Omgevingsplan Grotestraat 4 Rossum Bijlagen bij de motivering_Bijlage 8 Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum Projectnummer: 2024-0637 Datum: 25-2-2025 Versie 1.0 Opdrachtgever: Horich B.V. Bram Beune
Ben ten Oever
Adviseur Ecologie
Projectleider Ecologie
b.beune@lycens.nl
b.tenoever@lycens.nl
M 06 450 627 49
M 06 160 074 42
Inhoudsopgave Samenvatting ................................................................................................................................ 4 1. Inleiding .................................................................................................................................... 6 2. De ontwikkeling ...................................................................................................................... 7 2.1. Plangebied ............................................................................................................................................................ 7 2.2. Voorgenomen activiteiten ................................................................................................................................. 8 2.3. Onderzoeksgebied ............................................................................................................................................ 10
3. Natuurwetgeving en -beleid .............................................................................................. 12 3.1. Inleiding ............................................................................................................................................................... 12 3.2. Gebiedsbescherming ....................................................................................................................................... 12 3.3. Soortenbescherming ........................................................................................................................................ 12 3.4. Houtopstanden .................................................................................................................................................. 16
4. Gebiedsbescherming ........................................................................................................... 19 4.1. Natuurnetwerk Nederland en Nationaal Landschap .............................................................................. 19 4.2. Natura 2000 ......................................................................................................................................................... 20 4.3. Slotconclusie ...................................................................................................................................................... 21
5. Soortenbescherming ........................................................................................................... 22 5.1. Hypothese en bureauonderzoek ................................................................................................................... 22 5.2. Methode ............................................................................................................................................................... 22 5.3. Resultaten en wettelijke consequenties .................................................................................................... 24 5.4. Slotconclusie ...................................................................................................................................................... 29
6. Houtopstanden ..................................................................................................................... 32 7. Conclusies en advies ........................................................................................................... 33 8. Bronnen .................................................................................................................................. 34 Bijlagen ......................................................................................................................................... 35 Bijlage 1: Foto’s ........................................................................................................................................................... 36 Bijlage 2: Toelichting Omgevingswet aanvullingswet natuur ........................................................................ 38
3
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
Samenvatting Er zijn concrete plannen voor de realisatie van woningen aan Grotestraat 4 te Rossum (Overijssel). Om ruimte te creëren dient een deel van een bestaand pand gesloopt te worden. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet (aanvullingswet natuur) en kunnen consequenties ten aanzien van provinciaal beleid op voorhand niet uitgesloten worden. Lycens B.V. is gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet en consequenties ten aanzien van provinciaal beleid in beeld te brengen. Het onderzoeksgebied is op 8 mei 2024 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op houtopstanden en beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland en Nationaal Landschap. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming Het onderzoeksgebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en binnen het Nationaal Landschap. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Vanwege de ligging buiten deze gronden hoeft er niet getoetst te worden aan het NNN.
Het onderzoeksgebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en binnen het Nationaal Landschap. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Vanwege de ligging buiten deze gronden hoeft er niet getoetst te worden aan het NNN. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost Twente worden niet aangetast. Er hoeft dan ook niet getoetst te worden aan provinciaal beleid. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Een negatief effect van fysieke activiteiten op Natura 2000-gebied kan worden uitgesloten maar een negatief effect van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied kan niet worden uitgesloten. Geadviseerd wordt om een stikstofdepositieberekening te laten uitvoeren. Wettelijke consequenties m.b.t. soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het onderzoeksgebied als foerageergebied en mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels.
Amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en wordt mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Er wordt geen essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute aangetast. Verblijfplaatsen van vleermuizen mogen alleen verstoord, verwond of gedood worden indien daarvoor een omgevingsvergunning is verkregen. Om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te kunnen stellen is specifiek vervolgonderzoek vereist. Een volledig onderzoek, conform het vleermuisprotocol, bestaat uit minimaal vijf bezoeken aan het onderzoeksgebied in de periode van 15 mei tot en met september. Om een eventuele omgevingsvergunning voor het beschadigen/vernielen van een verblijfplaats van vleermuizen of het verstoren van een vleermuis te kunnen krijgen, moet er sprake zijn van een wettelijk belang, zoals opgenomen in de Habitatrichtlijn. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd, vernield en/of verstoord. In het onderzoeksgebied nestelen mogelijk vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond zijn beschermd. Om deze nesten te verstoren, beschadigen of vernielen is een ontheffing nodig. Om de functie
4
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
van de bebouwing voor huismussen en gierzwaluwen vast te kunnen stellen is specifiek vervolgonderzoek vereist. Een volledig onderzoek, conform het Soorteninventarisatieprotocol, bestaat uit minimaal 2 bezoeken tussen 1 april en 20 juni voor de huismus en 3 bezoeken tussen 1 juni en 15 juli voor de gierzwaluw. Van de in het onderzoeksgebied nestelende algemene vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Mogelijk komen algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën voor binnen het onderzoeksgebied. Deze soorten staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen of worden niet negatief aangetast door de geplande werkzaamheden.
Er hoeft dan ook geen omgevingsvergunning voor de uitvoering van voorgenomen activiteiten te worden aangevraagd. Aanbevolen wordt om buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren de mogelijkheid hebben om te vluchten. In het kader van de specifieke zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het onderzoeksgebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied tijdelijk aangetast. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Wettelijke consequenties m.b.t. houtopstanden Wegens de ligging van het onderzoeksgebied binnen de bebouwingscontour van houtkap is de bomenverordening van de gemeente Dinkelland van toepassing. Er dient te worden nagegaan of regels zijn opgesteld in het omgevingsplan over het vellen van houtopstanden van de betreffende gemeente. Indien er een vergunning nodig is, dient, afhankelijk van de gemeente, een Bomen Effect Analyse en een Boomwaardebepaling te worden uitgevoerd. Eveneens geldt er een herplantplicht voor de bomen die gerooid worden.
In hoeverre deze plicht geldt, is ook afhankelijk van de desbetreffende gemeente.
5
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
1.
Inleiding
Er zijn concrete plannen voor de realisatie van woningen aan Grotestraat 4 te Rossum (Overijssel). Om ruimte te creëren dient een deel van het pand te worden gesloopt. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet en provinciaal beleid op voorhand niet uitgesloten worden. Lycens B.V. is gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet en consequenties ten aanzien van provinciaal beleid in beeld te brengen. In het onderzoeksgebied is gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied en houtopstanden. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties en de consequenties ten aanzien van provinciaal beleid bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet en de Omgevingsverordening Overijssel.
Doel van deze rapportage De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het omgevingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Omgevingswet overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Omgevingswet is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.
In hoofdstuk 2 wordt de ontwikkeling beschreven. Hier wordt ingegaan op de ligging en beschrijving van het plangebied, de voorgenomen activiteiten en het vaststellen van het onderzoeksgebied. Hoofdstuk 3 bevat uitleg van natuurwetgeving en -beleid van voorliggend rapport. Hoofdstuk 4 bevat de uitwerking van gebiedsbescherming. De uitwerking van soortenbescherming wordt in hoofdstuk 5 beschreven. In hoofdstuk 6 komt de uitwerking van de houtopstanden aan bod. In hoofdstuk 7 komen de conclusies en advies aan de orde. Voor de geraadpleegde bronnen wordt verwezen naar hoofdstuk 8. In de bijlage zijn foto’s van het onderzoeksgebied en aanvullende informatie te vinden.
6
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
2.
De ontwikkeling
2.1.
Plangebied
Situering Het plangebied is gesitueerd aan de Grotestraat 4 te Rossum. De locatie ligt in de aan de rand ten oosten van de woonkern Rossum en wordt omgeven door zowel stedelijk als landelijk gebied. In figuur 2.1 wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
Figuur 2.1: Globale ligging van het plangebied
Beschrijving Het plangebied bestaat uit een café partycentrum met aan de zuidoostzijde parkeerplaatsen waar paardenkastanjes en lindes staan. In het noordwestelijke gedeelte van de bebouwing bevindt zich het café welke bestaat uit witte bakstenen buitengevels met luchtspouw. Het dak is gedekt met dakpannen. Daarnaast beschikt het pand over een windveer. Op deze windveer zijn kantpannen aanwezig waarvan enkele niet nauw aansluiten. Wel is er ruimte tussen de loodslab en de dakpannen aanwezig en is er een deel in de hoek gelegen waar zich geen dakpannen bevinden. Er bevinden zich enkele kozijnen in elke windrichting welke nauw aansluiten op de buitengevel. Aan de oostzijde bevindt zich een opening in de buitengevel. Verder bevat het pand gevelbetimmering aan de noordwest- en zuidoostzijde welke nauw aansluiten op de buitengevel en bevindt er zich een uitbouw aan de oostzijde. In figuur 2.2 wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven.
7
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
Figuur 2.2: Begrenzing van het plangebied
2.2.
Voorgenomen activiteiten
Initiatiefnemer is voornemens een deel van het café partycentrum te slopen en nieuwbouw te realiseren in de vorm van 5 starterswoningen, 4 appartementen en 5 levensloopbestendige woningen. Er worden i.v.m. de kastanjebloedingsziekte enkele paardenkastanjes geveld en vervangen door een duurzaam soort. Ook worden er enkele lindes gekapt en vindt er grondverzet plaats. Na het realiseren van de nieuwbouw zal er verharding worden aangelegd en worden de gevelde bomen elders in het plangebied gecompenseerd oor een duurzaam soort. Figuur 2.3 geeft de te slopen bebouwing met een rood kruis weer. Figuur 2.4 geeft een impressie van het wenselijke eindbeeld weer.
8
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
Figuur 2.3: Verbeelding van de te slopen bebouwing met een rood kruis
Figuur 2.4: Verbeelding van het wenselijke eindbeeld
9
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
De volgende flora- en fauna-activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Omgevingswet: slopen bebouwing; rooien beplanting; verwijderen verharding; bouwrijp maken bouwplaats; bouwen woningen; aanleggen verharding en beplanting.
2.3.
Onderzoeksgebied
Mogelijk effect op beschermde soorten en/of gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden. Mogelijke permanente invloeden: mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaarrond beschermde nesten; vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten. Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect op het plangebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het plangebied. Dit wordt invloedsfeer genoemd. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en bouwwerkzaamheden. Vaststellen van het onderzoeksgebied Om de effecten van de voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het van belang ook buiten het plangebied te kijken.
In voorliggend geval grenst het plangebied aan openbare ruimte. Vanwege de werkzaamheden wordt het onderzoeksgebied vastgesteld door het plangebied met 15 meter te verruimen (zie figuur 2.5).
10
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
Figuur 2.5: Begrenzing van het plangebied en het onderzoeksgebied
11
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
3.
Natuurwetgeving en -beleid
3.1.
Inleiding
Bij een ruimtelijke ontwikkeling worden voorgenomen activiteiten op verschillende aspecten beoordeeld, namelijk Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden. Hierbij is de provincie het bevoegd gezag. Op een aantal terreinen vormt het Rijk echter het bevoegd gezag.
3.2.
Gebiedsbescherming
Natura 2000 Het onderdeel gebiedsbescherming van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een omgevingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben op Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een omgevingsvergunning noodzakelijk op grond van artikel 11.1 uit het Bal. Beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland In de Omgevingswet is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd.
De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), een van de algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) onder de Omgevingswet. Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'ja, mits'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van natuur en landschap in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. In Overijssel worden de volgende gebieden beschermd door regels in de verordening van natuur en landschap: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Nationaal landschap (NL).
3.3.
Soortenbescherming
In de Omgevingswet is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet wordt onderscheid gemaakt tussen drie verschillende beschermingsregimes waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld. Onderstaand zijn deze drie beschermingsregimes weergegeven. Artikel 11.37 Soorten Vogelrichtlijn Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor vogels kan vanwege de Vogelrichtlijn een vergunningplicht gelden. Er kunnen ook vrijstellingen gelden.
12
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
Vergunningplicht Voor de volgende activiteiten geldt een vergunningplicht: Schadelijke handelingen bij vogels Commercieel bezit van vogels Niet-commercieel bezit van vogels Gebruik van bepaalde middelen bij het vangen van vogels
Schadelijke handelingen bij vogels Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij vogels (artikel 11.37, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)). Het gaat om vogels die in Nederland in het wild leven en daar van nature voorkomen. Het gaat dus niet om vogels die in gevangenschap zijn geboren, gefokte vogels of ontsnapte vogels die zijn verwilderd. Onder schadelijke handelingen bij vogels vallen: Lid 1a het opzettelijk doden of vangen ervan; Lid 1b het opzettelijk vernielen of beschadigen van hun nesten, rustplaatsen of eieren; Lid 1b het opzettelijk wegnemen van hun nesten; Lid 1c het rapen en onder zich hebben van hun eieren; Lid 1d het opzettelijk storen ervan. Artikel 11.46 Habitatrichtlijn Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten van de Habitatrichtlijn en internationale verdragen kan een vergunningplicht gelden. Er kunnen ook vrijstellingen gelden.
Vergunningplicht Sommige dieren en planten zijn internationaal strikt beschermd in de Europese Unie. Het gaat om beschermde dieren en planten die staan in de Habitatrichtlijn. Ze kunnen ook staan in het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn. Voor die soorten geldt een vergunningplicht bij: Schadelijke handelingen Bezit Gebruik van bepaalde middelen bij het vangen Er kunnen ook vrijstellingen gelden.
Schadelijke handelingen bij dieren De bedoelde diersoorten zijn in het wild levende soorten (geen vogels) van: Bijlage IVa bij de Habitatrichtlijn Bijlage II bij het Verdrag van Bern Bijlage I bij het Verdrag van Bonn Onder schadelijke handelingen bij dieren zijn de volgende handelingen in hun natuurlijke verspreidingsgebied aan de orde: Lid 1a opzettelijk doden of opzettelijk vangen; Lid 1c opzettelijk hun eieren vernielen of rapen in de natuur; Lid 1b opzettelijk verstoren; Lid 1d hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen beschadigen of vernielen. Ook als zo’n handeling plaatsvindt tijdens onderzoek dan valt dat onder ‘schadelijke handeling’.
13
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
Schadelijke handelingen met planten De bedoelde plantensoorten zijn soorten in het wild van: Bijlage IVb bij de Habitatrichtlijn Bijlage I bij het Verdrag van Bern Onder schadelijke handelingen bij planten zijn de volgende handelingen in hun natuurlijke verspreidingsgebied aan de orde: Lid e het is voerboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 11.54 Andere soorten (soorten van het Bal) Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), kan een vergunningplicht gelden bij schadelijke handelingen. Die vergunningplicht geldt niet voor bepaalde dieren, als een andere wet de activiteit toestaat of als de activiteit voor het uitvoeren van een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel is.
Vergunningplicht Soorten die in Nederland beschermd zijn, zijn in bijlage IX van het Bal weergegeven. Deze soorten staan niet in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de verdragen van Bonn en Bern. Het gaat hierbij onder meer om soorten die ook kunnen staan op de rode lijsten van bedreigde of ernstig bedreigde dier- en plantsoorten. Ook gaat het om soorten die niet (ernstig) bedreigd zijn, maar vanwege hun intrinsieke waarde en maatschappelijke opvattingen in bijlage IX staan. Voor deze soorten geldt meestal een vergunningplicht voor schadelijke handelingen. Er kunnen namelijk ook vrijstellingen gelden zoals in de omgevingsverordening.
Schadelijke handelingen bij soorten die in het Bal staan Dieren Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij dieren van bijlage IX, onder A van het Bal (artikel 11.54, eerste lid, Bal). Het gaat om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers. Onder schadelijke handelingen bij die dieren vallen: Lid 1a opzettelijk doden of vangen; Lid 1b opzettelijk hun vaste voortplantingsplaatsen, eieren of rustplaatsen beschadigen of vernielen.
Planten Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij planten van bijlage IX, onder B van het Bal (artikel 11.54, eerste lid, Bal). Onder schadelijke handelingen bij die planten vallen: Lid 1c het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Rode lijsten met soorten dieren en planten De rode lijsten hebben geen juridische status. Dat wil zeggen dat rodelijstsoorten niet automatisch onder specifieke beschermingsregels vallen. Er geldt dus niet gelijk een vergunningplicht. Enkel wanneer een rodelijstsoort onder bijvoorbeeld een soort van nationaal belang van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of een vogel van de Vogelrichtlijn valt gelden specifieke beschermingsregels. Wanneer activiteiten nadelig zijn voor rodelijstsoorten geldt voor de betreffende flora- en fauna-activiteit de specifieke zorgplicht (artikel 11.27 van het Bal).
14
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
Algemene zorgplicht De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht. Dit houdt in dat overheden, bedrijven én burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving. Dus niet alleen de overheid. Deze algemene zorgplicht is vooral een vangnet voor het geval er geen specifieke decentrale of rijksregels zijn. Als deze specifieke decentrale of rijksregels er wel zijn, geldt de algemene zorgplicht niet meer. Specifieke zorgplicht Flora- en fauna-activiteiten kunnen nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Specifieke zorgplichten borduren voort op de algemene zorgplicht, maar zijn concreter. Een specifieke zorgplicht geldt voor specifieke activiteiten voor concreet genoemde belangen. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan specifieke zorgplichten. Deze specifieke zorgplichten maken duidelijk wat er wel en niet moet gebeuren. Bijvoorbeeld dat degene die verantwoordelijk is voor een activiteit, de beste beschikbare technieken (BBT) gebruikt. De specifieke zorgplichten zijn algemene regels.
Deze regels gelden direct voor burgers en bedrijven. Naast het Rijk kunnen andere overheden specifieke zorgplichten opnemen in hun verordeningen of omgevingsplannen. Een handeling valt onder een specifieke zorgplicht als degene die de activiteit verricht weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handeling nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Ook iets nalaten kan onder de specifieke zorgplicht vallen. Bij het artikel in het Bal (artikel 11.27) over een specifieke zorgplicht staat meestal een verplichting in drie stappen. Hieronder staan drie stappen weergegeven waarbij de stappen is voorkeursvolgorde zijn genoteerd. Degene die een activiteit verricht is verplicht volgens artikel 11.27 lid 1: 1.
(a) alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die
2.
gevolgen te voorkomen. (b) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
3.
(c) als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht conform artikel 11.27 lid 2 in ieder geval in dat: a.
Voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van
1°. Van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2°. Van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3°. Dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3, van de wet; en 4°. Voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;
15
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
b.
Als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;
c.
Als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;
d.
Alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen;
e.
Tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en
f.
Het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.
Algemeen verbod Naast de algemene zorgplicht is in de Omgevingswet ook een algemeen verbod opgenomen (artikel 1.7a Omgevingswet). Het is verboden om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. Het gaat niet om het verrichten of nalaten van activiteiten met beperkte gevolgen voor de fysieke leefomgeving. In artikel 1.3 van het Omgevingsbesluit staat wanneer sprake is van een aanzienlijk gevolg en voor welke gevallen het verbod geldt. Dit verbod is ook een vangnet voor het geval er geen specifieke decentrale of rijksregels zijn. Als deze specifieke decentrale of rijksregels er wél zijn, geldt het algemeen verbod niet meer. Bijvoorbeeld als een specifieke zorgplicht of andere algemene regel geldt of een vergunningvoorschrift. Het algemeen verbod is strafrechtelijk handhaafbaar.
3.4.
Houtopstanden
Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels geeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Ook kan een meldingsplicht gelden.
Wanneer gelden de rijksregels over vellen en herbeplanten De rijksregels gelden als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij het vellen hoort een herbeplantingsplicht. Er zijn uitzonderingen. De rijksregels over vellen en herbeplanten gelden niet in een van de volgende gevallen (artikel 11.111, Besluit activiteit leefomgeving (Bal)): Houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap. Dat komt er ongeveer op neer dat de rijksregels alleen gelden voor houtopstanden buiten stedelijk gebied Houtopstanden op erven of in tuinen Bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld Houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen Naaldbomen die duidelijk bedoeld zijn als kerstbomen en niet ouder zijn dan 20 jaar Kweekgoed Populieren of wilgen van •
Wegbeplantingen
•
Beplantingen langs waterwegen, of
•
Éénrijige beplantingen langs landbouwgronden
Het dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen. Bijvoorbeeld als onderdeel van het reguliere onderhoud van de houtopstand
16
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
Beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen en duidelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa onder de volgende voorwaarden: •
Het oogsten vindt minstens 1 keer per 10 jaar plaats
•
De beplantingen bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid
•
Een beplantingseenheid moet bestaan uit aaneengesloten beplanting zonder doorsnijding door meer
•
dan 2 meter brede onbeplante stroken De beplantingen zijn aangelegd na 1 januari 2013
Houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel Houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen
Meldingsplicht voor vellen Indien rijksregels gelden over vellen dan is het verboden om een houtopstand (deels) te vellen zonder eerst een melding te doen. Behalve voor de uitzonderingen op de meldingsplicht. Het indienen van een melding moet uiterlijk vier weken én niet eerder dan één jaar vóór het vellen gebeuren (artikel 11.126, Bal).
Herbeplantingsplicht Indien de houtopstand (deels) geveld is of op een andere manier verloren gegaan, zoals brand of storm, dan moet herbeplanting plaatsvinden (artikel 11.129, Bal). De herbeplantingsplicht geldt in alle gevallen voor de rechthebbende van de houtopstand. Dus bijvoorbeeld ook als een derde de houtopstand onrechtmatig heeft geveld. Er gelden uitzonderingen op de herbeplantingsplicht.
Bosbouwkundig verantwoord Herbeplanting moet op een bosbouwkundig verantwoorde wijze plaatsvinden. Dat betekent dat herbeplanting zich moet richten op: Een duurzame instandhouding en ontwikkeling van houtopstanden Een adequate vervulling van de functies van die houtopstanden De bodem, het water en de lucht in de omgeving van die houtopstand Het is aan degene met een herbeplantingsplicht zelf om met eigen of andermans deskundigheid te bepalen wat hiervoor nodig is. Het is ook mogelijk dat het bevoegd gezag met maatwerk aangeeft wat onder ‘bosbouwkundig verantwoorde wijze’ valt. Bij een herplantingsplicht moet het herbeplanten binnen 3 jaar na het vellen plaatsvinden. Het is verplicht om beplanting die niet binnen 3 jaar gaat groeien, te vervangen. Verder moet het herbeplanten op dezelfde grond als het vellen plaatsvinden. Het is mogelijk om maatwerk op te stellen over de regels. Er zijn ook uitzonderingen op de meldingsplicht voor het vellen en de herbeplantingsplicht. Dit geldt niet in een van de volgende gevallen: Het periodiek vellen van griend- of hakhout. Het vellen is voor het uitvoeren van een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel. Het vellen is voor het uitvoeren van maatwerk dat preventieve of herstelmaatregelen voorschrijft die nodig zijn om de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied te bereiken.
Het vellen is voor het uitvoeren van een maatwerkvoorschrift dat verbonden is aan een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of flora- en fauna-activiteit. Het vellen is voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen.
17
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
Het vellen en herbeplanten vindt aantoonbaar plaats volgens een gedragscode. Het vellen dat voldoet aan alle volgende voorwaarden: •
Het is een activiteit van nationaal belang of hangt daarmee samen. Het Omgevingsbesluit geeft aan welke activiteiten van nationaal belang zijn (artikel 4.12, Omgevingsbesluit).
•
Het gaat om een houtopstand die niet is aangeplant vanwege een herbeplantingsplicht (van het Bal,
•
de Wet natuurbescherming of de Boswet). De minister van LNV heeft in het verleden een kennisgeving ontvangen (en dat bevestigt) voor het aanleggen van de houtopstand. Die kennisgeving moet het tijdstip en de plaats van de (destijds aan te leggen) houtopstand aangeven. Uit de kennisgeving moet ook blijken dat het om tijdelijke houtopstand gaat waarvan het vellen (in z’n geheel) zal plaatsvinden binnen 40 jaar na dat tijdstip.
Dit staat in artikelen 11.126, 11.129 en 11.131 van het Bal.
Binnen bebouwingscontour houtkap De rijksregels over het (deels) vellen van houtopstanden of herbeplanten gelden niet binnen de bebouwingscontour houtkap. Een gemeente kan zelf bepalen of ze regels in het omgevingsplan wil voor houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap en voor welk doel van de Omgevingswet. Zo kunnen die regels voor natuurbescherming, veiligheid of een ander doel van de Omgevingswet zijn.
18
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
4.
Gebiedsbescherming
4.1.
Natuurnetwerk Nederland en Nationaal Landschap
Ligging onderzoeksgebied t.o.v. NNN & NL Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren en binnen gronden die tot het Nationaal Landschap behoren. Het Natuurnetwerk Nederland ligt op 830 meter van het onderzoeksgebied (zie figuur 4.1).
Figuur 4.1: Ligging onderzoeksgebied t.o.v. NNN
Effectbeoordeling en consequenties t.a.v. provinciaal beleid Het onderzoeksgebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en binnen het Nationaal Landschap. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Vanwege de ligging buiten deze gronden hoeft er niet getoetst te worden aan het NNN. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost Twente zijn: grote mate van kleinschaligheid; het groene karakter; samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen. Geen van deze kernkwaliteiten wordt aangetast. Er hoeft dan ook niet getoetst te worden aan provinciaal beleid. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid.
19
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
4.2.
Natura 2000
Ligging onderzoeksgebied t.o.v. Natura 2000 Het onderzoeksgebied ligt buiten Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied Lemselermaten, Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek en Landgoederen Oldenzaal zijn de meest nabijgelegen Natura 2000gebieden en ligt op minimaal 1,7 kilometer afstand van het onderzoeksgebied. In figuur 4.2 wordt de ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het onderzoeksgebied weergegeven.
Figuur 4.2: Ligging onderzoeksgebied t.o.v. Natura 2000-gebied
Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten en consequenties t.a.v. Omgevingswet De uitvoering van fysieke activiteiten in een onderzoeksgebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een onderzoeksgebied. Als gevolg van fysieke werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het onderzoeksgebied en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het onderzoeksgebied en Natura 2000-gebied is een negatief effect uitgesloten.
20
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
Stikstofgevoelige habitattypen Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar het Natura 2000-gebieden Lemselermaten, Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek en Landgoederen Oldenzaal bestaat voor een aanzienlijk deel uit stikstofgevoelige habitattypen. Beoordeling stikstof in realisatie- en gebruiksfase en consequenties t.a.v. Omgevingswet Ten behoeve van de totale ontwikkeling wordt materiaal met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en afvoer van materialen en personeel. Daarnaast zal als gevolg van het realiseren van een extra woningen een toename van verkeersbewegingen plaatsvinden in de gebruiksfase. Gelet op de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van Natura 2000-gebied, kan een negatief effect van stikstof op Natura 2000-gebied niet uitgesloten worden. Voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied en leiden daarom mogelijk tot wettelijke consequenties. Geadviseerd wordt om een stikstofdepositieberekening te laten uitvoeren.
4.3.
Slotconclusie
Het onderzoeksgebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en binnen het Nationaal Landschap. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Vanwege de ligging buiten deze gronden hoeft er niet getoetst te worden aan het NNN. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost Twente worden niet aangetast. Er hoeft dan ook niet getoetst te worden aan provinciaal beleid. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Een negatief effect van fysieke activiteiten op Natura 2000-gebied kan worden uitgesloten maar een negatief effect van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied kan niet worden uitgesloten. Geadviseerd wordt om een stikstofdepositieberekening te laten uitvoeren.
21
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
5.
Soortenbescherming
5.1.
Hypothese en bureauonderzoek
Het onderzoeksgebied is voorafgaand het veldbezoek bestudeerd aan de hand van literatuur. De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en soorten welke op de rode lijst staan is bepaald aan de hand van de van regionale en landelijke verspreidingsatlassen, zoals RAVON, SOVON, Zoogdiervereniging en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied mogelijk tot een geschikte groeiplaats voor (beschermde) plantensoorten en tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het onderzoeksgebied mogelijk tot functioneel leefgebied van beschermde en/of algemene flora- en faunasoorten uit onderstaande soortgroepen: amfibieën; flora; grondgebonden zoogdieren; ongewervelden; vleermuizen; vogels. Reptielen Het onderzoeksgebied is ongeschikt als leefgebied voor reptielen door het ontbreken van heide, broeihopen, een goede ontwikkelde strooisellaag, ingerotte boomstobben of vegetatie van zeggen of russen. Tevens geven de NDFF-verspreidingsgegevens van reptielen (NDFF, 2019-2024) aan dat er in de omgeving van het onderzoeksgebied geen beschermde soorten voorkomen.
Vissen en kreeftachtigen Omdat er geen open water (sloten, vijvers, watergangen) in het onderzoeksgebied aanwezig zijn of niet negatief worden beïnvloed, zijn beschermde vissoorten en kreeftachtigen niet meegenomen in voorliggend onderzoek. Tevens geven de NDFF-verspreidingsgegevens van vissen en kreeftachtigen (NDFF, 2019-2024) aan dat er in de omgeving van het onderzoeksgebied geen beschermde soorten voorkomen.
5.2.
Methode
Veldbezoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het onderzoeksgebied op 8 mei 2024 tijdens de daglichtperiode met geschikte weersomstandigheden bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker, zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën. Amfibieën hebben de winterverblijfplaats verlaten en, afhankelijk van de soort, bezetten amfibieën de land- of voortplantingsbiotoop. Amfibieën in landbiotoop zitten overdag ook meestal weggekropen in holen en gaten in de grond of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen en zijn dan lastig waar te nemen.
22
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. Flora De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar de groeiplaats van beschermde planten. In deze tijd van het jaar bloeien de meeste soorten en is determinatie goed mogelijk. Het onderzoeksgebied is beoordeeld op potentieel geschikte standplaatsen van planten. Beschermde planten komen hoofdzakelijk voor in de volgende biotopen: zomen en ruigte, natte of droge storingsmilieu ’s, extensieve graslanden, akkers, moeras of pioniermilieus met open en zonnige standplaatsen. Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek. Verschillende beschermde grondgebonden diersoorten hebben zogende zogen in deze tijd van het jaar en veel grondgebonden zoogdieren benutten de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode.
Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Ongewervelden De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar beschermde dagvlinders, libellen en overige ongewervelden. Ongewervelden komen voor in waterelementen, natuurlijke oevers of plekken met essentiële waardplanten voor beschermde ongewervelden zoals hooilanden, heidevelden en hoogveenmoerassen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken en het voorkomen van essentiële waardplanten kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor ongewervelden. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen en gebouwen. De gebouwen en bomen zijn beoordeeld op de geschiktheid als verblijfplaats. Daarbij is gekeken naar potentiële verblijfplaatsen in en aan de gebouwen en bomen.
Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute, maar de mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het onderzoeksgebied. Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels omdat de meeste vogels in deze tijd van het jaar territoriumindicerend gedrag (zingen/balts) vertonen en veel soorten een bezet nest hebben. Sommige standvogels (dit zijn vogels die niet wegtrekken in de winter), zoals de huismus, steen- en kerkuil zijn doorgaans het hele jaar door aanwezig in de buurt van de nest-/rustplaats.
23
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
In het onderzoeksgebied is gekeken naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het onderzoeksgebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. De bebouwing is o.a. onderzocht op de aanwezigheid van huismussennesten. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels.
5.3.
Resultaten en wettelijke consequenties
Amfibieën
Verspreiding en functie Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor verschillende beschermde amfibieënsoorten beschouwd, zoals gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander. Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde amfibieënsoorten (NDFF, 20192024). Algemeen beschermde amfibieënsoorten benutten de buitenruimte mogelijk als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het onderzoeksgebied. Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond en onder opgeslagen spullen. Het onderzoeksgebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker beschouwd. In het onderzoeksgebied zijn geen vennen, poelen of kleine plasjes aanwezig en daarnaast worden deze soorten op basis van de aanwezige terreinkenmerken niet verwacht.
Wettelijke consequenties Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. De in het onderzoeksgebied voorkomende amfibieën mogen niet gedood worden. Voor het beschadigen/ vernielen van de rust- en voortplantingsplaats geldt voor de algemene soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, wordt het aangeraden buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren kunnen vluchten. De functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied neemt mogelijk tijdelijk af, maar dit leidt niet tot wettelijke consequenties.
Conclusie Voor de aanwezige amfibieën geldt dat deze niet mogen worden gedood. Aangeraden wordt om buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren kunnen vluchten. Flora
Verspreiding en functie Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Daarnaast wordt het onderzoeksgebied op basis van verspreidingsatlassen en NDFF niet als geschikt beschouwd voor het voorkomen van beschermde plantensoorten (NDFF, 2019-2024).
Wettelijke consequenties Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde plantensoorten aangetast. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen omgevingsvergunning van de
24
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.
Conclusie Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties voor flora. Grondgebonden zoogdieren
Verspreiding en functie Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor verschillende beschermde grondgebonden zoogdieren beschouwd en er zijn geen waarnemingen bekend van grondgebonden zoogdieren (NDFF, 2019-2024). Grondgebonden zoogdieren die in het onderzoeksgebied voor kunnen komen zijn egel, bunzing, hermelijn, wezel, (grote) bosmuis, huisspitsmuis, steenmarter. De bosmuis en huisspitsmuis bezetten mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in holen en gaten in de grond en onder opgeslagen spullen. De grote bosmuis komt voor in allerlei soorten biotopen, mits er enige dekking is zoals lage begroeiing of verspreid liggende stenen. Zo komt hij voor in bosranden met weinig ondergroei, niet te nat rietland, parken, braakliggend land, duinen, heide en tuinen. Hij heeft een voorkeur voor oude, open eiken- en beukenbossen, met een uitgebreide struiklaag en weinig ondergroei (Zoogdiervereniging, 2025). Dergelijk habitat ontbreekt in het onderzoeksgebied. Marterachtigen bezetten geen vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied. Er zijn geen gebruikssporen aangetroffen welke eenvoudig vast te stellen zijn aan de hand van prooiresten en latrines. Bovendien is het pand niet toegankelijk voor grondgebonden zoogdieren en is er geen dicht struweel en dekking aanwezig.
Ook beschikken de bomen niet over geschikte holen. Mogelijk gebruikt de steenmarter het onderzoeksgebied als foerageergebied. Het onderzoeksgebied wordt niet als essentieel leefgebied beschouwd gezien de ligging en het relatief kleine oppervlakte. In de omgeving van het onderzoeksgebied zijn geen waarnemingen bekend van kleine marterachtigen of de egel. Kleine marterachtigen zijn sterk afhankelijk van beschutte landschapselementen welke met elkaar in verbinding staan. Voorbeeld hiervan zijn bosschages, dichtbegroeide oevers en houtwallen met onderbegroeiing. Kleine marterachtigen gebruiken deze elementen om te foerageren en om te migreren tussen foerageergebieden en vaste rust- en voortplantingsplaatsen. Binnen het onderzoeksgebied is enkel een dichtbegroeid groenstrookje aanwezig langs de bebouwing (figuur 5.1). Deze ligt echter geïsoleerd en dus niet in verbinding met andere groenelementen. Hierdoor is de groenstrook ongeschikt om te fungeren als vaste rust- en/of voortplantingsplaats. Daarnaast is de vegetatie te klein om een functioneel leefgebied te vormen. Een vaste rust- en voortplantingsplaats kan dan ook worden uitgesloten binnen het onderzoeksgebied. Voor de mogelijk incidenteel aanwezige kleine marterachtigen dient rekening te worden gehouden met de specifieke zorgplicht.
25
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
Figuur 5.1: Kleine groenstrook langs bebouwing noordoosten
De hermelijn en bunzing hebben als voorkeurshabitat gevarieerde natte terreinen met oppervlaktewater. De wezel prefereert een leefgebied waarbij met name drogere en kleinschalige agrarische habitats aanwezig zijn. Kleine marterachtigen hebben meerdere jachtgebieden nodig in de omgeving van hun vaste rust- en voortplantingsplaats. De wezel en bunzing komen ook in buitenwijken en binnen groene delen van dorpen en steden voor daar waar de hermelijn incidenteel voorkomt bij randen van de bebouwde kom. Drukke omgevingen waarbij bijvoorbeeld drukke paden en wegen, recreanten en bedrijvigheid aanwezig is wordt vermeden. Daarnaast zijn robuuste en aaneengesloten lijnvormige groenstructuren nodig om te kunnen schuilen of om hun verblijfplaats in te kunnen maken. Mogelijk gebruiken kleine marterachtigen en de egel het onderzoeksgebied enkel als foerageergebied. Gezien de ligging binnen de groene omgeving wordt het onderzoeksgebied niet als essentieel leefgebied beschouwd. Overige beschermde soorten welke niet op de vrijstellingslijst van de provincie staan, zoals de eekhoorn en das, kunnen door het ontbreken van geschikt leefgebied in het onderzoeksgebied worden uitgesloten. Daarnaast zijn eveneens geen vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de betreffende soorten aangetroffen.
Wettelijke consequenties Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. De in het onderzoeksgebied voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten mogen niet gedood worden. Voor het beschadigen/vernielen van de rust- en voortplantingsplaats geldt voor de algemene soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, wordt het aangeraden buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren kunnen vluchten. De functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied neemt mogelijk tijdelijk af, maar dit leidt niet tot wettelijke consequenties.
Conclusie Voor de aanwezige grondgebonden zoogdieren geldt dat deze niet mogen worden gedood. Aangeraden wordt om buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren kunnen vluchten.
26
Quickscan Flora & Fauna Grotestraat 4, Rossum
25-2-2025
Ongewervelden
Verspreiding en functie In het onderzoeksgebied zijn geen beschermde ongewervelden waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat het onderzoeksgebied een geschikt habitat vormt voor beschermde ongewervelden. Er zijn eveneens geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde ongewervelden in en nabij het onderzoeksgebied (NDFF, 2019-2024). Beschermde dagvlinders en libellen zijn voornamelijk gebonden aan specifieke terreintypen zoals droge- en vochtige heiden, vennen en hoogveen welke voornamelijk in natuurgebieden te vinden zijn. In het onderzoeksgebied ontbreekt dergelijk habitat en er zijn geen geschikte waardplanten aanwezig van beschermde ongewervelden.
Wettelijke consequenties Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde ongewervelden gedood en wordt geen vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen omgevingsvergunning van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.
Conclusie Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties voor ongewervelden. Vleermuizen
Verspreiding en functie: verblijfplaats Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor verschillende beschermde vleermuissoorten beschouwd. Er zijn geen waarnemingen bekend van vleermuissoorten in de nabijheid van het onderzoeksgebied (NDFF, 2019-2024). Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied bezetten. Wel bevat het pand aan de oostzijde een opening in de gevel welke leidt tot de luchtspouw. Verder zijn er ruimtes aanwezig tussen de kantpannen en windveer aan de zuidzijde en tussen de dakpannen aan de oostzijde. De opgaande beplanting vormt geen potentiële verblijfplaats voor vleermuizen, deze bomen beschikken niet over holen in de stam of losse schors.
Verspreiding en functie: foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het onderzoeksgebied als een geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende soorten rond de bebouwing en beplanting en vliegen ze over het onderzoeksgebied terwijl ze foerageren rond bomen die net buiten het onderzoeksgebied staan. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt het onderzoeksgebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd.