NL.IMRO.1774.TAMKKLATDORPSSTONG-VG01_Motivering.pdf
Tekst van het document
TAM-Omgevingsplan
Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat Ong.
Status: vastgesteld
Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):
vastgesteld NL.IMRO.1774.TAMKKLATDORPSSTONGVG01
Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
Inhoudsopgave Motivering
3
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied 1.2 Beoordelingskader en belangenafweging 1.3 Leeswijzer
5 5 6 7
Hoofdstuk 2 Toekomstige situatie 2.1 Gewenste ontwikkeling 2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving
9 9 10
Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan 3.1 Omgschrijving nieuwe situatie 3.2 Toetsing aan het omgevingsplan 3.3 Strijdigheden met bestemmingsplan 'Lattrop' 3.4 Bruidsschat
13 13 13 13 14
Hoofdstuk 4 Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht 4.1 Visie en beleid voor het plangebied 4.2 Voorbereidingsfase/Verkenningsfase met stakeholders
15 15 26
Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking
29 29
5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12 5.13
30 31 32 36 38 41 42 43 44 45 46 47
m.e.r.-beoordeling Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren Gebiedsbescherming en soortenbescherming Luchtkwaliteit Geluid Geur Omgevingsveiligheid Trilling Archeologie Bodem Waterbelang Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen
Hoofdstuk 6
Financiële haalbaarheid
Hoofdstuk 7 Toelichting planregels 7.1 Inleiding 7.2 Opzet van de regels
2
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
49 51 51 51
Motivering
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 3
4
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Inleiding en aanduiding plangebied Initiatiefnemer is voornemens één vrijstaande woning en een twee-onder-éénkapwoning te realiseren op de percelen tussen nummer 75 en 83 aan de Dorpsstraat in Lattrop - Breklenkamp. Het voorliggende plan is strijdig met het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland door de functie 'groen' die geldig is op het plangebied. Om het voorgenomen plan mogelijk te maken dient het omgevingsplan gewijzigd te worden. Voorliggend TAM-Omgevingsplan is opgesteld om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Ligging Het plangebied ligt tussen de nummers 75 en 83 aan de Dorpsstraat in de kern Lattrop - Breklenkamp van de gemeente Dinkelland. In de omgeving van de planlocatie zijn verschillende functies aanwezig. Het plangebied wordt voornamelijk begrensd door woningen, aan de oostzijde een fietswinkel en aan de westzijde een basisschool. De planlocatie staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie L, nummers 2085 en 2057. Deze percelen hebben samen een oppervlakte van 1.149 m2. In figuur 1.1 is de globale ligging en de omgeving van het plangebied te zien. Figuur 1.2 geeft de kadastrale begrenzing weer van het plangebied.
Figuur 1.1 Uitsnede omgeving plangebied, plangebied globaal in rood omcirkeld (Bron: PDOK viewer)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 5
Figuur 1.2 Uitsnede kadastrale kaart, plangbied in rood omkaderd (Bron: kadastralekaart.com)
1.2 Beoordelingskader en belangenafweging Beoordelingskader De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan. Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen. De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst.
Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit plangebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat. Belangenafweging De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is. 6
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het plangebied. Verder mag het plan niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit plangebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen. Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Het waterschap is akkoord met het plan. Verder is het plan afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het plan te realiseren.
1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 7
8
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
Hoofdstuk 2
Toekomstige situatie
2.1 Gewenste ontwikkeling 2.1.1
Huidige situatie
In de huidige situatie is sprake van grasland en een stuk bestrating waar ook voor een deel beplanting aanwezig is. De aanwezige bestrating op het plangebied is in gebruik (geweest) als (prive)parkeerplaats. Aan de linker- en rechterzijde van het plangebied, gezien vanaf de Dorpsstraat, bevinden zich bestaande woningen. Aan de overzijde van de straat bevinden zich nieuwbouw woningen op Erve Stok. Naast dit erf (Erve Stok) is een detailhandel aanwezig, daarnaast bevindt zich de HH Simon en Judas kerk. Figuur 2.1 geeft een luchtfoto van de huidige situatie weer. Figuur 2.2 geeft een weergave weer vanaf de Dorpsstraat.
Figuur 2.1 Luchtfoto van de huidige situatie, plangebied in rood globaal omkaderd (Bron: PDOK viewer)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 9
Figuur 2.2 Aanzicht vanaf de Dorpsstraat op het plangebied (Bron: Google Streetview)
2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving Het plangebied ligt in de kern van Lattrop-Breklenkamp. In de omgeving van het plangebied liggen verschillende functies. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich bestaande woningen. De nieuw te bouwen woningen krijgen dezelfde uitstraling als de omliggende woningen. Zoals te zien is in figuur 2.3 en 2.4. Het plangebied is gelegen binnen de kern van Lattrop-Breklenkamp. In de huidige situatie is er sprake van een open ruimte in het straatbeeld. Met de realisatie van de drie woningen word deze open ruimte in het straatbeeld opgevuld. De uitstraling van de nieuwe woningen past binnen de stijl van bouwen die reeds aanwezig is in het straatbeeld ter plaatse.
Figuur 2.3 Voorgevel twee-onder-één kapwoning (Bron: Leferink Architecten BNA)
Figuur 2.4 Voorgevel vrijstaande woning (Bron: Leferink Architecten BNA) 10
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
In het voorliggende plan zijn enkele milieukundige aandachtspunten. Deze aandachtspunten worden in Hoofdstuk 5 getoetst.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 11
12
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan 3.1 Omgschrijving nieuwe situatie De initiatiefnemer is voornemens om één vrijstaande woning en een twee-onder-eenkapwoning te realiseren in het plangebied. De woningen moeten bijdragen aan de woningbehoefte en aan het landelijke uiterlijk van de dorpskern Lattrop. In figuur 3.1 is de nieuwe situatie van het plangebied weergegeven.
Figuur 3.1 Situatietekening van de nieuwe situatie van het plangebied (Bron: Leferink Architecten BNA)
3.2 Toetsing aan het omgevingsplan Het initiatief heeft betrekking op de volgende activiteiten: Realisatie van drie woningen: één vrijstaande woning en een twee-onder-éénkapwoning.
3.3 Strijdigheden met bestemmingsplan 'Lattrop' De planlocatie is gelegen binnen het omgevingsplan 'Omgevingsplan gemeente Dinkelland' met als onderdeel het bestemmingsplan 'Lattrop' en 'Paraplubestemmingsplan kernen gemeente Dinkelland'. De percelen tussen de Dorpsstraat 75 en 83 hebben de functie 'Groen'. Daarnaast geldt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone molenbiotoop'. Zoals te zien is in figuur 3.2.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 13
Figuur 3.2 Uitsnede deel van Omgevingsplan gemeente Dinkelland, bestemmingsplan 'Lattrop', plangebied in rood globaal omkaderd (Bron: regels op de kaart) De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn in eerste instantie aangewezen voor groenvoorzieningen, voet- en fietspaden etc. Daarnaast kent het plangebied de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'. Het voorliggende initiatief is strijdig met het omgevingsplan. Binnen de functie 'Groen' ontbreken de bouw- en gebruiksregels voor de te realiseren woningen. Daarnaast geldt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone molenbiotoop' op het plangebied. Binnen 400 meter van de molen mag de bouwhoogte van bouwwerken worden vermeerderd met 1 meter per 30 meter afstand tussen de molen en het bouwwerk, gemeten vanaf het onderste punt van de verticale staande wiek van de molen. Omdat het plangebied op circa 286 meter van de molen ligt, mag de bouwhoogte van de bouwwerken 9,5 meter hoger zijn dan het laagste punt van de wieken. De nieuwe woningen zullen een maximale bouwhoogte van 9,5 meter krijgen. Het voorliggende plan vormt geen belemmering voor de molen. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient er afgeweken te worden van het omgevingsplan. In voorliggend TAM-Omgevingsplan wordt aangetoont dat het plan voldoet aan de vereisten van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
3.4 Bruidsschat De bruidsschat bevatten regels over onderwerpen die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet in nationale regelgeving waren opgenomen (door het Rijk opgestelde regels). Onder de Omgevingswet worden deze door gemeenten geregeld. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels op het gebied van bouwen, milieubelastende activiteiten en overige activiteiten en is opgenomen in hoofdstuk 22 van de regels van het omgevingsplan. Het grootste gedeelte van deze regels is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor milieuregels (zoals regels over geurnormen en de afstand tot een geurgevoelig object). Voor dat deel van de regels geldt dat het mogelijk is om van het omgevingsplan af te wijken. De regels van afdeling 22.2 zijn relevant voor onderhavig initiatief omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. Met de in dit TAM-omgevingsplan opgestelde regels wordt aan de regels voldaan.
14
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
Hoofdstuk 4 Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht 4.1 Visie en beleid voor het plangebied 4.1.1
Nationale omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Toets In de NOVI wordt aangegeven dat iedereen in Nederland prettig moet kunnen wonen voor een redelijke prijs. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang.
Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio’s) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot. De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies. Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van drie woningen aan de Dorpsstraat tussen nummer 75 en 83. Hiermee wordt de woningvoorraad aangevuld. Zoals beschreven ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving en de woningvoorraad bij de gemeenten en provincies. Het plan past binnen de prioriteiten van de NOVI. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van strijd met het Rijksbeleid. 4.1.2
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024
Provinciale Omgevingsvisie TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 15
De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Provinciale Omgevingsverordening De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes (OF); ontwikkelingsperspectieven (WAAR); gebiedskenmerken (HOE). Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes (OF) Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024. Ontwikkelingsperspectieven (WAAR) Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. Gebiedskenmerken (HOE) Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
16
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
Figuur 4.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld: Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Onder afdeling 4.2 (Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking) van de Omgevingsverordening 2024 staan de generieke beleidskeuzes opgenomen. Artikel 4.3 stelt voor de provinciale doelstellingen voor ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit, aanvullende eisen op de Ladder voor duurzame verstedelijking en is gericht op de concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid. Met betrekking tot dit plan zijn de volgende beleidskeuzes van belang: Artikel 4.4 principe van concentratie Lid 1 In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen. Toets Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van drie woningen aan de Dorpsstraat in Lattrop, op een braak liggend stuk grond.
De realisatie van deze woningen is in overeenstemming met de lokale woningbouwbehoefte, zoals ook te lezen is in paragrafen 4.1.4 en 4.1.5. Hiermee voorzien de drie woningen in de lokale behoefte en is de ontwikkeling in lijn met artikel 4.4 van de Omgevingsverordening Overijssel. Artikel 4.5 zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat: a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied; TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 17
b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Toets Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van drie woningen aan de Dorpsstraat in Lattrop. Hierbij moet het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland worden aangepast. Het plangebied is gelegen in de kern van Lattrop en is voorzien van de functie groen en is bestemd voor stedelijke functies, zoals groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, etc. Er is dan ook geen sprake van een een Groene Omgeving, zodat artikel niet van toepassing is. Het initiatief is in overeenstemming met artikel 4.5 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.6 toekomstbestendigheid In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus: a. de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen; b. duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden; en c. ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben. Toets Voorliggend plan voorziet in de realisatie van drie nieuwe woningen in de kern Lattrop. Het hebben van een woonruimte is een behoefte van de huidige generatie, maar ook voor de toekomstige generatie. Door het realiseren van de drie nieuwe woningen worden voor de huidige en toekomstige generatie voorzien van een woonruimte en hebben de woningen op lange termijn een toegevoegde waarde. Het initiatief is in overeenstemming met artikel 4.6 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.14 woonafspraken Lid 1 Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten. Omgevingsplannen kunnen alleen voorzien in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten. Wanneer de realisatie niet past binnen deze afspraken of wanneer er geen woonafspraken gelden, moet de behoefte worden aangetoond met actueel onderzoek waarop instemming is verkregen van andere gemeenten in de regio en Gedeputeerde Staten. In dat geval mag het omgevingsplan in maximaal 80% van de aangetoonde behoefte voorzien. Het actuele gemeentelijk woningbouwprogramma is in overeenstemming met de Regionale Woonagenda Twente. Toets Met voorliggend plan worden drie nieuwe woningen toegevoegd aan de woningvoorraad. Er is behoefte aan nieuwe woningen. Zoals ook te lezen is in paragraaf 4.1.3, 4.1.4 en 4.1.5. Het initiatief is in overeenstemming met artikel 4.14 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Ontwikkelingsperspectieven In het kader van sturen op ruimtelijke kwaliteit wordt de gemeenteraad gevraagd om in hun onderbouwing in te gaan op het ontwikkelingsperspectief dat voor het gebied van toepassing is. De provincie heeft zes ontwikkelingsperspectieven op hoofdlijnen haar beleidsambities neergelegd voor de sociaaleconomische en maatschappelijke ontwikkeling die leiden tot claims op de fysieke leefomgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven zijn globaal van aard en daarom wordt de mogelijkheid geboden om daarna gemotiveerd af te wijken. In figuur 4.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
18
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
Figuur 4.2 Uitsnede ontwikkelingsperspectieven, Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel) Zoals in figuur 4.2 is afgebeeld (zie blauwe markering), ligt het plangebied in het gebied dat is aangemerkt als 'woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).
