TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
Status: vastgesteld
Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):
vastgesteld NL.IMRO.1774.TAMBUIRAMMLBKWEG21VG01
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
Inhoudsopgave Vaststellingsbesluit
5
Motivering
7
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied 1.2 Beoordelingskader en belangenafweging 1.3 Leeswijzer
9 9 9 11
Hoofdstuk 2 Toekomstige situatie 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste ontwikkeling 2.3 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving
13 13 14 15
Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege 3.1 Omschrijving gevraagde activiteiten 3.2 Toetsing aan het omgevingsplan
17 17 17
Hoofdstuk 4 Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht 4.1 Visie en beleid voor het plangebied 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders
19 19 34
Hoofdstuk 5
37
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12 5.13
Omgevingsaspecten
Ladder voor duurzame verstedelijking m.e.r.-beoordeling Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren Gebiedsbescherming en soortenbescherming Luchtkwaliteit Geluid Geur Omgevingsveiligheid Trillingen Archeologie en Cultuurhistorie Bodem Waterbelang Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen
Hoofdstuk 6
Financiële haalbaarheid
37 38 39 39 45 46 48 49 50 51 52 53 54 57
Hoofdstuk 7 Juridische toelichting 7.1 Wijziging omgevingsplan 7.2 Artikelsgewijze toelichting
59 59 59
Bijlagen bij de toelichting
61
Bijlage 1
ruimtelijk kwaliteitsplan
62
Bijlage 2
BKP rood voor rood
81
Bijlage 3
participatieverslag
84
2
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
Bijlage 4
Quickscan natuurwaarden
87
Bijlage 5
AERIUS rapportage
130
Bijlage 6
Geluidsonderzoek industrielawaai
155
Bijlage 7
Geluidsonderzoek wegverkeerslawaai
190
Bijlage 8
Bodemonderzoek
216
Bijlage 9
watertoets
324
Regels
331
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3
Inleidende regels Begripsbepalingen Meet- en rekenbepalingen Toepassingsbereik
333 333 334 335
Hoofdstuk 2 Artikel 4 Artikel 5
Functies en gebiedsaanwijzingen Agrarisch - 1 Wonen - Wonen in het buitengebied
337 337 341
Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene ruimtelijke bouwregels Planologische gebruiksactiviteiten
345 345 346 347
Artikel 9 Artikel 10
Regels parkeren Overige regels
348 349
Hoofdstuk 4 Artikel 11
Overgangsrecht Overgangsrecht
351 351
Bijlagen bij de regels
353
Bijlage 1
Begripsbepalingen
354
Bijlage 2
Erfinrichtingsplan
361
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
3
4
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
Vaststellingsbesluit
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
5
Motivering
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
7
8
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Inleiding en aanduiding plangebied Er is sprake van nieuwe ontwikkelingen op het agrarisch erf aan de Rammelbeekweg 21 en 23 in Lattrop-Breklenkamp. Middels de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderij (LBV) is er gestopt met de melkveehouderij en wordt er voortgezet op de akkerbouwfunctie. De veehouderij wordt op de locatie uitgesloten. De initiatiefnemers nemen deel aan de gemeentelijke rood-voor-rood regeling. Het voornemen is om de huidige landschapsontsierende opstallen te slopen en de kuilvoerplaten en voersilo's te verwijderen. Dit resulteert in 1.421 m2 aan sloopmeters die ingebracht worden in het kader van rood voor rood. Het plan omvat de sloop van de bestaande genoemde opstallen en het terugbouwen van een compensatiewoning inclusief bijgebouw. Daarnaast worden de restmeters ingezet voor het vergroten van het bijgebouw van de compensatiewoning. Twee schuren en de voormalige boerderij blijven behouden en dienen als werktuigenberging voor het akkerbouwbedrijf. De genoemde ontwikkelingen zijn in het huidig omgevingsplan van rechtswege niet zonder meer mogelijk of kunnen niet geborgd worden. Daarom is met behulp van voorliggend plan een aanpassing van het planologisch kader beoogd om de plannen mogelijk te maken. Voorliggend kader verschaft een goed juridisch en ruimtelijk kader voor de genoemde ontwikkeling.
Ligging planlocatie Het plangebied ligt aan de Rammelbeekweg 21 in Lattrop-Breklenkamp, in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. De locatie Rammelbeekweg 21 staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie N met perceelnummer 1220. Een topografische kaart met daarop het plangebied rood aangegeven is onderstaand zichtbaar. De begrenzing van het plangebied is zichtbaar op de digitale verbeelding en komt overeen met het erf en de omliggende gronden die worden betrokken in de herontwikkeling.
Afbeelding 1.1: topografische kaart met plangebied (in rood) ten opzichte van omliggende plaatsen Denekamp en Lattrop (bron: arcgis.com)
1.2 Beoordelingskader en belangenafweging Beoordelingskader De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan. bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
9
Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen. De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. De volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld. Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst.
Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat. Belangenafweging De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is. Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie.
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze worden afgewogen. Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen. Zienswijzen Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan heeft voor periode van zes weken ter inzage gelegen. Het was voor eenieder mogelijk om tegen het ontwerpbesluit een zienswijze in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
10
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
11
12
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
Hoofdstuk 2
Toekomstige situatie
2.1 Huidige situatie 2.1.1
Historische context en bestaande situatie
De planlocatie van de initiatiefnemers ligt aan de Rammelbeekweg 21 in Lattrop-Breklenkamp. Op het plangebied is een agrarisch bouwblok aanwezig. De opstallen zijn in het verleden in gebruik geweest voor een ter plaatse gevestigde veehouderij. Momenteel zijn ze niet meer in gebruik. In het verleden is een vervangende bedrijfswoning gerealiseerd aan noordwestzijde van de historische woonboerderij. Later is ook nog een tweede bedrijfswoning gebouwd. De locatie bevindt zich in een overgangsgebied van dekzandvlaktes en -ruggen op de rand van een beekdal met natte laagtes. De hogere dekzandruggen zijn relatief vroeg in gebruik genomen. Het erf op de planlocatie bevindt zich in het kleinschalige kampenlandschap, met de overgang naar het ontginningslandschap (heide/veen) en het matenlandschap. Het landschap leende zich goed voor het vestigen van een agrarisch erf. Het erf aan de Rammelbeekweg is oud en al terug te vinden op historische kaarten van rond 1900. Het landschap De planlocatie ligt in een gebied met dekzandvlakten en -ruggen. Deze gebieden werden vaak doorsneden door beekdalen. De beekdalen voeren het water van de hogere delen af. De overgangsgebieden van hoog naar laag bleken geschikt als landbouwgronden en om erven te stichten. De grond was er vruchtbaar en mensen konden hier veilig en droog wonen. Beekdalen waren essentieel om als gras- en hooiland te dienen.
Het perceel ligt op de overgang van de dekzandvlakte naar lagergelegen gronden. De planlocatie ligt in het kampenlandschap, aan de rand van een beekdal met natte laagtes. Ten noorden zijn de Bergvennen te vinden. De Bergvennen liggen op een dekzandrug, dus ze liggen relatief hoog in het landschap. Dit maakt dat de vennen vooral werden gevoed door regenwater. Naast deze vennen is de overgang naar de heide te zien. De combinatie van beekdal, kampen en heideontginning was uiterst functioneel. Het beekdal werd ingezet als hooi- en graslanden. De heideplaggen afkomstig uit het heidegebied werden vroeger gebruikt in het potstalsysteem. Na vermenging met uitwerpselen van het vee werd het ter bemesting naar de essen of kampen gebracht. Vanaf de jaren '30 van de vorige eeuw werden de heidevelden en ten dele ook de veengebieden interessant als landbouwgebied. De reden daarvoor waren de verbeterde afwateringstechnieken en de uitvinding van kunstmest. Het van oorsprong relatief kleinschalige grillige landschap rondom de kampen en de maten is door de jaren heen verschaald naar een halfopen landschap. Vooral enkele landschappelijke dragers zorgen nog voor de herkenning van het landschap. De van oorsprong zeer open heide- en veengebieden zijn door de jaren heen omgezet naar een halfopen landschap met boscomplexen.
Huidige indeling Het erf is met de voorzijde naar het zuidoosten, richting de kamp gericht. Deze kant is open van karakter en heeft vrij zicht over de kamp. De achterzijde is naar de weg gericht. Van oudsher waren de schuren op het achtererf gesitueerd, maar vanwege ruimtegebrek is er later ook bebouwing toegevoegd richting de kamp. Het achtererf is dicht aangezet met erfbeplanting in de vorm van een erfbos. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een karakteristiek groenelement in de vorm van een houtsingel haaks op de Rammelbeek. Dit is kenmerkend voor een beekdal.
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
13
Afbeelding 2.1: recente luchtfoto planlocatie (bron: PDOK.nl)
Afbeelding 2.2: vogelvlucht aanzicht huidige erfsituatie (bron: Streetsmart)
2.2 Gewenste ontwikkeling Huidig erfcluster De planlocatie ligt in een gebied met dekzandvlakten en -ruggen, in een kleinschalig kampenlandschap, aan de rand van een beekdal met natte laagtes. Ten noorden liggen de Bergvennen en is de overgang naar de heide te zien. Het van oorsprong agrarische erf heeft een orthogonale opstelling met een grote openheid richting het zuidoosten, de kamp. De achterzijde is naar de weg gericht, waarvan oudsher ook de schuren waren gesitueerd. De erfbeplanting aan de achterkant van het erf heeft de vorm van een erfbos, wat past bij het oorspronkelijke landschap. Gewenste situatie akkerbouwbedrijf Het huidige melkveebedrijf wordt getransformeerd naar een akkerbouwbedrijf. De landschapontsierende schuren worden gesloopt (G) en kuilvoerplaten (H) en voersilo's (I) worden verwijderd. Er blijven twee schuren (B) staan en krijgen een functie voor het akkerbouwbedrijf. De kapschuur nabij de weg wordt verfraaid door vervanging van het dak (asbest) en van de wanden (damwand) naar passende en streekeigen materialen. 14
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
Gewenste situatie woning Voor de ontstane sloopmeters bouwt initiatiefnemer een extra woning (D). De overgebleven sloopmeters worden ingezet voor de realisatie van een inpandig berging van 70 m2 in de nieuwe woning (D) en een vrijstaand bijgebouw van 190 m2 (E).
2.3 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving Het plangebied is gelegen in een kampenlandschap in een gebied met dekzandwelvingen en het beekdal. In het kampenlandschap is sprake van beplanting langs wegen en percelen, en een openheid van het erf richting de kamp. Deze structuren worden met de ontwikkeling versterkt, waarmee de plannen zijn ingepast in de omgeving en hebben een versterkte ruimtelijke uitstraling. Voor de landschappelijke inpassing worden de aanwezige erfbossen (J) uitgebreid en aangevuld met inheemse soorten (K), dit versterkt de beslotenheid van het achtererf. Centraal op het erf wordt een markante erfboom (L) geplant, het voorerf richting de kamp blijft open. Het veldschuurtje (C) in het bos blijft bestaan en de oprit aan deze zijde blijft ondergeschikt aan de hoofdoprit. De nieuwe situatie draagt bij aan de bestaande orthogonale opstelling van het erf en aan de één-erf-gedachte. Samen met het open karakter van het erf richting de kamp past de nieuwe situatie goed bij het oorspronkelijke cultuurlandschap.
Afbeelding 2.3: nieuwe landschappelijke situatie Rammelbeekweg 21 (bron: N+L Landschapsontwerpers) Maatregelen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit Er worden enkele maatregelen uitgevoerd ter bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. Behoud compacte erfopzet; Sloop van landschap ontsierende bebouwing, kuilvoerplaten en erfverharding (G, H en I); Behoud van bestaande houtopstanden (J); Nieuw aan te planten houtopstand (K) en solitaire boom (L); Eén hoofdoprit en één ondergeschikt oprit (oprit richting nieuwe woning). Met de voorgestelde maatregelen wordt voldaan aan het gestelde beleid. Het gemeentelijk kwaliteitsteam is akkoord met de landschappelijke inpassing. Het advies is opgenomen in het ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1).
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
15
16
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege 3.1 Omschrijving gevraagde activiteiten Zoals in Hoofdstuk 1 reeds aangegeven is er een plan voor een herontwikkeling van het erf Rammelbeekweg 21. Op de planlocatie is een agrarische bedrijfsfunctie met een bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf toegekend. De veehouderij wordt gestaakt en bij de herontwikkeling wordt er voortgezet op de akkerbouw en een extra woonfunctie. Een deel van het erf wordt omgezet naar een reguliere woonfunctie vanwege de rood-voor-rood regeling en voor de overige delen wordt veehouderij uitgesloten. Het bouwen van de compensatiewoning pas daarnaast niet binnen de huidige planregels ter plaatse van de locatie aan de Rammelbeekweg 21. De woonfunctie ter plaatste dient hierop te worden aangepast. Bovendien moet de sloop op de locatie vastgelegd worden, zodat deze bebouwingsoppervlakte niet opnieuw kan worden teruggebouwd. Deze ontwikkelingen zijn niet mogelijk binnen de huidige planregels ter plaatse van de locatie. Een aanpassing van het omgevingsplan van rechtswege is daarvoor noodzakelijk.
3.2 Toetsing aan het omgevingsplan 3.2.1
Strijdigheden met bestemmingsplan 'Buitengebied 2010'
Het geldend planologisch kader ter plaatse is van de planlocatie is het omgevingsplan van rechtswege met onderdelen 'Buitengebied 2010'. Hierna wordt nader ingegaan op de huidige planologische situatie. Het plandeel Rammelbeekweg 21 heeft de functie 'Agrarisch - 1' met bijbehorende functieaanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf', 'specifieke vorm van wonen tweede bedrijfswoning' en een bouwvlak. Het realiseren van een extra (reguliere) woning is binnen de functie niet zonder meer toegestaan. Daarnaast dient de veehouderij te worden uitgesloten en de sloop te worden vastgelegd in verband met de rood voor rood regeling.. Een aanpassing van het omgevingsplan van rechtswege is daarvoor noodzakelijk.
Afbeelding 3.1: verbeelding omgevingsplan van rechtswege (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
17
3.2.2
Bruidsschat
De bruidsschat bevatten regels over onderwerpen die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet in nationale regelgeving waren opgenomen (door het Rijk opgestelde regels). Onder de Omgevingswet worden deze door gemeenten geregeld. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels op het gebied van bouwen, milieubelastende activiteiten en overige activiteiten en is opgenomen in hoofdstuk 22 van de regels van het omgevingsplan. Het grootste gedeelte van deze regels is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor milieuregels (zoals regels over geurnormen en de afstand tot een geurgevoelig object). Voor dat deel van de regels geldt dat het mogelijk is om van het omgevingsplan af te wijken. De bruidsschat bestaat uit de volgende onderdelen: begrippen (hoofdstuk 1) voorrangsbepalingen en overgangsrecht (afdeling 22.1) regels over bouwwerken, open erven en terreinen (afdeling 22.2) regels over milieubelastende activiteiten (afdeling 22.3) regels over aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond (afdeling 22.4) regels over overige gemeentelijke omgevingsvergunningen (afdeling 22.5) De regels van afdeling 22.2 zijn relevant voor onderhavig initiatief omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken.
Met de in dit TAM-omgevingsplan opgestelde regels wordt aan de regels voldaan. De regels van afdeling 22.3 zijn relevant aangezien sprake is van milieubelastende activiteiten. De overige in de bruidsschat opgenomen regels zijn niet relevant voor dit plan. 3.2.3
Gemeentelijke verordeningen
Er zijn geen gemeentelijke verordeningen die van belang zijn voor dit plan.
18
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
Hoofdstuk 4 Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht 4.1 Visie en beleid voor het plangebied 4.1.1
Nationale Omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.
Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Vrijkomende Agrarische Bebouwing en de provinciale ruimte-voor-ruimteregelingen waardoor VAB-locaties omgevormd kunnen worden tot aantrekkelijke nieuwe woonlocaties. Ook wordt ingegaan op de aspecten 'economie en landschap'. Landschap is immers een belangrijk onderdeel van het vestigingsklimaat, zowel voor de meer verstedelijkte gebieden als voor de landelijke regio's. Voor een hoogwaardige kenniseconomie als de Nederlandse, is de bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van het omringende landschap van groot belang in de concurrentie met andere landen.
Een aantrekkelijke leefomgeving is tevens een randvoorwaarde voor toerisme. De aantrekkelijkheid van de leefomgeving is immers vaak de reden dat bezoekers naar een regio komen. Een aantrekkelijk landschap maakt dat mensen daar willen wonen, werken en recreëren. Vrijkomende agrarische bebouwing kan bijvoorbeeld met provinciale ruimte-voor-ruimteregelingen omgevormd worden tot aantrekkelijke nieuwe woon- of werklocaties, waarbij de vrijkomende agrarische grond zo veel mogelijk kan worden ingezet voor een grotere grondgebondenheid van de omliggende agrarische bedrijven, of worden gebruikt voor agrarisch natuurbeheer. Rijk en regio's werken samen uit hoe kan worden omgegaan met de opgave van agrarische leegstand en herbestemming in relatie tot het combineren van functies in het landelijke gebied, behoud en versterking van de leefbaarheid op het platteland en het voorkomen van verdere aantasting van het landschap. Beoordeling van het plan: Dit plan heeft betrekking op een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en waarbij geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI.
Juist kan het plan een bijdrage leveren aan de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en goede invulling van een LBV-locatie, omdat een agrarisch erf deels wordt omgevormd naar een regulier woonerf, waarbij enkele bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
19
landschapontsierende gebouwen gesloopt worden, een karakteristieke veldschuur behouden blijft en er wordt gewerkt aan een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Geconstateerd is dat de compensatiewoning op een bestaande erflocatie een logische vervolgfunctie betreft. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld, hierbij wordt onder meer verwezen naar Bijlage 1 behorende bij de toelichting en de toetsing aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit plan opgenomen ontwikkeling. 4.1.2
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel
De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal: 1. Of - generieke beleidskeuzes (themagerichte artikelen met criteria waaraan (omgevings)plannen dienen te voldoen) 2. Waar - ontwikkelingsperspectieven 3.
Hoe - gebiedskenmerken (conform lagenbenadering: natuurlijke laag, agrarische laag, stedelijke laag en laag van de beleving) Generieke beleidskeuzes (OF) Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024. Ontwikkelingsperspectieven (WAAR) Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven.
In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken (HOE) Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
20
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
Afbeelding 4.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
Doorwerking in onderhavig plan: In voorliggende geval zijn in het kader van de generieke beleidskeuzes de volgende artikelen relevant: artikel 4.4 (principe van concentratie) artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) artikel 4.9 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit) artikel 4.13 (klimaatrobuust water- en bodemsysteem) artikel 4.14 (woonafspraken) artikel 4.55 (Nationaal Landschap Noordoost-Twente) Onderstaand worden de beleidskeuzes benoemd en beoordeeld op welke wijze in het plan hiermee rekening is gehouden. Artikel 4.4: Principe van concentratie In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen. Beoordeling van het plan: In dit geval is sprake van een ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt op gronden die momenteel in gebruik zijn als erf. De veehouderij wordt gestaakt en daarom worden meerdere opstallen, kuilvoerplaten en voersilo's verwijderd en gesloopt. Een tweetal agrarische bedrijfsgebouwen en de huidige woningen blijven behouden voor de voortzetting van de akkerbouw. De te behouden schuren worden opgewaardeerd. Op basis van de rood-voor-rood regeling mag één compensatiewoning met bijgebouw worden gerealiseerd.
Het gebruik dient deels omgezet te worden naar een woonfunctie. Op basis van de gemeentelijke woonvisie is sprake van behoefte aan toevoeging van woningen. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf 4.1.5. Daarmee is sprake van een lokale behoefte en een goede invulling aan het principe van concentratie. bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
21
Artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) Lid 2 Omgevingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: a. dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; b. dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Beoordeling van het plan: De locatie Rammelbeekweg 21 ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Er is sprake van herontwikkeling, waarbij landschapontsierende agrarische bebouwing wordt gesaneerd, een veldschuur en de huidige woningen behouden blijven, kuilvoerplaten en voersilo's verwijderd worden en een nieuwe woning met bijgebouw wordt gebouwd. Een tweetal schuren blijft behouden vanwege de voortzetting van de akkerbouwtak. Op het erf worden enkele groenelementen toegevoegd waarmee het landschap wordt versterkt. Het bestaande erf wordt dus optimaal benut. Bovendien neemt het verhard oppervlak als gevolg van de ontwikkeling aanzienlijk af. Er is hiermee sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik passend binnen dit artikel van de omgevingsverordening.
Artikel 4.9: Ruimtelijke kwaliteit In de toelichting bij omgevingsplannen wordt onderbouwd dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken, past binnen het ontwikkelingsperspectief, inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze toepassing wordt gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering). Beoordeling van het plan: Voor de plangebieden is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld dat gebaseerd is op de toegekende gebiedskenmerken. Deze worden later in deze paragraaf afzonderlijk behandeld en getoetst. Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten voor artikel 4.9 van de verordening.
Artikel 4.13: Klimaatrobuust water- en bodemsysteem 1. In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. 2. In de onderbouwing bedoeld in het eerste lid wordt bij een ontwikkeling in het landelijk gebied in ieder geval duidelijk gemaakt hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal perspectief water en bodem dat op die locatie van toepassing is. Beoordeling van het plan: De landschappelijke inpassing is voorzien van een vergroting van het erfbos met verschillende inheemse soorten. Daarmee wordt de biodiversiteit en de capaciteit voor het opvangen van water lokaal vergroot. Een hogere biodiversiteit draagt bij aan de veerkrachtigheid van het gebied. Daarnaast neemt de totale verharde oppervlakte in het plangebied af, waardoor er meer water kan worden opgenomen in de omgeving. De ontwikkeling draagt zo bij aan een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. Artikel 4.14: Woonafspraken 1. Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten. 2.
Nieuwe woningen zijn nog te realiseren woningen waarvoor nog geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is afgegeven. Beoordeling van het plan: Voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van 1 extra wooneenheid met bijbehorend bouwwerk op basis van de rood voor rood regeling. Door de sloop van landschapontsierende bebouwing wordt het recht voor één compensatiewoning verkregen. De woning voldoet aan de kwalitatieve behoefte. Zoals uit paragraaf 4.1.5 blijkt, is er in de gemeente Dinkelland ruimte voor het toevoegen van extra woningen. Gelet op het vorenstaande wordt 22
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
geconcludeerd dat voorliggend omgevingsplan in overeenstemming is met artikel 4.14 uit de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.55: Nationaal Landschap Noordoost-Twente Lid 1 Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen het Nationaal Landschap Noordoost-Twente als die nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap. Lid 2 De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn: het samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen; de grote mate van kleinschaligheid; het groene karakter. Lid 3 Het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt rekening is gehouden met het Ontwikkelperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente en met bijlage IX van deze verordening (Nader uitgewerkte kernkwaliteiten Nationaal Landschap Noordoost-Twente) waarin de kernkwaliteiten nader zijn uitgewerkt. Beoordeling van het plan: De plannen van de eigenaar van Rammelbeekweg 21 brengen geen onaanvaardbare effecten voor het Nationaal Landschap Noordoost-Twente met zich mee. Juist kan het voor een versterking zorgen van de beleefbaarheid van Noordoost-Twente. Er wordt op de locatie gezorgd voor een (behoud van) diversiteit aan landschapstypen in een kleinschalige setting. De voormalige agrarische identiteit van de locatie wordt hierbij gerespecteerd door in een herkenbaar erfensemble te bouwen, vergezeld van passende landschappelijke ingrepen.
Bovendien wordt invulling gegeven aan de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving en wordt het omliggende landschap, mede gelet op de (extra) investeringen in de ruimtelijke kwaliteit, juist versterkt. Ontwikkelingsperspectieven (waar) Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst. Voor het voorliggende plan is voor beide planlocaties het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' van toepassing.
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
23
Afbeelding 4.1: ontwikkelingsperspectief, Rammelbeekweg in rood aangeduid (bron: overijssel.tercera-ro.nl)
Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Daarnaast gelden - net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven - de ruimtelijke kwaliteitsambities: zichtbaar en beleefbaar mooi landschap; sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel; continu en beleefbaar watersysteem. Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt. Beoordeling van de plannen: De ontwikkelingen omvatten het omzetten van het agrarisch gebruik van veehouderij naar akkerbouw en de realisatie van een woning via de rood voor rood regeling.
Daarmee is er sprake van zowel een agrarisch gebruik als de ontwikkeling van een nieuwe woonfunctie, dit is een passende activiteit in het mixlandschap.
Gebiedskenmerken (hoe) Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend. De provincie onderscheidt de volgende vier lagen: 1. 2. 3. 4.
Natuurlijke laag. Laag van het agrarisch cultuurlandschap. Stedelijke laag. Laag van de beleving.
24
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
Natuurlijke laag De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. De locatie ligt in een dekzandgebied dat door beekdalen wordt doorsneden. Onder koude omstandigheden in de laatste ijstijd heeft de wind ervoor gezorgd dat (geërodeerd) zand werd afgezet en zich verplaatste, hierdoor zijn dekzandruggen en -kopjes ontstaan. Er is dus sprake van reliëf. In de lager gelegen delen zijn beeklopen te vinden, zoals op de planlocatie de Rammelbeek ten zuiden van de planlocatie. Hoogteverschillen in de omgeving van de planlocatie zijn nog goed zichtbaar.
Afbeelding 4.2: uitsnede natuurlijke laag, Rammelbeekweg in 'Dekzandruggen en -vlakte en 'beekdalen en natte laagtes' (bron: provincie Overijssel) Laag van cultuurlandschap Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. Het landschap werd functioneel ingericht waarbij men nooit heeft nagedacht over de schoonheid ervan.
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
25
Afbeelding 4.3: uitsnede laag van cultuurlandschap, Rammelbeekweg in oude hoevenlandschap (bron: provincie Overijssel)
Nu waarderen wij juist de ingrepen van destijds. De eerste nederzettingen in Nederland werden gesticht op de rand van de hogere stuwwallen en dekzandruggen naar de overgang met de lagere gronden. De akkers op de hogere gronden werden intensief gebruikt en bemest met heideplaggen uit het voormalige potstal systeem. Dit gebeurde onder meer in de kleinschalige kampenlandschappen. De open essen en kampen kwamen door het potstalsysteem hoger in het landschap te liggen met veelal scherpe randen. In de lagere (beekdal) gebieden waren de gronden onder meer geschikt voor hooilanden. Het kampenlandschap, maar ook het matenlandschap was van oorsprong zeer kleinschalig. Door de schaalvergroting is dat sterk afgenomen, maar nog altijd zorgen belangrijke landschappelijke dragers in het gebied voor de herkenning van het gebied. Het plangebied is gelegen op de overgang van het kampenlandschap naar het ontginningslandschap. Kenmerkend zijn daarom hier de rechte wegen, open tot halfopen landschap en robuuste beplantingsstructuren. De ontwikkeling moet bijdragen aan de herkenning van het landschap. In dit geval houdt dat vooral behoud van het bestaande in, maar er liggen ook kansen voor versterking. De ontwikkeling moet bijdragen aan de herkenning van het landschap. De mate van herstel is afhankelijk van meerdere factoren.
In beginsel moet ervoor gezorgd worden dat het bestaande behouden blijft en dat erven op een juiste manier ingepast zijn en blijven. Laag van de beleving Het plangebied is omschreven als donkerte. De donkere gebieden zijn veelal de buitengebieden van onder andere Overijssel. Waar elders dorpen, autowegen, kassengebieden, attractieparken en bedrijventerreinen zorgen voor licht, is het buitengebied een plek waar men nog de sterrenhemel kan waarnemen. De ambitie is om donkere plekken te behouden en waar mogelijk nog donkerder te maken. De ontwikkeling houdt rekening met deze ambitie. Er mag geen onnodig licht worden toegevoegd.
26
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
Afbeelding 4.3: uitsnede laag van de beleving, donkerte (bron: provincie Overijssel)
Stedelijke laag Het plangebied heeft voor wat betreft de stedelijke laag geen specifieke kenmerken toegewezen gekregen, die voor voorliggende ontwikkeling relevant zijn. Daarom blijft een verdere toetsing aan deze laag buiten beschouwing. Conclusie Het in Bijlage 1 opgenomen ruimtelijk kwaliteitsplan is gebaseerd om de toegekende ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken. Met inachtneming hiervan wordt geconcludeerd dat de in dit voorliggende omgevingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid. 4.1.3
MijnOmgevingsvisie Dinkelland
De gemeente Dinkelland beschikt over een omgevingsvisie. MijnOmgevingsvisie Dinkelland gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. Hierin bouwt men verder op de basis die al in proces van MijnDorp gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied , gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. Door inbreng van de samenleving is MijnOmgevingsvisie van ons allemaal! MijnOmgevingsvisie gaat in op: 1. 2. 3. 4.
de uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten); hoe men daarop kan inspelen (speerpunten); hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan); welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart).
Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn: We doen het samen; We geven het goed voorbeeld; We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. We wentelen niet af op volgende generaties. Speerpunten bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
27
In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name het thema's 'Aantrekkelijk wonen' en 'Toekomstgerichte agrarische sector' van belang. Goede staat van landschap en natuur De landschapskwaliteiten van Noordoost-Twente, dus ook van Dinkelland, willen we behouden en ontwikkelen. Het landschap is gevormd door natuur en mens; de inwoners, hun cultuur en het gebruik van het gebied hebben ons landschap uiteindelijk bepaald. En dat gebeurt nog steeds. Hierin zien wij de volgende uitdagingen en wij willen ons als partner sterk maken voor: behouden en versterken van het veelzijdige cultuurlandschap; versterken van de biodiversiteit; behoud van natuur en landgoederen. Buitengebied in balans De gemeente wil een economisch sterk buitengebied met veel verschillende functies waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden.
In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. In het buitengebied van de gemeente is er landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. Er wordt gestreefd naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit doet de gemeente samen met haar inwoners, haar partners en de gebruikers. De speerpunten voor het buitengebied zijn: toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd; goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw; kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur. In afbeelding 4.4 is een uitsnede van de bijbehorende waardenkaart weergegeven. Locatie Rammelbeekweg ligt in de zone 'gericht op beperkte ontwikkeling door gemiddelde waarde en dynamiek'.
afbeelding 4.4: Uitsnede waardenkaart, planlocatie met paars aangegeven (bron: Gemeente Dinkelland)
28
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
Beoordeling van de plannen: De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de herontwikkeling van het erf Rammelbeekweg 21, waarbij de agrarische functie van veehouderij naar akkerbouw gaat vanwege de LBV-regeling. Er worden twee landschapontsierende opstallen gesloopt wat resulteert in 1.421 m2 aan sloopmeters. Deze worden ingezet middels de rood-voor-rood regeling. Er wordt een compensatiewoning met bijbehorend bijgebouw gerealiseerd. De kuilvoerplaten en voersilo's worden verwijderd en een veldschuur blijft behouden. De gehele ontwikkeling wordt zorgvuldig ingepast. Een deel van de agrarische functie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Door middel van een ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1) worden ontwikkelingen uitgelegd en landschappelijk ingepast. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse fors versterkt. Verder wordt er met de woonfunctie ter plaatse op een positieve wijze bijgedragen aan de leefbaarheid van het buitengebied. De ontwikkeling draagt bij aan het speerpunt 'toekomstgerichte agrarische sector' van de omgevingsvisie van Dinkelland. Dit speerpunt geeft aan dat duurzame landbouw wordt gestimuleerd. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland'.
4.1.4
Buitengebied met kwaliteit
Op 25 januari 2022 is de beleidsregel 'Buitengebied met kwaliteit' vastgesteld door de raad van de gemeente Dinkelland. Dit beleidsstuk bundelt en vervangt diverse beleidsregelingen zoals bijvoorbeeld Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur, de Nota verblijfsrecreatie en het VAB+ beleid. Op 25 maart 2025 is het beleid geactualiseerd met aanvullende mogelijkheden voor karakteristieke bebouwing en kaders verblijfsrecreatie. Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. Op 25 maart 2025 is het beleid geactualiseerd met aanvullende mogelijkheden voor karakteristieke bebouwing en de verwerking van kaders voor verblijfsrecreatie in de notitie. De volgende passages uit het beleid zijn relevant: 3.2 Uitbreiden vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij woning 3.5 Extra woningen (Rood voor Rood) 4.7.1 Functiewijziging ‘Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’ De relevante artikelen worden onderstaand stapsgewijs gehandeld.
3.2 Uitbreiden vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij woning Voor het uitbreiden van bij een woning toegelaten vrijstaande bijbehorende bouwwerken binnen de functie 'Wonen', gelden de volgende voorwaarden: 1. Extra m2 bebouwing wordt uitsluitend toegestaan indien elders binnen de gemeente Dinkelland of Tubbergen landschap ontsierende gebouwen worden gesloopt. Hierbij geldt de volgende bouw-/sloopverhouding:
2. Alleen legaal opgerichte gebouwen kunnen worden ingezet, of aangetoond moet worden dat de gebouwen voor 1998 aanwezig waren; 3. Landschap ontsierende veldschuren komen ook in aanmerking voor deze regeling; bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebie d Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
29
4. Gebouwen moeten in het geheel worden gesloopt, inclusief funderingen en eventuele (mest)kelders; 5. Alleen volledige gebouwen kunnen worden ingezet en niet gedeeltes van gebouwen en/of (grotendeels) ingestorte gebouwen. De gemeente bepaalt of een niet-volledig gebouw kan worden ingezet voor deze regeling; 6. Karakteristieke gebouwen en monumentale gebouwen kunnen niet worden ingezet voor sloop en worden ingepast in de nieuwe erfopzet; 7. De planologische bouwmogelijkheden op alle betrokken locaties worden aangepast aan de nieuwe situatie. Dit betekent onder andere dat de resterende bebouwing na sloop op de slooplocatie(s) beschouwd wordt als de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing op het betreffende perceel.
3.5 Extra woningen (Rood voor Rood) Voor het toestaan van extra woningen binnen de functie ‘Wonen’ gelden de volgende voorwaarden: 1. Een extra woning wordt uitsluitend toegestaan indien sprake is van een kwaliteitsimpuls in de vorm van de sloop van landschapsontsierende gebouwen binnen de gemeente Dinkelland en Tubbergen. Hierbij geldt dat voor elke 1.200 m² te slopen landschapsontsierende bebouwing, één bouwkavel voor een woning kan worden toegekend; 2. Voor bedrijfsmatige kassen/een kassencomplex geldt een sloopverhouding van 1:5 ten opzichte van overige landschap ontsierende bebouwing, waarbij geldt dat hiermee per plan/locatie maximaal 3 compensatiewoningen gerealiseerd kunnen worden. 3. Alleen (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen kunnen worden ingezet, voor gebouwen met een ander (voormalig) bedrijfsmatig gebruik geldt maatwerk; 4. Alleen gebouwen die tenminste 5 jaar geleden zijn opgericht kunnen worden ingezet; 5. Alleen legaal opgerichte gebouwen kunnen worden ingezet, of aangetoond moet worden dat de gebouwen voor 1998 aanwezig waren; 6. Alleen volledige gebouwen kunnen worden ingezet en niet gedeeltes van gebouwen en/of (grotendeels) ingestorte gebouwen. De gemeente bepaalt of een niet-volledig gebouw kan worden ingezet voor deze regeling; 7.
Karakteristieke gebouwen en monumentale gebouwen kunnen niet worden ingezet voor sloop en worden ingepast in de nieuwe erfopzet 8. Er mogen meerdere sloop- en bouwlocaties worden gecombineerd; 9. Tenminste 75% van de vereiste sloopoppervlakte voor een woning moet uit de gemeente komen waar de woning gebouwd wordt; 10. Op een slooplocatie moet tenminste 300m² worden gesloopt, tenzij het gaat om een veldschuur; 11. Alle landschapsontsierende gebouwen op een slooplocatie moeten worden gesloopt; 12. Bouwwerken zoals sleufsilo’s, mestplaten, mestbassins, (mest)kelders, hobby-/tunnelkassen en erfverharding moet worden verwijderd en tellen niet mee met de sloopoppervlakte. Torensilo’s en mestsilo’s kunnen worden meegeteld in de sloopoppervlakte; 13. De extra woning moet worden teruggebouwd op een slooplocatie waar sprake is van een erf met een functie (voormalig) agrarisch bedrijf, (voormalig) niet-agrarisch bedrijf dan wel een woonerf welke als zodanig is bestemd. Een locatie van een veldschuur geldt niet als geschikte terugbouwlocatie; 14. De woning en de bijbehorende bouwwerken dienen één erfensemble te vormen met de overige bebouwing (één-erf gedachte); 15.
Wanneer de slooplocatie(s) niet geschikt is/zijn om een extra woning te bouwen vanuit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit, milieu-, ruimtelijke ordening- en/of overige wet- en regelgeving, kan de woning elders teruggebouwd worden. In dat geval dient de terugbouwlocatie aan te sluiten op bestaande bebouwing. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het bouwen in kernen, dorpsranden, buurtschappen, lintbebouwing, een bestaand erfensemble/erfstructuur (hieronder kan eventueel ook het ensemble/ de erfstructuur van een historisch(e) landgoed/ buitenplaats worden verstaan) of op de locatie van een solitair gelegen recreatiewoning waarbij deze wordt omgezet in een reguliere woning. Uitgangspunt is dat de impact van de nieuwe woning op de omgeving minimaal is; 16. Indien wordt voldaan aan de sloopnorm, mag een extra woning met bijbehorende bouwwerk(en) gebouwd worden conform de toegestane afmetingen (inhoud/oppervlakte/etc.) die gangbaar zijn in het geldend omgevingsplan voor de functie ‘Wonen; 17. In afwijking van lid 16 mag van de sloopoppervlakte boven de sloopnorm, maximaal 50% worden ingezet voor een groter bijbehorende bouwwerk bij de nieuw te bouwen of een te behouden woning, waarbij per woning niet meer dan 350 m² aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan.
Indien de te behouden gebouwen landschapsontsierend zijn, worden eisen gesteld aan het verfraaien van de gebouwen zodat deze niet meer landschapsontsierend zijn; 18. In afwijking van lid 11 kunnen gebouwen die in eerste instantie landschapsontsierend zijn, maar waarin bedrijfsmatige activiteiten mogelijk zijn, worden uitgezonderd van sloop mits dit landschappelijk en 30
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22an Buitengebied Rammelbeekweg 21, Lattrop-Breklenkamp
stedenbouwkundig aanvaardbaar is, de gebouwen zodanig verfraaid worden dat deze niet meer landschapsontsierend zijn en voldaan wordt aan de voorwaarden uit paragraaf 3.4. 19. Middels een beeldkwaliteitsplan dient de beeldkwaliteit van de woning vastgelegd te worden. Er is een standaard beeldkwaliteitsplan opgesteld welke hiervoor gebruikt kan worden. Indien dit plan niet volstaat voor een specifiek project, dient een initiatiefnemer zelf een beeldkwaliteitsplan aan te leveren. Het beeldkwaliteitsplan dient akkoord te worden bevonden door de gemeente; 20. In het gemeentelijk woningbouwprogramma moet voldoende ruimte beschikbaar zijn voor de te bouwen woningen in het buitengebied; 21. Het toepassen van de regeling houdt in dat dat op alle betrokken locaties de bedrijfsmatige agrarische activiteiten gestaakt moeten worden. Dit houdt tevens in dat de hiervoor bedoelde vergunningen en toestemmingen moeten worden ingetrokken door de vergunninghouder, de locaties een passende functie krijgen conform het nieuwe gebruik en planologisch wordt geregeld dat de bedrijfsmatige agrarische activiteiten moeten worden beëindigd; 22. De planologische bouwmogelijkheden op alle betrokken locaties worden aangepast aan de nieuwe situatie.
Dit betekent onder andere dat de resterende bebouwing na sloop op de slooplocatie(s) beschouwd wordt als de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing op het betreffende perceel. 4.7.1 Functiewijziging ‘Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’ Voor de functiewijziging van de functie ‘Agrarisch bedrijf’ naar de functie ‘Wonen’ is, voor zover geen sprake is van de bouw van een extra woning, geen aanvullende kwaliteitsinvestering vereist. Een extra woning wordt uitsluitend toegestaan indien voldaan wordt aan de regels uit paragraaf 3.5. Het toepassen van deze regeling houdt tevens in dat dat op de betrokken locatie de bedrijfsmatige agrarische activiteiten gestaakt moeten worden. Dit houdt tevens in dat de hiervoor bedoelde vergunningen en toestemmingen moeten worden ingetrokken.
Beoordeling van plannen: 3.2 Uitbreiden vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij woning Van de sloopoppervlakte boven de sloopnorm, mag een gedeelte worden teruggebouwd dan wel behouden blijven voor het realiseren van een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken. De sloopoppervlakte boven de sloopnorm is 221m2. Deze extra sloopmeters worden gebruikt om het bijgebouw bij de compensatiewoning te vergroten. De sloopmeters komen van de asbesthoudende varkensschuur. De eerste 100m2 kan 1:1 teruggebouwd worden. De overige sloopmeters via de verhouding 1:2. In totaal kan er 160,5m2 extra aan bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. Samen met het basisrecht van 100 m2 komt dat uit op een totaal van 260,5 m2 aan bijgebouwen. Het recht op 260,5 m2 wordt vastgelegd op het deel van de woonfunctie van de compensatiewoning. 3.5 Extra woningen (Rood voor Rood) Ter compensatie van de sloop van tenminste 1.200 m² aan landschap ontsierende gebouwen en een investering in ruimtelijke kwaliteit, mag een woning met bijbehorende bouwwerk(en) worden gerealiseerd met een inhoud/oppervlakte conform het omgevingsplan van rechtswege. Uitgangspunt is dat de compensatiewoning teruggebouwd wordt op de slooplocatie, dat is met het voornemen het geval. Uit onderzoek naar de legale situatie is een totale sloopoppervlakte van 1421 m2 voortgekomen.