CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke Onderbouwing Deurningerstraat 49, Deurningen.pdf

Gemeenteraad 26 november 2024, gemeente DinkellandBij agendapunt: 10: Voorstel inzake bindend advies realisatie veldopstelling 120 zonnepanelen Deurningerstraat 49 te Deurningen9.385 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke Onderbouwing (BOPA) Deurningerstraat 49, Deurningen Gemeente Dinkelland

Paul Staats 4 oktober 2024

Inhoudsopgave 1.

Inleiding ...................................................................................................................................... 3 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied............................................................................................. 3 1.2 Beoordelingskader en belangenafweging .................................................................................... 4 1.3 Leeswijzer ................................................................................................................................... 7

2.

Toekomstige situatie ................................................................................................................... 8 2.1 Gewenst ontwikkeling ................................................................................................................ 8 2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving..................................................................... 8

3.

Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege .............................................................................. 9 3.1 Omschrijving gevraagde activiteiten ........................................................................................... 9 3.2 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege ........................................................................... 10 3.2.1 Strijdigheden met “Bestemmingsplan Buitengebied 2010” .................................................... 10 3.2.2. Bruidsschat ........................................................................................................................... 10 3.2.3 Gemeentelijke verordeningen ................................................................................................ 11 3.2.4 Bodemkwaliteitskaart ............................................................................................................. 11 3.2.5 Nota omgevingskwaliteit (welstand) ...................................................................................... 11

4.

Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht .......................... 11 4.1 Visie en beleid voor het plangebied........................................................................................... 11 4.1.1 Nationale omgevingsvisie....................................................................................................... 11 4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024 .................................................. 12 4.1.3 Nieuwe Energie Overijssel ...................................................................................................... 15 4.1.4 Omgevingsvisie Dinkelland .................................................................................................... 15 4.1.5 Ontwikkelingsmogelijkheden grootschalige zonnevelden in Noordoost-Twente, Energie van Noordoost-Twente ......................................................................................................................... 17 4.2 Voorbereidingsfase ................................................................................................................... 18 4.2.1 Provinciaal vooroverleg ..........................................................................................................

19 4.2.2 Participatie omgeving ............................................................................................................ 20 4.2.3. Bindend adviesrecht gemeenteraad ....................................................................................... 21

5.

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu .................................................................................. 22 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking ....................................................................................... 22 5.2 m.e.r.-beoordeling .................................................................................................................... 23 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren............................................................................. 24 5.4 Soortenbescherming en gebiedsbescherming ............................................................................ 24 5.5 Luchtkwaliteit ........................................................................................................................... 26 5.6 Geluid ....................................................................................................................................... 27 5.7 Omgevingsveiligheid ................................................................................................................ 28 5.8 Archeologie .............................................................................................................................. 28 5.9 Bodem ......................................................................................................................................

29 5.10 Waterbelang ........................................................................................................................... 29

6. Financiële haalbaarheid ............................................................................................................. 30 7. Voorwaarden omgevingsvergunning ......................................................................................... 31 Bijlagen .................................................................................................................................................. 31

2

1. Inleiding 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied De initiatiefnemer van dit plan is eigenaar en woonachtig op het adres Deurningerstraat 49 in Deurningen. De locatie is gelegen in het buitengebied, tussen de kommen van Hengelo en Deurningen. Het perceel is kadastraal geregistreerd als WSL02-N-1763, kadastrale gemeente Weerselo.

Aanduiding van de projectlocatie

Uitgangspunt bij plaatsing van zonnepanelen voor eigen gebruik is dat deze in eerste instantie op de daken worden gelegd. Kan dit niet dan is het uitgangspunt dat deze binnen of aangrenzend aan de woonbestemming worden geplaatst. Ook dit is hier niet mogelijk. De argumentatie voor het niet plaatsen van de zonnepanelen op de daken en de motivering voor de gekozen planlocatie wordt nader verwoord in paragraaf 1.2 onder Belangenafweging. De intentie is om, op eigen perceel, een kleinschalige veldopstelling te maken van zonnepanelen. Dit is voor eigen gebruik, maar niet aangrenzend aan het erf met de functie Wonen. De locatie van de 120 panelen (circa 300 m2) kent de functie “Agrarisch-1” in het vigerende omgevingsplan. Het initiatief past daardoor niet binnen de regels van het omgevingsplan van rechtswege. Middels een brief van 7 maart 2023 heeft het college van Burgemeester en wethouders aangegeven dat er mogelijkheden bestaan hieraan toch medewerking te verlenen, doormiddel van een project afwijkingsbesluit (buitenplans afwijken).

3

Door de invoering van de omgevingswet op 1 januari ’24 is het mogelijk af te wijken van het omgevingsplan via een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Voor dit plan wordt hiervoor gekozen. Deze Ruimtelijke Onderbouwing levert de motivering dat de planlocatie acceptabel is.

1.2 Beoordelingskader en belangenafweging Beoordelingskader Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan van rechtswege. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat uit: -

(ruimtelijke) regels uit verschillende in artikel 4.6 Invoeringswet aangewezen vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen;

-

rijksregels over activiteiten, aangeduid als de bruidsschat.

Ligging van het zonneveld aan de Borgdijk en Deurningerstraat.

Bij vergunningverlening van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt enerzijds dat een vergunning voor de activiteiten alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.

4

De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing: -

de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl;

-

de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening;

-

eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieuaspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld. Bij

de

beoordeling

of

de

gemeente

een

vergunning

wil

verlenen

voor

de

buitenplanse

omgevingsplanactiviteit is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn deze regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de buitenplanse omgevingsplanactiviteit ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen. De gemeenteraad heeft een aantal gevallen aangewezen waarvoor een bindend advies van de gemeenteraad is vereist alvorens de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit vergunning verleend kan worden. Dit is voor dit zonneveld van toepassing; het veld is ter grootte van 300 m2 en dus groter dan 50 m2. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.

Belangenafweging Het college heeft bij het bepalen om wel of geen vergunning te verlenen om af te wijken van het omgevingsplan beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoeringen vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is. Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen.

5

Ondanks dat het project in strijd is met het omgevingsplan van rechtswege kan de omgevingsvergunning voor het project worden verleend, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het project bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit projectgebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. De woning is voorzien van een karakteristiek, antraciet zinken dak, dat bepalend is voor het ontwerp en de uitstraling van het huis. Het plaatsen van zonnepanelen op het dak van het hoofdgebouw zouden de belijning en architectuur van de woning aanzienlijk verstoren. Wat zou leiden tot een aanzienlijke aantasting van de esthetiek van de woning. Bovendien zou dit veel van de zorgvuldige aandacht en investeringen tenietdoen, die destijds in overleg de gemeente, zijn gedaan om de woning optimaal in het landschap te laten passen. De zuidzijde van het zadeldak van het hoofdgebouw, wat de enige relevante zijde is voor de plaatsing van zonnepanelen gezien de ligging van de woning, biedt onvoldoende ruimte voor de plaatsing van zonnepanelen. Hier is ruimte voor slechts 25 tot 30 zonnepanelen. Daarnaast zou ook het dak van de losstaande schuur gebruikt kunnen worden om zonnepanelen te plaatsen. Dit biedt ruimte voor 20 tot 24 panelen.

Dit is echter nog steeds niet toereikend om de woning van de benodigde energie te voorzien. Deze uitkomst kan een reden zijn om af te zien van het plaatsen van zonnepanelen, waardoor de woning niet optimaal verduurzaamd kan worden. Omdat de eigenaar beschikt over een relatief groot perceel van rond de 8ha, is de oplossing gezocht in het plaatsen van alle benodigde zonnepanelen op de aangevraagde locatie. Deze locatie is uitgekozen als resultaat van een optimalisatie van verschillende factoren zoals: blootstelling aan zon (efficiëntie), minimale hinder/zichtbaarheid, inpassing in de natuurlijke omgeving, optimalisatie investeringen door het voorkomen van plaatsing van zonnepanelen op meerdere locaties (verschillende daken, weide, etc.) Een bijkomend voordeel van het plaatsen van de zonnepanelen op de huidige locatie en niet op de daken of andere locaties op het perceel, is dat het voorkomt dat omwonenden in de omgeving (Hasseler Es, Hengelo) geen last hebben van schittering van de panelen. Hierover zijn zorgen uitgesproken door de bewoners aldaar, bij het lezen van de publicatie van onze aanvraag. Men was bang dat de panelen in de weide storend zouden zijn als deze zichtbaar zouden zijn voor hen. De locatie van de panelen ligt in de lijn van de bebouwing (en groen) aan de Borgdijk. Er is daarmee een ruimtelijke koppeling met de bestaande bebouwingsstructuur.

Het project is afgestemd met naaste omwonenden en deze heeft initiatiefnemer daarvoor een brief overlegd (zie bijlage 1). Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en

6

gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen. Gelet op voorgaande overwegingen zijn er in hoofdstuk 7 voorwaarden aan de vergunning verbonden voor de ontwikkeling van het project. Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de omgevingsvergunning geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het verlenen van de omgevingsvergunning is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.

1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg, het participatietraject en of een bindend advies van de gemeenteraad benodigd is. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot zijn in hoofdstuk 7 de voorwaarden opgenomen die aan deze buitenplanse omgevingsplanactiviteit vergunning zijn verbonden.

7

2. Toekomstige situatie 2.1 Gewenst ontwikkeling Aan de Borgdijk wordt een kleinschalig zonneveld aangelegd voor de bewoners van Deurningerstraat 49 (Deurningen). Dit veld van circa 300 m2 wordt verdiept aangelegd en biedt ruimte voor 120 zonnepanelen. De panelen krijgen een oost-west opstelling voor een zo gunstig mogelijk resultaat op een klein oppervlakte.

Visualisatie van het zonneveld, inclusief uitbreiding van opgaand groen (Johan Senci Architect).

2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving Zowel de Deurningerstraat als de Borgdijk kennen al een zoom van opgaande beplanting langs de rijbanen. Ten westen, noorden en oosten van de panelen komt extra groen, in aansluiting van het bestaande langs de Borgdijk. Deze nieuwe aanplant beslaat circa 400 m2 en wordt gevuld met inheemse soorten (zie bijlage 2). Het veld met panelen wordt opgedeeld in twee delen, met groen als scheiding. De ligging is verdiept zodat de schuingeplaatste panelen niet boven het maaiveld uitsteken. Het veld krijgt geen trafostation of iets dergelijks. Alle kabels worden ondergronds weggewerkt, buiten de kroonprojecties, richting de woning. Hierdoor valt het zonneveld grotendeels uit het zicht vanaf de openbare weg en belendende percelen. De aanleg en instandhouding wordt geborgd middels een voorwaarde aan de vergunning.

8

Ontwerptekening van het zonneveld, inclusief uitbreiding van opgaand groen (Johan Senci Architect).

Doorsnede over de lengteas en een dwarsdoorsnede (Johan Senci Architect)

De bodem onder het veld wordt slechts voor circa 25 cm ontgraven. Het regenwater behoudt zijn natuurlijke afvoer en de impact voor het bodemleven op het (voormalige) agrarische land is beperkt. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat hiervoor geen vergunningplicht van toepassing is als bedoeld in artikel 3.6 van het omgevingsplan, onderdeel Buitengebied 2010.

3. Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege 3.1 Omschrijving gevraagde activiteiten Het initiatief heeft betrekking op de volgende activiteiten: het verdiept aanleggen van 120 zonnepanelen in een weide. Daarvoor wordt de toplaag van de bodem verwijderd. De panelen komen in oost-west richting te liggen met een beperkte hellingshoek. Voor het verdiept aanleggen van de panelen is geen vergunningplicht van toepassing is als bedoeld in artikel 3.6 van het omgevingsplan, onderdeel Buitengebied 2010. Voor de ondergrondse energiekabels is wel een aanlegvergunning nodig. Er zijn geen

9

milieubelastende activiteiten. Dit bouwwerk is niet mogelijk in de huidige functie “Agrarisch – 1”. Rond het zonneveld komt opgaande beplanting. Door de lage ligging en uitbreiding van de bestaande groenstrook zijn de panelen uit het zicht van de openbare weg. De bewoner van naastgelegen woning heeft aangegeven geen moeite te hebben met de zonnepanelen.

3.2 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege 3.2.1 Strijdigheden met “Bestemmingsplan Buitengebied 2010” Het bouwplan is gelegen in het “Omgevingsplan, onderdeel Buitengebied 2010", in de functie "Agrarisch - 1". Het bouwplan is in strijd met het huidige bestemmingsplan; De panelen worden geplaatst in de functie "Agrarisch - 1" en gebruikt ten dienste van “Wonen”.

Fragment van de verbeelding van het ‘Omgevingsplan, onderdeel Buitengebied 2010’, met aanduiding van de projectlocatie (rood kader).

3.2.2. Bruidsschat Het zonneveld betreft geen milieubelastende activiteit of kan op zichzelf geen milieubelasting ervaren. Er is geen productie van geluid, trilling of stank of een toename van gevaar. Er zijn geen bepalingen uit de bruidsschat relevant voor de gevraagde activiteit.

10

3.2.3 Gemeentelijke verordeningen Er zijn geen geldende lokale verordeningen van toepassing.

3.2.4 Bodemkwaliteitskaart De beperkte ontgraving van circa 25 cm. in een weide heeft geen invloed op de bodemkwaliteit. Hier wordt geen nader onderzoek naar gedaan.

3.2.5 Nota omgevingskwaliteit (welstand) Een bouwwerk moet voldoen aan redelijke eisen van welstand. Deze criteria zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente: “Nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen” (juli 2019). Volgens de gekoppelde “Kaart Omgevingskwaliteit Dinkelland” geldt voor het betreffende gebied het regime “Buitengebied – Niveau midden”. De gebiedsgerichte criteria zijn ontoereikend voor het kleine zonneveld. Het plan voor de zonnepanelen is een aantal maal beoordeeld door de stadsbouwmeester. Door het toevoegen van beplanting aan drie zijden van het zonneveld is deze grotendeels uit het zicht. Gezien de voorbesprekingen is er vertrouwen dat de stadsbouwmeester akkoord gaat als het plan nogmaals wordt voorgelegd bij de definitieve vergunningsaanvraag.

4. Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht 4.1 Visie en beleid voor het plangebied 4.1.1 Nationale omgevingsvisie Vooropgesteld wordt dat het Rijksbeleid geen concrete relevantie heeft voor voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Wel kan in het algemeen gesteld worden, dat het voornemen in overeenstemming is met de door het Rijk vastgestelde Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Aangezien de Ladder van duurzame verstedelijking hierin een bijzondere positie inneemt, wordt hieraan concreet aandacht besteed.

11

4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024 Omgevingsvisie De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. De ambities in het kader van duurzaamheid zijn: klimaatbestendigheid, het realiseren van een duurzame energiehuishouding, het sluiten van kringlopen (circulaire economie) en het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur. Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet op het vergroten van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is daarbij van belang, waarbij een vitaal en samenhangend stelsel van gebieden met een hoge natuur- en waterkwaliteit wordt ontwikkeld.

Ook de ontwikkeling van een continu en beleefbaar watersysteem, het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen en het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken, zijn ambities op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. Het zorgvuldig inpassen van nieuwe initiatieven heeft als doel om de samenhang in en de identiteit van een gebied te versterken en nieuwe kwaliteiten te laten ontstaan. Een zichtbaar en beleefbaar landschap en het behouden en waar mogelijk verbreden van het bestaande aanbod aan woon-, werk- en mixmilieu's betreffen ruimtelijke kwaliteitsambities. De ambitie van de provincie Overijssel is dat elk project bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving en dat nieuwe initiatieven worden verbonden met bestaande kwaliteiten. De Catalogus Gebiedskenmerken, die per gebiedstype beschrijft welke kwaliteiten behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden, is daarbij een instrument om te sturen op ruimtelijke kwaliteit. Ten aanzien van sociale kwaliteit is het koesteren en het gebruik maken van 'noaberschap' de ambitie, evenals het stimuleren van culturele identiteit van de provincie Overijssel, zowel lokaal als regionaal. Duurzame ontwikkeling van cultureel erfgoed (bijv. herbestemmen/hergebruik monumenten en karakteristieke bebouwing) hoort hierbij.

Het realiseren van sociale kwaliteit wordt gedaan door het actief betrekken van bewoners bij projecten en het bieden van ruimte aan initiatieven van onderop. De omgevingsvisie gaat in ‘artikel 10.8.2.2 Zonne-energie’ specifiek in op zonne-energie: “Installaties voor de opwekking van zonne-energie zijn onmisbaar voor de provinciale doelstelling voor de toepassing van hernieuwbare energie. Uit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik willen wij zonnepanelen en andere vormen van opwekking van zonne-energie zoveel mogelijk combineren met andere functies, bij voorkeur met bebouwing. Goede landbouwgronden worden zoveel mogelijk ontzien. Daarom passen we voor de beoordeling van initiatieven voor het opwekken van zonne-energie de

12

zonneladder toe. De zonneladder geeft de voorkeursvolgorde aan bij de verdeling van de opwekopgave voor zonne-energie. In Overijssel zien we de volgende mogelijkheden voor zonne-energie: •

In bestaand bebouwd gebied op daken, dan wel;

•

In bestaand gebied op bedrijventerreinen en braakliggende gronden, dan wel; In de groene omgeving binnen bestaande bouwvlakken (bij voorkeur op daken) en aansluitend aan de rand van kernen.

Nu is al te voorzien dat op korte termijn slechts in een deel van de opgave voor de opwekking van hernieuwbare energie kan worden voorzien binnen het bestaand bebouwd gebied. Daarom bieden wij de mogelijkheid om – als uitzondering op de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik – in de Groene Omgeving tijdelijke zelfstandige opstellingen van zonnepanelen te realiseren. Dit is in de Omgevingsverordening geregeld met de Kwaliteitsimpuls zonnevelden. Daarin is vastgelegd dat zelfstandige opstellingen van zonnepanelen mogelijk zijn voor een periode van niet meer dan 25 jaar op een wijze die omkeerbaar is en waarbij de oorspronkelijke bestemming gehandhaafd blijft. Gelet op de impact die (ook tijdelijke) veldopstellingen van zonnepanelen kunnen hebben op hun omgeving, zal niet alleen de maatschappelijke meerwaarde van het initiatief moeten worden aangetoond, maar zal er ook compensatie moeten plaatsvinden door extra te investeren in de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

Toepassing van de zonneladder betekent dat wij alleen medewerking verlenen aan monofunctionele zonnevelden in de Groene Omgeving (trede 3) als de gemeente en de initiatiefnemer hebben verkend en gemotiveerd dat trede 1 (stimuleren van de productie van zonne-energie op daken in bebouwd gebied of gebruik maken van te bebouwen gebieden of bruikbare restruimte) en trede 2 (combineren van de productie van zonne-energie met gebiedsopgaven in stads- en dorpsranden of gebiedsontwikkelingen in de groene omgeving) niet mogelijk zijn. Het aantonen van de maatschappelijke meerwaarde van een initiatief voor zonnevelden in de Omgeving kan door: a. de mate waarin sprake is van meervoudig ruimtegebruik b. maatregelen die getroffen worden om de impact te beperken en/of te compenseren (bijvoorbeeld verlaagd aanleggen of met een houtwal of wal eromheen) c.

de mate waarin wordt aangesloten op de karakteristieken van het gebied

d. bijdrage aan maatschappelijke doelen (in ieder geval aan de provinciale doelen ten aanzien van duurzaamheid, maar ook aan andere maatschappelijke opgaven)”

Bij het initiatief aan de Deurningerstraat hebben gemeente en initiatiefnemer de mogelijkheden verkend en geconcludeerd dat er op de daken of in restruimtes geen alternatieven zijn (trede 1) en er geen kansen zijn om het zonneveld te combineren met gebiedsopgaven (trede 2). Belangrijke meerwaarden worden bereikt door het aspect duurzaamheid, de verlaagde ligging en uitbreiding van een bestaande houtwal.

13

Omgevingsverordening De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Op 11 oktober 2023 is het voorgenomen ruimtelijk beleid voor grondgebonden zonne-installaties door GS gepubliceerd. Het voorgenomen ruimtelijk beleid zonne-energie is opgesteld voor efficiënt gebruik van de schaarse ruimte en landbouwgrond en natuur en waar mogelijk te ontzien bij de aanleg van zonnevelden. Nieuw provinciaal beleid vanaf 2024 voor zonnevelden is aanleiding om de Omgevingsverordening aan te passen. In de nieuwe Omgevingsverordening staan instructieregels die gemeenten verplichten om bij het aanpassen van hun omgevingsplan rekening te houden met wat de provincie belangrijk vindt. Er is een procedure gestart voor het strenger maken van de instructieregels voor zonnevelden.

Daardoor is het in principe niet langer mogelijk om zonnevelden te realiseren op landbouw- en natuurgronden. In de instructieregel staan de uitzonderingen wanneer nog wel zonnevelden mogen worden gerealiseerd. Voor de opgave voor het opwekken van zonne-energie zijn er inmiddels genoeg zonnevelden. Vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik is het beter om zonnepanelen op gebouwen te leggen. De extra investering in ruimtelijke kwaliteit is geformuleerd als een bijzondere vorm van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving zoals die is opgenomen in artikel 4.11 van de Omgevingsverordening. In de balans tussen ontwikkeling en kwaliteitsinvestering mag rekening gehouden worden met feit dat een zelfstandige opstelling voor zonnepanelen alleen als tijdelijk gebruik kan worden toegestaan. Aan de andere kant geldt dat er wel degelijk sprake is van langdurige impact op de omgeving omdat het tijdelijke gebruik een periode van niet meer dan 25 jaar kan beslaan. Deze regeling voor zonnevelden in de Omgevingsverordening wordt begeleid met een handreiking aan gemeenten en initiatiefnemers, een voorbeeldenboek en informatieve bijeenkomsten. De gevraagde zonne-energie in combinatie met de bijzonder architectuur van de woning maakt het niet mogelijk alle zonnepanelen op het dakvlak te monteren. Voorgenomen, kleinschalige ontwikkeling betreft een privé-zonneveld met weinig impact.

Er is een inrichtingsplan opgesteld waarin de aanleg van het zonneveld landschappelijk goed wordt ingepast. Er wordt naast het zonneveld geïnvesteerd in de omgeving om de panelen uit het zicht te brengen en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse te versterken door gebiedseigen beplanting (zie bijlage 2). Hierdoor wordt geacht dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de eisen van de Kwaliteitsimpuls Zonnevelden en de nieuwe Omgevingsverordening.

14

4.1.3 Nieuwe Energie Overijssel Ook de Provincie Overijssel streeft naar verduurzaming en de hiervoor benodigde (grootschalige) productie van duurzame energie om aan de nationale energie-transitie te kunnen bijdragen. Om deze doelstelling te behalen heeft de provincie Overijssel, een Programma Nieuwe Energie Overijssel, evenals een kwaliteitsimpuls zonne-energie opgesteld, waarin zowel gehoor aan de noodzaak tot het opwekken van zonne-energie, alsmede structurerende richtlijnen voor het opwekken van deze energievorm in veldopstelling gegeven worden. In 2016 is de provincie Overijssel samen met kernpartners van start gegaan met de ontwikkeling van het Programma Nieuwe Energie Overijssel. Dit programma had als doel om in 2023 20% hernieuwbare energie te realiseren en besparings- en efficiencymaatregelen in verschillende sectoren te stimuleren. Met betrekking tot zonne-energie was de doelstelling 600 hectare aan veldopstellingen in 2023. Ondanks de realisatie van diverse projecten (en in de pijplijn) is dit doel nog niet behaald. Met name door voorlichting tracht de provincie nu de toepassing van zonnepanelen te stimuleren, met name op daken, parkeerplaatsen en op gevels. Het private zonnepanelenveld aan de Deurningerstraat in Deurningen levert via de opwekking van duurzame energie een beperkte bijdrage aan duurzaamheidsdoelstellingen die de Provincie Overijssel voorstaat.

4.1.4 Omgevingsvisie Dinkelland De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn: We doen het samen; We geven het goed voorbeeld; We wentelen niet af op volgende generaties; We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. De gemeente Dinkelland wil een economisch sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Dinkelland is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen

15

verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden. In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Dinkelland streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit wordt gedaan samen met de inwoners, partners en de gebruikers. De speerpunten voor het buitengebied zijn: toekomstgerichte agrarische sector, een goede staat van landschap en biodiversiteit en kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is.

Naast de speerpunten wordt er in de omgevingsvisie gesproken over de waardenkaart die het buitengebied van de gemeente Dinkelland verdeelt in verschillende types landschappen. Het plangebied is gelegen in het lichtgroen gekleurd landschap. Dit zijn landschappen waar in de afgelopen 80 tot 100 jaar veel is veranderd en waar de lagere landschapswaarde ruimte voor ontwikkeling biedt. Dit zijn bijvoorbeeld de heide-of veen-ontginningen met een hoge dynamiek. Hier moet worden ingespeeld op de schaal van het landschap, het agrarische karakter, gemengde functies, bouwwijze en inrichting die in de omgeving gebruikelijk is, opgeruimd landschap, geclusterde bebouwing, heldere structuren, verbeteren van de biodiversiteit en op het vasthouden van water. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld om de aanleg van een zonnepanelenveld op agrarische gronden mogelijk te maken. De daken van de woning zijn niet toereikend om in voldoende zonnepanelen te voorzien (zie ook paragraaf 1.2). Hierdoor wordt gebruik gemaakt van de agrarische gronden. Deze gronden bevinden zich in een lichtgroen gekleurd landschap waar ruimte is voor ontwikkelingen, omdat er een lagere landschapswaarde geldt. Door de aanleg van het zonnepanelenveld kan er duurzame energie worden opgewekt, waarmee o.a. elektrische voertuigen opgeladen kunnen worden.

Het zonnepanelenveld wordt landschappelijk goed en zorgvuldig ingepast en er wordt geïnvesteerd in het landschap waardoor de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving wordt versterkt. Dit wordt gedaan door het toevoegen van gebiedseigen landschapselementen. Er wordt bijgedragen aan het meer duurzaam maken van het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Geconcludeerd kan worden dat de voorliggende ontwikkeling in overeenstemming is met de omgevingsvisie van de gemeente Dinkelland.

16

4.1.5 Ontwikkelingsmogelijkheden grootschalige zonnevelden in Noordoost-Twente, Energie van Noordoost-Twente De Gemeenten Losser, Dinkelland, Tubbergen en Oldenzaal hebben in april 2019 beleid gepresenteerd het doel om in 2023 20% duurzame opwekking (elektriciteit en warmte samen) te realiseren in aansluiting op de ambitie van de provincie Overijssel. Binnen Noordoost Twente werken de gemeenten samen aan de energietransitie. Daarvoor hebben zij op 15 november 2016 het ambitiedocument ondertekend. Het plan aan de Deurningerstraat geldt als kleinschalig initiatief voor een veldopstelling, die alleen voorziet in de eigen energiebehoefte van de initiatiefnemer. De energie is nodig voor minimaal twee elektrische auto’s’ en ander privégebruik. Vanuit efficiëntie en esthetiek is gekozen daarvoor niet het dak van de eigen woning te gebruiken. Hiervoor kan het college van Burgemeester en Wethouders besluiten medewerking te verlenen. Daarvoor zijn de richtlijnen die in het beleidsdocument staan beschreven niet direct van toepassing. In dat geval is het reguliere gemeentelijke ruimtelijke toetsingskader van toepassing. Daarom moet er sprake zijn van een goede ruimtelijke/landschappelijke inpassing. Daarnaast wordt het uitgangspunt gehanteerd dat zonnevelden tijdelijk bestaan.

Dit uitgangspunt wordt gehanteerd, omdat men op langere termijn verwacht geen veldopstelling meer nodig te hebben vanwege innovatie en prijsdaling, waardoor andere voordelige vormen van energieopwekking gaan ontstaan.

4.1.6 Nota ‘De casco benadering in Noordoost-Twente’ De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart (figuur 3.4) kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco. Het plangebied is globaal zwart omlijnd.

17

Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie).

Fragment van de casco-kaart Noordoost Twente uit de Atlas van Overijssel, met aanduiding van projectlocatie.

Volgens bovenstaande fragment van de casco-kaart behoort het plangebied zich niet toe tot de Casco. Bij delen van het plangebied die zich niet tot de Casco toebehoren mogen de elementen wel verplaatst worden. Middels voorliggende ontwikkeling worden er echter geen elementen verplaatst of verwijderd. Er worden juist elementen toegevoegd in de vorm van een uitbreiding van een houtsingel langs de Borgdijk. Geconcludeerd kan worden dat voorliggende, kleinschalige ontwikkeling volledig in overeenstemming is met het bepaalde in de Nota ‘De casco benadering in Noordoost-Twente’.

4.2 Voorbereidingsfase Er is een vooroverleg geweest waarbij een beoordelingsbrief van het vooroverleg richting initiatiefnemer is gestuurd. Middels een brief van 7 maart 2023 heeft het college van Burgemeester en wethouders aangegeven dat er mogelijkheden bestaan hieraan toch medewerking te verlenen, doormiddel van een project afwijkingsbesluit (buitenplans afwijken).

18

4.2.1 Provinciaal vooroverleg Het planvoornemen is op 13-09-2024 middels een voorkantsamenwerking aan de provincie voorgelegd. De provincie heeft op 02-10-2024 hierop de volgende reactie gegeven: “Wordt dit kleinschalige zonneveld beschouwd als een kleinschalige openbare (nuts)voorziening in het buitengebied en daarmee valt het binnen de uitzonderingslijst. In het voorbereidingsbesluit en ontwerp-omgevingsverordening hebben we aangegeven dat zonnevelden niet meer worden toegestaan op landbouw- en natuurgronden. Daarom is de zonneladder aangescherpt en geldt alleen nog voor nieuwe initiatieven de trede 1 van de Overijsselse zonneladder. Dat houdt in dat er alleen nog ruimte is voor nieuwe initiatieven die vallen onder: •

de productie van zonne-energie op daken van gebouwen (zoals woningen, bedrijven, (agrarische) gebouwen),

•

het gebruik van gebieden die bebouwd kunnen worden en bruikbare restruimten (boven parkeerterreinen en op geluidwallen) voor het opwekken van zonne-energie;

•

kleine, goed ingepaste zonnevelden op (agrarische) erven (tot 2 ha) en kleine, goed ingepaste zonnevelden van lokale initiatieven in stads- en dorpsranden (tot 2 ha).

Aanvullend daarop bieden wij binnen de Groene Omgeving ruimte voor het realiseren van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen voor: •

initiatieven langs hoofdinfrastructuur;

•

boven bestaande verhardingen (parkeerterreinen);

•

op water zoals inmiddels gerealiseerd op de zandwinplassen Bomhofsplas en Sekdoornseplas, en

•

voor kleinschalige installaties voor eigen gebruik.

Dit initiatief kan aangemerkt worden als een kleinschalige installatie voor eigen gebruik. Het dak is dan de meest voor de hand liggende plek om zonnepanelen te plaatsen. Er bestaan echter situaties waarin de eigenaar van een gebouw graag wenst te voorzien in zijn eigen energiebehoefte, maar legitieme redenen heeft om het dak daarvoor niet te gebruiken. Het dak ligt bijvoorbeeld gedurende een groot deel van de dag in de schaduw, het gebouw wordt onverzekerbaar, of zonnepanelen doen afbreuk aan de cultuurhistorische waarde van het gebouw. Voor die situaties is de laatste uitzonderingsgrond bedoeld. Daarnaast wordt het veld landschappelijk goed ingepast waardoor het effect op de ruimtelijke kwaliteit klein is. Advies Op grond hiervan geven wij een positief advies ten aanzien van de aanvraag omgevingsvergunning BOPA zoals deze nu aan ons is voorgelegd.

19

Instemming Wanneer de aanvraag omgevingsvergunning niet meer wordt gewijzigd en u overeenkomstig die aanvraag beslist, maken wij geen aanspraak op ons recht op instemming ex. artikel 16.16 lid 4 Omgevingswet. Wanneer de aanvraag omgevingsvergunning nog wordt gewijzigd dan wel u in afwijking van die aanvraag beslist, verzoeken wij u het conceptbesluit naar ons toe te sturen voor instemming ex. artikel 16.14 Omgevingswet.” 4.2.2 Participatie omgeving Participatie is een aanvraagvereiste met als gevolg dat aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten als niet of niet voldoende aan participatie is gedaan. De gemeenteraad heeft bij de BOPA participatie verplicht gesteld. Is bij de aanvraag omgevingsvergunning bij de BOPA niet of niet voldoende aan participatie gedaan, dan kan de aanvraag buiten behandeling worden gelaten. Wel moet aanvrager de gelegenheid krijgen het gebrek te herstellen (artikel 4:5 lid 1 Awb). De aanvrager moet in ieder geval het verslag aanleveren zoals dat is verwoord in paragraaf 5.5 van het beleid. Al vroeg in het planproces zijn naastgelegen buren (Borgdijk 2) geïnformeerd over het voornemen. Met een brief is aangegeven dat er geen bezwaar is voor de aanleg van het zonneveld (zie bijlage 1). Later is het plan alsnog aangepast en nog meer uit het zicht gehaald door meer beplanting toe te voegen rond het kleine zonneveld.

Dit gebeurde na overleg met de stadsbouwmeester. Ook dit aangepaste plan is gedeeld met de naastgelegen buren. Overige buren zijn op grote afstand en kunnen het zonneveld vanuit de woning of bedrijf niet ervaren. Daarmee

wordt

geconcludeerd

dat

er

voldoende

rekening

is

gehouden

met

het

‘inwonersparticipatie’ van de gemeente Dinkelland, inclusief de daarin opgenomen ‘Checklist’.

Zicht op de weide voor het nieuwe zonneveld, gekeken vanaf de Borgdijk, naast huisnummer 2.

20

beleid

4.2.3. Bindend adviesrecht gemeenteraad De raad heeft op grond van artikel 16.15 onder a en b van de Omgevingswet bepaald in welke gevallen een bindend advies van de gemeenteraad is vereist. Het gaat onder meer voor duurzame energievoorzieningen, zoals een zonneveld voor zover groter dan 50 m2. Het initiatief betreft een zonneveld van 300 m2. Voor onderhavig plan moet dus een bindend advies van de gemeenteraad worden gevraagd. Per -DATUM- heeft de raad besloten een positief advies te geven.

21

5. Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt bij vergunningverlening van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dat een vergunning voor de activiteiten alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de buitenplanse omgevingsplanactiviteiten zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl (Besluit kwaliteit leefomgeving) de volgende regels en instructies van toepassing: -

de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 ‘Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ van het Bkl;

-

de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening;

-

eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieuaspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.

5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan of de BOPA rekening te worden gehouden.

Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met

22

betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo), van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven). Stedelijke ontwikkeling Het private zonneveld kan door zijn aard en schaal niet gerekend worden tot een nieuwe stedelijke ontwikkeling (uitspraak van 23 januari 2019 ECLI:NL:RVS:2019:178 (Hof van Twente); ladder niet van toepassing bij een zonnepark). Behoefte Er is zowel sprake van een kwantitatieve als een kwalitatieve behoefte. Bestaand stedelijk gebied Vervolgens dient beoordeeld te worden of, indien er een behoefte aan een stedelijke ontwikkeling is, de beoogde ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied in de betreffende regio kan worden gerealiseerd. Onder bestaand stedelijk gebied wordt verstaan: het bestaande stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Ook onbebouwd gebied kan onderdeel zijn van het bestaand stedelijk gebied. De ontwikkellocatie wordt niet gerekend tot een bestaand stedelijk gebied. Het behoort tot een agrarische bufferzone tussen de kernen Hengelo en Deurningen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en daarom artikel 5.129g Bkl niet van toepassing is.

Wel is in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties beoordeeld of er sprake is van een behoefte. Zoals blijkt uit het voorgaande is er sprake van een behoefte.

5.2 m.e.r.-beoordeling De mer-regelgeving is uitgewerkt in verschillende onderdelen van de Omgevingswet. Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de projecten en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MERbeoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MERbeoordelingsprocedure. Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met project-mer-plichtige en project-mer-beoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het Ob.

23

Er wordt middels deze ruimtelijke onderbouwing de aanleg van een zonnepanelenveld mogelijk gemaakt. Het huidige gebruik van het plangebied is agrarisch. Het aanleggen van een zonnepanelenveld wordt niet expliciet benoemd in de lijst van het Besluit milieueffectrapportage. Het

was

lang

onduidelijk

of

een

zonnepark

(zonnepanelenveld)

valt

onder

het

Besluit

milieueffectrapportage. Uit de uitspraak van de Raad van State (ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770) blijkt dat dit niet het geval is. Deze uitspraak gaat over een zonnepark waarvoor via de kruimelgevallenregeling een omgevingsvergunning is verleend. Het park bevat ongeveer 22.500 zonnepanelen en enkele trafostations. De Raad van State geeft aan dat een zonnepark niet onder de reikwijdte van het Besluit milieueffectrapportage valt. Een zonnepark is volgens de Raad geen: landinrichtingsproject, stedelijk ontwikkelingsproject of industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water. Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).

5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren Het plangebied langs de Borgdijk ligt op privégrond en wordt niet ontsloten van de openbare weg. Het is niet de verwachting dat het zonnepanelenveld kan leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. De aanleg van een zonnepanelenveld zorgt eveneens niet voor een toename in de parkeerbehoefte in het gebied. Geconcludeerd kan worden dat de aspecten ‘verkeer’ en ‘parkeren’ geen belemmering vormen voor voorliggende ruimtelijke onderbouwing.

5.4 Soortenbescherming en gebiedsbescherming Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).

24

Zicht op de weide voor het nieuwe zonneveld, gekeken vanaf de Deurningerstraat.

NNN en Natura-2000 De ontwikkeling vindt plaats op een weidegebied met de functie agrarisch; op meer dan 400 meter van het Natuurnetwerk Nederland en op 2,3 kilometer van het dichtbij zijnde Natura 2000-gebied: Lonnekermeer. Bijzondere natuurwaarde op de (voormalige) agrarisch grond ligt niet voor de hand. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het plangebied en het Natuurnetwerk Nederland en het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is een negatief effect uitgesloten. De aanleg van het zonneveld wordt gecombineerd met een uitbreiding van circa 400 m2 aan opgaand groen met inheemse soorten. De verwachting is juist dat de natuurwaarden kunnen toenemen. Daarom is afgezien van een nader ecologisch onderzoek. Stikstof Het plangebied ligt op minimaal 2,3 kilometer afstand van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000- gebied. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een uitstoot van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Deze conclusie wordt getrokken op basis van ervaring met het opstellen van stikstofberekeningen voor vergelijkbare projecten, zoals qua omvang als afstand tot Natura 2000-gebied.

Nader onderzoek, zoals een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht. Soortenbescherming Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel soorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Met verschillende wetsinstrumenten is het mogelijk om te zorgen voor de bescherming van flora en fauna. Dit voorkomt achteruitgang van de biodiversiteit. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij

25

ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Bijzondere dier- en plantsoorten worden niet verwacht op de (voormalige) agrarische grond. De aanleg van het zonneveld wordt gecombineerd met een uitbreiding van circa 400 m2 aan opgaand groen met inheemse soorten (zie bijlage 2). De verwachting is juist dat de biodiversiteit kan toenemen. Daarom is afgezien van een onderzoek naar beschermde dier- en plantsoorten.

5.5 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);

•

Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Met de nieuwe Omgevingswet toetst de overheid minder (ruimtelijke) projecten aan de regels voor luchtkwaliteit. Ook de monitoring van de luchtkwaliteit is in een kleiner gebied nodig. Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden. Net als eerder is er een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: •

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;

•

woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;

•

kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

26

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. In voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt de aanleg van een klein zonnepanelenveld mogelijk gemaakt. De aanleg van een zonnepanelenveld wordt niet benoemd in de regeling NIBM. Een toename in de verkeersbewegingen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is nauwelijks denkbaar, maar zal niet ten koste gaan van de luchtkwaliteit. De verkeersbewegingen hebben immers betrekking op elektrische auto ’s die niet milieubelastend zijn.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Luchtkwaliteit’ geen belemmering vormt voor voorliggende ruimtelijke onderbouwing.

5.6 Geluid Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid veranderd. De regels voor beheersen van geluid gelden voor meer geluidbronsoorten en ze zijn vernieuwd. Ze zijn via het Aanvullingsspoor geluid geïntegreerd in de Omgevingswet. De meeste direct werkende regels over geluid staan in het omgevingsplan. Tot eind 2031 is sprake van een overgangsfase voor het omgevingsplan. Paragraaf 5.1.4.2.1 Besluit kwaliteit leefomgeving bevat specifieke instructieregels voor regels in het omgevingsplan over geluid door activiteiten. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een BOPA op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van

27

een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. Het toepassingsbereik van deze instructieregels bestaat uit activiteiten die geluid veroorzaken op legale geluidgevoelige gebouwen. De planologische status is bepalend. Een zonnepanelenveld is geen geluidsgevoelig object. Het produceert zelf ook geen geluid; de omvormer die mogelijk licht geluid produceert komt bij de eigen woning. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Geluid’ geen belemmering vormt voor voorliggende ruimtelijke onderbouwing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/855/documents/22637