Toets In het gebied dat is aangemerkt als 'woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' mag er altijd voor eigen behoefte worden gebouwd. In de gemeente Dinkelland is behoefte aan nieuwe woningen, zoals blijkt uit paragraaf 4.1.4. Met de realisatie van drie woningen worden er nieuwe woningen aan de woningvoorraad toegevoegd en kan er bijgedragen worden aan de woningbehoefte. Voorliggend initiatief is in lijn met het ontwikkelingsperspectie 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'.
Gebiedskenmerken Gelet op de ligging van het plangebied in het stedelijk gebied is voornamelijk de ‘stedelijke laag’ van belang. Naast de kenmerken van de stedelijke laag zijn er ook een kenmerken van de laag van beleving van belang. Het plangebied ligt in het stedelijk gebied, hierdoor zijn de gebiedskenmerken van de natuurlijke laag niet meer aanwezig, de natuurlijke laag zal daarom verder achterwege worden gelaten.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 19
Figuur 4.3 Uitsnede gebiedskenmerk 'woonwijken van 1955 tot nu', plangebied onder het rode kruisje (Bron: provincie Overijssel) In figuur 4.3 zijn de kenmerken van de ‘woonwijken van 1955 tot nu’ opgenomen. De woonwijken van 1955 tot nu zijn plan matig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningen centra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra. Als ontwikkelingen plaats vinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. Het realiseren van drie woningen aan de Dorpsstraat, met dezelfde uitstraling als omliggende gebouwen, past binnen het gebiedskenmerk 'woonwijken 1955-nu'. In het ontwerp van de woningen word rekening gehouden met de uitstraling. Met de realisatie van de drie woningen word een leegte tussen twee bestaande woningen opgevuld. Hierdoor wordt er dus rekening gehouden met de bestaande structuren van de kern Lattrop-Breklenkamp. Gesteld kan worden dat het voorliggende plan in lijn is met de gebiedskenmerk 'woonwijken van 1955 tot nu'.
20
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
Figuur 4.4 Uitsnede gebiedskenmerk 'Donkerte', plangebied onder het rode kruisje (Bron: provincie Overijssel) In gebieden met het kenmerk 'Donkerte' (zie figuur 4.4) wordt het 's nachts nog echt donker en kan men de sterrenhemel waarnemen. Het zijn relatief dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is om de huidige 'donkere' gebieden, tenminste even donker te houden, of bij nieuwe ontwikkelingen nog liever wat donkerder te maken. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van drie woningen binnen de bestaande bebouwde omgeving. In deze bestaande bebouwing is er al een niveau aan licht aanwezig. Het toevoegen van drie woningen doet geen afbreuk aan beoogde donkerte. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voorliggend plan in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid. 4.1.3
Omgevingsvisie Dinkelland
MijnOmgevingsvisie gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied , gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. MijnOmgevingsvisie gaat in op: 1. de uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten); 2. hoe men daarop kan inspelen (speerpunten); 3. hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan); 4. welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart). Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn: We doen het samen; We geven het goed voorbeeld; We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. We wentelen niet af op volgende generaties. Speerpunten In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op de thema's Buitengebied in balans, Leefbare kernen, Leefomgeving van de toekomst. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name het thema 'leefbare kernen' van belang.
