NL.IMRO.1774.TAMKKLATDORPSSTONG-VG01_Motivering.pdf
Tekst van het document
Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van drie woningen binnen de kern van Lattrop - Breklenkamp. De woningen worden gerealiseerd op een braakliggend terrein tussen bestaande bebouwing. Naar aard en omvang is het voorliggende initiatief passend in de omgeving, ook heeft het geen negatieve gevolgen voor omliggende functies en tast het het straatbeeld niet aan. Er wordt aangesloten op de omliggende woonfuncties. Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het plan en de kernmerken van het potentiële effect van het plan is vastgesteld dat er geen sprake is van een plan dat belangrijke gevolgen heeft, zodat er geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren Situatie plangebied verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling) De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie zijn de volgende uitgangspunten gebruikt. Niet stedelijk, rest bebouwde kom, koop, huis, vrijstaand Niet stedelijk, rest bebouwde kom, koop, huis, twee-onder-eenkap De planlocatie is gelegen aan de Dorpsstraat. De Dorpsstraat vormt een van de belangrijkste ontsluitingswegen van Lattrop-Breklenkamp. Met de realisatie van de drie woningen zal de verkeersintensiteit toenemen. De verkeersafwikkeling zal plaatsvinden via de Dorpsstraat.
Voorliggend plan voorziet in de volgende verkeersgeneratie: Voor de vrijstaande woning word de verkeersgeneratie als volgt berekend: ((7,8 + 8,6)/2)= 8,2 per woning Voor de twee-onder-een kapwoningen word de verkeersgeneratie als volgt berekend: ((7,4 + 8,2)/2) = 7,8 per woning
In totaal zal de verkeersintensiteit met 23,8 (2 x 7,8 + 8,2) verkeersbewegingen toenemen. Met voorliggend plan neemt de verkeersintensiteit in beperkte mate toe. De Dorpsstraat (ontsluitingsweg) waar de woningen aan komen te liggen kan de lichte toename aan verkeersbeweging gemakkelijk afwikkelen.
Situatie plangebied parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 31
Uitgangspunt is dat het parkeren op het eigen erf plaatsvindt. Als een aanvrager alle parkeergelegenheid voor het bouwplan op eigen erf realiseert, wordt er een positief parkeeradvies gegeven. Voor de drie te realiseren woningen moeten parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Voor de vrijstaande woning geldt een parkeernorm van 2,3 per woning. Voor de twee-onder-éénkap woning geldt een parkeernorm van 2,2 per woning. Voor de voorliggende ontwikkeling moeten in totaal 6,7, afgerond 7 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Er is de mogelijkheid om een deel van de parkeerplaatsen op eigen kavel te realiseren. Zoals te zien is op figuur 5.1. Bij de vrijstaande woning worden 2 parkeerplaatsen gerealiseerd, bij de woning ernaast wordt er één parkeerplaats gerealiseerd en bij de laatste woning worden 2 parkeerplaatsen. Aan de voorzijde van de vrijstaande woning worden nogmaals 3 langsparkeerplaatsen gerealiseerd. Deze zullen in de toekomstige situatie onderdeel worden van de openbare ruimte.
Figuur 5.1 Siuatieschets parkeren voor de woningen (Bron: Leferink Architecten BNA) Conclusie Het aspect 'Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren' vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). 5.4.1
Natura 2000-gebieden
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een plan een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:
32
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten. De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
Situatie plangebied Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Bergvennen & Brecklenkampse Veld' en ligt op een afstand van circa 1,427 km van de planlocatie. De afstand tot de planlocatie is weergegeven in figuur 5.2.
Figuur 5.2 Afstand tot dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied, plangebied onder de blauwe icon (Bron: Atlas leefomgeving) Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van drie nieuwe woningen aan de Dorpsstraat in Lattrop. Voor de ontwikkeling van deze woningen is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Het gehele rapport is te lezen in Bijlage 3. Uit het rapport volgen de volgende conclusies: De berekeningen voor de aanleg- en gebruiksfase zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2025. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 33
De aanlegfase kan naar verwachting vanaf midden 2026 worden uitgevoerd. Naar verwachting zijn de woningen pas in 2027 daadwerkelijk bewoonbaar. Dit komt doordat de woningen na de bouw nog verkocht moeten worden en helemaal ingericht moeten worden, om te kunnen bewonen. Voor de gebruiksfase is daarom gerekend met het jaar 2027. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een vergunning Natura 2000-activiteit. Als bijlage bij deze rapportage behoort het AERIUS-analysebestand (pdf) met rekenresultaten (bronnen, rekenpunten en resultaten) van de aanleg- en gebruiksfase. Aanlegfase De totale NOx-emissie bedraagt in deze fase in totaal 11,9 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,4 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Gebruiksfase De totale NOx-emissie bedraagt in de aanlegfase in totaal 2,8 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,1 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Door uitvoering van de voorliggende AERIUS-berekening is aangetoond dat als gevolg van het voorgenomen woningbouwplan aan de Dorpsstraat tussen nummers 75 en 83 in Lattrop zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen sprake is van een nadelige depositie van stikstof en ammoniak.
Derhalve wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een verslechtering van de milieukwaliteit van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. Stikstof en ammoniak vormen geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen woningbouwplan. Een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is niet noodzakelijk. Het aspect 'Stikstofdepositie' vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan. Conclusie Het plan betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 5.4.2
Natuurnetwerk Nederland
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.
Situatie plangebied Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op een afstand van circa 726 m van de planlocatie. NNN-gebieden kennen geen externe werking. De afstand tot de planlocatie is weergegeven in figuur 5.3.
34
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
Figuur 5.3 Afstand tot dichtsbijzijnde NNN-gebied, plangebied onder de blauwe icon (Bron: Atlas leefomgeving) Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN-gebied. Daarnaast kennen NNN-gebieden geen externe werkingen. Voorliggend plan vormt geen belemmering voor het dichtbijzijnste NNN-gebied. 5.4.3
Soortenbescherming
In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.
Situatie plangebied Voor het voorliggende plan is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd. De belangrijkste conclusies zijn hieronder beschreven. Het gehele rapport is te lezen in Bijlage 4. TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 35
De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘het opzettelijk beschadigen en vernielen van voortplantings- en rustplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een Omgevingsvergunning vereist of er dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de voortplantings en rustplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied.
Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, voor zowel de ontwikkel als de gebruiksfase niet op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten kunnen wel worden uitgesloten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren er een voortplantings- of rustplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen en amfibieën uitsluitend benut als foerageergebied. Door het bouwen van de woningen en het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats.
Voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het opzettelijk doden van een vogel kan geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen, vernielen of verstoren van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Als de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden voor aanvang van de werkzaamheden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Mogelijk wordt als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een voortplantings- of rustplaats beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantings- en/of rustplaats negatief beïnvloed worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaats’. Voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling.
Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van de verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Conclusie Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.
5.5 Luchtkwaliteit Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. 36
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening.
Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Situatie plangebied In de toekomstige situatie worden er drie nieuwe woningen gebouwd in de kern Lattrop-Breklenkamp. Als gevolg van de realisatie van deze woningen neemt de verkeersintensiteit toe met 23,8 per etmaal. Als er uit word gegaan van de wost-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 48 per etmaal gesteld worden (het dubbele van het berekende aantal). Bij woningen kan er uit worden gegaan van 2% aandeel voor vrachtverkeer. Dit zijn onder andere vuilniswagens. In figuur 5.4 is de worst-case berekening weergegeven met 48 extra voertuigbewegingen.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 37
Figuur 5.4 Worst-case berekening voor bijdrage extra verkeer (Bron: INFOMILL.NL) Conclusie Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.6 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen.
De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: woningen; 38
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals 1. verzorgingstehuizen, 2. psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Figuur 5.5 Standaardwaarden (Bron: Art. 5.78T van het BKL) Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend. Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Woongebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB).
Situatie plangebied, weg- en verkeerslawaai Voorliggend initiatief is gelegen aan de Dorpsstraat tussen de huisnummers 75 en 83. De Dorpsstraat is een gemeentelijke weg waar een maximale snelheid van 30km/h geldt. Volgens artikel 5.78u t/m atikel 5.78ad van het Bkl en de 'Nota geluidsbeleid Dinkelland' zijn er een aantal aanvaardbare grenswaardes opgesteld. Voor beiden geldt er een bovengrens van 53 Lden. Volgens de kaart van Atlas van de Leefomgeving zitten de nieuw te bouwen woningen voor een deel in de geluidsbelasting van minder dan 45 dB en in de geluidsbelasting van 46 tot 50 dB. Zie figuur 5.6. Hiermee blijft de geluidbelasting onder de voorgestelde grenswaarden. Een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai wordt op basis hiervan niet noodzakelijk geacht.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 39
Figuur 5.6 Uitsnede wegverkeerslawaai kaart, plangebied globaal in blauw omkaderd (Bron: Atlas Leefomgeving)
Situatie plangebied, industrielawaai Voorliggen initiatief is gelegen in de kern van Lattrop-Breklenkamp. In de omgeving van het plangebied liggen voornamelijk woningen, groen functies of maatschappelijke functies. Er ligt geen industriegebied in de buurt van het plangebied. Er is geen sprake van industrielawaai op de planlocatie.
Situatie plangebied, geluid door belastende activiteiten Voor het voorliggende plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het gehele rapport is te lezen in Bijlage 5. Hieronder volgen de belangrijkste conclusies: Basisschool 't Kampke Het blijkt uit berekeningsresultaten dat ter plaatse van de toekomstige woningen aan de Dorpsstraat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau maximaal 52 dB(A) in de dagperiode bedraagt. Hiermee wordt niet voldaan aan de standaardwaarden van 50 dB(A) uit het (tijdelijk) Omgevingsplan en de Bkl. De ambitiewaarde wordt overschreden maar de bovengrenswaarde uit het geluidbeleid van de gemeente niet. Opgemerkt dient te worden dat er alleen in de dagperiode deze geluidbelasting plaatsvindt. De bewoners van deze toekomstige woningen verblijven normaliter in de dagperiode op de begane grond. Hier wordt wel voldaan aan de standaardwaarden uit de Bkl. In het kader van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL) is in de tuinen de geluidbelasting bepaald en op aanvaardbaarheid beoordeeld. In de tuinen bedraagt de geluidbelasting circa 48 dB(A). Dit is een aanvaardbaar geluidniveau. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat ter plaatse van de toekomstige woningen het maximale geluidniveau maximaal 74, 71 en 70 dB(A) in de dagperiode bedraagt bij de 3 woningen.
De waarden uit het (tijdelijk) Omgevingsplan gemeente Dinkelland worden overschreden. De standaardwaardenvoorschriften uit het Bkl worden echter niet overschreden. Volgens het Bkl blijft stemgeluid echter buiten beschouwing bij toetsing aan de waarden. Wanneer men wil dat aan de standaardwaardenvoorschriften uit het Bkl wordt voldaan zal het 25 meter lange scherm van 2 naar 4 meter verhoogd moeten worden. Gedacht wordt aan een kokoswall (greenwall) scherm. Of de bovenramen als niet te openen uitvoeren. Aannemersbedrijf Warmes BV Het blijkt uit de berekeningsresultaten dat ter plaatse van de toekomstige woningen aan de Dorpsstraat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau maximaal 26 dB(A) in de dagperiode bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de standaardwaarden van 50 dB(A) uit het (tijdelijk) Omgevingsplan en de Bkl.
40
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
De ambitiewaarde wordt niet overschreden uit het geluidbeleid. In het kader van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL) is in de tuin de geluidbelasting bepaald en op aanvaardbaarheid beoordeeld. Het blijkt uit contourenberekeningen dat de geluidbelasting ten gevolge van Warmes beneden de 45 dB(A) bedraagt en hiermee aanvaardbaar is. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat ter plaatse van de toekomstige woningen het maximale geluidniveau maximaal 48 dB(A) in de dagperiode bedraagt. De waarden uit het (tijdelijk) Omgevingsplan gemeente Dinkelland worden niet overschreden. De bijdrage van de geluidbelasting ten gevolge van Warmes is ten opzichte van de geluidbelasting ten gevolge van de school verwaarloosbaar. In de omgeving van het plangebied zijn een aantal andere bedrijven te vinden. Het plangebied bevindt zich in een gemengd gebied. Hierdoor kan er een lagere benodigde afstand worden gehanteerd. Aan de Dorpsstraat 66 bevind zich de kerk H.H. Simon en Judas kerk. Deze kerk bevind zich op circa 11 meter van het plangebied. Hiermee kan gesteld worden dat deze kerk op voldoende afstand ligt en geen geluidsoverlast geeft op het plangebied. Tegenover het plangebied aan de Dorpsstraat 70 bevindt zich een fietsenzaak die een detailhandelfunctie heeft. De afstand tussen het plangebied en de Dorpsstraat 70 bedraagt circa 8 meter.
Hiermee wordt er voldaan aan de richtafstand van 0 meter die geldig is voor een dergelijke functie. Andersom, het geluid vanaf de planlocatie is net storend voor de omliggende bedrijven. De omliggende bedrijven zijn al beperkt in hun uitbreidingsmogelijkheden door reeds bestaande woningen. De realisatie van 3 nieuwe woningen zal deze bedrijven niet opnieuw beperken. Daarnaast geldt dat wonen geen milieubelastende activiteit is. Conclusie Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen, industrielawaai en belastende activiteiten niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.7 Geur In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2); het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3); andere agrarische activiteiten. In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen.
Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden. Situatie plangebied Het plangebied is gelegen in de kern van Lattrop-Breklenkamp. In de omgeving bevinden zich enkele agrarische bedrijven. Het meest dichtbijzijnde agrarische bedrijf ligt op een afstand van ongeveer 270 meter (Ottershagenweg 31). Het gaat hierbij om een grondgebonden agrarisch bedrijf. Voor een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom geldt een minimale afstand van 100 meter tot agrarische bedrijven zonder geuremissiefactor. Gelet op de onderlinge afstand wordt er voldaan aan de minimaal gestelde afstand van 100 meter. Conclusie Het dichtstbijzijnde (agrarische) bedrijf in de omgeving betreft het agrarische bedrijf aan de Ottershagenweg 31 en ligt op circa 270 meter. Hiermee word er voldaan met de minimale afstand die gesteld is in artikel 5.110 t/m TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 41
artikel 5.112 van het Bkl. Milieuaspect 'geur' vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
5.8 Omgevingsveiligheid Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastendeactiviteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerkenleefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); 42
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Situatie plangebied In de omgeving van het plangebied zijn geen risicobronnen (gevaarlijke buisleidingen en gastransportleidingen, transport van gevaarlijke stoffen en andere externe veiligheidsbronnen) gelegen die invloed kunnen hebben op het woon- en leefklimaat. Eveneens ligt het plangebied niet binnen een aandachtsgebied op grond van omgevingsveiligheid. In de omgeving is één mestvergisting gelegen. Deze ligt op een afstand van circa 439 meter. Zoals te zien is in figuur 5.7.
Figuur 5.7 Uitsnede risicokaart, plangbied onder blauw icon (Bron: Atlas Leefomgeving)
Conclusie Het milieuaspect 'omgevingsveiligheid' vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
5.9 Trilling In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.
Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 43
in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Situatie plangebied Het plangebied bevindt zich in Lattrop-Breklenkamp, waar geen spoorwegen aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde provinciale weg (N349) ligt op ongeveer 3 km afstand. Eventuele trillingen als gevolg van zwaar verkeer zijn naar verwachting niet merkbaar binnen het plangebied. Dit komt doordat de verkeersintensiteit van de weg laag is en de onderlinge afstand met het plangebied redelijk groot (3 km) is. Nader onderzoek naar trillingen wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect 'trillingen' geen belemmeringen zijn voor de voorliggende ontwikkeling.
5.10
Archeologie
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.
Situatie plangebied Cultuurhistorie Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er geen monumenten in het plangebied gelegen zijn. Aan de overzijde van de straat is wel sprake van een rijksmonument. Het gaat hier om de H.H. Simon en Judas kerk. Met de ontwikkeling van de drie woningen word er een gat opgevuld in het straatbeeld. Aan de kant van de kerk wordn geen aanpassingen gedaan in het straat beeld. Gesteld kan worden dat het plan geen afbreuk doet aan het monument. Archeologie Uit de archeologische waardenkaart van de gemeente Dinkelland blijkt dat het plangebied bedekt is met dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek. Dit heeft een hoge archeologische waarde, zie figuur 5.8.
44
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
Figuur 5.8 Uitsnede archeologische waardenkaart, plangebied in blauw omcirkeld (Bron: gemeente Dinkelland) Volgens de beleidskaders van de gemeente Dinkelland geldt voor een gebied van meer dan 2500 m2 en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm verplichting tot archeologisch onderzoek. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 3 woningen. De totaal oppervlakte van deze woningen is minder dan 2500 m2. Archeologisch onderzoek is hierom niet noodzakelijk, het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor uitvoering van voorliggend plan. Conclusie Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie'.
5.11
Bodem
Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend plan rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 45
kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Situatie plangebied Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Om te bepalen of de bodem van voldoende kwaliteit is, is er een bodemonderzoek uitgevoerd voor het gehele plangebied. Het gehele rapport voor het bodemonderzoek is te lezen in bijlage 4. De belangrijkste conclusie luid als volgt: In de ondergrond en in het grondwater zijn enkele (zeer) lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het rapport. In de bovengrond is geen verontreiniging gemeten. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de functiewijziging van de locatie en de nieuwbouwplannen, aangezien de gemeten verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).
Conclusie Het milieuaspect 'Bodem' vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
5.12
Waterbelang
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool.
Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn.
Situatie plangebied Met voorliggend plan worden drie nieuwe woningen gerealiseerd. Om te bepalen of er belangen van het waterschap worden geraakt is er een digitale watertoets ingevuld. Zoals in paragraaf 4.2.2 te lezen is, heeft het waterschap geen bezwaren tegen dit plan.
Conclusie Het aspect 'waterbelang' vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
46
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
5.13
Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen
Om gewassen te beschermen, worden (chemische) bestrijdingsmiddelen gebruikt. Deze middelen worden door middel van spuitbomen aangebracht op gewassen en een deel hiervan kan verwaaien naar de naastliggende omgeving. Dit wordt ook wel drift genoemd. Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de openlucht worden geteeld in de buurt van gevoelige functies, zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die hierin worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlakte water. Het Besluit activiteiten leefomgeving is daarom evenmin bruikbaar. De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State doet met enige regelmaat uitspraak over zogenoemde spuitvrije zones.
De rechtspraak over spuitvrije zones ziet op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en agrarische bedrijvigheid. Uit deze rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen 'niet onredelijk wordt geacht'. Deze afstand mag wel worden verkleind, maar dan moet de overheid dit wel goed motiveren aan de hand een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Echter, het gebruik van reken modellen is volgens de rechtspraak nog weinig succesvol. In eerste instantie betroffen de uitspraken van de Afdeling kwesties over hoogstamteelt. De spuithoogte bij deze teelt is hoger dan bij andere teelten. De grotere hoogte van spuiten leidt tot een ruimere verspreiding van het middel door de lucht naar de omgeving. Deze drift is mede afhankelijk van de windrichting en windkracht. Uit recente rechtspraak volgt dat het niet alleen gaat om gewasbescherming bij hoogstamteelt, maar om agrarische bedrijvigheid waarbij agrarische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.
Situatie plangebied Voorliggend initiatief is gelegen in de kern van Lattrop-Breklenkamp. De dichtsbijzijnde agrarische grond is gelegen op een afstand van circa 43 meter. Het plangebied is mede afgeschermd door de groenstroken die aangelegd zijn bij de ontwikkeling van de Erve Stok. De eerder benoemde agrarische gronden zijn onderdeel van het talud van de es behorende bij Erve Stok. Zoals ingetekend in het landschapsplan van het onderdeel van het omgevingsplan 'Lattrop, Dorpsstraat 70'. Drift van beschermingsmiddelen zal hierdoor meevallen. Gewasbeschermingsmiddelen vormen geen belemmering voor het voorliggende plan.
Conclusie Het aspect 'Spuitvrije zones' vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 47
48
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
Hoofdstuk 6
Financiële haalbaarheid
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland/Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over het kostenverhaal en nadeelcompensatie. Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het wijzigen van het omgevingsplan.
Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld. Gelet op het vorengaande is het plan financieel uitvoerbaar.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 49
50
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
Hoofdstuk 7
Toelichting planregels
7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2 Opzet van de regels 7.2.1
Algemeen
Zoals in de inleiding is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van een bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende regels; Functieregels en gebiedsaanwijzingen; Algemene regels aan activiteiten; Overgangsregels.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 51