CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp.pdf

Gemeenteraad 14 april 2026, gemeente DinkellandBij agendapunt: 9: Voorstel inzake vaststelling omgevingsplan ‘TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied, Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp”26.503 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Hiermee wordt ruim voldaan aan de sloopnorm van één compensatiewoning. Vanwege de LBV-regeling worden er twee landschapontsierende opstallen gesloopt en blijven twee schuren behouden vanwege de voortzetting van de akkerbouwtak. De te behouden schuren worden echter wel opgewaardeerd naar een streekeigen kleurstelling en materialisering. Uitgangspunt voor de compensatiewoning is dat deze moet worden teruggebouwd op een de slooplocatie waar sprake is van een erf met een functie (voormalige) agrarisch bedrijf, dan wel een woonerf welke als zodanig is bestemd. Hier wordt aan voldaan. De huidige agrarische bedrijfsfunctie wordt deels omgezet naar een reguliere woonfunctie vanwege de compensatiewoning. Het overige deel blijft de agrarische functie behouden, maar de veehouderij wordt uitgesloten. Uit onderzoek is gebleken dat de compensatiewoning 22 meter van de gevel van de agrarisch schuur af gebouwd moet worden. Dit is doorgezet in de ontwikkeling. In de toekomstige situatie is de bebouwing dusdanig gepositioneerd dat het bijdraagt aan de 'één-erf gedachte'. Het plan is goedgekeurd door de gemeente. De sloopoppervlakte boven de sloopnorm (221 m2) voor rood voor rood wordt ingezet voor het vergroten van het nieuwe bijgebouw bij de compensatiewoning.

Deze sloopmeters komen van de asbesthoudende bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp

31

varkensschuur. De eerste 100m2 kan 1:1 teruggebouwd worden. De overige sloopmeters via de verhouding 1:2. In totaal kan er 160,5m2 extra aan bijbehorende bouwwerken worden gebouwd.

Afwijkingsbevoegdheid In dit geval is geen sprake van het volledig staken van bedrijfsmatige agrarische activiteiten, de initiatiefnemer wil namelijk door als akkerbouwer. Op basis van de voorwaarden voor deelname aan de LBV-regeling dient het houden van dieren binnen deze functie wel uitgesloten te worden. De compensatiewoning zal wel een woonfunctie moeten krijgen. Het beleid biedt een zelfstandige afwijkingsmogelijkheid voor ontwikkelingen die niet aan de voorwaarden voldoen, maar die wel voldoen aan de doelstelling van het beleid. In paragraaf 1.2 van het beleid is beschreven dat het doel van het beleid meervoudig is. Enerzijds is het beleid bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. Voorliggende ontwikkeling past binnen deze doelstelling. De agrarische activiteiten bestaande uit het houden van dieren wordt beëindigd. Dit is een voorwaarde vanuit de deelname aan de LBV-regeling. Door deelname aan deze regeling draagt het bedrijf bij aan de landelijke stikstofaanpak. Het Rijk wil met deze stoppersregelingen de stikstofneerslag op kwetsbare natuur in Natura 2000-gebieden naar beneden brengen.

Initiatiefnemer heeft echter nog agrarische gronden in eigendom en wil op locatie verder als akkerbouwbedrijf. De te behouden schuur ten behoeve van akkerbouw is aangemerkt als landschapontsierend, deze wordt niet-landschapsontsierend gemaakt ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit. Gelet op voorgaande kan gebruik gemaakt worden van de zelfstandige afwijkingsbevoegdheid. De maatwerkoplossing ziet op het toestaan van bedrijfsmatige agrarische activiteiten in de vorm van akkerbouw. Voor de beoordeling van de erfopzetis het plan voor de Rammelbeekweg 21 voorgelegd aan het Kwaliteitsteam. Het Ruimtelijke kwaliteitsplan Bijlage 1 voorziet in een juiste ruimtelijke kwaliteit van het erf.

4.7.1 Functiewijziging ‘Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’' In onderhavig geval is sprake van de bouw van een extra woning op basis van de rood-voor-rood regeling. Daarom wordt voldaan aan de sloopcompensatie voor één compensatiewoning. Daarnaast wordt het erf landschappelijk ingepast. Het erf wijzigt voor een gedeelte naar de functie 'Wonen' vanwege de compensatiewoning. Het overige deel blijft agrarisch waarbij de veehouderij en wordt omgezet naar akkerbouw via de LBV-regeling. Er wordt voldaan aan de voorwaarden voor omzetting naar wonen. Zoals is benoemd onder de toetsing aan '3.5 extra woningen' wordt er afgeweken van de voorwaarde dat agrarische bedrijfsactiviteiten worden gestaakt. Bovenstaand is toegelicht dat het naar akkerbouw wordt omgezet en de veehouderij wordt beperkt. Ook worden landschapsontsierende gebouwen gesloopt, één wordt omgezet naar niet-landschapsontsierend. Daarmee is er voldaan aan deze regeling.

Resumerend De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten zoals gesteld in het beleid 'Buitengebied met kwaliteit' van de gemeente Dinkelland. 4.1.5

Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029

De 'Woonvisie 2021+' is op 5 juli 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Dinkelland vastgesteld. De Woonvisie is achterhaald door Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029, dat door het college is vastgesteld op 1 april 2025, omdat daarin de meest recente kwantitatieve en kwalitatieve behoefte is opgenomen. In deze paragraaf is de toets aan dit programma opgenomen. Op 1 december 2024 heeft de gemeenteraad van Dinkelland het Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029 vastgesteld. Het Volkshuisvestingsprogramma richt zich op het waarborgen van voldoende woningen van goede kwaliteit die betaalbaar en toegankelijk zijn voor iedereen. Dit kan alleen worden bereikt met een integrale aanpak, waarin verschillende beleidsterreinen van de gemeente worden samengebracht. Het raakt onder meer thema’s als sociale samenhang, leefbaarheid, specifieke doelgroepen, gezondheid, betaalbaarheid, grondbeleid, ruimtelijke ordening en duurzaamheid.

Kwantitatieve woningbehoefte

32

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp

Rekening houdend met de verwachte algemene lokale bevolkings- en huishoudensgroei, migratie (statushouders en arbeidsmigratie) en urgentiegroepen zijn er in totaal 871 extra woningen benodigd tot 2032 (zie tabel 1). Gezien de langdurige aard en complexiteit van woningbouwprojecten, zal in de praktijk een deel (30%) van de geplande woningbouwplannen vertraging oplopen of zelfs geheel komen te vervallen. Gelet hierop en gezien de looptijd van besluitvorming over woningbouw is een overmaat aan plancapaciteit ten opzichte van het aantal te bouwen woningen van belang voor het realiseren van de woningbouwproductie. Daarmee kan bij vertraging of wegvallen van een project gekeken worden naar alternatieve locaties. Om die reden zijn er vanaf 2020 afspraken tussen het Rijk en provincies om te zorgen voor 130% plancapaciteit, zoals beschreven in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving.11 Rekening houdend met 130% plancapaciteit voor de gemeente Dinkelland komt het aantal nieuw te bouwen woningen om te voldoen aan de lokale en bovenlokale behoefte uit op 1.133 woningen tot 2032. Kwalitatieve woningbehoefte Gemeente Dinkelland streeft naar een divers woningaanbod voor de huidige en toekomstige inwoners, waarbij er specifiek aandacht is in de woningbouwopgave voor verschillende aandachtsgroepen zoals starters, mensen met een woon- en zorgbehoefte (incl.

ouderen), arbeidsmigranten, statushouders en andere urgentiegroepen.

Doorwerking in buitengebied met kwaliteit Er is onderzoek gedaan naar mogelijkheden om nieuwe woonvormen in het buitengebied te ontwikkelen. Dit is verwerkt in en aangescherpt in het beleid 'Buitengebied met kwaliteit'. In 4.1.4 is dit beleid nader toegelicht en is hieraan getoetst. Beoordeling van de plannen: Het toevoegen van één compensatiewoning past binnen deze programmering. In de brief als reactie op het principeverzoek heeft de gemeente Dinkelland aangegeven dat in het woningbouwprogramma de woning is gereserveerd. De compensatiewoning past dan ook binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma. Geconcludeerd wordt dat het initiatief is in overeenstemming is met het Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029. 4.1.6

Casco benadering Noordoost Twente

De gemeente Dinkelland hanteert, vooral ter bescherming van het bestaande landschap, het casco beleid. Door het casco beleid is het mogelijk om via een kaart te achterhalen of een ontwikkeling wel of niet in strijd is met elementen welke tot de casco behoren. Elementen als onderdeel uitmakend van de Casco zijn in principe niet te verwijderen (groen lijnen/vlakken op de kaart).

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp

33

Afbeelding 4.5: fragment van de cascokaart ter plaatse van Rammelbeekweg 21 (bron: geo.overijssel.nl)

Beoordeling van plannen: De casco elementen die zijn aangegeven zullen behouden blijven en worden juist versterkt door middel van aanplant van houtopstanden. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een houtopstand die volgens de cascokaart geen onderdeel van de casco is. Landschappelijk gezien is deze houtsingel kenmerkend voor de uitstraling van een beekdal die ten zuiden van het plangebied aanwezig is. De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bestaande casco elementen en vice versa. Bovendien geldt dat nieuwe investeringen worden verricht in het aanbrengen van nieuwe (passende) landschapselementen. 4.1.7

Nota Omgevingskwaliteit

De Nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 is in dit geval van toepassing, omdat een specifiek beeldkwaliteitsplan voor rood voor rood op 26 maart 2024 door de raad is vastgesteld en onderdeel is geworden van de Nota omgevingskwaliteit. Toetsing op welstand vindt uiteindelijk plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de extra woning, waarvoor het genoemde beeldkwaliteitskader de randvoorwaarden vormt. Voor de volledigheid is het vastgestelde en geldende beelkwaliteitsplan opgenomen als Bijlage 2. Op voorhand worden geen belemmeringen verwacht voor wat betreft de uitvoering van voorliggend plan.

4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak heeft gedaan. 4.2.1

Provinciaal vooroverleg

De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst gepubliceerd van categorieën plannen en besluiten waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder een plan op basis van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Hiervoor is het plan in het kader van vooroverleg aan de provincie voorgelegd. De provincie is akkoord met het voorstel voor herinrichting van het erf met akkerbouwbedrijf en een rood voor rood-woning. Vanzelfsprekend moet het agrarisch bouwperceel, behalve veehouderij uitsluiten, beperkt worden tot de nu voorgestelde opstallen en geen toekomstige bouwmogelijkheden verkrijgen.

34

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp

4.2.2

Waterschap Vechtstromen

Op 15 september 2025 is de digitale watertoets voor de planlocatie uitgevoerd. De korte procedure van het waterschap Vechtstromen is hierbij van toepassing verklaard, waarbij geadviseerd is om de standaard uitgangspunten te hanteren bij het uitwerken van de waterparagraaf. 4.2.3

Participatie omgeving

De gemeenteraad heeft het beleid ‘Inwonersparticipatie’ vastgesteld en daarin is een ‘Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie’ opgenomen. Voor het plan geldt dat initiatiefnemer met omwonenden gesproken heeft. Dit is uitgewerkt in Bijlage 3 in een verslag. Vanuit de besprekingen zijn geen bezwaren naar voren gekomen, waardoor er ook geen aanleiding is tot aanpassing van de plannen.

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp

35

36

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp

Hoofdstuk 5

Omgevingsaspecten

Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 'Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.

5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.

De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579. De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt.

Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Stedelijke ontwikkeling In voorliggend geval wordt een agrarisch bedrijfsperceel deels omgevormd, waarbij de in onbruik rakende bebouwing gesaneerd wordt. Twee schuren blijven behouden vanwege de voortzetting van de akkerbouw, voor de rest worden de bouwmogelijkheden voor bedrijfsgebouwen beperkt tot op dat moment bestaand. Er wordt in feite één woning met bijhehorende bouwwerken aan het erf toegevoegd middels de rood voor rood regeling. De huidige woningen blijven daarbij eveneens behouden. De ontwikkeling voorziet daarmee in een afname van bebouwingsoppervlakte en blijft ruim onder de drempel voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling van 12 woningen. Conclusie Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zodat er niet hoeft te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Zoals blijkt uit hoofdstuk 4 voorziet het plan in een behoefte.

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp

37

5.2 m.e.r.-beoordeling Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen: de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten. de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's. De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project. In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen: De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34 lid 1 Ow). In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen.

De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer(beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Ow) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen. De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn: Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-merplichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer-(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als: 1.

het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; 2. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten: Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt. Beoordeling of het plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Dit project heeft betrekking op het realiseren van een nieuwe woning op basis van het rood voor rood beleid en het omzetten van een veehouderij naar een akkerbouw bedrijf door middel van de LBV regeling. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).

38

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp

5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en -afwikkeling) De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)'. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Het voorliggend plan voorziet in de omzetting van een voormalige veehouderij naar akkerbouw aan de Rammelbeekweg 21 in Lattrop-Breklenkamp, het slopen van landschapontsierende bebouwing en het toevoegen van één extra woning middels de rood-voor-rood regeling met bijbehorend bijgebouw.

Voor de locatie geldt dat de verkeersbewegingen vanuit het agrarisch bedrijf flink afneemt vanwege de afbouw van agrarische activiteiten. De bestaande woningen blijven behouden, maar de verkeersbewegingen wijzigen als gevolg hiervan niet. Hiermee is de worst-case verkeersontwikkeling een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen (8,2 verkeersgeneratie) als gevolg van de nieuwe woning. Het aantal verkeersbewegingen neemt in verhouding zodoende als gevolg van de plannen af. De afwikkeling van het verkeer ten behoeve van het akkerbouwbedrijf verloopt via een andere inrit dan de inrit van de rood voor rood woning. Het bestaande wegennet is voldoende toegerust op de ontsluiting van het plangebied ten behoeve van de woonfunctie. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan.

Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. Uitgangspunten en parkeerbenodigdheden Het plangebied ligt in een gebied met de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk' in een deel van de gemeente Dinkelland dat behoort tot het gebiedstype 'buitengebied'. De huidige woningen zijn al voorzien van parkeergelegenheid en worden dus niet meegenomen in de berekening. In voorliggend geval worden in het plangebied op de nieuwe situatie één woning toegestaan. Hiermee is sprake van een parkeerbehoefte van (gemiddeld 2,4 per woning) afgerond 3 parkeerplaatsen. Gelet op de omvang van het toekomstige woonerf is er ruim voldoende ruimte om op eigen erf in de parkeerbehoefte te voorzien. Overigens is er geen toename van de parkeerdruk in de omgeving van de planlocatie, doordat er volledig op eigen erf wordt voorzien in de benodigde parkeervoorziening. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.

5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming Door Natuurbank Overijssel zijn in een quickscan natuurwaarden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In het rapport Bijlage 4 worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven.

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp

39

5.4.1

Gebiedsbescherming

5.4.1.1 Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordelingnoodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten.

De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.

Situatie plangebied Het voorgenomen besluit voorziet in het toestaan van een nieuwe activiteit op locatie Rammelbeekweg 21 Lattrop-Breklenkamp die stikstofdepositie veroorzaakt op stikstofgevoelige habitat(ten) binnen Natura 2000 gebied(en) ‘Bergvennen & Brecklenkampse Veld’. De toelichting en berekening zijn opgenomen in Bijlage 5. Het nieuwe project wordt aangevraagd in directe samenhang met beëindiging van de bestaande veehouderij-activiteiten op dezelfde locatie in het kader van de Lbv. Het doel van de regelingen is om daarmee de stikstofemissie door vrijwillige beëindiging van veehouderijlocaties te verlagen en daarmee de stikstofdepositie vanuit de veehouderij op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden te verlagen, zodat die gebieden kunnen worden behouden en kunnen herstellen. Op grond van deze regelingen dient de productie en productiecapaciteit op een veehouderijlocatie definitief en onherroepelijk beëindigd te worden en mag op de locatie slechts een nieuwe activiteit worden verricht als deze maximaal 15% van de oorspronkelijk met het project vergunde stikstofruimte oplevert. Om de stikstofemissie van het aangevraagde nieuwe project te mitigeren wordt de emissie van het reeds toegestane project als referentiesituatie gehanteerd. Daarmee is sprake van een situatie die wordt aangemerkt als intern salderen.

Hieronder wordt onderbouwd op welke wijze daarbij wordt voldaan aan de wetgeving en jurisprudentie inzake intern salderen en (indien van toepassing) aan de vereisten die volgen uit provinciale beleidsregels. Stikstofdepositie aangevraagd project De aangevraagde activiteit leidt tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebied(en) ‘Bergvennen & Brecklenkampse Veld’. Tabel 1 geeft een overzicht van de habitattypen waarop het project depositie veroorzaakt en de omvang van de depositie.

Tabel 1. Resultaten AERIUS-berekening aangevraagde situatie 40

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp

Voor dit gebied blijkt uit de natuurdoelanalyses dat eindoordeel ‘nee, tenzij’ wordt gegeven. Dit houdt in dat het vastgestelde pakket aan maatregelen niet volstaat om verslechtering tegen te gaan en realisatie van instandhoudingsdoelstellingen mogelijk te maken. De natuurdoelanalyse maakt in dat geval duidelijk wat de knelpunten zijn. In dit habitattype is stikstofbelasting een knelpunt. In de natuurdoelanalyses is geconcludeerd dat aanvullende stikstofreducerende maatregelen noodzakelijk zijn voor het behalen van de relevante instandhoudingsdoelstellingen. Zodoende is het noodzakelijk dat aanvullende maatregelen worden getroffen om tot het doelbereik te komen. Verderop in dit besluit lichten wij verder toe waarom wij van mening zijn dat de mitigerende maatregel, die een in emissie en depositie minimale toekomstige activiteit mogelijk maakt, niet noodzakelijk is om ingezet te worden als aanvullende maatregel voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Wij geven namelijk met de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv), waar dit besluit mee samenhangt, en andere passende maatregelen, waaronder, invulling aan HR 6.2. Referentiesituatie van het project Om bovenstaande depositie van de aangevraagde activiteit te mitigeren gaat de aanvraag uit van intern salderen met de toegestane activiteit op de locatie. Dit betreft de volgende toestemming:

Tabel 2. Overzicht bestaande toestemming Mitigerende maatregel (intern salderen) Op grond van de Lbv geldt voor deelnemers de voorwaarde dat na beëindiging van de veehouderijactiviteiten de toestemming niet meer mag bedragen dan de werkelijke stikstofemissie van het nieuwe project, met een maximum van 15% van de eerder toegestane stikstofemissie. Om de nieuw aangevraagde activiteit voldoende te mitigeren dient onderstaand deel van de bestaande toestemming als referentie te worden gehanteerd voor de nieuw aangevraagde activiteit.

Tabel 3. Overzicht benodigde restruimte/referentiesituatie Wanneer de emissies van NH3 en NOx van de bestaande toestemming worden vergeleken met de benodigde ruimte, geldt dat minder dan 1% van de bestaande toestemming nodig is om het nieuwe project te mitigeren. Aangezien dit gelijk of minder is dan 15% én een representatieve emissie is behorend bij de nieuw aangevraagde activiteit voldoet de aanvrager daarmee aan de voorwaarden van de Lbv. Met deze mitigerende maatregel zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van het beoogde project uitgesloten. Het additionaliteitsvereiste Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat getoetst moet worden aan het additionaliteitsvereiste bij het inzetten van mitigerende maatregelen. Uit de PAS-uitspraak van 29 mei 2019 passende maatregel ingezet zou kunnen worden, alleen als mitigerende maatregel bij vergunningverlening ingezet mag worden als het behoud van natuurwaarden is geborgd. Hierbij moet worden gelet op de instandhoudingsdoelstellingen en huidige staat van instandhouding, op basis van bijvoorbeeld natuurdoelanalyses. Of, in het geval dat er een verbeter- of hersteldoelstelling geldt, dat doel ook op andere wijze kan worden gerealiseerd.

Hieronder lichten wij toe waarom wij reden zien om een mitigerende maatregel te mogen betrekken bij de beoordeling dat het beoogde nieuwe project geen significante effecten heeft op Natura 2000-gebieden. bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp

41

Intern salderen als mitigerende maatregel Gelet op de urgentie om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied(en) ‘Bergvennen & Brecklenkampse Veld’ blijvend te verminderen zou de voorliggende mitigerende maatregel in beginsel als een passende of instandhoudingsmaatregel kunnen worden gezien. Echter, de aanvraag dient te worden beschouwd in de context van beëindiging van de veehouderij op de locatie van de aanvrager, waarmee in totaal 99% van de toegestane emissie op de locatie wordt ingetrokken. Weliswaar zou het inzetten van het percentage aan overgebleven stikstofruimte op onderhavige projectlocatie ten goede kunnen komen aan de natuur, maar volgens ons is het geen passende maatregel. Er dient een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds het scenario van deelname aan de Lbv inclusief het beoogde toekomstige project binnen de 1% stikstofruimte en anderzijds het scenario van geen deelname en voortzetting van de volledige bedrijvigheid op onderhavige projectlocatie. Dit overwegende zijn wij van mening dat de mitigerende maatregel die ingezet wordt voor het aangevraagde project in geen verhouding staat tot de passende maatregel die hier uit voortvloeit, zijnde de vrijwillige deelname aan Lbv.

De totale stikstofdepositiereductie als gevolg van beëindiging van de veehouderijactiviteiten en de ontwikkeling van een akkerbouwbedrijf met een woonfunctie op locatie Rammelbeekweg 21 betreft mmers 99% op de omliggende Natura 2000-gebied(en) ‘Bergvennen & Brecklenkampse Veld’. Daarnaast draagt deze ontwikkeling ook bij aan reductie van de landelijke stikstofdeken. Samenvattend heeft het beëindigen van de veehouderijactiviteiten en het toestaan van de nieuwe activiteit een groot effect op het terugdringen van de stikstofbelasting. Door deze stikstofreductie is de Lbv aan te merken als een passende en instandhoudingsmaatregel. De samenhang tussen de beëindiging van de veehouderij en het voornemen tot het nieuw aangevraagde project maakt daarom dat wij de mitigerende maatregel in deze specifieke situatie niet als passende of instandhoudingsmaatregel beoordelen in het kader HR 6.2. Belang van nieuwe activiteit in het kader van een vrijwillige regeling De beëindigings- en verplaatsingsregelingen zijn subsidieregelingen voor veehouders die willen stoppen met hun bedrijf of met een locatie van hun bedrijf. Essentieel is dat sprake is van een vrijwillige regeling, waarbij de definitieve en 3 volgt dat een maatregel die als instandhoudings- of onherroepelijke beëindiging van een veehouderijbedrijf of locatie van een veehouderijbedrijf wordt gesubsidieerd.

Ondernemers komen in aanmerking voor één van de regelingen indien zij voldoen aan vastgestelde drempelwaarden voor depositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. De initiatiefnemer van deze aanvraag neemt deel aan een van de regeling. Deze subsidieregeling maakt het financieel mogelijk voor de aanvrager om het bedrijf op verantwoorde wijze te beëindigen, maar vormt geen dekkende inkomstenbron voor de toekomst. Daarbij is het idee altijd geweest dat er een beperkte hoeveelheid ruimte moet overblijven voor deelnemers om op de betreffende locatie een andere activiteit te verrichten. De aard van de regeling is immers dat de deelnemers op dezelfde locatie blijven zitten en het eigendom over de grond behouden. Dat werkt alleen maar als je de deelnemers ook in staat stelt op die locatie een andere activiteit te ontplooien. Het volledig intrekken voldoet niet aan de doelstelling van die regeling en heeft bovendien sociaaleconomisch ongewenste effecten. Het is dus van belang dat de initiatiefnemers een goed toekomstperspectief geboden krijgen, zodat deelname aantrekkelijk is doordat er financiële zekerheid is. Ter ondersteuning van dit doel is bepaald dat een deelnemer maximaal 15% van de vergunde stikstofemissie mag behouden voor de ontwikkeling van een toekomstige activiteit.

Op deze manier vindt minimaal 85% vermindering van de stikstofemissie vanaf de deelnemende locatie plaats, wat ten goede komt aan de natuur en de instandhouding van stikstofgevoelige habitattypen bevordert. Niet onbelangrijk om hierbij te vermelden is dat deelnemers aan de regeling eraan zijn gehouden om slechts de stikstofruimte die benodigd is voor de toekomstige activiteiten te behouden. De 15% betreft dus een maximum waarbij niet meer ruimte behouden mag worden dan nodig voor de beoogde activiteiten. In dit geval is slechts 1% van de toegestane emissie benodigd voor het nieuw beoogde project. Daarnaast is de vergunninghouder vanuit de regeling ook verplicht om de natuurvergunning in te laten trekken wanneer niet langer gebruik wordt gemaakt van de uit deze vergunning voorvloeiende stikstofruimte. Dit voorschrift volgt uit de bedoelde regelingen. Door een dergelijke intrekking wordt bewerkstelligd dat de stikstofruimte niet meer voor externe saldering beschikbaar is. Als het voorliggende nieuwe project niet wordt toegestaan kan dit dus betekenen dat voor de aanvrager onvoldoende toekomstperspectief ontstaat om deelname aan de subsidieregeling voort te kunnen zetten. Er bestaat daarmee een reëel risico dat de beëindiging van deze veehouderijlocatie geen doorgang zou vinden en de emissiereductie van 99% niet gerealiseerd zou worden.

De regeling zou in zoverre dan dus niet het beoogde effect van een passende en instandhoudingsmaatregel zijn. Een onvrijwillige beëindiging van alle activiteiten op een locatie behoort in dit kader ook tot de bevoegdheden van het bevoegd gezag, maar heeft over het algemeen een veel langere doorlooptijd met daarnaast hoge maatschappelijke en economische kosten. Deze kosten en langere doorlooptijd, in combinatie met juridische 42

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp

onzekerheid over het te behalen doel, wegen niet op tegen de zeer beperkte extra depositiedaling die een met een onvrijwillige beëindiging van alle activiteiten op een locatie kan worden gerealiseerd. Conclusie Op basis van bovenstaande uiteenzetting kan worden geconcludeerd dat: de aanvraag samenhangt met het treffen van een instandhoudings- of passende maatregel als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid Habitatrichtlijn, in de vorm van permanente beëindiging van de veehouderij op locatie Rammelbeekweg 21; er is sprake van een situatie waarbij op basis van vrijwilligheid tot bedrijfsbeëindiging wordt overgegaan, mits een toekomstige activiteit mogelijk is. Het niet toestaan van het nieuwe project leidt ertoe dat de bestaande stikstofemissie en -depositie die worden veroorzaakt door de veehouderij in stand blijven, omdat de aanvrager afziet van deelname aan de subsidieregeling en niet overgaat tot beëindiging; de beperkte emissie die met de toestemming voor het nieuwe project wordt verleend door het inzetten van intern salderen als mitigerende maatregel ruimschoots opweegt tegen de langere doorlooptijd en hoge maatschappelijke en economische kosten bij een onvrijwillig beëindigingstraject; er met onderhavig besluit een dusdanige stikstofreductie wordt bewerkstelligd, dat het nieuwe beoogde project met een zeer beperkte depositie kan worden gezien als additioneel.

5.4.1.2 Natuurnetwerk Nederland In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. Situatie plangebied Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied.

Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Conclusie Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan regelgeving ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland. 5.4.2

Soortenbescherming

In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.

Situatie plangebied Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp

43

beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten benut als foerageergebied, maar er nestelen ook vogels. Daarnaast kunnen grondgebonden zoogdieren en amfibieën een voortplantings- en rustplaats in het plangebied bezetten. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied. Door het uitvoeren van sloop- en bouwwerkzaamheden en het verwijderen van opgeslagen materialen tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de (mogelijk) in het plangebied nestelende vogelsoorten is, op de huiszwaluw, huismus, steenuil en kerkuil na, uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het opzettelijk doden van een vogel kan geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Nesten van huismus, huiszwaluw, steenuil en kerkuil zijn in de provincie Overijssel jaarrond beschermd. Om vast te stellen hoeveel nesten van huismus aanwezig zijn dient nader onderzoek plaats te vinden.

Als nesten van huismus aanwezig zijn dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om deze nesten te mogen beschadigen/vernielen. Van de huiszwaluw is bekend dat drie nesten aanwezig zijn. Om deze nesten te mogen beschadigen/vernielen dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden. Om uitsluitsel te geven of een nest van steenuil of kerkuil aanwezig is in het plangebied dient nader onderzoek naar deze soorten plaats te vinden. Wanneer een nestplaats aanwezig is dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen, vernielen of verstoren van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd teworden voor aanvang van de werkzaamheden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk gedood worden en dat voortplantings- en rustplaatsen opzettelijk beschadigd of vernield worden.

Voor beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, waarvan mogelijk de voortplantings- en rustplaatsen negatief beïnvloed wordt geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Dat kan door het werkterrein te ontdoen van spullen/materialen buiten de voortplantingsperiode. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit vereist. Uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden heeft geen negatief effect op essentieel foerageergebied of essentiële vliegroutes van vleermuizen.

Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: Werkzaamheden uitvoeren in september-februari (buiten de voortplantingsperiode van vogels); Nader onderzoek nesten van huismus; Nader onderzoek nestplaats steenuil; Nader onderzoek nestplaats kerkuil; Omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit aanvragen huiszwaluw; Geen grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); Stikstofberekening uitvoeren voor ontwikkel- en gebruiksfase; Conclusie Het aspect soortenbescherming staat op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg. Initiatiefnemer zal tijdens de vervolgprocedure moeten zorgdragen voor het aanvragen van de benodigde omgevingsvergunningen of dat voor de locatie nader onderzoek naar de genoemde soorten wordt uitgevoerd.

44

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp

5.5 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Beoordeling van de plannen: Het voorliggend plan voorziet in de transformatie van het erf ter plaatse van de Rammelbeekweg 21. Gekeken is wat de effecten van verkeersbewegingen vanuit één vrijstaande woning bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Zie onderstaand de NIBM-tool voor de verkeersbewegingen.

Afbeelding 5.1: NIBM-tool worst-case berekening vanwege de ontwikkeling (bron: infomil.nl) De NIBM-tool laat zien dat er geen sprake is van significante gevolgen voor de luchtkwaliteit. De gevolgen van het plan op de luchtkwaliteit is daarmee 'niet in betekende mate'. Conclusie Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp

45

het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.

5.6 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen.

De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: woningen; Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl.

Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:

Afbeelding 5.3: standaarwaarden (bron: art. 5.78T van het Bkl) 46

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp

Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend. Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Buitengebied'. Voor dit gebiedstype geldt volgens de aanpassing van het geluidbeleid onder de Omgevingswet de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (53 dB) en de bovengrens 'onrustig' (58 dB) voor verkeerslawaai . Voor industrielawaai geldt een ambitiewaarde van 45 dB en een grenswaarde van 50 dB.

Situatie plangebied, weg- en verkeerslawaai Door Munsterhuis Geluidsadvies is een akoestisch onderzoek uitgevoerd betreffende het bepalen van het geluid op de gevel ter plaatse van toekomstige woning aan de Rammelbeekweg 21 te Lattrop-Breklenkamp, gemeente Dinkelland als gevolg van wegverkeerslawaai. Het onderzoek is noodzakelijk inzake de ruimtelijke procedure. Het rapport is opgenomen in Bijlage 7. Initiatiefnemer heeft het voornemen ter plaatse van de Rammelbeekweg 21 te Lattrop-Breklenkamp enkele opstallen te slopen en een woning met bijgebouw te realiseren. Het onderzoek richt zich op het bepalen van het geluid op de gevel ten gevolge van wegverkeerslawaai op de Rammelbeekweg. Het geluid op de gevel is vastgesteld door middel van het meet-en rekenvoorschrift, zoals beschreven in de Aanvullingsregeling geluid. Uit het onderhavig onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken. Uit de resultaten blijkt dat de standaardwaarde van 53 dB ten gevolge van de geluidbronsoort gemeentelijke wegen niet wordt overschreden ter plaatse van de woning. Het hoogste geluid op de gevel bedraagt 44 dB; Uit de berekeningen blijkt dat het gezamenlijk geluid op de gevel de 53 dB niet overschrijdt ter plaatse van de geplande woning. Daarmee wordt voor de woning voldaan aan het maximaal toelaatbare binnenniveau uit het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Extra geluidwerende voorzieningen ten gevolge van wegverkeerslawaai zijn niet noodzakelijk. Situatie plangebied, industrielawaai Voor wat betreft industrielawaai wordt geconstateerd dat er geen industrieterreinen met geluidsplafond in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Voor railverkeer wordt op de planlocatie geen geluidsbelasting aangegeven en daarmee ligt de planlocatie ook buiten de hiervoor aangegeven geluidscontour. Situatie plangebied, geluid door belastende activiteiten Een akoestisch onderzoek industrielawaai is uitgevoerd waarmee aangetoond moet worden dat ter plaatse van de toekomstige woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit rapport is opgenomen in Bijlage 6. Anderzijds zal het akkerbouwbedrijf ook haar bedrijfsactiviteiten moeten kunnen blijven uitvoeren. In het kader van de planologische procedure zal er dus akoestisch onderzoek moeten plaatsvinden naar het geluid afkomstig van het akkerbouwbedrijf. De maatschap betreft nu een melkveehouderij die gaat omschakelen naar akkerbouw. Tevens komt er een extra compensatiewoning ten oosten van het bedrijf. Er blijven enkele agrarische akkerbouwmatige activiteiten. Op het erf zal gereden worden met een trekker. Tevens zal er zaai-, en of pootgoed worden aangeleverd met een vrachtwagen.

In bijlage 3 en 3.1 van het geluidsrapport zijn de rekenresultaten opgenomen van de representatieve bedrijfssituatie. In tabel 4 zijn de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en het maximale geluidniveau op de beoordelingspunten samengevat.

bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp

47

Uit de berekeningsresultaten blijkt dat ter plaatse van de toekomstige woning het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau maximaal 44 en 31 dB(A) in respectievelijk de dag en avondperiode bedraagt. Er is hiermee voldaan aan de ambitiewaarden uit het geluidbeleid en aan de standaardwaarden uit het (tijdelijk) Omgevingsplan en de Bkl. Er wordt voldaan aan een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL). Met inachtneming van het voorgaande is sprake van een aanvaarbare situatie voor het aspect geluid.

5.7 Geur In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2); het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3); andere agrarische activiteiten. In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen.

Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/1039/documents/25013