering significant is of niet. Uit het onderzoek is gebleken dat de geluidsbelasting op de nabijgelegen woningen langs de aan - en afvoerwegen in de huidige situatie varieert tussen de 36 en 46 dB in L den. Het geluid door wegen verschilt per woning en is onder andere afhankelijk van de ligging/afstand ten opzichte van de weg en de verkeersintensiteit op het nabijgelegen wegvak. Op iedere woning wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB Lden. Uit het onderzoek is gebleken dat de geluidsbelasting na realisatie van de woningen maar beperkt stijgt. Op geen van de woningen wordt in de toekomstige situatie de standaardwaarde van 53 dB L den overschreden. Aangezien het geluid op de gevels de 53 dB niet overschrijdt hoeft geen verdere afweging van belangen en maatregelen plaats te vinden. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek voor de realisatie van 36 woningen in Rossum blijkt dat: • • •

er geen sprake is van indirecte akoestische effecten in de zin van de Omgevingswet; het optredende geluid door wegen vanwege het wegverkeer aanvaardbaar is; er geen wettelijke verplichting bestaat om maatregelen te treffen om het geluid op de gevels te beperken.

Industrielawaai In de nabijheid is geen gezoneerd industrieterrein aanwezig. Industrielawaai van industrieterreinen is geen belemmering voor het voornemen. Solitaire bedrijvigheid In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen geluidsbronnen aanwezig die de geluidgevoelige gebouwen (woningen) kunnen hinderen. In de omgeving liggen wel verschillende agrarische bedrijven. In onderstaande tabel zijn deze opgenomen.

35

Functie

Milieucategorie

Richtafstand

Daadwerkelijke afstand (circa)

Grondgebonden agrarisch bedrijf Haarstraat 50

max. 3.2

30 meter voor stof en geluid

200 meter

Paardenhouderij en fokkerij Haarstraat 52/52a

max. 3.1

30 meter voor stof en geluid

143 meter

Grondgebonden agrarisch bedrijf Haarstraat 54/54a

max. 3.2

30 meter voor stof en geluid

133 meter

Rundveehouderij en fokkerij Reimerweg 2

max. 3.2

30 meter voor stof en geluid

83 meter

Het plangebied ligt op voldoende afstand van deze bedrijven. Voor de omliggende woningen geldt dat deze op voldoende afstand liggen van de nieuwe woningen. De nieuwe woningen zullen aan de noordzijde van de bestaande woningen gesitueerd worden, waarmee de afstand tussen de nieuwe woningen en de bestaande woningen voldoende is. Tenslotte wordt opgemerkt dat de nieuwe woningen in het plangebied niet zullen zorgen voor een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden, aangezien er een woonfunctie wordt toegevoegd, dus een functie die gelijk is aan de omgeving. Warmtepompen Mogelijk dat de toekomstige woningen worden voorzien van warmtepompen. Deze warmtepompen mogen een bronvermogen hebben van maximaal 40 dB(A). Daarmee zullen deze geen negatieve invloed hebben op het referentieniveau (heersende niveau). Gezien het zeer geringe geluidniveau t.g.v. de warmtepompen zal er op het cumulatieve aanwezige geluidniveau geen bijdrage geleverd worden. Een goed woon en leefklimaat wordt hiermee gewaarborgd. 5.6.3 Conclusie Met voorliggend plan wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect geluid. 5.7 5.7.1

Geur Algemeen

In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: • zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2); • het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3); • andere agrarische activiteiten. In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen.

Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden. 36

5.7.2 Situatie plangebied Zoals blijkt uit de tabel in paragraaf 5.6.2 wordt voor de agrarische bedrijven aan de Haarstraat voldaan aan de richtafstand van 100 meter. Ook de afstand tussen de dichtstbijzijnde woning en het agrarisch bedrijf aan de Reimerweg 2 bedraagt meer dan 100 meter. Hiermee wordt voldaan aan de afstand van ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen. Van een (verdere) belemmering voor de bedrijfsvoering van de agrarisch bedrijven is geen sprake. Daarnaast is ter plaatse van de beoogde woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.7.3 Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Omliggende agrarische bedrijven worden door voorliggend plan niet (verder) beperkt in hun bedrijfsvoering. 5.8 Omgevingsveiligheid 5.8.1 Algemeen Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen.

Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).

37

5.8.2 Situatie plangebied Aan de hand van de Signaleringskaart Externe Veiligheid is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de kaart weergegeven, waarin het plangebied indicatief is aangegeven met de rode cirkel.

Afbeelding 5.1 Uitsnede Signaleringskaart EV (Bron: nl.ev-signaleringskaart.nl) Op circa 630 meter ten westen van het plangebied ligt een buisleiding van de NAM. Tevens ligt er ten westen van het plangebied, op circa 1,0 kilometer, een aardgasleiding van de Gasunie. Het plangebied ligt ver buiten de veiligheidsafstanden van de buis- en gasleiding. Ten zuidoosten van het plangebied ligt een tankstation op een afstand van circa 480 meter. Het plangebied ligt ver buiten de veiligheidsafstanden. In de omgeving van het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig en het ligt ook niet in een aandachtsgebied. 5.8.2 Conclusie De omgevingsveiligheid wordt in voldoende mate gewaarborgd. 5.9 Trilling 5.9.1 Algemeen De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan

38

100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 5.9.2 Situatie plangebied De dichtstbijzijnde spoorlijn ligt op circa 7,3 kilometer van het plangebied. Ook liggen de omliggende bedrijven op dusdanige afstand dat trillingshinder daarmee niet aan de orde is. 5.9.3 Conclusie Trilling vormt geen belemmering voor het voornemen. 5.10 Archeologie 5.10.1 Wettelijk kader Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet.

Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. 5.10.2 Archeologie Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Situatie plangebied Er is een archeologische waarden en verwachtingskaart. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van het plangebied opgenomen.

39

Afbeelding 5.2 Uitsnede Archeologische waarden en verwachtingskaart (bron: gemeente Dinkelland) Het plangebied ligt volgens de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland in het gebiedstype 'beekdalen en overige laagten'. Daarnaast ligt het plangebied in een bufferzone rond een erf. Voor het gebiedstype 'beekdalen en overige laagten' geldt een lage verwachtingswaarde voor archeologische resten uit alle perioden. Het beleidsadvies bij dit gebiedstype luidt "vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm m.u.v. gebieden met een lage verwachting binnen plangebieden met meerdere verwachtingszones, en plangebieden met een lage verwachting die grenzen aan terreinen met waardevolle archeologische resten". Binnen een bufferzone rond een erf, adellijk huis of watermolen geldt een hoge verwachtingswaarde voor archeologische resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Het beleidsadvies voor dergelijke zones is "archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 2.500 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 2.500 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek". Ter voorbereiding op het plan Rossum-Noord is voor het plangebied in augustus 2005 door BAAC BV te Deventer een onderzoek gedaan naar archeologische resten.

Het onderzoeksgebied betrof een groter gebied dan het plangebied in dit bestemmingsplan. Het plangebied ligt op gronden met een lage archeologische verwachtingswaarde. Op basis van de reeds uitgevoerde archeologische onderzoeken is bepaald dat er geen dubbelbestemming voor de archeologische waarden in het gebied hoeft worden opgenomen. Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. 5.10.3 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed.

40

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •

ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied en in de directe omgeving hiervan geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten, waarvan de cultuurhistorische waarden door voorliggend plan negatief zouden kunnen worden beïnvloed. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. Ook ligt het gebied niet in een landschap dat als cultuurhistorisch is aan te merken. 5.10.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische worden. 5.11 Bodem 5.11.1 Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/1047/documents/25311