TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Buitengebied Gammelkeresweg 4, Deurningen
Tekst van het document
De randen van de essen worden kwalitatief aangezet waarmee het oorspronkelijke landschap zichtbaarder wordt gemaakt. Om de openheid van de zogenoemde 'kamers' in het essenlandschap wordt teruggebracht doordat de bomen langs noordzijde van het erf worden geveld. De karakteristieke gebouwen van het erf worden hersteld, dat draagt bij aan de uitstraling van kenmerkende erven van dit essenlandschap. Laag van de beleving en stedelijke laag Het plangebied heeft voor wat betreft de laag van de beleving en de stedelijke laag geen specifieke kenmerken toegewezen gekregen, die voor voorliggende ontwikkeling relevant zijn. Daarom blijft een verdere toetsing aan deze lagen buiten beschouwing. Conclusie Het in Bijlage 1 opgenomen ruimtelijk kwaliteitsplan is gebaseerd op de toegekende ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken. Met inachtneming hiervan wordt geconcludeerd dat de in dit voorliggende omgevingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid. 4.1.3
MijnOmgevingsvisie Dinkelland
De gemeente Dinkelland beschikt over een omgevingsvisie. MijnOmgevingsvisie Dinkelland gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. Hierin bouwt men verder op de basis die al in proces van MijnDorp gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. MijnOmgevingsvisie gaat in op: 1. 2. 3. 4.
de uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten); hoe men daarop kan inspelen (speerpunten); hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan); welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart).
Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn: We doen het samen; We geven het goed voorbeeld; We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt; We wentelen niet af op volgende generaties. Speerpunten In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling volgende thema's van belang. Goede staat van landschap en natuur De landschapskwaliteiten van Noordoost-Twente, dus ook van Dinkelland, wil de gemeente behouden en ontwikkelen. Het landschap is gevormd door natuur en mens; de inwoners, hun cultuur en het gebruik van het bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Buitengebie d Gammelkeresweg 4, Deurningen
31
gebied hebben ons landschap uiteindelijk bepaald. En dat gebeurt nog steeds. Hierin zien wij de volgende uitdagingen en wij willen ons als partner sterk maken voor: behouden en versterken van het veelzijdige cultuurlandschap; versterken van de biodiversiteit; behoud van natuur en landgoederen. Buitengebied in balans De gemeente wil een economisch sterk buitengebied met veel verschillende functies waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden. In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. In het buitengebied van de gemeente is er landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied.
Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. Er wordt gestreefd naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit doet de gemeente samen met haar inwoners, haar partners en de gebruikers. De speerpunten voor het buitengebied zijn: toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd; goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw; kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur. In afbeelding 4.4 is een uitsnede van de bijbehorende Waardenkaart weergegeven. De planlocatie ligt in de zone 'gericht op beperkte ontwikkeling en 'gericht op behouden'.
afbeelding 4.4: uitsnede waardenkaart ter plaatse van planlocatie (bron: gemeente Dinkelland) Beoordeling van de plannen: De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de herontwikkeling van het erf Gammelkeresweg 4, waarbij karakteristieke bebouwing gerenoveerd wordt, de landschapsontsierende bebouwing gesloopt, en de toekomstige erfsituatie zorgvuldig wordt ingepast. 32
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Buitengebied Gammelkeresweg 4, Deurningen
Door middel van een ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1) worden ontwikkelingen uitgelegd en landschappelijk ingepast. Hiermee wordt het verval en de verkrotting van het karakteristieke erf voorkomen en bijgedragen aan het behoud en het versterken van de identiteit van het landschap. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse fors versterkt. Verder wordt er met de woonfunctie ter plaatse op een positieve wijze bijgedragen aan de leefbaarheid van het buitengebied. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland'. 4.1.4
Buitengebied met kwaliteit
Op 25 januari 2022 is de beleidsregel 'Buitengebied met kwaliteit' vastgesteld door de raad van de gemeente Dinkelland. Dit beleidsstuk bundelt en vervangt diverse beleidsregelingen zoals bijvoorbeeld Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur, de Nota verblijfsrecreatie en het VAB+ beleid. Op 25 maart 2025 is het beleid geactualiseerd met aanvullende mogelijkheden voor karakteristieke bebouwing en kaders verblijfsrecreatie. Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. De volgende passages uit het beleid zijn relevant: 3.6 Bewonen van karakteristieke of monumentale gebouwen 4.7.1 Functiewijziging ‘Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’ De relevante artikelen worden onderstaand stapsgewijs behandeld. 3.6 Bewonen van karakteristieke of monumentale gebouwen Karakteristieke gebouwen en monumentale gebouwen die we als gemeenten willen behouden voor het landschap komen onder voorwaarden in aanmerking voor een woonfunctie.