Daarbij gelden de volgende speerpunten: Voldoende voorziening Aantrekkelijk wonen Ruimte voor ondernemen Leefbare openbare ruimte Toets Om te zien wat in de omgeving belangrijk is, heeft de gemeente Dinkelland een waardenkaart opgesteld. Het plangebied ligt volgens de waardenkaart in het lichtroze gebied 'Landelijke kernen'. Zoals te zien is in figuur 4.5.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 21
Figuur 4.5 Uitsnede waardenkaart gemeente Dinkelland, plangebied onder het icoontje (Bron: regels op de kaart) Bij dit gebied horen de volgende kenmerken: kernen met kleinschalige bebouwing verbonden met het buitengebied; aanwezigheid van ontmoetingsplekken; een groene omgeving; rafelige en afwisselende dorpsranden; in veel kernen met een kerk als belangrijkste gebouw in het dorpssilhouet, tevens is er op enkele plekken karakteristieke bebouwing aanwezig; Bij ontwikkelingen binnen dit gebied wordt ingespeeld op: Het kleinschalige bebouwingsgebied; mogelijkheden om te ontmoeten; de verbondenheid met het buitengebied; de afwisselende dorpsrand; behoud van (het zicht op) de kerk en de beleefbaarheid van karakteristieke bebouwing; aanwezigheid van en zicht op groen en bomen in de kern; de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het omringende landschap met waardevolle cultuuhistorische elementen; Voorliggend plan heeft betrekking op een kleinschalig woningbouwplan dat aansluit bij het bebouwingsgebied in de kern Lattrop, welke ook kleinschalig van aard is. Daarnaast wordt de in de buurt gelegen kerk niet aangetast door het bouwproject. Hierbij word er namelijk de zicht op de kerk vanuit de omgeving niet ontnomen. Achter het perceel zijn geen andere woningen gelegen, die door het voorliggende plan hinder zouden kunnen ondervinden op het zicht op de kerk.
Zoals is aangegeven bij richtlijnen van de gemeentelijke waardenkaart. Voorliggend initiatief is in lijn met de uitgangspunten die voortkomen uit de gemeentelijke waardenkaart. Conclusie Voorliggend plan is in lijn met de Omgevingsvisie van gemeente Dinkelland.
22
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
4.1.4
Woonvisie 2021+
De 'Woonvisie 2021+' is op 5 juli 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Dinkelland vastgesteld. De Woonvisie is achterhaald door Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029, dat door het college is vastgesteld op 1 april 2025, omdat daarin de meest recente kwantitatieve en kwalitatieve behoefte is opgenomen. In paragraaf 4.1.5 is de toets aan dit programma opgenomen. 4.1.5
Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029
Dinkelland kijkt met ambitie naar de toekomst. In 2050 zal de woningmarkt volledig in balans zijn, met een woonaanbod dat perfect aansluit op de woonvraag. De gemeente Dinkelland zal bloeien als een levendige en dynamische plek, waar woningen en voorzieningen op niveau zijn en inspelen op de behoeften van onze inwoners. Om te voorzien in de groeiende woonbehoefte zet gemeente Dinkelland in op het optimaal benutten van de bestaande woningvoorraad. Immers is 94% van het aantal benodigde woningen in 2032 reeds aanwezig in de bestaande woningvoorraad. Hierbij wordt gekeken naar de mogelijkheden om bestaande woningen te renoveren en te verduurzamen zodat deze beter aansluit bij de veranderende behoeften van de samenleving. Dit omvat het herbestemmen van leegstaande kantoren tot appartementencomplexen en het transformeren van industrieterreinen tot aantrekkelijke woonwijken. Ontwikkeling woningbehoefte De gemeente Dinkelland staat voor een belangrijke uitdaging op het gebied van woningbouw in de komende jaren. Met de groeiende vraag naar woningen, zowel vanuit de eigen bevolking als binnen de woningmarktregio, dient de gemeente in kaart te brengen wat de omvang is van de woningbouwbehoefte. Hierbij wordt ook de kwalitatieve woonbehoefte van verschillende aandachtsgroepen en ouderen meegenomen.
Het vinden van een balans tussen het behouden van het karakter van de dorpen en het bieden van voldoende en passende huisvesting is cruciaal voor de toekomstige leefbaarheid en ontwikkeling van de gemeente Dinkelland. Toekomstig aantal huishoudens Gemeente Dinkelland telde op 5 juli 2023 in totaal 10.630 huishoudens. De Primos prognose verwacht een groei van +4.2% in extra huishoudens naar een totaal van 11.076 huishoudens in 2032. Deze groei in huishoudens is verwacht ondanks de hierboven beschreven verwachte bevolkingskrimp volgens Primos. Dit kan worden verklaard door huishoudingsverdunning (bijvoorbeeld echtscheidingen, latere paarvorming, etc.). De prognose van Tellers & Benoemers verwacht een groei van +6.7% in extra huishoudens naar een totaal van 11.336 in 2032. De groei in het aantal huishoudens ligt in lijn met de verwachte bevolkingsgroei volgens Tellers & Benoemers. Concluderend: de gemeente Dinkelland houdt rekening met 708 nieuw te bouwen woningen tot het jaar 2032 vanwege de algemene lokale bevolkingsen huishoudensgroei. Waar bouwen we nieuwe woningen De woningbouwopgave vormt een van de meest urgente uitdagingen binnen het huidige beleidslandschap.
De veranderende samenstelling van huishoudens, de beperkt beschikbare ruimte, de behoefte aan betaalbare en duurzame woningen, de specifieke opgaven voor aandachtsgroepen, ouderen en starters op de woningmarkt vereisen een integrale en gecoördineerde aanpak. In de afgelopen jaren is duidelijk geworden dat de vraag naar woningen het aanbod ver overstijgt. Dit heeft geleid tot stijgende woningprijzen en een toenemende druk op de huurmarkt. Het beleid ter verwezenlijking van de woningbouwopgave richt zich daarom op het vergroten van het woningaanbod, het verbeteren van de betaalbaarheid van woningen, en het waarborgen van de kwaliteit en duurzaamheid van de gebouwde omgeving. De afgelopen jaren heeft de gemeente Dinkelland niet stil gezeten. De gemeente heeft actief grondbeleid gevoerd om gronden te verwerven voor de ontwikkeling van woningbouwplannen. Daarnaast zijn er ook diverse marktpartijen en particuliere initiatieven gestart om woningbouw te realiseren binnen de gemeente Dinkelland. Zoals eerder beschreven heeft de gemeente een totale woningbouwbehoefte van 871 woningen (100%). De gemeente programmeert 130% van de woningbehoefte (1.133 woningen) vanwege vertragingen in het ontwikkelproces of het uiteindelijk niet doorgaan van plannen. Totaal kent de gemeente 934 woningen in verschillende woningbouwplannen (82% van de totale plancapaciteit).
Er is dus nog ruimte voor 199 nieuwe woningbouwinitiatieven (18% van de totale plancapaciteit). Deze open plancapaciteit zal met nieuwe voornemens vanuit zowel de gemeente als particuliere initiatieven worden ingevuld. Figuur 4.6 geeft weer hoeveel harde en zachte woningbouwplannen er in welke Dinkellandse kern in voorbereiding zijn.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 23
Figuur 4.6 Woningbouwplannen (harde en zachte plannen) per kern in relatie tot de totale plancapaciteit (Bron: gemeente Dinkelland) Toets Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van drie nieuwe woningen in de kern van Lattrop-Breklenkamp. Met de realisatie van de drie nieuwe woningen wordt er voorzien in de woningvoorraad die gemeente Dinkelland gesteld heeft voor haar grondgebied. Daarnaast is in het huisvestingsprogramma de locatie van het voorliggende initiatief al meegenomen als zachte plan locatie voor woningbouwontwikkeling. Hiermee kan gesteld worden dat het voorliggende initiatief in lijn is met het volkshuisvestingsprogramma 2025-2029 van de gemeente Dinkelland. 4.1.6
Nota inbreidingslocaties 2020 gemeente Dinkelland
Algemeen Bij de gemeente Dinkelland werd en wordt er regelmatig een aanvraag ingediend voor het bouwen van woningen op inbreidingslocaties. Daarbij gaat het dan veelal om kleinschalige grondgebonden woningbouw zonder functiemenging binnen de grenzen van de bebouwde kom. Voor de beoordeling van dergelijke aanvragen is voor het eerst in 2011 door de gemeenteraad een beleidskader vastgesteld in de vorm van een “Beleidsnota Inbreidingslocaties”. Nadien is het beleid aangepast in de versie “Beleidsnota inbreidingslocaties gemeente Dinkelland 2020”. Het doel van deze nota is het bieden van een kader voor de beoordeling van woningen binnen de kernen op inbreidingslocaties. Om dergelijke verzoeken omtrent inbreiding te kunnen beoordelen is het noodzakelijk om duidelijk vast te leggen welke uitgangspunten daarvoor gelden en onder welke voorwaarden inbreiding mogelijk is. Toepassing Het beleid is van toepassing op: 24
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
verzoeken voor woningbouw welke niet passen in het omgevingsplan; verzoeken binnen bestaand bebouwd gebied. Voorwaarden Het aantal woningen dat toegevoegd kan worden in de gemeente is beperkt en neemt op termijn af, zodat toevoegen moet gebeuren op plekken waar de meerwaarde groot is. Denk hierbij aan beeldbepalende of centrale plekken in de kern of op locaties waar verbetering van belang is. Bouwen op structuurversterkende plekken zorgt voor meer levendigheid, meer ruimtelijke kwaliteit en meer draagvlak voor voorzieningen. Onder structuurversterkende plekken verstaat de gemeente Dinkelland plekken die: 1. binnen bestaand bebouwd gebied zijn gelegen; en 2. goed bereikbaar zijn voor al het verkeer; en 3. door herontwikkeling voor woningbouw (als functie, naast eventuele andere functies) bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en vitaliteit van de kern door: a. het herontwikkelen van een “rotte kies” (oude leegstaande/vervallen gebouwen); of b. het oplossen van leegstand; of; c. het hergebruiken van bestaand maatschappelijk vastgoed of monumenten; of d. het slopen of wegbestemmen van incourante woningen of bouwkavels; of e. sanering van een milieuhinderlijk bedrijf; f. het (her)ontwikkelen van een lege plek die voldoet aan de omschrijving stedelijke functies. Locaties met een beeldbepalende groen- of bosfunctie zijn uitgesloten.
Daarnaast heeft de gemeente Dinkelland de volgende overige stedenbouwkundige voorwaarden geformuleerd: a. b. c. d.
Aansluiting op de bestaande stedenbouwkundige structuur; Kavel(s) moet(en) grenzen aan de openbare weg; Samenhang met de omgeving; Woonmilieus mogen niet onevenredig worden aangetast.
Situatie plangebied Voorliggend plan voorziet in de realisatie van drie woningen binnen de kern van Lattrop-Breklenkamp. De planlocatie bestaat uit een braakliggend stuk grond dat gedeeltelijk groen is en deels uit verharding bestaat. Het plangebied bevindt zich binnen het bestaand bebouwd gebied van Lattrop en is goed bereikbaar voor verkeer door de ligging aan de Dorpsstraat. In de huidige situatie geldt een groenfunctie op het perceel. Dit stuk groen kan worden omschreven als stedelijk groen, maar is er geen sprake van een beeldbepalend groen. Het bestaande groen betreft geen hoogwaardig kwalitatief groen. Het betreft voornamelijk een kleine weide. Het aanwezige kwalitatieve groen, de bomen langs de Dorpsstraat, blijven tevens behouden. Op het stuk grond zijn parkeervoorzieningen en grasland aanwezig. Hiermee wordt er voldaan aan punt 1 door de ligging van het gebied, punt 2 door de ligging aan de Dorpsstraat en punt 3 het herontwikkelen van een lege plek. Naast de algemene voorwaarden word er ook voldaan aan de stedenbouwkundige voorwaarden. Zo sluit de ontwikkeling aan aan de bestaande stedenbouwkundige structuur. De woningen worden namelijk gerealiseerd tussen twee bestaande woningen, zonder dat er aanpassingen worden gedaan aan de huidige structuur. De nieuw te bouwen woningen sluiten aan op de bestaande voorgevelrooilijn van de Dorpsstraat.
Daarnaast grenzen de percelen aan de openbare weg, namelijk de Dorpsstraat. In het ontwerp is rekening gehouden met de uitstraling van omliggende bebouwing. Dit word gedaan doormiddel van de puntdaken en enkel twee bouwlagen te realiseren. Met de hoogtes van de woningen is aangesloten bij de omliggende bouwhoogtes. De vastgestelde bouwhoogtes van omliggende woningen ligt tussen de 8 tot 10 meter. Als laatste worden er met de realisatie van de drie woningen geen woonmilieus in de omgeving aangetast. Voorliggend initiatief is in lijn met de nota inbreidingslocaties 2020 gemeente Dinkelland. 4.1.7
Nota omgevingskwaliteit
Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit. Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS). TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 25
Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. De nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen (geldend van 3 juni 2020, tot op heden) beschrijft het welstandsbeleid voor de gemeentes Dinkelland en Tubbergen (Noaberkracht). De nota omgevingskwaliteit is bedoeld om te kunnen beoordelen of bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand. De locatie is in de Nota Omgevingskwaliteit aangewezen als 'Kernen - Niveau midden'. Zie figuur 4.7.
Figuur 4.7 Kaart welstandsnota gemeente Dinkelland plangebied in blauw omcirkeld (Bron: gemeente Dinkelland) Het plangebied is gelegen in het gebied dat beschreven is als kernen - niveau midden. Hierbij zijn de ontsluitingswegen van belang voor de ruimtelijke kwaliteit. Hier staan vooral vrijstaande woningen. Langs de ontsluitingswegen word er gestuurd op representatieve architectuur. Vanuit de oude kern zijn langer uitlopers van het esdorp aanwezig. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van drie woningen. Met de realisatie van de drie woningen wordt er rekening gehouden met de omliggende bebouwing. Gelet op de locatie van de beoogde woningen, het ontwerp van de woningen en de ligging van de woningen t.o.v. de wegen, kan gesteld worden dat de ontwikkeling in lijn is met de Nota omgevingskwaliteit.
4.2 Voorbereidingsfase/Verkenningsfase met stakeholders In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een positieve principe-uitspraak heeft gedaan. 4.2.1
Vooroverleg provincie
De provincie Overijssel heeft de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van drie woningen in een kern (Lattrop-Breklenkamp) met een inwoneraantal van 300 tot 1000 inwoners. Volgens de uitzonderingenlijst van de provincie Overijssel is voor het voorliggende initiatief geen provinciaal vooroverleg nodig.
26
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
4.2.2
Vooroverleg Waterschap Vechtstromen
Op 8 april 2025 is via www.hetwateradvies.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 1. Uit de watertoets is gebleken dat er een korte procedure moet worden gevolgd. De procedure in het kader van de voortoets is goed doorlopen. Het waterschap vechtstromen heeft schriftelijk op 8 april 2025 bevestigd dat de ruimtelijke relevante wateraspecten van dit plan gering zijn en/of tijdelijk van aard. Waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaar tegen dit plan (zaaknummer 26731). 4.2.3
Participatie omgeving
Initiatiefnemer heeft in het kader van het beleid 'Inwonersparticipatie' gesproken met omwonenden. De omwonenden zijn blij met de voorliggende plannen. Ze zijn positief te spreken over de verjonging van de buurt. Het gehele rapport is te lezen in Bijlage 2. 4.2.4
Zienswijzen
Naast participatie is het voor belanghebbenden mogelijk om in de formele besluitvormingsprocedure bezwaren kenbaar te maken. Het TAM-IMRO omgevingsplan met bijbehorende stukken wordt als ontwerp ter inzage gelegd gedurende zes weken. Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen. Onderhavig plan heeft met ingang van 19 december 2026, 6 weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 27
28
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 'Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.
De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579. De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt.
Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Stedelijke ontwikkeling Voorliggend plan maakt het realiseren van drie woningen aan de Dorpsstraat in Lattrop mogelijk. Uit jurisprudentie (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) blijkt dat bij realisatie van 11 of minder woningen geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ook wanneer de ladder niet van toepassing is moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is op voorliggende ontwikkeling. Ook als de Ladder niet van toepassing is, moet de behoefte aan de in het plan voorziene woningen worden gemotiveerd. Zoals blijkt uit paragraaf 4.1.5 voorziet het plan in een behoefte.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong. 29
5.2 m.e.r.-beoordeling Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen: de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten. de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's. De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project. In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen: De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34 lid 1 Ow). In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen.
De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer(beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Ow) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen. De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-merplichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer-(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als: a.
het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten: Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt. Beoordeling of het plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Dit project heeft betrekking op de realisatie van drie woningen. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt.
Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; 30
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22u Lattrop, Dorpsstraat ong.
de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken (art. 16.36 lid 3 Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht. Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant, waarbij de bestaande planologische mogelijkheden meegewogen mogen worden (ABRS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414). Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob.