CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing Vliegveldstraat 4 Deurningen.pdf

Gecombineerde commissievergadering Omgeving en Economie / Sociaal Domein en Bestuur 16 september 2025, gemeente DinkellandBij agendapunt: 5: Voorstel inzake verklaring van geen bedenkingen Kaamps Deurningen16.133 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing t.b.v. Omgevingsvergunning buitenplanse afwijking

Landgoed “Kaamps” Vliegveldstraat 4, 4a en 4b 7561 AT DEURNINGEN

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

Initiatiefnemer:

Landgoed “Kaamps” Dhr. H. Nijland Vliegveldstraat 4a 7561 AT DEURNINGEN

Initiatieflocatie:

Vliegveldstraat 4, 4a en 4b 7561 AT DEURNINGEN

Opdrachtnemer:

VanWestreenen B.V. Varsseveldseweg 65-d 7131 JA LICHTENVOORDE T: 0544-379737 E: wabo@vanwestreenen.nl

Rapportage:

Definitief, versie 1 Definitief, versie (05-06-2025)

ROB

2

INHOUD 1.

INLEIDING ................................................................................................................................................ 5 1.1

AANLEIDING EN DOEL ............................................................................................................................. 5

1.2

PLANGEBIED ......................................................................................................................................... 6

1.3

PLANOLOGISCHE SITUATIE ........................................................................................................................ 7

1.4

LEESWIJZER .......................................................................................................................................... 8

2.

PLANBESCHRIJVING.................................................................................................................................. 9 2.1

HUIDIGE SITUATIE .................................................................................................................................. 9

2.2

TOEKOMSTIGE SITUATIE......................................................................................................................... 10

2.3

LANDSCHAPPELIJKE INPASSING ................................................................................................................ 13

3.

BELEIDSKADER ....................................................................................................................................... 16 3.1

RIJKSBELEID........................................................................................................................................ 16

3.2

PROVINCIAAL BELEID ............................................................................................................................ 17

3.3

GEMEENTELIJK BELEID ........................................................................................................................... 25

4

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN ........................................................................................................ 31 4.1

GEUR ............................................................................................................................................... 31

4.2

ZEER KWETSBAAR GEBIED....................................................................................................................... 31

4.3

GELUID ............................................................................................................................................. 32

4.4

LUCHTKWALITEIT ................................................................................................................................. 32

4.5

BODEM ............................................................................................................................................. 33

4.6

WET NATUURBESCHERMING ................................................................................................................... 34

4.7

WATERHUISHOUDING ........................................................................................................................... 36

4.8

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE ........................................................................................................ 37

4.9

VERKEER EN PARKEREN ......................................................................................................................... 38

4.10

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING .............................................................................................................. 39

4.11

EXTERNE VEILIGHEID ............................................................................................................................. 40

4.12

KABELS EN LEIDINGEN ........................................................................................................................... 41

4.13

BESLUIT MER ...................................................................................................................................... 41

5.

UITVOERBAARHEID ................................................................................................................................ 43 5.1

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ........................................................................................................... 43

5.2

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ..................................................................................................... 43

5.3

VOOROVERLEG INSTANTIES PROVINCIE & WATERSCHAP. ................................................................................ 43

5.4

INSTEMMINGSVEREISTE GEMEENTERAAD (VVGB)........................................................................................ 44

ROB

3

BIJLAGE 1 ....................................................................................................................................................... 45 BIJLAGE 2 ....................................................................................................................................................... 46 BIJLAGE 3 ....................................................................................................................................................... 47 BIJLAGE 4 ....................................................................................................................................................... 48 BIJLAGE 5 ....................................................................................................................................................... 49 BIJLAGE 6 ....................................................................................................................................................... 50

ROB

4

1.

INLEIDING

1.1 AANLEIDING EN DOEL Initiatiefnemers zijn voornemens het melkveebedrijf verder te ontwikkelen c.q. optimaliseren. Het melkveebedrijf is de hoofdactiviteit ter plaatse het perceel Vliegveldstraat 4, 4a en 4b te Deurningen. Eveneens worden er diverse nevenactiviteiten vanaf de planlocatie geëxploiteerd. Het bedrijf staat dan ook bekend als ‘Landgoed Kaamps’. Voorliggende aanvraag heeft betrekking navolgende aspecten: 1.

Het realiseren van een vergister en bijbehorende voorzieningen: Op het bedrijf is reeds een co-vergistingsinstallatie vergund, deze zal in de beoogde situatie in gewijzigde vorm en locatie worden opgericht. Ten behoeve van de werking van de installatie is het noodzakelijk een nieuwe mestsilo, navergister en warmtebuffer op te richten. In de mestsilo wordt louter ‘eigen’ digestaat opgeslagen welke navolgend als meststof op het land kan worden aangewend. In de beoogde bedrijfsopzet wordt de beoogde vergister en meerdere bijbehorende voorzieningen buiten het bouwvlak en gedeeltelijk buiten het bouwperceel op gronden met de bestemming ‘Bos – Natuur’ gesitueerd, hetgeen is strijdig met de vigerende bouw- en gebruiksregels. De zes bijbehorende voorzieningen luiden als navolgend: drie silo’s, een biogasfakkel en twee keer een container ten behoeve van besturing van de installatie. Verder is er sprake van een strijdigheid inzake van de bouwhoogten van deze bouwwerken. De mestsilo heeft een hoogte van 11 m1, de vergister (& navergister) tevens. De warmteopslagbuffer heeft een hoogte van 14m1. Conform vigerende bestemmingsplan is hierbij de maximale bouwhoogte van 10m1 van toepassing. In de bestemming ‘Bos – Natuur’ geldt een maximale bouwhoogte van 2 m1.

2.

Het permanent toestaan van het uitbreiden van de speeltuin, verplaatsing van het terras en verplaatsing en uitbreiding theehuis-brasserie met workshopruimte: Hiervoor is d.d. 24 mei 2022 reeds een tijdelijk besluit afgegeven (zaaknummer ZD-2022-000822). De termijn hiervan vervalt binnenkort en dient daartoe permanent opgenomen te worden in onderhavig besluit. De strijdigheid betreft o.a. de beperkte omvang van de nevenactiviteiten. (Art.3.4.1 onder P). Er is geen vergroting van de bebouwing geweest, uitsluitend van het gebruiksoppervlak van de nietagrarische bedrijfsactiviteiten. Dit geldt tevens voor het verplaatste terras en beperkte uitbreiding en verplaatsing van de speeltuin die buiten de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – specifieke regeling’ zijn komen te liggen. Onderhavige aanvraag inzake dit aspect (2) behelst dan ook de beperkte vergroting qua oppervlak van de niet agrarische bedrijfsactiviteiten. Alsmede het gebruik van de speeltuin en het terras buiten de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – specifieke regeling’. In bijlage 4 is een heldere verbeelding van de aangevraagde situatie opgenomen. Door de situatie identiek aan het tijdelijke besluit van 2022 (als mutatie op projectbesluit 2013) aan onderhavige procedure toe te voegen wordt de tijdelijke situatie, permanent geborgd.

Wellicht ten overvloede benoemen we dat feitelijk er niets aan de situering wijzigt, onderhavige aspect betreft voornamelijk een planologische borging. Dit weliswaar door een geheel nieuwe aanvraag en afweging.

ROB

5

Het projectbesluit van 2013 waarbij reeds de brasserie, winkel en speeltuin is toegestaan is nog steeds van kracht middels Artikel 3.4.1 sub B en J van het vigerende bestemmingsplan ‘’Buitengebied, Vliegveldstraat 4-4a Deurningen’’. Door de beoogde situatie permanent te vergunnen is deze doorverwijzing minder van belang. Hetgeen de planologisch toegestane situatie overzichtelijker maakt.

Middels het aanvragen van een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking (art. 2.12 lid 1, sub a onder 3 0 Wabo) kan de geconstateerde strijdigheid worden opgeheven. Het is aan initiatiefnemers om te motiveren dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan een ‘goede ruimtelijke ordening’, waarbij de haalbaarheid van het initiatief wordt getoetst aan relevante beoordelingskaders en de geldende wetgeving. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing (ROB) voorziet hierin.

1.2 PLANGEBIED Het plangebied is gelegen aan de Vliegveldstraat 4, 4a en 4b, in het buitengebied van gemeente Dinkelland. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Weerselo, sectie N, nummers 1834, 2041, 2055 en 2056. In onderstaande afbeeldingen is een luchtfoto van het bedrijf opgenomen; het specifieke besluit- c.q. plangebied is rood omlijnd aangeduid.

Afbeelding 1 Plangebied Vliegveldstraat 4, 4a en 4b (bron: globespotter, Streetsmart luchtfoto 2022)

ROB

6

1.3 PLANOLOGISCHE SITUATIE Op grond van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied, Vliegveldstraat 4-4a Deurningen’ (vastgesteld 3101-2017) heeft het perceel de enkelbestemming ‘Agrarisch – 1’ met bijbehorend bouwvlak. Eén bouwwerk heeft de bouwaanduiding ‘karakteristiek’. Tevens heeft het plangebied de functieaanduiding respectievelijk ‘specifieke vorm van agrarisch – bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf’, ‘specifieke vorm van recreatie – specifieke regeling’, specifieke vorm van agrarisch – ontsluiting’ en ‘specifieke vorm van wonen – tweede bedrijfswoning’. Eveneens maken de gronden oost-westzijde van het perceel onderdeel uit van het bestemmingsplan, deze hebben de enkelbestemming ‘Bos- Natuur’. In onderstaande afbeelding is kaartuitsnede van de plankaart behorend bij het vigerende bestemmingsplan opgenomen.

Afbeelding 2 Uitsnede plankaart 2017 (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

In de beoogde bedrijfsopzet zijn navolgende strijdigheden op met de bouw- en/ of gebruiksregels van het vigerende bestemmingsplan: 1.

De beoogde vergister en bijbehorende voorzieningen worden (deels) buiten het bouwvlak en gedeeltelijk buiten het bouwperceel op gronden met de bestemming ‘Bos – Natuur’ gesitueerd, dit is in strijd met de bouwregels zoals opgenomen in artikel 3.2.2. In het desbetreffende artikel, sub a is bepaald dat overige bouwwerken uitsluitend binnen het bouwperceel zijn toegestaan. Het bestemmingsplan (artikel 3.3) kent geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van de bouwregels om een vergister, mestsilo, digestaat afkoeltank en warmteopslag (deels) buiten het bouwperceel op te richten. Op gronden met de enkelbestemming ‘Bos – Natuur’ is het op grond van artikel 4.2.1 niet toegestaan bouwwerken geen bebouwing op te richten t.b.v. het agrarisch bedrijf. Het oprichten van de bijbehorende voorzieningen (deels) in deze enkelbestemming levert strijdigheid op. Eveneens leveren de gebruiksregels strijdigheid op: op grond van artikel 3.4.1 sub c is het o.a. niet toegestaan om permanent mest buiten het bouwperceel op te slaan. Artikel 3.5.1 sub b omvat een afwijkingsbevoegdheid omtrent het gebruik van bouwwerken buiten het bouwvlak t.b.v. het opslaan van mest. Echter wordt in onderhavige situatie de opslag van mest buiten het bouwperceel beoogd. Op basis van artikel 3.2.2 sub c. is de bouwhoogte max. 10m1. Op basis van artikel 4.2.1 sub b is de bouwhoogte max. 2m1.

In onderhavige aanvraag behelst de bouwhoogte 11 m1 voor de mestopslagsilo en (na)vergister. Alsmede 14m1 voor de warmteopslag.

ROB

7

Artikel 3.4.2 regelt de voorwaardelijke verplichting ten aanzien van de uitvoer van het landschapsplan wat onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan (bijlage 3). Het gevraagde project komt deels op de plek waar volgens het landschapsplan een bestaande houtopstand met wadi aanwezig is. Het landschapsplan dient hiertoe gewijzigd te worden. Het bestemmingsplan voorziet hierin middels artikel 3.4.3 waarin bij een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bepaalde in 3.4.2 onder voorwaarden. Onderhavige strijdigheid kan binnenplans worden opgeheven, voor toetsing aan de voorwaarden zie hiervoor paragraaf 2.3. 2.

Deze activiteiten konden strikt genomen niet gerangschikt worden onder de bestemming “Agrarisch 1” met specifieke functieaanduiding (artikel 3.1, aanhef en onder d) die voor onderhavige locatie is opgenomen. Ook betekende de ingebruikname van de thans nog leegstaande schuur (De Schop) dat er een uitbreiding plaatsvond van de oppervlakte aan nevenactiviteiten. Dit was in strijd met de gebruiksbepaling in artikel 3.4, aanhef en onder p. Een ontheffing van deze gebruiksregel was op basis van de planvoorschriften in artikel 3.5 destijds niet mogelijk. De theeschenkerij met buitenterras zijn daarom d.d. 6 mei 2013 toegestaan middels een ‘projectbesluit’. Daarnaast is er op d.d. 24 mei 2022 een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor uitbreiding speeltuin, verplaatsing terras en verplaatsing en uitbreiding theehuis-brasserie met workshopruimte. De brasserie, winkel en terras/speeltuin zijn al dan niet in iets andere vorm reeds permanent planologisch toegestaan. Dit middels het projectbesluit van 2013 i.c.m. de “doorverwijzing” in het vigerende bestemmingsplan. De nu verzochte toestemming behelst de gewijzigde vorm zoals deze reeds lange tijd tijdelijk was toegestaan. Namelijk waarbij de locatie van de theeschenkerij-brasserie met workshopruimte is verplaatst naar de voormalige (woon)-boerderij.

De toegestane winkel welke in de (woon)-boerderij was gevestigd is weer verplaatst naar het gebouw waar eerder de theeschenkerij was gevestigd. Eenvoudig weg gezegd is het gebruik van beide gebouwen omgewisseld. Daar de brasserie is verplaatst is tevens het aangrenzende terras en speeltuin verplaatst en in andere vorm opgenomen. De gewenste indeling / gebruik is helder weergegeven op de verbeelding in bijlage 4. Door deze aanvraag is er sprake van het permanent toestaan van deze situatie en daarmee ook een beperkte vergroting van de ‘niet agrarische bedrijfsactiviteiten. De vergroting betreft de extra ruimte t.b.v. de brasserie in de voormalige (woon)-boerderij (incl. het leegstaande deel naast de winkel), alsmede de gewijzigde opzet van het terras en speeltuin. Door de verplaatsing en beperkte uitbreiding van het terras en de speeltuin zijn deze buiten de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – specifieke regeling’ komen te liggen. Onderhavige aanvraag inzake dit aspect (2) behelst dan ook de beperkte vergroting qua oppervlak van de niet agrarische bedrijfsactiviteiten. Alsmede het gebruik van de speeltuin en het terras buiten de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – specifieke regeling’. Gelieve de situering en gebruik behorend uit de verbeelding van bijlage 4 daarom ook op te nemen als basis in onderhavig besluit.

Resumé, het beoogde voornemen levert strijdigheid op met de bouw- en gebruiksregels van het vigerende bestemmingsplan. Middels voorliggende omgevingsvergunning wenst initiatiefnemer deze strijdigheden op te heffen. 1.4

LEESWIJZER

In hoofdstuk 2 is een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie opgenomen. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleidskader met bijbehorende randvoorwaarden uiteengezet. Hoofstuk 4 bevat een beschrijving van de relevantie omgevings- en milieuaspecten en de toetsing (haalbaarheid) van de beoogde bedrijfsopzet hieraan. In het laatste hoofdstuk wordt ingegaan op de economische- en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

ROB

8

2.

PLANBESCHRIJVING

2.1 HUIDIGE SITUATIE Het plangebied is gelegen aan de Vliegveldstraat ten zuiden van het dorp Deurningen. Het bedrijf markeert als het ware de overgang tussen het stedelijk- en achtergelegen landelijk gebied. Ten westen van het plangebied is het tuincentrum Borghuis gelegen. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Weerselo, sectie N, nummers 1834, 1835, 2041, 2055 en 2056. De locatie van de beoogde vergister en bijbehorende voorzieningen is momenteel in gebruik als erf alsmede gronden met de bestemming ‘Bos – Natuur’ t.b.v. uitvoering van het vigerende landschapsplan. In navolgende (lucht)foto’s is de planlocatie van diverse aangezichten weergegeven.

Afbeelding 3 Plangebied en omgeving

Voor onderhavig bedrijf zijn door de jaren heen diverse milieu- en ruimtelijke toestemmingen dan wel meldingen verleend of geaccepteerd. Voor het ontlenen van de toegestane veebezetting is de omgevingsvergunning d.d. 13 juli 2004 leidend. Op d.d. 10 februari 2021 is een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van de vergistingsinstallatie (WABO-2019-0807). Middels een ‘milieu neutraal veranderen’ d.d. 14 april 2023 is een wijziging in het aandeel cosubstraat t.b.v. de vergister gewijzigd.

ROB

9

2.2 TOEKOMSTIGE SITUATIE Initiatiefnemer wenst de vergister en zes bijbehorende voorzieningen te realiseren aan de zuidzijde van het bouwvlak en bouwperceel. De zes bijbehorende voorzieningen luiden als navolgend: een vergister, een navergister, digestaatopslagsilo, warmteopslag silo, biogasfakkel en twee keer een container ten behoeve van besturing van de installatie. Het plangebied is momenteel in gebruik als groenstrook en is in eigendom van initiatiefnemer. Aspect 2 (uitbreiding speeltuin, verplaatsing terras en verplaatsing en uitbreiding theehuisbrasserie met workshopruimte) . In onderhavige afbeelding is de situering van de beoogde situatie (aspect 1)weergegeven. Het grootformaat is opgenomen in bijlage 1.

Afbeelding 4 Situering beoogde mestsilo, vergister, navergister en warmtebuffer.

De beoogde mestsilo en overige opslagen/voorzieningen zijn noodzakelijk om de co-vergistingsinstallatie naar behoren te laten werken. Het gebruik van de vergistingsinstallatie levert verschillende reststromen op, welke separaat opgeslagen dienen te worden na vergisting. De mestsilo is beoogd voor de opslag van digestaat. De mestsilo wordt elektrisch gevuld middels een ondergrondse pijpleiding c.q. gesloten systeem. Het digestaat kan niet in een van de bestaande kelders onder de rundveestallen worden opgeslagen, deze is bestemd voor de opslag van dagverse mest. Veehouderijbedrijven dienen te beschikken over voldoende mestopslagcapaciteit op het bedrijf. Er dient in ieder geval opslagcapaciteit aanwezig te zijn om de mest op te slaan in de periode van 1 augustus tot 1 maart, aldus op grond van het Mestbeleid. Daarnaast is het bedrijfseconomisch interessant om over voldoende opslagcapaciteit te beschikken. Jaarlijks worden de bemestingsnormen verder aangescherpt waardoor steeds minder mest op een hectare mag worden aangebracht. De mest dient daarom zuinig en zorgvuldig op het juiste moment aan de gewassen te worden toegediend. Dit kan in de praktijk betekenen dat de mest later dan 1 maart wordt uitgereden of eerder dan 1 augustus het uitrijden van mest wordt beëindigd.

Om deze flexibiliteit te waarborgen is het belangrijk om over voldoende mestopslagruimte te beschikken zodat indien noodzakelijk, de mest jaarrond kan worden opgeslagen.

ROB

10

De mestgift kan dan optimaal op de gewasgroei en de weersomstandigheden worden afgestemd. Deze flexibiliteit vraagt een ruime opslagcapaciteit van drijfmest afgestemd op de mestproductie van het bedrijf. Onderdeel van onderhavige aanvraag behelst de aanvraag omgevingsvergunning activiteit milieu – veranderingsvergunning. Hieruit volgt dat er verder geen relevante nadelige effecten zullen zijn. Navolgend de verbeelding van de uitvoering van het eerder projectbesluit van (6-5-2013) i.c.m. de kruimelgevalregeling van (24-5-2022). Deze uitvoering behelst de aangevraagde situatie. Onderhavige aanvraag inzake dit aspect (2) behelst dan ook de beperkte vergroting qua oppervlak van de niet agrarische bedrijfsactiviteiten. Alsmede het gebruik van de speeltuin en het terras buiten de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – specifieke regeling’. Deze verbeelding is tevens opgenomen als separate bijlage (4).

Beoogde situatie Aspect 2.

ROB

11

Verbeelding: Bron. (Tijdelijke besluit 2022) Alsmede beoogde situatie onderhavige aanvraag.

ROB

12

2.3 LANDSCHAPPELIJKE INPASSING Onderhavig plangebied is gelegen in een essenlandschap. De voorgenomen ontwikkelingen vragen een kwaliteitsimpuls van het erf dan wel omgeving, een goede landschappelijke inpassing is vanuit het ruimtelijk spoor bezien een vereiste. Initiatiefnemer heeft een landschapsdeskundige gevraagd een plan op te stellen waarop wordt aangegeven hoe de aspecten erf- en landschappelijk worden ingepast. Het ontwerp is in onderstaande afbeelding opgenomen, het grootformaat is bijgevoegd als bijlage 2. Onderstaande eerste verbeelding betreft het onvoorwaardelijke deel, wat deel uit maakt van deze aanvraag.

Afbeelding 5 Erf- en landschappelijke inpassing (Reuvers, Buro voor Groene Ruimtes)

ROB

13

In de bijlage 3 is ook het zogenoemde “eindplaatje” weergegeven waarop tevens het voorwaardelijke deel conform het bestemmingsplan uit 2017 is opgenomen. Hiervan navolgend ook een uitsnede van de deze verbeelding. Deze verbeelding en bijlage 3 maakt daarmee geen deel uit van onderhavige aanvraag en dient enkel ter beeldvorming van de integratie van het onvoorwaardelijke deel in het voorwaardelijke deel. Dit uiteindelijk resulterende in navolgende zogenoemde eindsituatie qua landschappelijke inpassing.

Afbeelding Erf- en landschappelijke inpassing (Reuvers, Buro voor Groene Ruimtes)

ROB

14

De uitgangspunten voor het inrichtingsplan zijn als navolgend: -

-

Aan de straatzijde wordt het bestaande erfbos verder aangezet en vergroot, hetgeen vergroot de verankering van het agrarisch bedrijf in het cascolandschap; Ter hoogte van de vergister en voorzieningen wordt de bestaande groenstrook versmalt, ter compensatie hiervan wordt aan de westzijde van het plangebied een robuuste groensingel aangeplant langs de watergang. In deze singel wordt streekeigen beplanting toegepast. De wadi welke gepositioneerd was op de locatie van de vergister is verplaatst in noord westelijke richting. De verplaatsing van de wadi is nader inzichtelijk gemaakt in bijlage 2.

Met de realisatie van het landschappelijk inrichtingsplan kan worden gesteld dat sprake is van een goede landschappelijke inpassing.

ROB

15

3.

BELEIDSKADER

3.1 RIJKSBELEID 3.1.1

Nationale omgevingsvisie

Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem en de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: •

•

•

Een onderwerp nationale baten en/ of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valley’s; Over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld over het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed; Een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen afgewogen te worden. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1.

2.

3.

3.1.2

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van de toekomstige generaties. Conclusie Novi

Met het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning, zijn geen nationale belangen in het geding. De NOVI vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling.

ROB

16

3.2 PROVINCIAAL BELEID Op 8 november 2023 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie en de nieuwe Omgevingsverordening Overijssel aangepast. De geldende Omgevingsverordening is destijds niet meer aangepast, omdat deze verviel op het moment dat de Omgevingswet in werking trad. Per 1 januari ’24 geldt de nieuw Omgevingsverordening. De Omgevingsvisie uit 2023 valt onder het overgangsrecht van de Omgevingswet en blijft gelden. Goed om te benoemen is dat in de Omgevingsvisie uit 2023 een beperkt aantal tekstuele aanpassingen zitten. In veel gevallen dient daarom ook de ‘Geconsolideerde Omgevingsvisie 2017’geraadpleegd te worden. 3.2.1

Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie (geconsolideerd, 2017) is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. De visie is gericht op het jaar 2030. De opgaven en kansen waar provincie Overijssel voor staat zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema’s. Deze beleidsthema’s worden benaderd vanuit de ‘overkoepelende rode draden’ duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit. Het overkoepelende thema ruimtelijke kwaliteit streeft Overijssel na door naast bescherming vooral in te zetten op het verbinden van bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen, waarbij bestaande kwaliteiten worden beschermd en versterkt e nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd. De provincie heeft daartoe een Catalogus Gebiedskenmerken als onderdeel van de verordening vastgesteld. Dit is een krachtig beleidsinstrument om te sturen op ruimtelijke kwaliteit. De Catalogus beschrijft voor alle gebiedstypen in Overijssel welke kwaliteiten en kenmerken behouden, verstrekt en ontwikkeld moeten worden. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de Overijsselse visie wordt het ‘Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel’ (hierna: uitvoeringsmodel) toegepast. In het uitvoeringsmodel (zie figuur 1) staan de stappen of, waar en hoe centraal.

Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door provinciale generieke keuzes, de ontwikkelingsperspectieven geven richting aan waar wat ontwikkeld kan worden en de gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij de vraag hoe een initiatief ingepast kan worden.

Figuur 1 Uitvoeringsmodel (bron: Overijssel)

ROB

17

Generieke beleidskeuzes (Of) In heel Overijssel zijn een aantal beleidskeuzes van toepassing op nagenoeg alle thema’s en locaties, dit zijn respectievelijk integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Samen geven deze beleidskeuzes invulling aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en daarmee bepalend voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel noodzakelijk zijn. In paragraaf 3.2.1 van voorliggende ROB wordt ingegaan op de aspecten ‘zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik’ (artikel 4.5) en ‘ruimtelijke kwaliteit’ (artikel 4.9) en afdeling 4.6.1 (Agro en Food). Ontwikkelingsperspectieven (Waar) Het plangebied is gelegen in het ontwikkelingsperspectieven ‘Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap (groen, afbeelding 6)’ en ‘Woon – en werklocaties buiten de stedelijke netwerken (rood, afbeelding 6)’. In onderstaande afbeelding is het plangebied indicatief rood omlijnd weergegeven.

Afbeelding 6 Ligging plangebied in ontwikkelingsperspectief (bron: planviewer provincie Overijssel)

Het ontwikkelingsperspectief ‘Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’ richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, wil provincie Overijssel in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem. Schaalvergroting in de landbouw en opwekking van hernieuwbare energie krijgen ruimte in het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap, onder de voorwaarde van zorgvuldige inpassing in het kleinschalige landschap. Ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Met name de verschuiving van eenzijdige volumeproductie en kostprijsreductie naar specialisatie en omgevingsgericht ondernemen in de landbouw is hier kansrijk voor het behouden van een sterke concurrentiepositie.

ROB

18

Waardevermeerdering ontstaat door het benutten van de specifieke gebiedskwaliteiten, en van het maatschappelijk draagvlak voor kwaliteitsproductie en -producten. Ook verbreding van economische activiteiten op het erf, bijvoorbeeld met zorg, recreatie of landwinkels, krijgt de ruimte. Door directe verkoop bij de boer ontstaan korte ketens en meer waardering voor het agrarisch product. In dit ontwikkelingsperspectief zijn ook plekken waar, door de ruimtelijke structuur van het landschap, de beschikbare milieuruimte of reeds aanwezige bebouwing, de ontwikkelruimte van agrarische bedrijven beperkt is. Hier liggen ontwikkelkansen voor andere vormen van bedrijvigheid (denk aan dienstverlenende zelfstandigen zonder personeel) die de ruimtelijke structuur versterken. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt. Het ontwikkelingsperspectief ‘Woon – en werklocaties buiten de stedelijke netwerken’ richt zich niet zozeer op agrarische bedrijvigheid maar op (de titel zegt het al) steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken.

In het artikel wordt omschreven dat deze steden en dorpen altijd mogen bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).

Gebiedskenmerken (Hoe) Het uitvoeringsmodel onderscheidt de gebiedskenmerken in vier lagen, deze lagen worden navolgend beoordeeld voor onderhavige planlocatie. Het van toepassing zijnde gebiedskenmerk voor de natuurlijke laag is ‘Dekzandvlakte en ruggen’. In onderstaande afbeelding is het plangebied indicatief rood omlijnd weergegeven.

Afbeelding 7 Ligging plangebied in natuurlijke laag (bron: planviewer provincie Overijssel)

ROB

19

In de catalogus is de navolgende sturing geformuleerd (pg. 53): • •

•

Norm: Dekzandvlakten en ruggen krijgen een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van de hoofdlijnen het huidige reliëf; Richting (1): Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting; Richting (2): Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.

Voor wat betreft de laag van het agrarisch cultuurlandschap is ter hoogte van het plangebied sprake van een ‘essenlandschap’. In onderstaande afbeelding is het plangebied indicatief rood omlijnd weergegeven.

Afbeelding 8 Ligging plangebied in agrarisch cultuurlandschap (bron: planviewer provincie Overijssel)

In de catalogus is de navolgende sturing geformuleerd (pg. 77): • •

•

Norm (1): De essen krijgen een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van de karakteristieke openheid, de huidige bodemkwaliteit en het huidige reliëf; Norm (2): Op de flanken krijgen de kleinschalige landschapselementen, zoals houtwallen, bosjes, zandpaden, karakteristieke erven en beeldbepalende open ruimte daartussen, een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van dit kleinschalige patroon; Richting: Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk.

Wat betreft de Stedelijke laag is ter hoogte van het plangebied sprake van ‘Woonwijken 1955 – nu’. De ‘Woonwijken 1955 –nu ‘zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. Er is sprake van een tijdsgebonden verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes. De catalogus onderstreept dat ontwikkelingen aansluiten bij de bestaande kwaliteiten van de bebouwingen het en het stedenbouwkundig ontwerp en verwijst naar de voormalige natuurlijke laag en die van het agrarisch cultuurlandschap door b.v. nog resterende sloten-en beplantingspatronen te benutten dan wel te herintroduceren.

ROB

20

Wat betreft de Laag van beleving is ter hoogte van het plangebied sprake van ‘Stads en dorpsrandgebieden’. De stads- en dorpsrandgebieden vormen de overgang tussen de Stedelijke en de Groene Omgeving, en zijn daarmee zowel entree van de stad als verbinding naar het buitengebied. Het vormgeven als entree van zowel de Groene als de Stedelijke Omgeving is een belangrijk kwaliteitsdoel. Veel stads- en dorpsrandgebieden in Overijssel liggen tegen aantrekkelijke natuurcomplexen of landgoederen aan. Recreatieve functies en culturele voorzieningen kunnen op specifieke plekken in de stads- en dorpsrandgebieden de kwaliteit en aantrekkelijkheid verhogen. Ook liggen er kansen voor nieuwe landgoederen en/of de landgoedaanpak (zie paragraaf 8.1.4); (restanten van) verdwenen landgoederen kunnen hierbij een bron van inspiratie zijn. Als er naast de inmiddels geplande woon- en werklocaties nog behoefte ontstaat, kunnen nieuwe woon- en werkmilieus worden ingezet om de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de stads- en dorpsrandgebieden te verhogen en de landschappelijke structuur in deze gebieden te versterken. In de stads- en dorpsrandgebieden liggen ook kansen om beleidsambities op het gebied van natuur, water, en energie te realiseren én om de functie als ‘uitloop’-gebied voor de stad te versterken door verdichting van het routenetwerk voor langzaam verkeer.

3.2.2

Conclusie toetsing Omgevingsvisie

De twee aspecten van voorliggende aanvraag passen binnen het ontwikkelingsperspectieven ‘Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’ en ‘Woon – en werklocaties buiten de stedelijke netwerken’. Er wordt ingezet op opwekking van hernieuwbare energie (aspect 1) en tevens vindt er verbreding van economische activiteiten/ recreatie op het erf plaats (aspect 2). De vergister en bijbehorende voorzieningen worden voorzien van een goede landschappelijke inpassing, afgestemd op de gebiedskwaliteiten ter plaatse. Aspect twee vindt voor zover het de brasserie, workshopruimte en winkel betreft plaats in de bestaande bebouwing. (stedenbouwkundig geen invloed). Enkel het gebruik/omvang binnen de gebouwen vindt plaats in gewijzigde vorm. Voor zover het beoogde gebruik qua locatie en omvang van de speeltuin en het terras vindt dit ook plaats op het erf binnen het bouwperceel aangrenzend aan de bestaande bebouwing. Het terras en speeltuin zijn reeds planologisch toegestaan, de wijziging betreft enkel de locatie en omvang. Buiten de functieaanduiding recreatie maar binnen het agrarische bouwperceel. Beide voorzieningen zijn gelegen in een groen omzoomd gebied, namelijk de voormalige tuin bij de eerdere (woon)-boerderij. Deze voorzieningen zijn gedegen ingepast en gepositioneerd direct aangrenzend aan de bebouwing van o.a. de brasserie.

Derhalve is voorliggend planvoornemen in lijn met de provinciale Omgevingsvisie.

ROB

21

3.2.3

Omgevingsverordening

In de Omgevingsverordening zijn regels (randvoorwaarden) opgenomen welke het mogelijk maken het omgevingsbeleid uit te voeren. De beoogde ontwikkeling met ruimtelijke impact betreft het oprichten van een vergister met bijbehorende voorzieningen bij een bestaand agrarisch bedrijf in het buitengebied van gemeente Dinkelland. In dit kader zijn met name de artikelen 4.5, 4.9 en 4.40 van belang. Artikel 4.5 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Het artikel is opgenomen in navolgend kader. Lid 1 Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk is gemaakt dat: a) Er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaand bebouwd gebied; b) De ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie, en; c) Mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand gebouwd gebied optimaal zijn benut. Lid 2 Omgevingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen in de Groene Omgeving die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen, als aannemelijk gemaakt is dat: a) (Her)benutten van bestaande bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; en b) Mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

Lid 3 Het tweede lid is niet van toepassing op stedelijke functies waarvoor extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving plaatsvindt in de vorm van uitleg van dorpen en steden.

In onderhavige situatie geldt dat de locatie van de beoogde vergister en bijbehorende voorzieningen zorgvuldig is afgewogen. Ter plaatse bevindt zich in vele opzichten een dynamisch bedrijf. De locatie van de vergister en voorzieningen bevindt zich aaneengesloten aan het bestaande bouwvlak en bouwperceel. De beoogde covergistingsinstallatie is op grond van het vigerende bestemmingsplan (artikel 3.2.2) alleen toegestaan binnen een bestaand bouwperceel. De keuze voor de locatie van de vergister met bijbehorende voorzieningen is als volgt tot stand gekomen; Alhoewel het bouwvlak aan de zuidoostzijde nog een gedeelte latent is, is dit beoogd voor het oprichten van een gebouw t.b.v. kaasopslag. Dit zoals reeds weergegeven op de inrichtingsschets. Aan de zuidwestzijde bevindt zich ook nog een latent bouwvlak gedeelte, echter is hier de uitbreiding van een agrarische bouwwerk voorzien. Dit gebouw is reeds opgenomen op de eerdere inrichtingsschets. Inmiddels is voor dit gebouw een aanvraag omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit verleend. Dit object zal nog in dit jaar (2025) worden gerealiseerd. Door deze beoogde nieuwbouwobjecten is nadien het gehele bouwvlak nagenoeg ten volle benut. Het bouwperceel strekt zich echter verder uit in o.a. noordelijke en zuidelijke richting. Aan de noordzijde is het bouwperceel in gebruik als o.a. parkeerplaats.

Aan de zuidzijde zijn de bestaande ruwvoersopslagen aanwezig. Enkel in de zuidwestelijke hoek is een beperkt deel bouwperceel latent. Daar is momenteel reeds een co-vergistingsinstallatie vergund. Onderhavige aanvraag heeft betrekking op een wijziging hiervan. Namelijk een verplaatsing en vergroting van de vergister alsmede de overige voorzieningen en silo’s zoals deel uitmakende van onderhavige aanvraag. Deze locatie is afgezien vanuit de ruimtelijke mogelijkheden ook milieutechnisch en qua inpassing de meest gunstige keuze. De voorzieningen worden op deze wijze zo ver mogelijk binnen redelijke kaders van de kern van Deurningen gepositioneerd. Bovendien zijn de voorzieningen op deze wijze achterop het erf geplaatst en biedt het de meest gunstige mogelijkheden om ze gedegen landschappelijk in te passen. Dit zoals volgt uit het bijgevoegde inpassingsplan. Daartoe staat de locatie van de vergistingsinstallatie op voorhand vast, alleen aan de zuidwestzijde kan het bouwperceel de vergistingsinstallatie en voorzieningen nog faciliteren. Het bouwperceel aan deze zijde is omzoomd met een, bestemmingsplan technisch, vastgelegde groenstrook (Bos – Natuur) waardoor het ROB

22

oprichten van een bouwwerk geen gebouw zijnde in de vorm van een vergister en voorzieningen niet mogelijk is. Gezien de hoog-functionele indeling van het bestaande erf is het niet mogelijk om bedrijfsgebouwen dan wel voorzieningen te verplaatsen, het bouwvlak en bouwperceel zijn namelijk nagenoeg “vol”. Een herstructurering (vervorming) van het bouwperceel zal niet de gewenste ruimte opleveren om vervolgens aspect 1 geheel te kunnen realiseren. Inzake aspect 2 is er sprake van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Zo zal het gebruik van de brasserie en de winkel enkel worden omgewisseld. Hierbij neemt het oppervlak van de nevenactiviteit t.b.v. de brasserie/workshopruimte weliswaar beperkt toe, echter hiervoor is geen nieuwbouw noodzakelijk. Al het inpandige beoogde gebruik kan plaats vinden in de reeds bestaande bebouwing. Namelijk de winkel in de “Schop” en de brasserie/workshopruimte in de voormalige (woon)-boerderij. De reeds planologisch toegestane speeltuin en het terras worden verplaatst en beperkt vergroot. Deze zullen direct aansluitend aan de brasserie worden gepositioneerd. Dit op de plek van o.a. de voormalige tuin bij de (woon)-boerderij en nabij de parkeerplaats. Het is noodzakelijk voor deze voorzieningen om zich direct aansluitend aan de horeca gelegenheid te bevinden. Op deze wijze is het ruimtegebruik minimaal en optimaal gepositioneerd.

Namelijk aangrenzend aan de brasserie, nabij de parkeerplaats en de noordzijde richting de openbare weg blijft een met groen afgescheiden gebied. Aspect 2 betreft geen noodzaak tot nieuwbouw. De inpandige activiteiten vinden plaats in de bestaande bedrijfsgebouwen, voorover het buitengebruik is dit beperkt in omvang en behelst het een zuinig en zorgvuldige invulling van de aanwezige ruimte.

Artikel 4.9 Onderbouwing ruimtelijke kwaliteit Het artikel is opgenomen in navolgend kader. Lid 1 Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin: a) Het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast; b) Wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en c) Inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (Bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Lid 2 In omgevingsplannen kan gemotiveerd worden afgeweken van het ontwikkelingsperspectief dat volgens de Omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied, als: a) Er sprake is van sociaaleconomische of maatschappelijke redenen; en b) Voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van de ruimtelijke kwaliteit in overeenstemming met de uitspraken die de Catalogus Gebiedskenmerken doet voor dat gebied. Lid 3 In de Catalogus Gebiedskenmerken worden de volgende gebieden onderscheiden: • Natuurlijke laag • Laag van het agrarisch cultuurlandschap • Stedelijke laag • Laag van de beleving

ROB

23

Ten aanzien van de regel dat de ontwikkeling bijdraagt aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken kan worden opgemerkt dat de vergister en bijbehorende voorzieningen landschappelijk zal worden ingepast, rekening houdend met de sturingsrichting van de Catalogus. Ook zal de ‘Bos – Natuur’ bestemming gecompenseerd worden, ook dit is opgenomen in de landschappelijke inpassing. In paragraaf 2.3 is de wijze van inpassing reeds toegelicht. Het agrarische erf ligt aan de rand van de Es dat past bij een gebied typering voor een hoge es met agrarische erven rondom. De beoogde situatie voor aspect 2 zal geheel plaats vinden op het bestaande erf op het eigen bouwperceel en past daarmee in het Essenlandschap. Het erf ligt in het uitloopgebied rond Deurningen en Hengelo. De aangevraagde situatie levert een meerwaarde op voor de gebruiksmogelijkheden binnen dit uitloopen stads- en dorpsrandgebied.

Artikel 4.40 Kwaliteitsimpuls Agro en food, beperkte wijziging agrarisch bouwperceel Het artikel is opgenomen in navolgend kader. Een omgevingsplan kan in afwijking van Artikel 4.38 voorzien in een beperkte aanpassing of uitbreiding van een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel als: a) Dit nodig is voor de bedrijfsontwikkeling van een agrarisch bedrijf; en b) Onderbouwd is dat het in redelijkheid niet mogelijk is om het bestaande agrarische bouwperceel voor de beoogde bedrijfsontwikkeling geschikt te maken.

Zoals reeds bij artikel 4.5 is gemotiveerd is het onmogelijk het bestaande agrarisch bouwperceel geschikt te maken voor de beoogde ontwikkeling; het erf is hoog-functioneel ingedeeld en naast de hoofdactiviteit (grondgebonden melkveehouderij) worden er ter plaatse ook een stevig aantal nevenactiviteiten geëxploiteerd. Het plangebied ter hoogte van de vergister en bijbehorende voorzieningen is momenteel bestemd als groenstrook (Bos – Natuur), deze zal worden verlegd. Met de plaatsing van aspect 1 wordt daarmee geen afbreuk gedaan aan de aanwezige gebiedskenmerken en bovendien betreft het een relatief klein bebouwingsoppervlak in verhouding met de bestaande bebouwingsmassa. Middels een landschappelijke inpassing wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (zie ook paragraaf 2.3). De vergister maakt daarmee onderdeel uit van een kwaliteitswinst op het gebied van duurzaamheid. Ter plaatse zal het vergistingsgas worden omgezet in elektriciteit en warmte welke weer worden ingezet op het eigen bedrijf. Het bedrijf is daarmee volledig energieneutraal. Bovendien kan het digestaat worden ingezet als dierlijke meststof en weer worden opgebracht op eigen land. Op deze wijze speelt initiatiefnemer in op de circulaire gedachte.

ROB

24

3.2.4

Conclusie toetsing Omgevingsverordening

De voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten en de randvoorwaarden voortkomend uit de Omgevingsverordening. 3.3

GEMEENTELIJK BELEID

In deze paragraaf komt het gemeentelijk beleid aan de orde dat van invloed is op het betreffende plangebied. Gemeente Dinkelland heeft een grote diversiteit aan visies, nota’s en verordeningen. 3.3.1

Mijn omgevingsvisie

MijnOmgevingsvisie gaat over de toekomst van de leefomgeving van Dinkelland. De visie gaat over de leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De waardenkaart in de Omgevingsvisie heeft voor het buitengebied als basis de combinatie van landschapstype en landschapsdynamiek. Op grond van de waardenkaart is onderhavig plangebied gelegen in ‘nieuwe landschapsstructuren, veel ruimte schaalvergroting’ oftewel lichtgroen gebied. Navolgende is hierover omschreven in de Omgevingsvisie.

Afbeelding 9 Uitsnede waardekaart (bron: website mijnomgevingsvisie Dinkelland)

3.3.2

Conclusie toetsing Mijn omgevingsvisie

Het oprichten van de vergister en bijbehorende voorzieningen resulteert in een duurzaam en energieneutraal en bovendien toekomstgericht bedrijf. De beoogde ontwikkeling vindt plaats aansluitend op het bouwperceel en voorziet in de aansluiting op bestaande bebouwing en structuren, bovendien wordt het landschappelijk ingepast. De beoogde ontwikkeling is daarmee niet in strijd met de Omgevingsvisie en sluit aan bij de benoemde schaalvergroting en bij de opwekking van duurzame energie. Aspect 2 van onderhavige aanvraag sluit aan bij de gewenste ontwikkeling ‘kleinschalige recreatie’ en ‘kleinschalige recreatie die aanvullend is op het huidige aanbod’, aldus de eerder aangehaalde website onder het kopje “wat zien we hier graag”.

ROB

25

3.3.3

Casco benadering Noordoost-Twente

Op d.d. 10 juli 2012 heeft de gemeenteraad de beleidsnota ‘De casco benadering in Noordoost-Twente’ voor zover het betreft de gemeente Dinkelland, met de daarbij behorende cascokaart vast te stellen. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.

Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 1. 2. 3.

ROB

Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie).

26

3.3.4

Conclusie toetsing Casco benadering Noordoost Twente

Middels de beoogde landschappelijke investering zal worden ingespeeld op de kwaliteitsverbetering binnen het perceel (zie ook paragraaf 2.3 en bijlage 2 en 3). Het huidige casco element zal worden gecompenseerd door de nieuwe aanplant conform de inpassingsschets. Dit betreft o.a. de aanleg van een 8m1 brede singel over een lengte van ca. 85m1 aan de noordwestzijde, alsmede overige aanplant. Het geheel in nader inzichtelijk gemaakt op de inpassingsschets in de bijlage. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'. De beoogde locatie van de nieuw aan te leggen singel heeft op de CASCO-kaart de aanduiding ‘Nieuwe lijnen’. Hetgeen conform de Casco benadering een gewenste ontwikkel locatie is voor de aanleg van nieuwe elementen. Deze gewenste locaties zijn aangegeven op de kaart om te duiden waar het landschap het beste versterkt kan worden wanneer er sprake is van compensatie. Verbeelding, uitsnede Casco-kaart

ROB

27

3.3.5

Buitengebied met kwaliteit

De gemeenteraad van Dinkelland heeft in 2022 het beleidskader 'Buitengebied met kwaliteit' (hierna: beleidskader) vastgesteld en nadien op 4 april 2025 deze geactualiseerd. De gemeente streeft naar een aantrekkelijk en vitaal buitengebied waar een goede balans is tussen landgebruik, ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en economische activiteiten. Hiervoor beschikte zij over verscheidene beleidsregelingen zoals Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur en het VAB+ beleid. Door de jaren heen zijn deze regelingen ingewikkelder geworden, in het beleidskader zijn de verscheidene beleidsregelingen op onderdelen geactualiseerd en aangevuld. Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. Voor het uitbreiden van een bestaand bedrijfsperceel met de functie ‘Agrarisch bedrijf’ is een aanvullende kwaliteitsimpuls vereist. De hoogte van deze kwaliteitsimpuls wordt bepaald door een berekening van de waardevermeerdering uit te voeren op basis van het bepaalde in paragraaf 8.1.

ROB

28

3.3.6

Conclusie toetsing Buitengebied met kwaliteit

Het bijbehorende inpassingplan maakt de nadere toetsing en uitvoering aan paragraaf 4.4 (4.4 Uitbreiden bedrijfsperceel) i.c.m. 8.1, waardevermeerdering inzichtelijk. Het naast de groenaanleg voor de compensatie van het casco element is er sprake van een verdere kwaliteitsimpuls. Dit is noodzakelijk door de wijziging van het gebruik van agrarisch gebied naar agrarisch bedrijf. Dit betreft in totaal 954 m2. (In beginsel betreft de wijziging van bos-natuur naar agrarisch bedrijf. Echter daar het zelfde oppervlak ruimschoots ook reeds van agrarisch naar bos-natuur gebruik zal wijzigen heft dit elkaar op. Daarom kan rechtstreeks met dit oppervlak van 954m2 gerekend worden i.c.m. de omrekening van agrarisch gebied naar agrarisch bedrijf. )

Hetgeen op basis van de waardevermeerderingstabel resulteert in € 16,- per m2. 954 m2 x € 16,- maakt € 15.264,-. Op basis van artikel 8.1.5 van het beleid ‘Buitengebied met kwaliteit’ is 12,5% hiervan noodzakelijk om geïnvesteerd te worden als kwaliteitsimpuls (KGO-investering). (Betreffende een functioneel aan het buitengebied gebonden functie in de een kernrandzone). Dit resulteert in een totaalbedrag van € 1908,- bovenop de basis inspanning. Uit het bijgevoegde inpassingplan volgt dat voor het vervallen van de 954m2 ten behoeve voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling ter vervanging een singel van 680m2 zal worden gerealiseerd. Tevens zal er extra aanplant van 286m2 (26 x 11m1) naast de woning # 6 worden aangelegd. Hierdoor is met (680m2 + 286m2) 966 m2 de 954 m2 te vervangen oppervlakte ruimschoots gecompenseerd. Naast de woning #6 zal in het kader van de KGO compensatie een oppervlak van 154 m2 (14x11m1) extra worden ingeplant.

ROB

29

Uit het inpassingsplan volgt dat de kostenopgave voor deze aanplant navolgende betreft: -

Plantmateriaal: € 750,Frezen ondergrond: € 500,Aanplantkosten bomen en toebehoren: € 350,Aanplantkosten bosplantsoen: € 450,Nazorg, water, inboet: € 500,-

Maakt gezamenlijke extra kosten t.b.v. aanplant van 154m2 van € 2550,Middels deze extra investering in de ruimtelijke kwaliteit is het noodzakelijke investeringsbedrag van € 1908,- reeds ruimschoots overschreden. De afwaardering van deze oppervlakte is nog buiten beschouwing gelaten.

Aspect twee betreft een nevenactiviteit binnen de functie agrarisch bedrijf. Er is geen sprake van een toename van bouwwerken. Het voornemen voldoet rechtstreeks aan paragraaf 4.5 nevenactiviteit. Dit volgt uit de voorwaarden zoals omschreven in paragraaf 4.5. Zo zijn de gronden gelegen binnen het bestaande agrarische bouwperceel (1). De oppervlakte van de gebouwen t.b.v. nevenactiviteit behelst minder dan 50% dan hetgeen in gebruik is t.b.v. het agrarische bedrijf (2). De gebouwen t.b.v. de nevenactiviteit (o.a. brasserie/workshopruimte en de winkel) zijn reeds sinds jaar en dag in bedrijf en opgericht t.b.v. het agrarische bedrijf (3). Er is geen sprake van nieuwbouw (4). Er is geen sprake van een wijziging in de buitenopslag t.b.v. de nevenactiviteiten (5). De overige bedrijfsmatige activiteiten buiten de gebouwen (speeltuin en terras) zijn ondergeschikte mate qua omvang aan de orde en is noodzakelijk voor de aard van de bedrijvigheid. Namelijk de exploitatie van de brasserie/workshopruimte en de recreatieve functie o.a. horeca.. (5). De activiteiten buiten de gebouwen (speeltuin/terras) betreft een toeristisch- recreatieve functie. (6). Er is geen sprake van verblijfsrecreatie (7). Er is sprake is een wijziging in functie van de verkoop in de winkel / detailhandel. Deze is gefocust op het productie gebonden deel (8).

Buiten de gebouwen

ROB

30

4

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

4.1 GEUR De beoogde vergister en bijbehorende voorzieningen zal worden uitgevoerd als gesloten systeem in zijn totaliteit (met gesloten dakconstructies). Voor de vergister is reeds hetzij in beperkt andere vorm een vergunning verleend en getoetst aan de milieuaspecten. In het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling staan voorschriften voor het opslaan van drijfmest en digestaat. De voorschriften om geurhinder te voorkomen en te beperken staan in paragraaf 3.4.6 van het Activiteitenbesluit. Voor mestbassins geldt een minimumafstand tot een geurgevoelig object van 100 meter. Bij een (gezamenlijk) oppervlak van meer dan 750m 2, of inhoud meer dan 2.500 m3 is paragraaf 3.4.6 niet meer van toepassing. Gezien de oppervlakte en inhoud van > 3.000 m3 van de digestaat silo valt onderhavig bedrijf van rechtswege, wat betreft het aspect mestsilo’s, onder de omgevingsvergunningplicht. Het toetsingskader hiervoor is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). De geuremissie van de beoogde digestaatsilo kan niet worden beoordeeld in het kader van de Wgv omdat deze wet uitsluitend van toepassing is op de geuremissie vanuit dierenverblijven. Voor mestbassins waarop de paragraaf uit het Activiteitenbesluit niet van toepassing is, moet het bevoegd gezag voorschriften opnemen in de omgevingsvergunning milieu om geuroverlast te voorkomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/946/documents/23987