TAM-omgevingsplan Denekamp, Diekmanweg 11 incl. bijlagen.pdf
Tekst van het document
Er wordt daarom primair ingezet op het bouwen van meer betaalbare woningen voor starters met beperkte mogelijkheden, en wordt daarnaast ingezet op de bouw van middel-dure koopwoningen. Als senioren gaan verhuizen, komen er meer bestaande ruimte woningen op de markt die geschikt zijn voor gezinnen, waardoor er uiteindelijk ook weer meer woningen voor jonge doorstromers en starters beschikbaar komen. Daarom heeft de gemeente als ambitie om een groot deel van de nieuwbouw de komende jaren levensloopbestendig te realiseren. Deze woningen zijn overigens niet alleen gericht op de doelgroep senioren, maar ook andere mensen met een lichamelijke beperking. Een (beperkt) deel van het woningbouwprogramma richt op de ontwikkeling van (koop)woningen voor gezinnen. Dit is van belang om gevarieerde nieuwbouwlocaties (qua typologie en prijsklasse) te creëren. Denekamp Voor Denekamp geldt dat een deel van de starters behoefte heeft aan goedkope koop, maar een deel van de starters heeft meer mogelijkheden. De nadruk voor starters ligt op rij- en hoekwoningen. Er is ook enige vraag naar appartementen. Voor gezinnen en doorstromers ligt een beperkt kwantitatieve opgave. De groep senioren groeit het sterkst de komende jaren. Er is vooral behoefte aan levensloopbestendige koopwoningen (grondgebonden en huur).
4.1.4.4 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie 2021+ De voorgenomen ontwikkeling betreft het toevoegen van negen woningen aan de woningvoorraad van de gemeente Dinkelland. In het woningbouwprogramma voor Dinkelland is nog ruimte voor het toevoegen van woningen. Er wordt gebouwd op een binnenstedelijke locatie, in overeenstemming met de wens van de gemeente om de nieuwbouwopgave zoveel mogelijk te laten landen op 20
inbreidingslocaties. Wat betreft de kwalitatieve behoefte ligt de nadruk in Dinkelland op woningen voor starters en senioren, zowel in het betaalbare als het middensegment. In de woonvisie is opgenomen dat minimaal 30% van de woningen in een prijscategorie van €250.000 moet worden gerealiseerd. Inmiddels is dit door prijsstijgingen €300.000 geworden. Het voornemen is om te bouwen voor de doelgroepen starters, senioren en doorstromers. Van de negen woningen worden maximaal drie woningen gebouwd voor de doelgroep doorstromers. De overige zes woningen zijn bedoeld voor de doelgroep starters en senioren, waarvan vier woningen levensloopbestendig en met een kleinere inhoudsmaat worden gebouwd. Van deze zes woningen worden er vier in het betaalbare segment gerealiseerd (€405.000 euro). Dit zijn de twee-onder-een-kapwoningen. Hiermee wordt niet voldaan aan de eis van de woonvisie dat minimaal 30% van de woningen in een prijscategorie van €405.000 moeten worden gerealiseerd. Wel zijn het woningen die passen binnen het betaalbare segment uit de woondeal Twente. Bovendien leent het plangebied zich, gelet op de open uitstraling en de ligging in een landelijke omgeving, niet voor verdere verdichting. Gelet hierop is het passend dat zes woningen worden gebouwd voor de doelgroep starters en senioren en drie woningen worden gebouwd voor de doelgroep doorstromers.
4.1.5 Nota inbreidingslocaties 4.1.5.1 Algemeen De Nota inbreidingslocaties heeft als doel om een kader te bieden voor de beoordeling van woningen binnen de kernen op inbreidingslocaties. De nota is van toepassing op verzoeken voor woningbouw die niet passen binnen het omgevingsplan en die liggen binnen bestaand bebouwd gebied. In de nota worden binnen de kernen locaties aangewezen die in aanmerking komen voor woningbouw. Uitgangspunt is dat wordt gebouwd op structuurversterkende plekken. Onder structuurversterkende plekken worden plekken verstaan die: 1. binnen bestaand bebouwd gebied zijn gelegen; en 2. goed bereikbaar zijn voor al het verkeer; en 3. door herontwikkeling voor woningbouw (als functie, naast eventuele andere functies) bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en vitaliteit van de kern door: • het herontwikkelen van een “rotte kies” (oude leegstaande/vervallen gebouwen); of • het oplossen van leegstand; of; • het hergebruiken van bestaand maatschappelijk vastgoed of monumenten; of • het slopen of wegbestemmen van incourante woningen of bouwkavels; of • sanering van een milieuhinderlijk bedrijf; • het (her)ontwikkelen van een lege plek die voldoet aan de omschrijving stedelijke functies in 3.2. Locaties met een beeldbepalende groen- of bosbestemming zijn uitgesloten.
4.1.5.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Nota inbreidingslocaties’ Het plangebied ligt binnen bestaand stedelijk gebied en is goed bereikbaar via de Diekmanweg. Het plangebied betreft in de huidige situatie een lege plek: een fysiek onbebouwde ruimte, gelegen in bestaand bebouwd gebied. Ook wordt voldaan aan de omschrijving ‘stedelijke functies’. Het plangebied betreft grond met een agrarische bestemming en wordt aan alle zijden omsloten met bestaande bebouwing. Het voornemen levert een bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en vitaliteit van de kern Denekamp. De ruimtelijke kwaliteit wordt geborgd door middel van een beeldkwaliteitsplan. Er worden woningen gerealiseerd voor de lokale behoefte met ruimte voor groen en water, wat ten goede komt aan de leefbaarheid en vitaliteit van de omgeving. Geconcludeerd wordt dat het voornemen voldoet aan de nota inbreidingslocaties. 4.1.6 Nota Omgevingskwaliteit 4.1.6.1 Algemeen Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art.
22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS). 21
4.1.6.2 Beoordeling van een aanvraag Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets. 4.1.6.3 Toetsing van het initiatief aan de Nota Omgevingskwaliteit De Nota Omgevingskwaliteit (welstandsnota) bevat onvoldoende welstandscriteria. In het besluit tot wijziging van het omgevingsplan zijn daarom op grond van artikel 4.19 Omgevingswet regels opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en voor de uitleg daarvan stelt de gemeenteraad beleidsregels vast, zodat kan worden beoordeeld of het bouwwerk aan die regels voldoet. Bij het aanvragen van de omgevingsvergunning(en) wordt het plan getoetst aan deze welstandscriteria. 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders 4.2.1 Provinciaal vooroverleg Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft de ‘uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023’ vastgesteld.
In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden. Het plangebied ligt in de kern Denekamp. Dit is een locatie binnen het bestaand bebouwd gebied. Voor woningbouwontwikkelingen in bestaand bebouwd gebied geldt dat er geen vooroverleg dient plaats te vinden wanneer het gaat om woningbouw tot en met 11 woningen met bijbehorende voorzieningen zoals wegen en groen, en in lijn met de regionale Woonagenda’s Twente en WestOverijssel 2021-2025 in kernen met een inwoneraantal van meer dan 1000 inwoners. Hier is met de voorgenomen ontwikkeling sprake van. Er is daarom geen vooroverleg met de provincie noodzakelijk. Wel is er een vooroverleg aangevraagd voor de voorgenomen ontwikkeling. De provincie heeft een reactie gegeven op het plan waarin zij aangeven dat de locatie agrarisch gebied is in de kern Denekamp. In het kader van inbreiding is het een goede ontwikkeling om hier woningbouw te realiseren. De provincie Overijssel is akkoord met de plannen. Waterschap Vechtstromen Middels een watertoets is het waterschap op de hoogte gesteld van het plan. Hieruit volgt een normale procedure. Het plan is voorgelegd aan het waterschap. Zie ook paragraaf 5.12 van deze toelichting.
4.2.2 Participatie omgeving De gemeente Dinkelland heeft in ‘inwonersparticipatie gemeente Dinkelland’ haar beleid bepaald op het gebied van participatie. Hierin heeft de gemeente vorm gegeven aan de manier waarop ze haar inwoners betrekt bij gemeentelijke opgaven. Onder de Omgevingswet is het belangrijk dat de initiatiefnemer in dialoog gaat met de omgeving. In het geval van een wijziging van het Omgevingsplan geldt een motiveringsplicht voor de gemeente. Hoe zijn inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de besluitvorming betrokken en wat zijn de resultaten. Daarnaast moet de gemeente het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen publiceren. In de publicatie moet staan hoe inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken. Om de buurt te informeren over de voorgenomen ontwikkeling is een informatieavond georganiseerd. Een verslag hiervan is opgenomen in bijlage 3 bij deze motivering. Hier was voor omwonenden de mogelijkheid om vragen te stellen en om opmerkingen te maken op het plan. Vanuit de omwonenden zijn geen noemenswaardige opmerkingen of aandachtspunten gemaakt.
22
4.2.3 Zienswijzen Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan heeft voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Er zijn tegen het plan geen zienswijzen ingediend. Wel is in overleg met de omwonenden een groenstrook toegevoegd aan de westzijde van het plangebied.
23
5.
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: -
de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 ‘Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid. 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan of de BOPA rekening te worden gehouden.
Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven). In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er zijn meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over de begripsdefinitie van ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Op het realiseren van woningen is ondermeer de uitspraak ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921 van toepassing. Uit deze uitspraak blijkt dat het realiseren van 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling.
Conclusie Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen'. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, omdat de ontwikkeling uitgaat van de realisatie van 9 woningen. Pas vanaf 12 woningen of meer is er sprake van een stedelijke ontwikkeling. Daarom is artikel 5.129g van het Bkl niet van toepassing. 5.2 m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:
24
• • • •
In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.
Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een projectmer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor plan / programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. Het voornemen (realiseren van negen woningen) valt onder ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’ uit de eerste kolom van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het betreft een wijziging van het omgevingsplan dat wordt opgesteld voor een klein gebied op lokaal niveau. Hiervoor is een plan-merbeoordeling aan de orde. In voorliggend geval is een aanmeldnotitie opgesteld. Deze is als bijlage 4 toegevoegd bij deze toelichting. Conclusie Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren 5.3.1 Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling) De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 744 (augustus 2024)’. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •
Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk Stedelijke zone: rest bebouwde kom
In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. In dit geval wordt uitgegaan van het gemiddelde aantal verkeersbewegingen per functie. Functie/activiteit Koop, huis, vrijstaand
Verkeersgeneratie per woning 8,2
Aantal woningen 5
Totaal 41
7,8
4
31,2
Koop, huis, tweeonder-een-kap Totaal aantal verkeersbewegingen per weekdagetmaal
72,2
Als gevolg van het voornemen is sprake van een verkeersgeneratie van 73 verkeersbewegingen per weekdag etmaal. Voor de woningen zal een ontsluitingsweg worden aangelegd. Deze zal op de Diekmanweg worden aangesloten. De meest noordelijk gelegen woning krijgt een eigen ontsluiting op de Diekmanweg. Dit geldt tevens voor de twee-onder-een-kapwoning daarnaast. Gesteld wordt dat de nieuwe ontsluitingswegen en de direct omliggende infrastructuur (Diekmanweg) de extra verkeersbewegingen zonder problemen en op een verkeersveilige manier kunnen opvangen en verwerken.
25
5.3.2 Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. Voor de parkeerbehoefte worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •
Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk Stedelijke zone: rest bebouwde kom
Functie/activiteit Vrijstaand Tweekapper
Parkeerplaatsen per woning Aantal woningen 2,3 5 2,2 4 Totaal aantal benodigde parkeerplaatsen
Totaal 11,5 8,8 20,3
Als gevolg van het voornemen is sprake van een parkeerbehoefte van afgerond 21 parkeerplaatsen. Het uitgangspunt is dat het parkeren op eigen erf plaatsvindt. De negen woningen hebben elk een voldoende groot perceel dat hierop één of twee parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden. In totaal gaat het om 16 parkeerplaatsen. Tevens worden in de openbare ruimte nog 5 parkeerplaatsen gerealiseerd. Rondom de wadi is ruimte voor het parkeren van 5 auto’s. De weg in het plangebied is 5 meter breed. Ter hoogte van de ontsluiting op de Diekmanweg is deze weg 5,38 meter breed. Dit is weergegeven in onderstaande afbeelding. De afbeelding is tevens opgenomen als bijlage 5 bij deze motivering.
Afbeelding 5.1 Plattegrond plangebied m.b.t. parkeerplaatsen (Bron: Twin)
5.3.3 Conclusie Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren’ geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.
26
5.4 Soortenbescherming en gebiedsbescherming 5.4.1 Gebiedsbescherming 5.4.1.1 Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
Situatie plangebied Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Dinkelland’ en ligt op circa 1,9 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de bouwfase (tijdelijk karakter) en de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Hierna wordt de belangrijkste conclusie van het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar Bijlage 6 bij deze toelichting. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Conclusie Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningsplichtig.
De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 5.4.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Conclusie Het plangebied ligt op circa 1,4 kilometer afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.
27
5.4.2 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Situatie plangebied Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan ecologie uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 7 bij deze motivering. Hierna wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Door de werkzaamheden kan verstoring en sterfte van algemene muizensoorten en amfibieën optreden. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt afhankelijk van de provincie een vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen. In provincie Overijssel geldt deze vrijstelling voor alle te verwachte soorten. Mitigerende maatregelen ten aanzien van muizen zijn niet reëel. Ten aanzien van amfibieën kunnen mitigerende maatregen worden genomen zoals het onaantrekkelijk maken van het terrein en werken buiten de kwetsbare periode. Hiervoor dient een ecologische werkprotocol te worden opgesteld. Grote bosmuis en egel kunnen voorkomen in de groene randzone van het terrein. Om verstoring en sterfte te voorkomen kunnen mitigerende maatregelen worden genomen zoals het afzetten van de groenstroken en het rooien met beleid van de coniferenheg. Hiervoor dient een ecologische werkprotocol te worden opgesteld. In opgaande begroeiing en in de gebouwen zijn broedsels mogelijk.
Bij rooien en sloop tijdens het broedseizoen kan sterfte van vogels en verstoring van broedsels optreden. Daarom dienen deze ingrepen buiten het broedseizoen plaats te vinden. De piek van het broedseizoen beslaat de periode van 15 maart tot 15 juli, maar eerdere en vooral latere broedgevallen zijn mogelijk. In de periode van 1 september tot 1 maart is de kans op broedgevallen gering. In stal zijn vaste nestplaatsen van boerenzwaluw aanwezig en mogelijk van huismus. Door de sloop gaan de nestplaatsen verloren. Dit is verboden volgens de Omgevingswet. De schuurtjes worden pas in een later stadium gesloopt. Daarom wordt in de regels opgenomen dat bouwwerken pas gesloopt mogen worden, wanneer hiervoor een omgevingsvergunning voor is aangevraagd. Bij de aanvraag omgevingsvergunning dient een actueel ecologisch onderzoek te worden aangeleverd. Met betrekking tot steenuil is nader onderzoek gewenst naar de aanwezigheid van nestplaatsen in de omgeving van het plangebied. 5.4.3 Conclusie Er moet gewerkt worden volgens een ecologisch werkprotocol. Daarnaast moet er een nader onderzoek plaatsvinden naar de steenuil. 5.5 Luchtkwaliteit 5.5.1 Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten 28
omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 5.5.2 Situatie plangebied Het plangebied in de gemeente Dinkelland ligt niet in een aandachtsgebied met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). Dit volgt uit artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling (toevoegen negen woningen), in verhouding tot de standaardgevallen NIBM kan worden gesteld dat het project ‘niet in betekende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Het realiseren van negen woningen blijft namelijk ruim onder de gestelde standaardgevallen uit artikel 5.54 van het Bkl. Ten behoeve van het voorgenomen project is daarnaast met de NIBM-tool berekend of het niet-inbetekenende-mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. In de tool is enkel het aantal voertuigbewegingen in de toekomstige situatie ingevoerd. Aangezien het gaat om een woningbouwontwikkeling, is het aandeel vrachtverkeer beperkt; dit is worst case op 5% gezet. Het aandeel van vrachtverkeer in de aanlegfase is buiten beschouwing gelaten, omdat dit tijdelijk van aard is. Voor de overige invoergegevens wordt in de NIBM-tool uitgegaan van worst-case omstandigheden. In afbeelding 5.2 zijn de resultaten van deze worst-case berekening opgenomen.
Afbeelding 5.2 Uitsnede NIBM tool (Bron: https://iplo.nl/thema/lucht/betekenende-mate-bijdragen/nibm-tool/)
29
Uit de berekening is gebleken dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate bijdraagt. Een verdere toetsing aan de rijkomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof is niet nodig. 5.5.3 Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.6 Geluid 5.6.1 Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing.
Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •
activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).
Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.6.2 Situatie plangebied Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen.
Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: •
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m;
30
• •
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.
In de nabije omgeving liggen geen spoorwegen. De dichtstbijzijnde spoorlijn ligt op circa 8 kilometer afstand van het plangebied. Het plangebied ligt wel binnen 100 meter van een weg met 30 km/uur. Er is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het rapport daarvan is als bijlage 8 toegevoegd. Het geluid als gevolg van de gemeentelijke wegen bedraagt hoogstens 46 dB. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl. Aangezien de standaardwaarde niet wordt overschreden wordt tevens voldaan aan het gemeentelijke geluidbeleid. Dit betekent dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. Industrielawaai/bedrijventerreinen In de nabijheid is geen gezoneerd industrieterrein aanwezig. Industrielawaai van industrieterreinen is geen belemmering voor het voornemen. In de nabije omgeving bevindt zich het bedrijventerrein Denekamp. Het dichtstbijzijnde bedrijf betreft hier AOE Techniek op het adres Marconiweg 1 te Denekamp. Dit bedrijf is gelegen op een afstand van circa 60 meter gemeten vanaf de bedrijfsfunctie tot de dichtstbijzijnde nieuw te realiseren woning. AOE Techniek verzorgt machinale bestratingsmachines voor bedrijven en producten die aan bestraten gerelateerd zijn.
Het betreft hier een bedrijf met milieucategorie 3.1 waarbij in een rustige woonwijk een afstand van 50 meter geldt en in een gemengd gebied een afstand van 30 meter geldt. Aan beide richtafstanden wordt voldaan. Ter plaatse van de nieuwe woningen en tuinen is daarom sprake van een goed woon- en leefklimaat en het bedrijf wordt niet in de bedrijfsvoering beperkt. Solitaire bedrijvigheid In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen geluidsbronnen aanwezig die de geluidgevoelige gebouwen (woningen) kunnen hinderen. Warmtepompen Mogelijk worden de toekomstige woningen voorzien van warmtepompen. Deze warmtepompen mogen een bronvermogen hebben van maximaal 40 dB(A). Daarmee zullen deze geen negatieve invloed hebben op het referentieniveau (heersende niveau). Gezien het zeer geringe geluidniveau ten gevolge van de warmtepompen zal er op het cumulatieve aanwezige geluidniveau geen bijdrage worden geleverd. Een goed woon- en leefklimaat wordt hiermee gewaarborgd. 5.6.3 Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.7 Geur 5.7.1 Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder).
Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • •
Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); 31
• •
Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • •
Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden
5.7.2 Situatie plangebied In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen agrarische bedrijven die voor geurhinder kunnen zorgen. Het dichtstbijzijnde grondgebonden agrarische bedrijf bevindt zich aan de Nordhornsestraat 132 op 510 meter afstand van het plangebied. Dit bedrijf ligt op voldoende afstand van de nieuwe woningen. Bovendien bevinden zich reeds woningen op kortere afstand van dit agrarische bedrijf. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een bedrijventerrein waar bedrijven tot en met categorie 3.2 zijn toegestaan. Hierbij geldt volgens de richtafstandenlijst van de VNG een richtafstand van 100 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. 5.7.3 Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.8 Omgevingsveiligheid 5.8.1 Algemeen Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden.
Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
32
• •
Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). 5.8.2 Situatie plangebied Aan de hand van de risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde.
In afbeelding 5.3 is een uitsnede van de kaart weergegeven, waarin het plangebied indicatief is aangegeven met de rode ster.
Afbeelding 5.3 Uitsnede Risicokaart (Bron: www.atlasleefomgeving.nl)
33
In de omgeving van het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig en het ligt ook niet in een aandachtsgebied. 5.8.2 Conclusie De omgevingsveiligheid wordt in voldoende mate gewaarborgd. 5.9 Trilling 5.9.1 Algemeen De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor.
Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 5.9.2 Situatie plangebied De dichtstbijzijnde spoorlijn ligt op circa dan 8 kilometer van het plangebied. Ook liggen de omliggende bedrijven op dusdanige afstand dat trillingshinder daarmee niet aan de orde is. 5.9.3 Conclusie Trilling vormt geen belemmering voor het voornemen. 5.10 Archeologie 5.10.1 Wettelijk kader Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet.
Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. 5.10.2 Archeologie Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische
34
waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Situatie plangebied In het tijdelijk deel van het omgevingsplan, specifiek het “Bestemmingsplan Denekamp”, zijn dubbelbestemmingen opgenomen voor de archeologische verwachting. Binnen het plangebied geldt geen archeologische bestemming. Daarnaast geldt er een archeologische waarden en verwachtingskaart. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van het plangebied opgenomen. Het plangebied is met de rode omlijning aangeduid.
Afbeelding 5.3 Uitsnede Archeologische waarden en verwachtingskaart (bron: gemeente Dinkelland)
Op deze kaart ligt het plangebied ter plaatse van de nieuwe woningen in het dekzandlandschap, specifiek ‘dekzandwelvingen en -vlakten’. Hier geldt een middelmatige verwachting voor resten uit alle perioden. Hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is in plangebieden groter dan 5.000 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5.000 m² geldt een vrijstelling voor archeologisch onderzoek. In voorliggend geval is sprake van een plangebied groter dan 5.000 m2. Daarom is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 9 bij deze motivering. Op basis van het archeologisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat sprake is van een verstoord pakket met een gemiddelde dikte van 61 centimeter. Hieronder ligt meestal gelijk de C-horizont (dekzand). In de top van de C-horizont komen roestvlekken voor. Dit wijst op natte bodemomstandigheden. In twee boringen is (de restant van) een BC-Horizont waargenomen. Er zijn overigens geen archeologische indicatoren aangetroffen. Op basis van het gebrek aan indicatoren in combinatie met relatief natte bodem omstandigheden is de kans dat archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn zeer laag. Er wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven.
Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Het archeologisch onderzoek is beoordeeld door de regioarcheoloog: hoewel drie van de zeven boringen inderdaad een verstoord bodemprofiel tonen met verstoring van 75 cm -mv of meer, zijn er ook vier boringen die op de bouwvoor na vrijwel intact zijn. In twee van deze boringen is bovendien een BC-horizont aangetroffen. Bij de andere twee boringen is alleen de bouwvoor tot 35-40 cm -mv verstoord en gaat de bodem daarna geleidelijk over in de C-horizont. Hoewel de classificatie van veldpodzol en de aanwezigheid van roestvlekken op relatief natte omstandigheden duiden zijn er zeker perioden geweest waarin dit soort locaties gebruikt werden. Daarom is door de regioarcheoloog 35
geconcludeerd dat archeologische resten niet zijn uit te sluiten en dat het gebied rond boringen 2, 5, 6, en 7 niet zonder meer kan worden vrijgegeven. Daarom wordt verder onderzoek in de vorm van proefsleuven nodig geacht. Vervolgens is daarom een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 10 bij deze motivering. Hierin is het volgende geconcludeerd: Er zijn in beperkte mate enkele archeologische sporen aangetroffen. Het geringe aantal sporen is over de vier putten verspreid. Gebaseerd op de scherpe begrenzing van de sporen zullen deze niet ouder zijn dan de Nieuwe Tijd. Tijdens het onderzoek zijn geen vondsten aangetroffen, waardoor verdere datering niet mogelijk is. Hierbij behoren de sporen in de twee westelijk gelegen putten hoogstwaarschijnlijk tot de resten van een recente boomkwekerij. Tevens zijn in het midden van het plangebied resten van een ontgonnen ven aangetroffen. Gebaseerd op de lage hoeveelheid en kwaliteit van de vindplaats is deze na de waardering volgens het protocol 4003 als niet behoudenswaardig gekwalificeerd en wordt aan het bevoegd gezag geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Dit advies is overgenomen door de gemeente Dinkelland. 5.10.3 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn.
Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •
ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied en in de directe omgeving hiervan geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten, waarvan de cultuurhistorische waarden door voorliggend plan negatief zouden kunnen worden beïnvloed. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. Ook ligt het gebied niet in een landschap dat als cultuurhistorisch is aan te merken. 5.10.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische worden. 5.11 Bodem 5.11.1 Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • •
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; 36
•
duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •
Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningsplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.
Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 5.11.2 Situatie plangebied Om de bodem te onderzoeken is een bodemonderzoek conform de richtlijnen NEN 5725 en NEN 5740 uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 11 bij deze motivering. Uit de onderzoeksresultaten is gebleken dat in de bovengrond, ondergrond en het grondwater geen verhoogde gehalten gemeten zijn ten opzichte van de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur, respectievelijk de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geldt, ten aanzien van de milieuhygiënisch kwaliteit van de bodem geen belemmering voor het beoogde gebruik van de onderzoekslocatie. 5.11.3 Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.12
Waterbelang
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. 5.12.1 Vigerend beleid Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: •
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; 37
• •
We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. Provinciaal beleid Overijssel In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. Beleid Waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het Waterschap heeft de Watervisie 2050 vastgesteld.
In deze Watervisie staan de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: • • •
de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat; de transitie naar een duurzame ontwikkeling.
5.12.2 Weging van het waterbelang In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de weging van het waterbelang. Het doel hiervan is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Om vast te stellen welke waterbelangen spelen bij de planontwikkeling en welke procedure in het kader van de weging van het waterbelang moet worden gevolgd, is de digitale watertoets uitgevoerd op de website www.hetwateradvies.nl. Het waterschap Vechtstromen is zo geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling.
De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenaamde 'normale procedure' van toepassing is. Ten behoeve van het voornemen is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 12 bij deze motivering. In het waterhuishoudkundig plan wordt ingegaan op het vooronderzoek en geohydrologisch onderzoek, de veldwerkzaamheden inclusief gemeten doorlatendheid, de vigerende regels voor de waterhuishouding bij ruimtelijke ontwikkeling en de interpretatie van de verzamelde gegevens, de conclusies en het advies. Naar aanleiding van het waterhuishoudkundig plan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. Hiermee is geborgd dat de waterbergingsvoorzieningen zoals beschreven in het waterhuishoudkundig plan gerealiseerd zullen worden en in stand zullen worden gehouden. Het onderdeel water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.12.3 Conclusie Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 38