Voor de beoordeling of bebouwing valt in de categorie karakteristiek of in de categorie monumentaal, hebben de gemeenten Dinkelland en Tubbergen het ‘Toetsingskader ruimtelijke kwaliteit gebouwen’ uitgewerkt dat is opgenomen als bijlage 2 bij de beleidsnotitie. Deze bijlage wordt gehanteerd bij de toetsing of een gebouw valt in de categorie karakteristiek of valt in de categorie monumentaal of valt in een van de overige categorieën. Dit is van belang omdat alleen gebouwen die vallen onder de categorieën karakteristiek en monumentaal in aanmerkingen kunnen komen voor het opnieuw toekennen van een woonfunctie. Voor de indeling in een categorie kan de gemeente zich laten adviseren door het gemeentelijke kwaliteitsteam. Niet enkel de voormalige boerderij komt in aanmerking voor het bewonen daarvan, maar ook overige bebouwing, die als karakteristiek of monumentaal wordt aangemerkt, zoals oude schöppes, hooischuren en degelijke, die de minimale inhoud hebben, kunnen worden bewoond. Veldschuren komen niet in aanmerking voor deze regeling.
Voorwaarden deelname wonen in karakteristieke bebouwing Om te komen tot een woning in karakteristieke gebouwen of monumentale gebouwen gelden de volgende voorwaarden: 1.Door de gemeente wordt bepaald of een gebouw valt in de categorie karakteristiek of de categorie monumentaal, Dit wordt getoetst aan het ‘toetsingskader ruimtelijke kwaliteit gebouwen’ dat is opgenomen als bijlage 2 van de beleidsnotitie; 2.Er wordt een cultuurhistorische waarde stelling aangeleverd die bestaat uit een bouwhistorische verkenning om de aanwezige waarden vast te stellen en van daaruit de technische bepaling wat de mogelijkheden zijn om (delen van) het gebouw te behouden. De delen die niet behouden kunnen blijven kunnen mogelijk met eenzelfde soort materiaal opnieuw worden opgericht. Dit rapport moet door een deskundige zijn opgesteld en wordt getoetst door Het Oversticht namens de gemeente; 3.Er wordt een renovatieplan aangeleverd waarbij de bouwhistorische verkenning en de technische waardebepaling als uitgangspunt dienen voor renovatie van het gebouw tot woning.
Dit renovatieplan wordt getoetst door Het Oversticht namens de gemeente en bestaat minimaal uit de volgende onderdelen: - beschrijving van het karakteristieke object, het erf en de historie (bij voorkeur met foto’s); - beschrijving van de cultuurhistorisch waardevolle bouwdelen, op tekening aangegeven en onderbouwd en toegelicht aan de hand van foto’s. Onderlegger hiervoor is de verrichtte cultuurhistorische waarde stelling; - behoud en herstel en het plan van aanpak hoe daartoe te komen. Hiertoe behoren een technische bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Buitengebie d Gammelkeresweg 4, Deurningen
33
werkomschrijving van toe te passen materialen, veiligstellen van het object waaronder stutten/afdekken, wijze van isoleren en dergelijke; - randvoorwaarden voor uitvoering door een aannemer met aantoonbare ervaring met soortgelijke projecten en referenties; 4. Indien planologisch een woonfunctie kan worden toegekend om het gebouw te bewonen dient daarnaast aan de volgende voorwaarden te worden voldaan: - de minimale inhoud bedraagt 450 m³; - bij een inhoud van minimaal 1.000 m³ zijn maximaal 2 woningen toegestaan. Bij een inhoud van minimaal 1.500 m³ zijn maximaal 3 woningen toegestaan, met dien verstande dat het passend is in de erfopzet; - per erf worden niet meer dan drie woonheden gerealiseerd. Deze hiervoor genoemde voorwaarden met betrekking tot inhoud en aantallen woonheden gelden niet voor monumentale gebouwen. 5.Het gebouw dat in aanmerking komt voor de regeling in deze paragraaf mag nadien niet worden gesloopt. Het renovatieplan dient als uitgangspunt voor de planologische aanpassing en dient conform uitgevoerd te worden en behouden te blijven. Mocht zich tijdens of na de renovatie een calamiteit (onverwachte gebeurtenis) voordoen dan is (nieuwe) renovatie het uitgangspunt om de woonfunctie op betreffende gebouw te kunnen blijven behouden. Dit alles wordt geborgd in de regels van het omgevingsplan. 6.
Overig aanwezige karakteristieke gebouwen en monumentale gebouwen worden niet gesloopt en zoveel mogelijk ingepast in de nieuwe erfopzet, waarbij in de nieuwe erfopzet aandacht is voor het historisch erfensemble. 7. Per erf moet worden gekeken of er mogelijk andere maatregelen nodig zijn ten behoeve van het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit. Het slopen van ontsierende bebouwing die niet wordt hergebruikt en/of het verwijderen van kuilvoerplaten, sleufsilo’s kunnen hier bijvoorbeeld aan bijdragen. 8.De karakteristiek van een gebouw wordt niet enkel bepaald door materiaalgebruik, bouwvolumes en/of uitstraling van het gebouw, maar zeker ook door de oriëntatie en door de plek waar het gebouw is gesitueerd. Verplaatsing van gebouwen doet daarom direct afbreuk aan uitstraling en daarmee de karakteristiek en cultuurhistorie van de plek. Veranderen van de locatie van een gebouw is niet mogelijk. 9. De regeling in deze paragraaf kan niet worden toegepast op een gebouw waarvan op of na 1 juli 2024 de woonfunctie planologisch is verwijderd of middels een omgevingsvergunning het verboden is geworden het betreffende gebouw te gebruiken voor een woonfunctie. In het gemeentelijk woningbouwprogramma moet voldoende ruimte beschikbaar zijn voor de te bouwen woningen in het buitengebied.
4.7.1 Functiewijziging ‘Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’ Voor de functiewijziging van de functie ‘Agrarisch bedrijf’ naar de functie ‘Wonen’ is, voor zover geen sprake is van de bouw van een extra woning, geen aanvullende kwaliteitsinvestering vereist. Een extra woning wordt uitsluitend toegestaan indien voldaan wordt aan de regels uit paragraaf 3.5 of 3.6. Het toepassen van deze regeling houdt tevens in dat dat op de betrokken locatie de bedrijfsmatige agrarische activiteiten gestaakt moeten worden. Dit houdt tevens in dat de hiervoor bedoelde vergunningen en toestemmingen moeten worden ingetrokken.
Beoordeling van plannen: 3.6 Bewonen van karakteristieke of monumentale gebouwen Het betreffende gebouw op het erf betreft een voormalige boerderij dat in de loop der jaren in gebruik is genomen als schuur. Het gebouw is door de gemeente gecategoriseerd in categorie 4: karakteristieke bebouwing. Daarmee komt het gebouw in de basis in aanmerking voor renovatie met behoud van de karakteristieke waarden. Voor initiatiefnemer is een cultuurhistorische waardestelling en renovatieplan opgesteld dat als Bijlage 2 bij dit omgevingsplan is gevoegd. In het rapport zijn de karakteristieke delen beoordeeld, een voorstel gedaan voor de renovatie en zijn de concrete maatregelen voor deze renovatie uitgewerkt. Het rapport is beoordeeld en akkoord bevonden door het Oversticht. Het advies van Het Oversticht en nadere overleggen met Welstand en het Q-team uiteindelijk hebben geleid tot het renovatieplan wat is goedgekeurd en nu in de bijlage is opgenomen. Onderstaand is ook in kleur weergegeven wat vanuit de transformatie te behouden, te wijzigen of 34
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Buitengebied Gammelkeresweg 4, Deurningen
toe te voegen is en in hoeverre dit vanuit karakteristiek te verantwoorden is. Tevens bijgevoegd zijn tekeningen van de bestaande situatie (Bijlage 4) en toekomstige situatie (Bijlage 5).
De inhoud van de boerderij betreft circa 1.900 m3, waardoor voldaan wordt aan de minimale inhoudsmaat voor 3 woningen (1.500 m3). Dit gebouw zal worden behouden en daarmee is dus sprake van renovatie. Het gebouw wordt geintegreerd in een nieuwe erfopzet voor de planlocatie, waarbij andere karakteristieke bebouwing behouden blijft en nieuwe bebouwing op een goede wijze op het erf wordt gepositioneerd. Hiermee geeft het plan invulling aan de gestelde voorwaarden onder 3.6. 4.7.1 Functiewijziging ‘Agrarisch bedrijf’ naar ‘Wonen’ In onderhavig geval is sprake van de bouw van extra woningen op basis van de karakteristieke regeling. Daarom is ook een renovatieplan uitgewerkt. Daarnaast wordt het erf en de omliggende gronden landschappelijk ingepast. De milieuvergunningen voor de locatie zijn of worden geheel ingetrokken. Met inachtneming hiervan wordt voldaan aan de voorwaarden voor omzetting naar wonen. Resumerend De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten zoals gesteld in het beleid 'Buitengebied met kwaliteit' van de gemeente Dinkelland. 4.1.5
Huisvestingsprogramma 2025-2029
De gemeente Dinkelland wil dat iedereen prettig kan wonen, nu en in de toekomst. Of u jong bent en op uzelf wilt gaan wonen, een gezin heeft en een volgende stap zoekt, of ouder wordt en een woning nodig heeft die beter bij uw situatie past: wonen moet mogelijk én betaalbaar zijn. Wat zien we in Dinkelland? Jongeren vinden moeilijk een woning die past bij hun leven én hun budget. Gezinnen willen doorstromen, maar vinden geen geschikte woning of kavel. Senioren zien hun woning niet meer aansluiten bij hun wensen en zorgbehoefte, anderzijds zien ze de mogelijkheden tot aanpassingen aan hun huidige woning ook niet altijd Wat doet de gemeente? Wij vinden het belangrijk dat er in elke kern perspectief op woningbouw is. We kijken naar lokale behoefte en proberen zo veel als mogelijk maatwerk toe te passen. Daarvoor is het Volkshuisvestingsprogramma opgesteld. Dit programma zorgt ervoor dat er voldoende woningen van goede kwaliteit komen, die betaalbaar en toegankelijk zijn voor iedereen. Maar volkshuisvesting is méér dan huizen bouwen. Het gaat ook om het creëren van een fijne, leefbare omgeving waar u zich thuis voelt – ongeacht uw leeftijd, achtergrond of woonwensen. Daarom werken we aan een integrale aanpak.
Dat betekent dat we verschillende thema’s met elkaar verbinden, zoals: Leefbaarheid en sociale samenhang Wonen voor specifieke doelgroepen Gezondheid en welzijn Betaalbaarheid en grondbeleid Ruimtelijke ordening en duurzaamheid
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Buitengebie d Gammelkeresweg 4, Deurningen
35
Feiten en verwachtingen Voor dit programma is gebruikgemaakt van onderzoeken. De cijfers en prognoses geven richting aan ons beleid. Inwoners en huishoudens Op 1 maart 2024 telde Dinkelland 26.760 inwoners. In 2032 verwachten we 27.074 inwoners (+1,2%). Op 5 juli 2023 waren er 10.630 huishoudens. In 2032 groeit dit naar 11.336 huishoudens (+6,7%). De huishoudensgroei is groter dan de bevolkingsgroei. Dat komt doordat steeds meer mensen alleen wonen of in kleinere huishoudens. Of later een partner ontmoeten en dus op een latere leeftijd gaan samenwonen. Wat betekent dit voor woningbouw? Op basis van deze groei willen we tot 2032: 708 woningen bouwen Bij 130% programmering: 920 woningen Daarnaast houden we rekening met extra woningbehoefte voor bijvoorbeeld aandachtsgroepen zoals medisch en sociale urgenten en statushouders. Daarom programmeren we in totaal 1.133 woningen tot 2032. De volkshuisvestingsdriehoek Bij woningbouw draait het om drie kernwaarden: Betaalbaarheid – woningen moeten voor u te betalen zijn Beschikbaarheid – er moeten voldoende woningen zijn Kwaliteit – woningen moeten goed en toekomstbestendig zijn Woningbouwopgave per gebied Dinkelland
36
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Buitengebied Gammelkeresweg 4, Deurningen
Beoordeling van de plannen: Er is ruimte voor het toevoegen van woningen in het buitengebied. Tot 2032 is op dit moment een aantal van 92 hiervoor gereserveerd. Het toevoegen van woningen binnen de karakteristieke bebouwing past daarom eveneens binnen deze programmering. De compensatiewoningen passen dan ook binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma en geven invulling aan de woningbouwopgave van de gemeente. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het volkhuisvestingsprogramma. 4.1.6
Casco benadering Noordoost Twente
De gemeente Dinkelland hanteert, vooral ter bescherming van het bestaande landschap, het casco beleid. Door het casco beleid is het mogelijk om via een kaart te achterhalen of een ontwikkeling wel of niet in strijd is met elementen welke tot de casco behoren. Elementen die onderdeel uitmaken van de Casco zijn in principe niet te verwijderen (groen lijnen/vlakken op de kaart).
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Buitengebie d Gammelkeresweg 4, Deurningen
37
afbeelding 4.8: fragment van de cascokaart ter plaatse van Gammelkeresweg 4 (bron: geo.overijssel.nl) Beoordeling van plannen: De casco elementen die zijn aangegeven zullen behouden blijven met uitzondering van het element aan de oostzijde van het erf. Deze maakt weliswaar onderdeel uit van het casco, maar heeft geen cultuurhistorische of landschappelijke meerwaarde. Het element is slechts ter inpassing ooit ontstaan. Met het verdwijnen van de schuren is het element nutteloos geworden. De ontwikkeling heeft daardoor geen gevolgen voor bestaande casco elementen. Bovendien geldt dat forse nieuwe investeringen worden verricht in het aanbrengen van nieuwe (passende) landschapselementen. 4.1.7
Nota omgevingskwaliteit
Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit. 38
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Buitengebied Gammelkeresweg 4, Deurningen
Beoordeling van de plannen: Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota.
Afbeelding 4.9: uitsnede kaart omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen De locatie ligt in het kenmerk 'Buitengebied - Niveau Midden'. De hiervoor gestelde criteria dienen in acht genomen te worden. In onderhavig geval gaat het deels om functiewijziging van bestaande bebouwing. Voor de karakteristieke bebouwing is een renovatieplan (Bijlage 2) opgesteld waarbij ook een advies is verstrekt door een erfgoeddeskundige van het Oversticht en welke uiteindelijk aan de standsbouwmeester ter goedkeuring is voorgelegd. Voor de overige bouwactiviteiten geldt dat de criteria uit de nota omgevingskwaliteit van toepassing zijn. Hieraan wordt op later moment getoetst in het kader van de daadwerkelijke bouwaanvraag.
4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak tot medewerking onder voorwaarden heeft afgegeven. 4.2.1
Provinciaal vooroverleg
De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst gepubliceerd van categorieën plannen en besluiten waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder een plan op basis van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Hiervoor is door de gemeente een kennisgevingsformulier gestuurd aan de provincie. De provinciale reactie luidt samengevat als volgt: de nieuwe woning dient meer te passen binnen een compact-erfgedachte; de provincie acht het mogelijk om de nieuwe woning op het bestaande erf te realiseren; er dient aandacht geschonken te worden aan spuitzones. Onder meer als gevolg van deze opmerkingen zijn planaanpassingen doorgevoerd. In het kader van de erfgedachte en de spuitzones t.o.v. omliggende gronden van derden is gekozen om het nieuwe woonerf dichter op het huidig erf te situeren. Er is daarbij wel bewust gekozen om niet direct op het huidig erf te realiseren, omdat dit afbreuk zou doen aan de cultuurhistorische waarde van de karakteristieke boerderij (waarvan men juist versterking wil bewerkstelligen). Dit is uitgebreid met de landschapsdeskundige en het kwaliteitsteam van de gemeente Dinkelland afgewogen en heeft geleid tot het erfinrichtingsplan zoals opgenomen in paragraaf 2.2. Voor spuitzones heeft nadere uitwerking plaatsgevonden, zoals ook in de daarvoor aangewezen paragraaf nader is uitgewerkt.
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Buitengebie d Gammelkeresweg 4, Deurningen
39
4.2.2
Waterschap Vechtstromen
Op 7 augustus 2025 is de digitale watertoets uitgevoerd. De korte procedure van het waterschap Vechtstromen is hierbij van toepassing verklaard, waarbij geadviseerd is om de standaard uitgangspunten te hanteren bij het uitwerken van de waterparagraaf. Op 11 augustus 2025 heeft het waterschap laten weten verder geen bezwaren te hebben tegen dit plan. 4.2.3
Participatie omgeving
De gemeenteraad heeft het beleid ‘Inwonersparticipatie’ vastgesteld en daarin is een ‘Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie’ opgenomen. Beschrijving van de wijze van participatie, de keuze waarom voor deze wijze van participatie is gekozen en wat het resultaat hiervan is: Een overzicht van de participatiestappen en opgehaalde resultaten van de participatie met een beschrijving van welke onderdelen van het plan of welke alternatieven van een plan kunnen rekenen op draagvlak en waarvoor minder of geen draagvlak is; Een beschrijving wat is gedaan met de resultaten van de participatie. Heeft de inbrengen van participanten bijvoorbeeld geleid tot een aanpassing van uw plan en op welke manier?; Een beschrijving van de overwegingen wat wel en niet is meegenomen en de onderbouwing. Voor de planlocatie geldt dat initiatiefnemers met omwonenden gesproken hebben. Dit is uitgewerkt in Bijlage 6 Het verslag laat zien dat er vanuit nagenoeg alle omwonenden positief gereageerd wordt. Een concrete aanpassing vanuit de participatie is daarom niet noodzakelijk. Initiatiefnemers zijn blij met de de gegeven input. De verrichtte participatie geeft op dit moment geen directe aanleidingen om planwijzigingen aan te brengen.
40
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Buitengebied Gammelkeresweg 4, Deurningen
Hoofdstuk 5
Omgevingsaspecten
Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 'Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.
De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579. De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Stedelijke ontwikkeling In voorliggend geval wordt een agrarisch bedrijfsperceel omgevormd, waarbij de in onbruik rakende bebouwing gesaneerd wordt en karakteristieke bebouwing behouden en gerenoveerd worden. Er worden in feite drie woningen aan het erf toegevoegd in een bestaande boerderij. De huidige bedrijfswoning wordt gewijzigd herbouwd. De ontwikkeling blijft ruim onder de 12 woningen, de grens waarbij sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Conclusie Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zodat er niet hoeft te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Zoals blijkt uit hoofdstuk 4 voorziet het plan in een behoefte.
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Buitengebie d Gammelkeresweg 4, Deurningen
41
5.2 Besluit milieueffectrapportage Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor plan / programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
De voorgenomen activiteit, het saneren van landschapsontsierende bebouwing en de herontwikkeling op het bestaande erf, staat niet benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er ook geen noodzaak tot een m.e.r.-beoordeling. Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en -afwikkeling) De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)'. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.
Het voorliggend plan voorziet in de omzetting van een voormalige veehouderij naar een volledige woonfunctie aan de Gammelkeresweg 4 in Deurningen, de verplaatsing en herbouw van een bestaande bedrijfswoning welke wordt omgezet naar een reguliere woning en het renoveren van een karakteristieke woonboerderij waarin drie woningen worden gerealiseerd.. Voor de locatie geldt dat de verkeersbewegingen vanuit het agrarisch bedrijf vervallen, vanwege het verwijderen van de mogelijkheid voor de agrarische bedrijvigheid. De bestaande woning wordt daarnaast herbouwd, maar de verkeersbewegingen wijzigen als gevolg hiervan niet. Hiermee is de worst-case verkeersontwikkeling, voortkomend vanuit de drie wooneenheden in de karaktersiteike boerderij, een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen met 25 verkeersbewegingen per etmaal. Het aantal verkeersbewegingen neemt zodoende als gevolg van de plannen beperkt toe. Het bestaande wegennet is voldoende toegerust op de ontsluiting van het plangebied ten behoeve van de woonfunctie. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan. Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader.
Uitgangspunten en parkeerbenodigdheden
42
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Buitengebied Gammelkeresweg 4, Deurningen
Het plangebied ligt in een gebied met de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk' in een deel van de gemeente Dinkelland dat behoort tot het gebiedstype 'buitengebied'. In voorliggend geval worden in het plangebied op de nieuwe situatie vier woningen toegestaan. Vanwege de royale woonvorm, gebonden aan het landelijk wonen, wordt de omschrijvijng 'koop, huis, vrijstaand' voor alle woningen van toepassing geacht. Hiermee is sprake van een parkeerbehoefte van (gemiddeld) 2,4 per woning afgerond 10 parkeerplaatsen. Gelet op de omvang van het toekomstige woonerf is er ruim voldoende ruimte om op eigen erf in de parkeerbehoefte te voorzien. Overigens is er geen toename van de parkeerdruk in de omgeving van de planlocatie, doordat er volledig op eigen erf wordt voorzien in de benodigde parkeervoorziening. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit omgevingsplan. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.
5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). 5.4.1
Natura 2000-gebieden
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel - zonder vergunning - niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten. De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op.
In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Situatie plangebied Het plangebied ligt op minimaal 3,39 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Lonnekermeer'. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Buitengebie d Gammelkeresweg 4, Deurningen
43
Afbeelding 5.1: ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied (bron: AERIUS) De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot Nederlands Natura 2000 behoren worden met de gele kleur aangeduid. Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. AERIUS-berekening Het voornemen bestaat om een bestaande karakteristieke boerderij te renoveren tot 3 wooneenheden, de bestaande woning te verplaatsen en bijbehorende bouwwerken te realiseren op een erf gelegen aan Gammelkeresweg 4 te Deurningen. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen wordt stikstof (NOx) uitgestoten, zoals bij de verbranding van fossiele brandstof, welke kan neerslaan in kwetsbare natuur. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitatten die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, dan wel of uitbreiding of een verbetering nodig is.
Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Omgevingswet noodzakelijk. Veel Natura 2000-gebied is kwetsbaar voor stikstofdepositie. Een verhoogde stikstofdepositie vormt een bedreiging voor verschillende Habitattypen en de leefomgeving van verschillende Habitatsoorten. Om het effect van deze emissie te onderzoeken heeft Natuurbank Overijssel een zogeheten AERIUS-berekening uitgevoerd voor de ontwikkel- en gebruiksfase. In de ontwikkelfase wordt het tijdelijk karakter van bouwfase onderzocht. In de gebruiksfase wordt onderzocht of er structurele stikstofemissies zijn op Natura 2000-gebied(en).
44
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Buitengebied Gammelkeresweg 4, Deurningen
In de AERIUS-rapportage opgenomen in Bijlage 12, worden de gehanteerde uitgangspunten voor het berekenen van de emissie/depositie tijdens de ontwikkelfase- en gebruiksfase besproken, evenals de berekende depositie in Natura 2000-gebied. Resultaten ontwikkelfase De activiteit in de ontwikkelfase leidt tot een NOx-emissie van 22,8 kg/jaar en een NH3-emissie van 0,7 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de ontwikkelfase, leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Het resultaat van de AERIUS-berekening is als bijlage toegevoegd. Resultaten gebruiksfase De activiteit in de gebruiksfase leidt tot een NOx-emissie van 163,4 kg/jaar en een NH3-emissie van 0,2 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de gebruiksfase, leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Het resultaat van de AERIUS-berekening is als bijlage toegevoegd.
Berekende emissie NOx en NH3 gedurende de ontwikkel- en gebruiksfase. Conclusie Als gevolg van de ontwikkel- en gebruiksfase vindt er geen toename van depositie plaats in Natura 2000-gebied. Er zijn geen rekenresultaten die leiden tot een significant negatief effect op deze natuurgebieden. De voorgenomen activiteiten in de ontwikkel- en gebruiksfase leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen Omgevingsvergunning aangevraagd te worden. 5.4.2
Natuurnetwerk Nederland
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. Situatie plangebied Het plangebied ligt op 89,7 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Buitengebie d Gammelkeresweg 4, Deurningen
45
Afbeelding 5.2: ligging van Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de omgeving van het plangebied (bron: Atlas Leefomgeving) De ligging van het plangebied wordt met de rode lijn aangeduid. Gronden die tot het Natuurnetwerk Natuurnetwerk behoren worden met de mintgroene kleur aangeduid. Beschermingsregime De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. 5.4.3
Soortenbescherming
In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. Situatie plangebied De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het 46
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Buitengebied Gammelkeresweg 4, Deurningen
plangebied wordt door beschermde diersoorten benut als foerageergebied en er nestelen ook vogels. Daarnaast kunnen grondgebonden zoogdieren en amfibieën een voortplantings- en/of rustplaats in het plangebied bezetten. Vleermuizen bezetten mogelijk een verblijfplaats in het plangebied. Door het uitvoeren van sloop-, rooi-, verbouw- en renovatiewerkzaamheden en het verwijderen van opgeslagen materialen tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de (mogelijk) in het plangebied nestelende vogelsoorten is, op de kerkuil na uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het opzettelijk doden van een vogel kan geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Nesten van kerkuil zijn in de provincie Overijssel jaarrond beschermd (categorie 3). Categorie 3-soorten betreffen zeer plaatstrouwe broedvogels die ieder jaar terugkeren naar een specifiek nest of afhankelijk zijn van bebouwing. Mogelijk bezet deze soort een nest in het plangebied. Om vast te stellen of kerkuilen een nest bezetten in het plangebied dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden.
Wanneer een nestplaats aanwezig is dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen, vernielen of verstoren van (niet jaarrond beschermde) vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden voor aanvang van de werkzaamheden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden en dat voortplantings- en rustplaatsen opzettelijk beschadigd of vernield worden. Voor beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantings- en rustplaatsen negatief beïnvloed wordt geldt, op de steenmarter na, een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling.
Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Dat kan door het werkterrein te ontdoen van spullen/materialen buiten de voortplantingsperiode. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Voortplantings- en rustplaatsen van steenmarter zijn beschermd en mogen niet zonder Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit beschadigd of vernield worden. Om vast te stellen of een voortplantings- en rustplaats van de steenmarter aanwezig is dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Als gevolg van het slopen van de woning en stallen worden mogelijk vleermuizen of verblijfplaatsen van vleermuizen negatief beïnvloed. Vleermuizen zijn strikt beschermd en mogen alleen met een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit negatief beïnvloed worden. Om vast te kunnen stellen of vleermuizen negatief beïnvloed worden, dient de functie van deze bebouwing voor vleermuizen vastgesteld te worden. Geadviseerd wordt aanvullend onderzoek uit te voeren naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen, conform vleermuisprotocol 2021 (geactualiseerd voor meervleermuis).
Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden en dat voortplantings- en rustplaatsen opzettelijk beschadigd of vernield worden. Voor beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de voortplantings- en rustplaats negatief beïnvloed wordt geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaats’. Voor het opzettelijk doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist.
Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten samengevat: Werkzaamheden uitvoeren in september-februari (buiten de voortplantingsperiode van vogels); Nader onderzoek functie woning en varkensstallen voor vleermuizen; Nader onderzoek nestplaatsen kerkuil; Nader onderzoek voortplantings- en rustplaats steenmarter; Geen grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); Nader onderzoek In 2025 bebouwing op een erf aan de Gammelkeresweg 4 te Deurningen onderzocht op de aanwezigheid van bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Buitengebie d Gammelkeresweg 4, Deurningen
47
een verblijfplaats van vleermuizen en steenmarter en rust- en nestplaats van kerkuilen. Het rapport is opgenomen in Bijlage 11. Het onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd conform het daarvoor geldende onderzoeksprotocol (versie februari 2025). Het onderzoek naar de verblijfplaats van de steenmarter is uitgevoerd op basis een methode die Natuurbank Overijssel geschikt acht. Het onderzoek naar het gebruik van de kast als rust- en/of nestplaats is uitgevoerd op basis van een methode die Natuurbank Overijssel geschikt acht. Onderzoek heeft aangetoond dat de gewone dwergvleermuis een zomer- en paarverblijfplaats bezet in de woning op het erf. De steenmarters bezet geen verblijfplaats in het onderzoeksgebied en kerkuilen bezetten geen rust- of nestplaats in de kerkuilenkast (of andere plek). Conclusie nader onderzoek Bij het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met een zomer- en paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Om de woning te mogen slopen dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen te zijn.
Conclusie Het aspect soortenbescherming staat met inachtneming van de resultaten van het natuurwaardenonderzoek op voorhand niet de uitvoerbaarheid van het plan in de weg. Er dient een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de woning te mogen slopen.
5.5 Luchtkwaliteit Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogereconcentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de 48
bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Buitengebied Gammelkeresweg 4, Deurningen
NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool. Beoordeling van de plannen: Het voorliggend plan voorziet in de transformatie van het erf ter plaatse van de Gammelkeresweg 4 in Deurningen. De bestaande woning wordt verplaatst. Als gevolg hiervan treden geen wijzigingen in luchtkwaliteit op. Voor de karakteristieke boerderij geldt dat 3 wooneenheden worden toegevoegd aan de locatie. Bekeken is daarom wat de effecten van verkeersbewegingen vanuit de drie woningen bijdragen. Zie onderstaand de NIBM-tool voor de verkeersbewegingen vanuit het plan.
Afbeelding 5.3: NIBM-tool worst-case berekening vanwege de ontwikkeling (bron: infomil.nl) De NIBM-tool laat zien dat er geen sprake is van significante gevolgen voor de luchtkwaliteit. De gevolgen van het plan op de luchtkwaliteit is daarmee 'niet in betekende mate'. Conclusie Het voorliggende plan draagt niet bij aan een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit.
5.6 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen.
De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen. bestemmingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Buitengebie d Gammelkeresweg 4, Deurningen
49
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: woningen; Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Afbeelding 5.4: standaarwaarden (bron: art. 5.78T van het Bkl) Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend. Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Buitengebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB). Situatie plangebied, weg- en verkeerslawaai De locatie ligt nabij de Gammelkeresweg. Het erf is niet direct aan deze weg gelegen, maar is middels eigen toerit bereikbaar. De betreffende weg is een 60 km/u weg welke wordt benut door vrijwel enkel bestemmingsverkeer.