CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Tilligte Noord fase 1_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 25 maart 2025, gemeente DinkellandBij agendapunt: 12: Voorstel inzake vaststellen omgevingsplan “TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Tilligte Noord fase 1”18.455 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Op beperkte schaal toevoegen van levensloopgeschikte woningen (wellicht ook aantrekkelijk voor starters) mogelijk in de vorm van hofjeswonen.

22

4.1.4.4 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie 2021+ De voorgenomen ontwikkeling betreft het toevoegen van elf woningen aan de woningvoorraad van de gemeente Dinkelland aan de rand van de kern Tilligte. In het woningbouwprogramma voor Dinkelland is nog ruimte voor het toevoegen van woningen. Voor Tilligte geldt dat er met name voor de starters gebouwd dient te worden. Er worden vrijstaande woningen en tweekappers gebouwd voor starters. Dit sluit aan op de Woonvisie, waar de nadruk op lokale starters ligt. Deze starters zijn met name op zoek naar koopwoningen in de kern waar ze zijn opgegroeid. Tot slot is het gebied in de Omgevingsvisie aangeduid als ontwikkelingslocatie. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke woonvisie. 4.1.5 Casco-benadering in Noordoost Twente 4.1.5.1 Algemeen In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie.

Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld. Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel. 4.1.5.2 Casco-benadering in de praktijk De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken.

Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het ‘kleinschalige groene karakter’ van het landschap in totaliteit. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel. Landschapstype Elementen die tot het casco behoren Elementen die niet tot het casco behoren Te compenseren elementen

Opmerking Mogen in principe niet verplaatst worden Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen

Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart.

23

3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de casco-kaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). In afbeelding 4.3 is een fragment van de Cascokaart behorende bij de Casco benadering opgenomen, met daarbij met in roze cirkel het plangebied.

Afbeelding 4.3 Uitsnede Casco-kaart Noordoost Twente (Bron: Atlas van Overijssel) 4.1.5.3 Toetsing van het initiatief aan de 'Casco-benadering in Noordoost-Twente' Het plangebied ligt niet in de nabije omgeving van bestaande lijnen of vlakken die onderdeel zijn van de Casco. Het gebied zal landschappelijk worden ingepast volgens het ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1). Dit zal aansluiten op de landschapskenmerken van de omgeving. Gelet op vorenstaande en de beoogde ontwikkeling zijn geen belemmeringen ten aanzien van de casco-benadering en worden geen nadere voorwaarden gesteld. 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders 4.2.1 Provinciaal vooroverleg Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft de ‘uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023’ vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden. Het plangebied ligt ten noorden van de kern Tilligte. Dit is een locatie buiten het bestaand bebouwd gebied.

Voor woningbouwontwikkelingen in het buitengebied (Groene Omgeving) geldt dat er geen vooroverleg dient plaats te vinden wanneer het gaat om een vernieuwing van een bestaande (bedrijfs)woning en/of bijgebouw en kleinschalige uitbreiding zonder functiewijziging die aansluiten bij een woning. In voorliggend geval is dat niet het geval. Het plan is daarom voorgelegd aan de provincie. De provincie geeft aan dat het plan in het ruimtelijke beleid van de provincie past en er geen belemmeringen zijn. Het vooroverleg met de provincie is daarmee afgerond.

24

Waterschap Vechtstromen Middels een watertoets is het waterschap op de hoogte gesteld van het plan. Hieruit volgt een normale procedure. Het plan is voorgelegd aan het waterschap. Zie ook paragraaf 5.12 van deze toelichting. In overleg met het waterschap is een waterstructuurplan opgesteld voor het plangebied. 4.2.2 Participatie omgeving De gemeente Dinkelland heeft in ‘inwonersparticipatie gemeente Dinkelland’ haar beleid bepaald op het gebied van participatie. Hierin heeft de gemeente vorm gegeven aan de manier waarop ze haar inwoners betrekt bij gemeentelijke opgaven. Onder de Omgevingswet is het belangrijk dat de initiatiefnemer in dialoog gaat met de omgeving. In het geval van een wijziging van het Omgevingsplan geldt een motiveringsplicht voor de gemeente. Hoe zijn inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de besluitvorming betrokken en wat zijn de resultaten. Daarnaast moet de gemeente het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen publiceren. In de publicatie moet staan hoe inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken. In voorliggend geval zijn voorafgaand aan dit plan bijeenkomsten geweest met de omgeving. Hiermee heeft de gemeente als initiatiefnemer de omgeving betrokken bij het voornemen.

Op 6 maart 2023 is de eerste bijeenkomst geweest met de aanwonenden van Langepad en Kerkepad, Woongroep Tilligte en een vertegenwoordiging van de Dorpsraad. De gemeente was in deze fase nog bezig met de planstudie en het project moest nog wordt opgestart. Op de bijeenkomst zijn de woningbouwplannen uiteengezet. Aanwonenden reageerden niet geheel positief op de beoogde ontwikkeling achter hun woningen. Er is toen afgesproken dat aanwonenden hun wensen voor de ontwikkeling kenbaar konden maken. Op 16 maart heeft de gemeente deze wensen ontvangen. Aan de hand daarvan is een eerste stedenbouwkundige opzet gemaakt. Deze is op 7 juni 2023 gepresenteerd aan de Dorpsraad van Tilligte. Hiervan is een verslag gemaakt. Deze is als bijlage 3 opgenomen bij deze toelichting. Naar aanleiding van deze presentatie is de gemeente aanwonenden tegemoetgekomen bij een aantal wensen. Een daarvan is door aanwonenden een aanbod te doen om een groenstrook van 3,5 meter aan te kopen. Op 12 september is er nog een informatieavond met de dorpsraad van Tilligte geweest. Hierbij zijn de aangepaste plannen gepresenteerd. Deze plannen zijn aangepast naar aanleiding van de eerder uitgesproken wensen. Op 23 september is door een woordvoerder van de buurt namens de buurt akkoord gegeven op de ontwikkeling van dit plan.

De voorwaarde is dat aanwonenden allemaal een groenstrook van 3,5 meter kunnen en willen aankopen. Op 2 oktober 2023 is dit plan vervolgens gepresenteerd op de jaarvergadering van de Dorpsraad. Vervolgens is in 2024 voorliggend TAMomgevingsplan opgesteld. 4.2.3 Zienswijzen Het ontwerpbesluit voor het wijzigen van het omgevingsplan heeft eind 2024 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. In die periode zijn geen zienswijzen binnengekomen. De wijziging van het omgevingsplan kan daarom worden vastgesteld. In deze vastgestelde versie hebben twee ambtelijke wijzigingen plaatsgevonden. -

-

Ten eerste is artikel 7.3.6 (Afwijken voorwaardelijke verplichting – ruimtelijke inpassing) toegevoegd. Hiermee kun er middels een omgevingsvergunning worden afgeweken van de landschapsmaatregelen uit het ruimtelijk kwaliteitsplan. Daarnaast heeft er in het ruimtelijk kwaliteitsplan een aanpassing plaatsgevonden. De boomsoort Populus nigra (zwarte populier) is aangepast naar Betula ‘Nigra’ zwarte berk. Ook het percentage onder punt 1 van de Legenda is tot 100% gebracht.

25

5.

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

Op basis van verschillende paragrafen van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid, waterbelangen, gezondheid en verschillende milieuaspecten, zoals geluid, bodemkwaliteit, lucht, geur, trillingen en duurzaamheid. Ook zijn er diverse regels in het Bkl opgenomen over gebiedsbescherming, soortenbescherming en het belang van cultureel erfgoed en archeologische waarden. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid. 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes.

Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan of de BOPA rekening te worden gehouden. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven). In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Er zijn meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over de begripsdefinitie van ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Op het realiseren van woningen is ondermeer de uitspraak ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921 van toepassing. Uit deze uitspraak blijkt dat het realiseren van 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. Conclusie Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen'. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zodat artikel 5.129g van het Bkl niet van toepassing is. 5.2 m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •

In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

26

Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een projectmer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor plan / programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. Het voornemen (realiseren van 11 woningen) valt onder ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’ uit de eerste kolom van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het betreft een wijziging van het omgevingsplan dat wordt opgesteld voor een klein gebied op lokaal niveau. Hiervoor is een plan-merbeoordeling aan de orde. In voorliggend geval is een aanmeldnotitie opgesteld. Deze is als bijlage 4 toegevoegd bij deze toelichting. Conclusie Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren 5.3.1 Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling) De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •

Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk Stedelijke zone: rest bebouwde kom

In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. In dit geval wordt uitgegaan van het gemiddelde aantal verkeersbewegingen per functie. Functie/activiteit Vrijstaand

Verkeersgeneratie per woning 8,2 7,8

Aantal woningen 5 6

Totaal 41 46,8

Tweekapper Totaal aantal verkeersbewegingen per weekdagetmaal

87,8

Als gevolg van het voornemen is sprake van een verkeersgeneratie van 88 verkeersbewegingen per weekdag etmaal. Voor de woningen zal een ontsluitingsweg worden aangelegd. Deze zal op de Kerkweg worden aansloten. De Kerkweg behoort tot de categorie van ‘overige wegen’ volgens de wegencategorisering van het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Voor het agrarische bedrijf zal de verkeersgeneratie gelijk blijven. Gesteld wordt dat de nieuwe ontsluitingsweg en de direct omliggende infrastructuur (Kerkweg) de extra verkeersbewegingen zonder problemen en op een verkeersveilige manier kunnen opvangen en verwerken. 5.3.2 Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. Voor de parkeerbehoefte worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •

Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk Stedelijke zone: rest bebouwde kom

27

Functie/activiteit Vrijstaand Tweekapper

Parkeerplaatsen per woning Aantal woningen 2,3 5 2,2 6 Totaal aantal benodigde parkeerplaatsen

Totaal 11,5 13,2 24,7

Als gevolg van het voornemen is sprake van een parkeerbehoefte van afgerond 25 parkeerplaatsen. Het uitgangspunt is dat het parkeren op eigen erf plaatsvindt. De 11 woningen hebben elk een voldoende groot perceel dat hierop één of twee parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden. Daarnaast worden er binnen het plangebied 13 openbare parkeerplaatsen gerealiseerd. Voor het agrarische bedrijf zal de parkeerbehoefte gelijk blijven en zal dat op eigen erf gebeuren. Gelet op het vorenstaande zijn er binnen het plangebied voldoende parkeerplaatsen gepland om te voldoen aan de parkeerbehoefte. 5.3.3 Conclusie Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren’ geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. 5.4 Soortenbescherming en gebiedsbescherming 5.4.1 Gebiedsbescherming 5.4.1.1 Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast.

Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Situatie plangebied Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied is de ‘Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek’ en ligt op circa 2,4 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de bouwfase (tijdelijk karakter) en de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Hierna wordt de belangrijkste conclusie van het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar Bijlage 5 bij deze toelichting. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.

28

Conclusie Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningsplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 5.4.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Conclusie Het plangebied ligt op circa 575 meter afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. 5.4.2 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland.

Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Situatie plangebied De beoogde ontwikkeling vindt plaats op een perceel wat al jarenlang wordt gebruikt als weiland. De huidige inrichting en het beheer maken het plangebied tot een ongeschikt leefgebied voor beschermde soorten. Door het intensieve gebruik van de gronden op het perceel is er een lage ecologische waarde aanwezig. Invloeden die leiden tot een verminderde geschiktheid van het plangebied als bijvoorbeeld foerageergebied zijn niet ontheffingsplichtig, tenzij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook de vaste rust- en verblijfplaatsen van soorten niet langer kunnen functioneren. Door de grondbewerking en de nieuwbouw, zullen eventueel aanwezige soorten slechts beperkt negatieve effecten ondervinden van de ingreep. Voor de meeste soorten is dit tijdelijk van aard. In de toekomst zal het plangebied grotendeels weer geschikt zijn als leefgebied. Er zijn een tweetal voorwaarden altijd van toepassing: 1. In het broedseizoen van vogels (half maart tot half juli) mogen de vegetatie en bosjes in het plangebied niet worden verwijderd. Werkzaamheden tijdens deze periode zouden leiden tot directe verstoring van broedvogels en het broedsucces. Alle vogels zijn beschermd.

Er is geen vrijstelling te verkrijgen voor activiteiten die vogels in hun broedseizoen zou kunnen verstoren. 2. Op basis van de zorgplicht dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Zo dienen maatregelen te worden getroffen om bijvoorbeeld verstoring tot een minimum te beperken. Dieren moet de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood. Dit kan door: o voortijdig maaien van het plangebied zodat dieren wegtrekken; 29

o o

het beperken van verlichting tijdens de avonduren in zomer, voorjaar en herfst ten behoeve van vleermuizen en andere nachtdieren; het rooien starten buiten het voorplantingsseizoen en het winter(slaap)seizoen, zodat het plangebied ongeschikt is voor dieren.

5.4.3 Conclusie Het aspect flora en fauna staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg. 5.5 Luchtkwaliteit 5.5.1 Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 5.5.2 Situatie plangebied Het plangebied in de gemeente Dinkelland ligt niet in een aandachtsgebied met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). Dit volgt uit artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling (toevoegen 11 woningen), in verhouding tot de standaardgevallen NIBM kan worden gesteld dat het project ‘niet in betekende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Het realiseren van 11 woningen blijft namelijk ruim onder de gestelde standaardgevallen uit artikel 5.54 van het Bkl. Verder geldt dat op het agrarische bedrijf geen sprake meer zal zijn van het bedrijfsmatig houden van dieren. Een verdere toetsing aan de rijkomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof is niet nodig. 5.5.3 Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.6 Geluid 5.6.1 Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl).

De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). 30

Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •

activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.6.2 Situatie plangebied Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen.

Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: • • •

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

In de nabije omgeving liggen geen spoorwegen. De dichtstbijzijnde spoorlijn ligt op meer dan 10 kilometer van het plangebied. Het plangebied ligt wel binnen 100 meter van een weg met 30 km/uur. Er is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het rapport daarvan is als bijlage 6 toegevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting door gemeentelijke wegen ten hoogste 47 dB bedraagt en door de N349 (Ootmarsumsestraat) ten hoogste 36 dB. Met deze waarden wordt voldaan aan de standaardwaarden uit het Bkl. Ook geldt voor de bestaande woningen dat de nieuwe inrit naar de nieuwe woningen ten noorden van de nieuwe woningen wordt aangelegd. Hiermee zullen de huidige woningen geen dusdanige geluid ervaren van de nieuwe inrit/uitrit.

31

Industrielawaai In de nabijheid is geen gezoneerd industrieterrein aanwezig. Industrielawaai van industrieterreinen is geen belemmering voor het voornemen. Solitaire bedrijvigheid In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen geluidsbronnen aanwezig die de geluidgevoelige gebouwen (woningen) kunnen hinderen. Op circa 220 meter ten noorden ligt een horecabedrijf (Frensdorferweg 4). Hiervoor geldt op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ een richtafstand van 10 meter voor geluid. De afstand tussen het agrarische bedrijf (Kerkweg 30-32) en de nieuwe woningen bedraagt circa 155 meter. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Het plangebied ligt op voldoende afstand van deze bedrijven. Overige (agrarische) bedrijven liggen op verdere afstand. Daarnaast geldt voor het agrarische bedrijf aan de Kerkweg 15 (ook binnen het plangebied) een afstand van 30 meter voor geluid. Ook hier wordt aan voldaan omdat de afstand tussen het nieuwe agrarische bouwvlak en dichtstbijzijnde woonbouwvlak 30 meter is. Tenslotte wordt opgemerkt dat de nieuwe woningen in het plangebied niet zullen zorgen voor een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden, aangezien er een woonfunctie wordt toegevoegd, dus een functie die gelijk is aan de omgeving. Warmtepompen Mogelijk dat de toekomstige woningen worden voorzien van warmtepompen.

Deze warmtepompen mogen een bronvermogen hebben van maximaal 40 dB(A). Daarmee zullen deze geen negatieve invloed hebben op het referentieniveau (heersende niveau). Gezien het zeer geringe geluidniveau t.g.v. de warmtepompen zal er op het cumulatieve aanwezige geluidniveau geen bijdrage geleverd worden. Een goed woon en leefklimaat wordt hiermee gewaarborgd. 5.6.3 Conclusie Met voorliggend plan wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect geluid. 5.7 Geur 5.7.1 Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat.

De Bruidsschat bevat regels over: • • • •

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.

32

De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • •

Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden

5.7.2 Situatie plangebied Het agrarisch bedrijf aan Kerkweg 15 wat onderdeel is van het plangebied wordt een agrarisch bedrijf waar het houden van dieren niet meer mogelijk is. Er mogen alleen nog hobbymatig dieren worden gehouden. Daarnaast zal het bouwvlak van dit agrarische bedrijf worden aangepast. Hiermee zal de afstand van het agrarische bouwvlak tot het bouwvlak van de vrijstaande woning in het noordwesten 30 meter worden. De overige woningen liggen op verdere afstand. Het tweede onderdeel wat moet worden getoetst is de vraag of de omliggende agrarische bedrijven worden beperkt in hun bedrijfsvoering door de komst van de woningen in dit plan. Het eerst nabij gelegen agrarisch bedrijf ligt aan Kerkweg 32 en dat betreft een gemengd agrarisch bedrijf. Naast dieren waarvoor een vaste afstand geldt mogen er ook dieren gehouden met een geuremissie. Bij dieren met een geuremissie is of de woningen in het plangebied leiden tot een beperking in de bedrijfsvoering. En of de geuremissie afkomstig van het bedrijf nog aanvaardbaar zijn de woningen. Er is gebleken dat het bedrijf niet in zijn uitbreidingsmogelijkheden wordt beperkt en dat ter plaatse van de woningen in het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Andere agrarische bedrijven liggen op grotere afstand van de woningen.

Aanvullend geldt dat de woningen aan de Varwick 6 t/m 13 en de Kerkweg 22-24 op circa 82 meter afstand van het agrarische bedrijf liggen en daarmee maatgevend zijn. Van een (verdere) belemmering voor de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf is dan ook geen sprake. 5.7.3 Conclusie Doordat de agrarische mogelijkheden van het agrarische bedrijf aan de Kerkweg 15 met dit plan worden aangepast is er vanuit het aspect geur sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Omliggende agrarische bedrijven worden door voorliggend plan niet (verder) beperkt in hun bedrijfsvoering. 5.8 Omgevingsveiligheid 5.8.1 Algemeen Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;

33

•

Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). 5.8.2 Situatie plangebied Aan de hand van de Signaleringskaart Externe Veiligheid is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde.

In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de kaart weergegeven, waarin het plangebied indicatief is aangegeven met de roze lijn.

Afbeelding 5.1 Uitsnede Signaleringskaart EV (Bron: nl.ev-signaleringskaart.nl)

34

In de omgeving van het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig en het ligt ook niet in een aandachtsgebied. 5.8.2 Conclusie De omgevingsveiligheid wordt in voldoende mate gewaarborgd. 5.9 Trilling 5.9.1 Algemeen De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor.

Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 5.9.2 Situatie plangebied De dichtstbijzijnde spoorlijn ligt op meer dan 10 kilometer van het plangebied. Ook liggen de omliggende bedrijven op dusdanige afstand dat trillingshinder daarmee niet aan de orde is. 5.9.3 Conclusie Trilling vormt geen belemmering voor het voornemen. 5.10 Archeologie 5.10.1 Wettelijk kader Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet.

Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

35

5.10.2 Archeologie Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Situatie plangebied In het tijdelijk deel van het omgevingsplan, specifiek het bestemmingsplan “Buitengebied 2010”, zijn dubbelbestemmingen opgenomen voor de archeologische verwachting. Binnen het plangebied geldt geen archeologische bestemming. Daarnaast geldt er een archeologische waarden en verwachtingskaart. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van het plangebied opgenomen. Het plangebied is met roze aangeduid.

Afbeelding 5.2 Uitsnede Archeologische waarden en verwachtingskaart (bron: gemeente Dinkelland) Op deze kaart ligt het plangebied ter plaatse van de nieuwe woningen in het dekzandlandschap. Hier geldt een hoge verwachting voor resten uit alle perioden. Ook is er sprake van een bufferzone rond een erf. Dit heeft een hoge verwachting voor archeologische resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Een archeologisch onderzoek is noodzakelijk wanneer er over een gebied van 2.500 m2 bodemingrepen dieper dan 40 centimeter worden verricht. In dit geval is het plangebied groter. Echter wordt er voor het grootste deel van het plangebied geen bodemingrepen gedaan en blijft de functie (agrarisch) gelijk. De bodemingrepen voor de elf woningen zijn naar verwachting gezamenlijk kleiner dan 2.500 m2, waardoor een archeologisch onderzoek op voorhand niet nodig lijkt te zijn. Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. 36

5.10.3 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •

ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied en in de directe omgeving hiervan geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten, waarvan de cultuurhistorische waarden door voorliggend plan negatief zouden kunnen worden beïnvloed. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. Ook ligt het gebied niet in een landschap dat als cultuurhistorisch is aan te merken. 5.10.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische worden. 5.11 Bodem 5.11.1 Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •

Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningsplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

37

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 5.11.2 Situatie plangebied Om de bodem te onderzoeken is doorgaans een bodemonderzoek conform de richtlijnen NEN 5725 noodzakelijk. In het kader van voorgenomen ontwikkeling is ter plaatse van het agrarische bedrijf in het plangebied een vooronderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het uitgevoerde onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar Bijlage 7 van deze toelichting. Ter plaatse van de toekomstige woningen is in januari 2022 eveneens een bodemonderzoek uitgevoerd. Omdat de gronden niet zijn geroerd is dit onderzoek nog representatief. De resultaten van dit verkennend bodem- en asbestonderzoek zijn in Bijlage 8 opgenomen. Agrarische bedrijf: Uit de analyseresultaten van een bodemonderzoek dat op enkele meters ten zuiden van het besluitvormingsgebied is uitgevoerd blijkt dat er geen verontreinigingen in de boven- en ondergrond zijn aangetoond. Tevens zijn er geen gehalten aan PFAS boven de tijdelijke achtergrondwaarden gemeten. In het grondwater zijn overwegend lichte concentraties aan zware metalen, 1,2dichloorethenen (som) en tetrachlooretheen gemeten.

Plaatselijk overschrijdt, ook na herbemonstering, de concentratie barium de interventiewaarde en cadmium de tussen- of interventiewaarde. Analytisch is er geen asbest aangetoond in de grond. Op basis van de bodemkwaliteitskaart wordt verwacht dat de boven- en ondergrond ter plekke van het besluitvormingsgebied niet verontreinigd zijn (klasse AW2000). Op basis van de Twente Bodemkwaliteitskaart PFAS (Tauw bv, mei 2020) wordt verwacht dat de boven- en ondergrond met betrekking tot PFAS voldoen aan de klasse landbouw/natuur. Er zijn tijdens de terreininspectie ter plekke van het besluitvormingsgebied geen bijzonderheden opgemerkt. Er zijn op het maaiveld geen puin of asbestverdachte materialen waargenomen. Op basis hiervan wordt de bodem als onverdacht beschouwd voor de aanwezigheid van asbest. Er is geen informatie waaruit blijkt dat de bodem mogelijk verontreinigd is. Het besluitvormingsgebied kan daarom als onverdacht worden beschouwd. Vanuit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen wijziging. De bodem wordt geschikt geacht voor het toekomstige gebruik. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk. Toekomstige woningen: Er zijn geen verhoogde gehalten gemeten in de boven- en ondergrond. In het grondwater zijn overwegend lichte concentraties zware metalen gemeten.

Plaatselijk overschrijdt, ook na herbemonstering, de concentratie barium de interventiewaarde en cadmium de tussenwaarde of interventiewaarde. Vermoedelijk is dit het gevolg van natuurlijke bodemprocessen (verzuring). De boven- en ondergrond wordt geclassificeerd als ‘altijd toepasbaar’. Op basis van PFAS voldoet de grond aan de toepassingsnorm voor landbouw/natuur. De milieuhygiënische bodemkwaliteit heeft geen consequenties voor wat betreft de voorgenomen eigendomsoverdracht. Analytisch is er geen asbest aangetoond in de grond. Het verkennend asbest onderzoek geeft geen aanleiding tot nader onderzoek. 5.11.3 Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.12

Waterbelang

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen.

38

5.12.1 Vigerend beleid Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. Provinciaal beleid Overijssel In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. Beleid Waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het Waterschap heeft de Watervisie 2050 vastgesteld.

In deze Watervisie staan de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: • • •

de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat; de transitie naar een duurzame ontwikkeling.

5.12.2 Watertoets In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als 39

de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Om vast te stellen welke waterbelangen spelen bij de planontwikkeling en welke procedure in het kader van de watertoets moet worden gevolgd, is de digitale watertoets uitgevoerd op de website www.dewatertoets.nl. Het waterschap Vechtstromen is zo geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenaamde 'normale procedure' van toepassing is. Daarnaast heeft Geofoxx een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd en waterhuishoudkundig plan opgesteld (bijlage 9). Uit dit onderzoek volgen de volgende resultaten: Binnen het plangebied zal het hemelwater en vuilwater (droogweerafvoer) gescheiden worden afgevoerd. Hierbij is gekozen om het hemelwater over het maaiveld en via natuurlijk afschot te laten afstromen naar een wadi’s aan de weerszijden van het plangebied. De wadi’s in het oostelijk terreindeel hebben echter onvoldoende capaciteit om het instromende water te bergen, er dient een hemelwaterriool aangebracht te worden om het overtollig water richting de grotere wadi in het westen te leiden.

Afbeelding 5.3 Uitsnede watersysteem planlocatie (bron: Geofoxx) Door de ontwikkeling is in het openbaar gebied straks circa 9.625 m 2 verharding aanwezig. In lijn met de beringseis (37 mm) is binnen het plangebied 360 m 3 bergingscapaciteit benodigd. Binnen het plangebied is ruim voldoende ruimte gereserveerd om deze hoeveelheid water te kunnen bergen middels wadi’s. Op basis van de toekomstige inrichting van het plangebied zijn er voldoende ruimte aanwezig om deze te sluiten op de bestaande peilen op aangrenzende percelen, echter wordt aanbevolen om bij de verdere (civiele) uitwerking van het plan aandacht te hebben voor de hoogteverschillen welke ontstaan tussen de percelen. 5.12.3 Conclusie Wanneer de adviezen uit het waterhuishoudkundig plan worden opgevolgd, en nader worden uitgewerkt is er vanuit het aspect water sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/931/documents/23185