CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Lemselermaten_Bijlagen _Bijlage 1 Inrichtingsplan Lemselermaten.pdf

Gemeenteraad 31 januari 2023, gemeente DinkellandBij agendapunt: 15: Voorstel inzake ontwerp Provinciaal Inpassingsplan Lemselermaten29.395 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het idee hierachter is dat voorgenomen maatregelen ook bijdragen aan versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Hieronder wordt verstaan: bescherming van karakteristieke waarden van het landschap, vergroten van de leesbaarheid van het landschap en het vergroten van de beleving en toegankelijkheid. De natuurgerichte maatregelen zijn vooral gericht op vernatting en bieden weinig aanknopingspunten ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit. Een uitzondering is de aanpak van de beken in het gebied. Hierbij doet de kans zich voor om aan te sluiten bij KRW-doelen om de Weerselerbeek natuurlijker in te richten en hiermee aantrekkelijker en herkenbaarder te maken in het landschap. Vergroten van de toegankelijkheid van het natuurgebied vanuit Weerselo is gewenst, maar wordt bemoeilijkt door de voorgenomen aanleg van de nieuwe rondweg Weerselo.

20

Inrichtingsplan Lemselermaten

De aanleg van extra paden maakt geen onderdeel uit van de natuurherstelmaatregelen, maar wordt op kleine schaal gezien als meekoppelkans. Dit geldt ook voor eventuele informatievoorzieningen. Eventuele omvorming van landbouwpercelen buiten de Natura-begrenzing biedt mogelijkheden om het kleinschalige cultuurlandschap in de beekdalen te herstellen door aanleg van kavelgrensbeplantingen haaks op de beek. In het gebied komen waardevolle laanbeplantingen voor, zoals langs de Dollanddijk. Vernatting als gevolg van hydrologische maatregelen in combinatie met een mogelijk noodzakelijke ophoging van de wegen voor voldoende drooglegging, leidt mogelijk tot aantasting van deze beplantingen. Mitigerende maatregelen of herstel (herplant) is mogelijk nodig; dit is niet in het inrichtingsplan opgenomen maar wordt in de realisatiefase nader onderzocht.

2.7 OVERIGE FUNCTIES Landbouw Het natuurgebied Lemselermaten wordt aan alle zijden omgeven door landbouwgronden, veelal bestaande uit grasland. De agrarische bedrijven in de omgeving zijn melk- en vleesveehouderijen en een schapenhouderij. Wonen Er zijn geen woningen binnen de Natura-begrenzing aanwezig. Ook langs de Rutermedenweg en de Dollanddijk staan geen woningen. Aan de Haarstraat, Glipsdijk, Lemseloseschoolweg en Lemselosestraat liggen wel verspreid agrarische bedrijven en (bedrijfs-)woningen. Twee erven aan de Glipsdijk grenzen direct aan het Natura 2000-gebied. Wegen Het gebied waarin Lemselermaten ligt kent een fijnmazig netwerk van wegen. De belangrijkste doorgaande wegen liggen op enige afstand van het natuurgebied. Dit zijn de Haarstraat en de provinciale N343 (Lemselosestraat) (zie Figuur 2.1). Direct ten noordwesten van Lemselermaten zal de komende jaren een provinciale rondweg aangelegd worden. De Dollanddijk en Rutermedenweg zijn zandwegen. Ze vormen samen met de Glipsdijk de begrenzing van het Natura 2000-gebied. De wegen zijn smal en hebben een functie als ontsluiting van aanliggende erven of landbouwgronden en hebben tevens een recreatieve functie (fietsen en wandelen). De Dollanddijk wordt gebruikt als klootschietbaan. De Reservaatweg is de enige weg binnen de begrenzing en dient ter ontsluiting van aangrenzende percelen.

Dit is tevens een belangrijke ontsluitingsroute voor beheer van het gebied. Recreatie Er zijn geen wandel- of fietspaden aanwezig binnen de Lemselermaten. Ook liggen er geen verblijfsrecreatiebedrijven in de directe omgeving. De Reservaatweg in het natuurgebied loopt dood. Het fijnmazige omliggende netwerk van paden wordt wel gebruikt door fietsers en wandelaars, maar er zijn geen gemarkeerde routes. De Dollanddijk wordt gebruikt door de Lemselose Klootschietvereniging (vereniging ‘Nijstad’). Ook ligt hier in een bosje een voormalige landlopersbegraafplaats die een toegang heeft aan de Dollanddijk. De gemeente, Landschap Overijssel en Stichting Monumentenwacht Overijssel werken aan herstel en herkenbaarheid van dit historische relict. Vernieuwing van de toegang zit niet in de plannen en kan mogelijk meegenomen worden als meekoppelkans bij de maatregelen die aan de Dollanddijk en de Dollandbeek moeten worden uitgevoerd. Waterwinning Ten zuiden van Lemselermaten ligt de drinkwaterwinning Weerselo van Vitens. In de provinciale Omgevingsverordening zijn hiervoor beschermende bepalingen opgenomen: waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied en intrekgebied. Het intrekgebied grenst aan de zuidkant aan de Lemselermaten, het grondwaterbeschermingsgebied valt deels samen met het natuurgebied (zuidelijk deel zie Figuur 2.9).

Voor de grondwaterbeschermings- en intrekgebieden geldt dat de functies hier niet mogen conflicteren met de functie drinkwatervoorziening.

21

Inrichtingsplan Lemselermaten

Figuur 2.9 Ligging waterwinning Weerselo (donkerblauwe gebied ten zuiden van de Lemselosestraat) met grondwaterbeschermingsgebied (grens weergegeven met blauwe lijn) en intrekgebied (bruin gearceerd) (bron: Overijssel.tercera-ro.nl/mapviewer).

2.8 OVERIGE OPGAVEN Zoals reeds in paragraaf 1.3 Uitgangspunten is aangegeven spelen er in Lemselermaten en directe omgeving nog twee opgaven: de aanleg van een nieuwe rondweg Weerselo en een Kaderrichtlijn Water (KRW) doelstelling voor de Weerselerbeek. Rondweg Weerselo Zoals is aangegeven in hoofdstuk 1 Inleiding is de Provincie bezig met een planvormingstraject om een rondweg rondom Weerselo aan te leggen. Dit nieuwe tracé ‘schampt’ het projectgebied en heeft een direct raakvlak daar waar de Weerselerbeek de toekomstige rondweg kruist (ten westen van de Rutermedenweg0. Vanuit het Natura 2000-project dient het traject met de huidige stuw vispasseerbaar gemaakt te worden doormiddel van een vistrap. Vanuit het rondwegproject is dit ingepast in het ontwerp. Hydrologisch, qua grondwater, hebben beide projecten nagenoeg geen relatie met elkaar, aangezien de rondweg in de toekomst op een kade wordt aangelegd. Ten aanzien van het uitvoeren van Natura 2000maatregelen wordt, behoudens de vispassage, verder geen rekening gehouden met de aanleg van de rondweg. KRW (Weerselerbeek) KRW-doelen zijn meegenomen in het inrichtingsplan (paragraaf 1.3 Uitgangspunten). Hierbij zijn ook de Boschbeek en de Lemseleresbeek van belang. Er ligt een KRW opgave voor herstel van het oorspronkelijk watersysteem. Dat wil zeggen het herverbinden van de Boschbeek met de Weerselerbeek.

De reden om beide beken met elkaar te verbinden is om de Weerselerbeek van jaarrond meer water te kunnen voorzien (Inrichtingsvisie Weerselerbeek 2012). Dit zorgt tevens voor een betere doorstroming van de beek in de kern Weerselo, wat de waterkwaliteit ten goede komt. Verder dient de beek grotendeels beschaduwd te zijn en obstakelvrij voor vis- en overige faunamigratie. Bij het vormgeven van het maatregelpakket is gekeken in hoeverre het realiseren van KRW-maatregelen samengaat met het behalen van de Natura 2000-doelstellingen. In hoofdstuk 5 Maatregelen zijn deze maatregelen verder uitgewerkt.

22

Inrichtingsplan Lemselermaten

3. Uitgevoerde onderzoeken Binnen de planfase zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd om de complexe abiotische situatie van het Natura 2000gebied beter te doorgronden. Daarmee is beter te voorspellen welke maatregelen effectief zijn om de natuur te verbeteren, duurzaam in stand te houden en waar nodig te ontwikkelen. Daarnaast is er een betere voorspelling te doen van de effecten van deze maatregelen op omliggende functies. In paragraaf 1.4.1 Onderzoeken is al beschreven welke onderzoeken door welke externe en onafhankelijke adviesbureaus zijn uitgevoerd. In dit hoofdstuk worden de resultaten van deze onderzoeken beknopt samengevat, waarbij de focus ligt op welke nieuwe inzichten zijn opgedaan ten opzichte van reeds bekende feiten uit het beheerplan. Er is geen onderzoek gedaan naar atmosferische depositie van stikstof.

3.1 ACTUELE STATUS Habitattypen Onderzoek naar de actuele status van de habitattypen (Unie van Bosgroepen, 2016) toont aan dat de kwaliteit van de habitattypen: pioniersvegetaties met snavelbiezen, kalkmoerassen en vochtige alluviale bossen over het algemeen nog goed is, maar dat er, met uitzondering van de kalkmoerassen, een dalende trend is (de kwaliteit neemt af). Vochtige heide, heischrale graslanden en blauwgraslanden zijn als matig beoordeeld, omdat ze veelal als rompgemeenschap voorkomen. Binnen deze habitattypen speelt verdroging een grote rol in de vorm van de aanwezigheid van pijpenstrootje, knoopkruid en hennegras in de vochtige heiden en het blauwgrasland. In de blauwgraslanden zijn ook tekenen van verzuring (gewone waternavel), verdroging (hennegras) en eutrofiëring (veldrus en moeraszegge) aangetroffen. Het habitattype pioniersvegetatie met snavelbiezen is nog wel aanwezig, maar ontwikkelt zich veelal door naar vochtige heide als gevolg van verdroging en successie. Op beperkte schaal zijn indicatoren van verdroging en eutrofiëring van het vochtig alluviaal bos aangetroffen in de vorm van gewone braam en mannagras. Op sommige plekken is de kwaliteit matig. Daar waar het bos op stelten staat is sprake van een sterke veenafbraak onder invloed van verdroging en/of vermesting onder invloed van nitraat en sulfaat.

Leefgebied Zeggekorfslak De habitatrichtlijnsoort Zeggekorfslak (H2320) is in 2016 op drie plekken in grote populaties aangetroffen. Het betreffen locaties met vochtige tot natte standplaatsen waar moeraszegge in hoge dichtheid voorkomt. Slechts 1 locatie bevindt zich binnen een aangewezen habitattype (meest westelijke vochtige alluviale bos). Aangezien het een eenmalige waarneming betreft kan over de ontwikkeling van deze soort geen uitspraak worden gedaan.

Figuur 3.1 Locaties waar de zeggekorfslak is aangetroffen in 2016.

NB. De inventarisatie naar de actuele status van de habitattypen is uitgevoerd in 2016, dus nog voor de zeer droge jaren 2018, 2019 en 2020. Droogte heeft geleid tot meer mineralisatie van de venige bodem. Bij mineralisatie komt stikstof vrij en dat leidt tot meer verruiging met onder andere hennegras, moeraszegge, gewone braam wat weer ten koste gaat van de kwetsbare habitats (bron: veldwaarnemingen, PAS N2000 veldbezoek 27 juli 2021). Door de zeer droge jaren is realisatie van de Natura 2000- herstelmaatregelen urgenter geworden.

23

Inrichtingsplan Lemselermaten

3.2 LANDSCHAPSECOLOGISCHE SYSTEEMANALYSE (LESA) Dit door de Unie van Bosgroepen uitgevoerde onderzoek is separaat gerapporteerd (Lemselermaten-Systeemanalyse, Versluijs et al, 2 juni 2017) en vormt een aanvulling op de systeemanalyse van Bell & Van ’t Hullenaar uit 2015. Hieronder volgt een samenvatting van de belangrijkste inzichten. Het gebied Lemselermaten kent van nature een sterke kweldruk. Het watervoerende pakket in de bodem wordt hier smaller waardoor het water op maaiveld op lage plekken uittreedt (aan het oppervlak komt): in de beekdalen van de Weerselerbeek en Dollandbeek. Het lokale en (sub)regionale grondwatersysteem vertonen een grote samenhang. Het diepe grondwater is basenrijk, terwijl het ondiepe grondwater basenarm (zuur) is. In de winter is er door neerslag en geringe verdamping een overvloed aan water. Lokale, basenarme grondwaterstromen zijn dan dominant en deze duwen het basenrijke (sub)regionale grondwater vanuit de dekzandrug voor zich uit. Hierdoor treedt de basenrijke kwel niet alleen in de lage beekdalen uit, maar ook hoger op de flanken. In de zomer vallen de lokale grondwaterstromen droog als gevolg van minder neerslag en meer verdamping. Dankzij overdruk en grote stijghoogten uit diepere lagen kan het basenrijke (sub)regionale grondwater omhoogkomen tot in de basis van de dekzandruggen. De basenvoorraad wordt hierdoor weer aangevuld.

Het systeem werkt als een soort van pomp waardoor basenrijke kwel in de helling en aan de voet van de dekzandruggen kan uittreden. Onduidelijk blijft hoe groot de invloed is van de ondiepe ligging van de slecht doorlatende laag (Formatie van Boxtel) op dit proces.

Figuur 3.2 Doorsnede van noord (A’) naar zuid (A): waterstromen in de Lemselermaten. In het dal van de Weerselerbeek en de Dollandbeek domineren sterke subregionale stromingen (bron: LESA, Unie van Bosgroepen).

Grondwater Zowel in het dal van de Weerselerbeek als dal van de Dollandbeek zijn de stijghoogtes van het grondwater zeer hoog. In enkele peilbuizen is de stijghoogte van het grondwater in de winter tot 30 cm boven maaiveld. Dit grondwater wordt deels oppervlakkig en deels door de diepe ligging van de Weerselerbeek (en in mindere mate de Dollandbeek) aangetrokken en afgevoerd. De beken werken dus drainerend op het systeem. Door de aanwezigheid van een dichte bodemlaag van klei en leem met een grote weerstand (laagpakket van Boxtel) blijft het grondwatersysteem nog enigszins op druk (Bell & Van ’t Hullenaar). De beken hebben een negatief effect op de kweldruk; plaatselijk leidt dit zelfs tot wegzijging in plaats van kwel. Kwelwater kan zo in de winterperiode minder goed en minder lang in de wortelzone van de bodem onder het natuurgebied doordringen. Waterkwaliteit Er zijn grote verschillen in sulfaatconcentraties tussen het beekdal van de Weerselerbeek en het beekdal van de Dollandbeek. Dit duidt erop dat deze verschillende gebiedsdelen grondwater ontvangen met een andere herkomst. De stroombaananalyse, uitgevoerd op basis van het verfijnde grondwatermodel, onderschrijft dit (Hydrologische effectberekeningen PAS-maatregelen Lemselermaten, Tauw, 2019). De Weerselerbeek ontvangt water vanuit het oosten, de Dollandbeek vanuit het zuidoosten.

Ook de bodem (bodemtype) en de vochttoestand spelen een belangrijke rol bij de waterkwaliteit en daarmee mate van eutrofiëring. De bodems in dit deel van Twente zijn, door de aanwezigheid van leemen mariene kleilagen, rijk aan pyriet. Bij bemesting spoelt nitraat deels uit en dit wordt in een chemische reactie met pyriet 24

Inrichtingsplan Lemselermaten

omgezet in sulfaat. In ijzerrijke bodems wordt sulfaat meer gebonden dan fosfaat waardoor dit fosfaat sneller vrijkomt. Fosfor wordt echter ook sterk gebonden door calcium. Bij voldoende aanvoer van basenrijk (calciumrijk) grondwater blijft fosfor hierdoor lang in de bodem vastgehouden.

3.3 ONDERZOEK BODEM- EN GRONDWATERKWALITEIT Dit door B-ware uitgevoerde onderzoek is separaat gerapporteerd (Uitwerking onderzoeksvragen in het kader van Natura 2000 gerelateerd aan bodemonderzoek, grondwater en inschatting interne eutrofiëring, B-ware, Lucassen en Roelofs, rapportnummer 2016.044, 6 juni 2016). Resultaten zijn geïntegreerd in de rapportages van de Unie van Bosgroepen (Systeemanalyse en Maatregelenpakket).

Figuur 3.3 Locaties waar in de Lemselermaten monsters zijn genomen

Natuurontwikkeling op (voormalige) landbouwgronden (fosfaatonderzoek) Om de toekomstige gebruiksmogelijkheden in beeld te krijgen is op landbouwpercelen rondom het natuurgebied en (voormalige) landbouwpercelen binnen de Natura-begrenzing onderzoek gedaan naar het fosfaatgehalte in de bodem. De locaties waar dit onderzoek is uitgevoerd zijn weergegeven in Figuur 3.3 (zwarte stippen); op een aantal percelen was geen toestemming om het onderzoek uit te voeren. Het onderzoek geeft inzicht in de mogelijkheden voor natuurontwikkeling op betreffende percelen (binnen een afzienbare termijn): een laag fosfaatgehalte biedt namelijk goede kansen voor de ontwikkeling van (vochtige tot natte) voedselarme natuur. Het onderzoek laat zien dat het fosfaatgehalte in de toplaag (met name de eerste 30 cm) doorgaans te hoog is voor ontwikkeling van natuur. Er is slechts een beperkt aantal fosfaatarme (‘schrale’) locaties aanwezig in het gebied (P14 en P15). Onder de fosfaatrijke toplaag bieden de meeste locaties echter goede perspectieven voor natuurontwikkeling. Dit betekent dat deze locaties kansrijk zijn voor natuurontwikkeling wanneer de toplaag wordt afgegraven of dat het aanwezige fosfaat door het uitvoeren van beheermaatregelen over een periode van 5-10 jaar uit de grond wordt gehaald via het af te voeren gewas (uitmijnen).

Een overzicht met de hiervoor benodigde ontgrondingsdiepten wordt gegeven in Figuur 3.4. Maaiveldverlaging kan van invloed zijn op bestaande habitats. Behoud gaat voor ontwikkeling. De conclusie van het onderzoek is dat erin en rond de Lemselermaten potentie is om landbouwgronden om te vormen tot natuur. Het natuurtype dat in de laagste delen tot ontwikkeling kan komen is nat schraalland (blauwgrasland, veldrusschraalland en kleine zeggenvegetaties). Aan de noordwestzijde van het gebied (P14 t/m P19) komen zeggesoorten lokaal al in het grasland tot ontwikkeling wat een indicatie is voor goede potenties voor natuurherstel met o.a. dotterbloemhooiland. 25

Inrichtingsplan Lemselermaten

De huidige maisakker aan de zuid- en oostkant van de Reservaatsweg is hiervoor te droog en te weinig gebufferd (P39 t/m P44) en deze lijkt potentie te hebben om te ontwikkelen tot droog schraalgrasland, vochtig heischraalgrasland en vochtige heide. Het oostelijk deel van het gebied (P56 t/m P63) ligt relatief hoog en droog. Hier liggen potenties voor ontwikkeling van droog schraalgrasland en droge heide.

Figuur 3.4 Overzicht van de ruimtelijke variatie in het ontgrondingsadvies (in centimeters) voor het creëren van P-gelimiteerde omstandigheden met opties tot ontgrondingsadviezen waarbij beperkt aanvullend verschralingsbeheer is vereist: a= 0-5 jaar; b= 5-10 jaar; c= 10-20 jaar om op korte termijn schrale natuurtypen te kunnen realiseren.

Figuur 3.5 Overzicht van de ruimtelijke variatie in de verschralingsduur (in jaren) van de toplaag. De verschralingsduur is berekend en weergegeven voor een bodempakket van 25 cm en betreft de gemiddelde verschralingsduur bij een Olsen-P streefconcentratie van 300 en die van 500 μmol/l. Het betreft een indicatieve verschralingsduur. 26

Inrichtingsplan Lemselermaten

Grondwaterkwaliteit Het onderzoek naar de grondwaterkwaliteit in het gebied is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vragen in welke mate het lokale grondwater vermest is met nitraat, sulfaat en/of fosfaat. Dit zijn de stoffen die kunnen leiden tot ongewenste verrijking (eutrofiering) van de aanwezige habitats in het natuurgebied. Om deze vragen te kunnen beantwoorden is op 6 locaties op de overgang van landbouw naar natuur (éénmalig) het freatische grondwater bemonsterd op de chemische samenstelling. De locaties zijn weergegeven in Figuur 3.3 (rode stippen). Uit het onderzoek is gebleken dat de bodem in het gebied rijk is aan fosfaten afkomstig uit de landbouw in zowel beschikbare als gebonden aan het bodemcomplex. Fosfaat spoelt niet diep uit, maar is vooral ondiepe en oppervlakkige afspoeling het knelpunt. Stikstof afkomstig uit de landbouw spoelt daarentegen veel makkelijker dieper uit. Ammonium oxideert tot makkelijk oplosbaar nitraat dat uitspoelt naar het grondwater en in de ondergrond reageert met ijzersulfiden waarbij sulfaat wordt gevormd. Op de locaties G4 en G5 zijn hoge sulfaatconcentraties gemeten in het grondwater. Hier hebben de aanwezige kwelgevoede habitats in het gebied sterk onder te lijden.

Als het gebied natter wordt en water stagneert is er risico op het ophopen van sulfide, toxisch voor bijzondere plantensoorten bij te hoge waterpeilen (Lucassen et al., 2004b) en ophoping van ammonium. Aangezien de ammoniumbeschikbaarheid een sterke invloed heeft op de samenstelling van de vegetatie (Lucassen et al., 2006) blijft het belangrijk om langdurig te hoge waterpeilen in het elzenbroek te vermijden. Dit risico wordt voorkomen met een goede doorstroming en natuurlijke fluctuaties in waterstanden. Onderzoek interne eutrofiering Op 3 locaties met nog (redelijk) goed ontwikkelde, kwelafhankelijke natuur is een grondwaterbuis geplaatst (3 september 2016) ter bemonstering van het toestromende grondwater. Naast de bepaling van de grondwaterkwaliteit is ook de kwaliteit van de bodem op een drietal grondwater gevoede locaties bepaald. Per locatie zijn vier sub-locaties in de directe omgeving bemonsterd. De bodems zijn geanalyseerd op indicatieve parameters. De locaties waar monsters genomen zijn (met sterretjes) weergegeven in Figuur 3.3. Tijdens de bemonstering zijn twee locaties bemonsterd met een dominantie van kwelvegetatie (moeraszegge en kleine watereppe) en een locatie met dominantie van mannagras. Mannagras is een plantensoort die laat zien dat een vegetatie (ongewenst) verruigt.

Mannagras gaat domineren onder voedselrijkere omstandigheden bijvoorbeeld als gevolg van interne eutrofiering, veroorzaakt door aanvoer van sulfaatrijk grondwater vanuit het omliggende gebied (landbouwpercelen). Op de sterk kwelgevoede locaties in de Lemselermaten is de veenbodem sterk aangetast, de structuur papperig en de bodem sterk gedaald tot 0,5 m. Door het verondiepen van de beken neemt de kwel toe. Bij een toename van kwel wordt er meer calcium en ijzer aangevoerd. Dat is positief. Bij een toename van kwel wordt er echter ook meer sulfaat aangevoerd. Een klein deel van het sulfaat zal wordt op enkele locaties afgevoerd (Lucassen et al., 2005), maar een deel zal tot verdere afbraak van de veenbodem leiden. Bodemanalysen in de sterk verdroogde delen, laten zien dat de stikstofbeschikbaarheid en fosfaatbeschikbaarheid op deze locaties (vergeleken met nattere locaties met goed ontwikkelde vegetatie) sterk verhoogd is door de sterke mineralisatie van organisch stof onder invloed van zuurstof. Omdat het organisch stof (bladinval etc.) continue is gemineraliseerd (organisch stofgehalte <8 %) is er geen grote voorraad in de bodem opgeslagen. Indien deze delen vernatten is de verwachting dat de verruiging op deze locaties tijdelijk is.

Dit geldt niet voor (nog drogere) locaties die nu gedomineerd worden door brede stekelvaren en waar stikstof- en fosforrijk strooisel zich heeft opgehoopt. De metingen indiceren dat deze locaties bij vernatting langdurig verruigen met mannagras. Aanvullend sulfaatonderzoek B-ware (Verstijnen et al, 2019) Aangezien uit het eerdere onderzoek van B-ware is gebleken dat er hoge sulfaatconcentraties in het grondwater zijn aangetroffen is er aanvullend onderzoek uitgevoerd. De noodzaak van dit separate onderzoek lag ook in het gegeven dat sulfaat geen onderdeel uitmaakt van de provinciale bemestingsmaatregelenwijzer. Doel van het aanvullende onderzoek was om te bekijken of de verhoogde sulfaatconcentraties een gevolg zijn van uitspoeling van nitraat uit aanliggende landbouwgronden. Wanneer hier pyrietbanken (bestaande uit ijzersulfide) in de ondergrond aanwezig zijn, kan nitraatuitspoeling zorgen voor pyrietoxidatie, waarbij sulfaat mobiel wordt. Het onderzoek bestond uit het nemen van aanvullende bodemmonsters op twee locaties (Figuur 3.6). Op deze locaties zijn op 6 dieptes (van 0 tot 10 meter onder maaiveld) monsters genomen.

27

Inrichtingsplan Lemselermaten

Figuur 3.6 Twee monsterlocaties ten zuiden en oosten van natura 2000-gebied Lemselermaten.

Er is sprake van een zandige bodem met leemlager dieper van 1,5 meter. Op beide locaties is een humeuze bouwvoor van ca 30 cm aanwezig, die lage concentraties heeft aan calcium en aluminium, maar sterk verrijkt is met fosfor (P). Op de locaties zijn twee tot drie leemlagen aangetroffen in de bodem. De leemlagen bevatten pyrietbanken. Dit is te zien aan de hoge concentraties ijzer en zwavel. Ook zijn deze pyrietlagen rijk aan calcium. De hoogste nitraatconcentraties zijn op locatie 1 aanwezig in de bouwvoor. Op 2 meter diep is de nitraatconcentratie beduidend lager. Op 2 meter is op deze locatie ook de eerste pyrietlaag aanwezig. Op de diepte van de tweede pyrietlaag (circa 4 meter-maaiveld) is de nitraatconcentratie verder gedaald. Op locatie 2 is de nitraatconcentratie in de bouwvoor en op 2 meter diep ongeveer even hoog (circa 400 μmol/l). Op 4 m-mv, waar de eerste pyrietbank aanwezig is, en dieper in de bodem is de nitraatconcentratie laag (< 40 μmol/l). In de bodemlagen waar de nitraatconcentraties dalen, stijgen de sulfaatconcentraties in het bodemvocht. Dit wijst erop dat nitraat verantwoordelijk is voor stijgende sulfaatconcentraties. De resultaten van het aanvullende onderzoek geven weer dat de verhoogde sulfaatconcentraties in dieper bodemvocht voortkomen uit pyrietoxidatie onder invloed van nitraatuitspoeling.

Nitraat is erg mobiel en kan gemakkelijk uitspoelen naar dieper grondwater. In de bemonsterde weilanden nabij de Lemselermaten zijn in (en direct onder) de bouwvoor verhoogde nitraatconcentraties gemeten. Doordat er in diepere lagen pyrietbanken aanwezig zijn waar geen/nauwelijks zuurstof meer doordringt treedt het nitraat hier op als alternatieve elektronenacceptor. Onder invloed van nitraat vindt er oxidatie plaats van het zwavelrijke pyriet, waarbij sulfaat wordt gevormd. Nader onderzoek naar sulfaat 2021 In augustus-september 2021 is in gezamenlijkheid met SWB-partners nader gekeken naar de invloed van sulfaat op de Lemselermaten. Aanleiding is dat kwelzones in de Lemselermaten toestroming hebben van sulfaatrijk grondwater. In het beheerplan Natura 2000 Lemselermaten staat voor de 2e beheerplanperiode (2021-2027) om de problematiek van sulfaat aan te pakken. Om alle voorziene maatregelen voor Lemselermaten in een keer mee te nemen is besloten om de sulfaatproblematiek samen met de maatregelen van de 1e beheerplanperiode (2016-2021) op te pakken. Uit chemisch onderzoek is gebleken dat de hoge sulfaatconcentraties worden veroorzaakt door uitspoeling van nitraat in agrarische percelen in het intrekgebied van de kwelzones.

In de ondergrond zorgt omzetting van nitraat (NO3 - ) in stikstofgas (N2) voor oxidatie van ijzersulfiden (FeS en FeS2) en dat leidt tot de vorming van sulfaat (SO4 2- ). Deze omzetting vindt plaats in pyriethoudende lagen (Verstijnen & Roelofs 2019). Naast de bijdrage van pyrietoxidatie aan een hoge sulfaatconcentratie vindt in landbouwgronden ook aanzienlijke directe uitspoeling van sulfaat plaats in de Nederlandse zandgebieden. De concentraties in het ondiepe grondwater bedragen gemiddeld ca. 50 mg/l (= ca. 500 µmol/l) (Fraters & De Goffau 2014). De directe uitspoeling hangt samen met toevoer door bemesting en atmosferische zwaveldepositie. Een expertadvies van Aggenbach (2021) heeft uitsluitsel gegeven over de mate van beïnvloeding van het intrekgebied op de kwelzones. Uitgangspunten zijn de stroombanen van het grondwater (gemodelleerd vanuit de habitats naar het intrekgebied) (Figuur 3.7) en de isohypsen (stijghoogtelijnen van het grondwater). Voor het Natura 2000 gebied is 28

Inrichtingsplan Lemselermaten

onderscheid gemaakt in intrekzones met een verblijftijd van 0-10 jaar, 11-30 jaar en > 30 jaar op basis van scenario 12 van de grondwatermodellering (Tauw, 2021). Dat heeft geresulteerd in de volgende inzichten: 1. Met het stoppen van de bemesting in de 0-10 jaarszone in intrekgebied buiten het Natura 2000 gebied neemt de gemiddelde sulfaatconcentratie iets af (13%) t.o.v. het scenario zonder stoppen van bemesting, maar blijft absoluut gezien hoog (689 µmol/l). Behoud van de kwelafhankelijke habitats in Lemselermaten is niet mogelijk. 2. Het stoppen van bemesting in de 11-30 jaarszone draagt 35% bij aan vermindering van de gemiddelde sulfaatconcentratie en een vermindering van het volume aandeel grondwater met een hoge sulfaatconcentratie van ca. 25%. Daarmee wordt in een aanzienlijk deel van de kwelzones de sulfaatbelasting laag en biedt dit scenario perspectief voor behoud van habitats in betreffende kwelzones. 3. Bij het scenario met stoppen van bemesting in de 0-30 jaarszone blijft sulfaatrijk grondwater (1000 µmol/l) ook een aanzienlijk deel van de kwetsbare habitats voeden en zorgt in combinatie met de kwelfluxen in de vernatte situatie voor een hoge sulfaatbelasting. Dat betreft een deel van het Dollandbeekdal en zone in en rond de Maatjes. Deze zones ontvangen namelijk in de situatie na het nemen van de maatregelen grondwater met een verblijftijd van meer dan 30 jaar.

Kwelafhankelijke habitats in deze kwelzones gaan daardoor nog achteruit door de processen genoemd bij het scenario zonder het stoppen van bemesting. 4. Het stoppen van bemesting in het hele intrekgebied leidt tot een gemiddeld lage sulfaatconcentratie van 106 µmol/l die nadert aan de achtergrondconcentratie zonder invloed van vervuiling en leidt tot duurzame instandhouding van de habitats in Lemselermaten. Stoppen van bemesting in de 0-30 jaarzone is noodzakelijk ( Figuur 3.8), maar een deel van de kwelzones en daarmee kwelafhankelijke habitats blijft nog sulfaatrijk grondwater ontvangen dat toestroomt via stroombanen met een verblijftijd van meer dan 30 jaar. Monitoring zal uitwijzen wat de effecten op de chemie van het grondwater, de chemie van de bodem en vegetatie in diverse kwelzones zal zijn.

Figuur 3.7 Infiltratiepunten scenario 12 met verblijftijd van de stroombaanbegrenzing infiltratiezones 0-10, 11-30 en > 30 jaar.

Een tweede expertadvies van Van Diggelen (2021) bevestigt de negatieve effecten op de aangewezen habitats door de toestroom van met sulfaat verrijkt grondwater uit de 30-jaarszone. Van Diggelen ziet een groot risico op anaerobe afbraak van de aanwezige veenlaag als gevolg van sulfaatreductie. Aanvullend noemt hij het risico op verzuring van de bovenlaag in droge jaren door oxidatie van zwavelhoudende ijzerverbindingen. Onder dergelijke omstandigheden nemen de overlevingskansen van de doelvegetaties H6410 Blauwgraslanden, H7230 Kalkmoerassen en H91E0C Vochtige alluviale bossen in hoog tempo af en zullen die op afzienbare termijn zijn verdwenen. Van Diggelen geeft aan dat de geplande hydrologische maatregelen niet zullen leiden tot een vermindering van de sulfaatproblematiek. Enerzijds neemt bij een toenemende kwelflux ook de sulfaatflux toe wanneer het gehalte daarvan niet wordt verlaagd. Anderzijds wordt de kwel diffuser en is deze niet meer geconcentreerd op beken, sloten en greppels. 29

Inrichtingsplan Lemselermaten

Daardoor zullen over een aanzienlijk grotere oppervlakte lange tijd anaerobe condities heersen, met als gevolg een grotere kans op sulfaatreductie en opbouw van verzurende sulfiden. Door de aanwezige hoeveelheid organische stof is er geen reden om te veronderstellen dat bij een hogere doorstroomsnelheid de sulfaatreductie afneemt. Eerder neemt die door de versnelde aanvoer van sulfaat juist toe. Door de diffuse kwel zal plaatselijk ook oppervlaktewater stagneren wat kan leiden tot een verhoogde sulfaatreductie en ophoping van het verzurende sulfide. Van Diggelen noemt het grote belang van Lemselermaten voor de internationaal ernstig bedreigde habitattypen H6410 Blauwgraslanden, H7230 Kalkmoerassen en H91E0C Vochtige alluviale bossen. Lemselermaten geldt als “one of the three most important sites for the habitat type Alkaline Fens, 7230: subtype Junco Molinion”. In dit verband is van belang dat het Beheerplan voor Lemselermaten aan één van de drie kernopgaven, namelijk herstel kwaliteit en uitbreiding van het areaal van kalkmoerassen een “sense of urgency” toekent. (paragraaf 1.1 Aanleiding) Kernopgaven met een "sense of urgency" moeten door (beheer)maatregelen binnen tien jaar op orde zijn gebracht. De sterke achteruitgang van Breed wollegras, waarvoor Lemselermaten de laatste groeiplaats in Nederland biedt, wijst in dit kader op een zorgelijke ontwikkeling.

Figuur 3.8 Intrekgebied tot en met 30 jaarzone waarvoor het noodzakelijk is om bemesting te stoppen.

3.4 ECOLOGISCH TOETSINGSKADER Om de effectiviteit van de hydrologische maatregelen voor de Natura 2000-doelen te kunnen beoordelen, is in samenspraak met de deskundigen van de gebiedspartijen en de projectgroep een ecologisch toetsingskader opgesteld (Eysink 2018). Het toetsingskader stelt vast dat voor de in Lemselermaten aanwezige habitattypen de volgende criteria in rangorde van belang zijn: 1. kwel en infiltratie; 2. duurlijnen; 3. gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG); 4. gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG). Beoordeling van de criteria heeft in volgorde van belang plaatsgevonden van 1 t/m 4. Kwel en infiltratie De habitattypen heischrale graslanden (H6230), blauwgraslanden (H6410), kalkmoerassen (H7230) en vochtige alluviale bossen (H91E0C) in Lemselermaten zijn sterk grondwater- en kwelafhankelijk. De habitattypen vochtige heiden (H4010A) en pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150) zijn grondwaterafhankelijk in de infiltratiegebieden, maar zijn niet kwelafhankelijk (Natura 2000-profieldocumenten, Ministerie van LNV 2008). Er is generiek weinig bekend over de hoeveelheid kwel die de vegetaties nodig hebben. De beste referentiewaarden komen dan ook uit goed ontwikkelde locaties in het gebied zelf. 30

Inrichtingsplan Lemselermaten

Duurlijnen Duurlijnen zijn, naast kwel- en infiltratiepatronen, een goede indicator voor de hydrologische situatie. Ze geven aan hoe lang per jaar een bepaalde waterstand voorkomt. Grondwater in maaiveld zorgt voor aanvulling van de buffering in de toplaag van de bodem. Een ‘bolle’ duurlijn geeft aan dat er sprake is van een kwelsituatie terwijl een ‘holle’ duurlijn op een wegzijgingssituatie duidt. Voor de kwelgevoede habitattypen in Lemselermaten is dan ook een ‘bolle’ duurlijn gewenst. GVG & GLG Voor de in Lemselermaten aangewezen habitattypen zijn zowel de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) als de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) bepalend waarbij de relatie met de GVG direct is en de relatie met de GLG indirect (Runhaar et al. 2009). De referentiewaarden voor de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) en gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) voor de habitattypen en vegetatietypen in Lemselermaten zijn opgenomen in onderstaande Tabel 3.1. Het zijn dezelfde waarden als in de systeemanalyse zijn gehanteerd om het doelgat voor de GVG en GLG te berekenen (Versluijs et al. 2017). De waarden zijn afgeleid uit Waternood v.3.0.4.0, daar waar geen ondergrens voor de GLG bekend was, is Synbiosys geraadpleegd. Tabel 3.1 Gehanteerde referentiewaarden van GLG en GVG voor de habitattypen in Lemselermaten. De referentiewaarden komen uit Waternood.

In geval van de GLG is voor sommige vegetatietypen gebruik gemaakt van SynBioSys. Habitattype Plantengemeenschap GVG (cm t.o.v. mv) GLG (cm t.o.v. mv) Heischrale graslanden (H6230) Associatie van Klokjesgentiaan en Borstelgras -35 tot -15 -122 tot -80* Blauwgraslanden (H6410) Kalkmoeras (H7230) Pioniervegetatie met snavelbiezen (H7150) Vochtige heiden (H4010A) Droge heiden (H4030) Vochtige alluviale bossen (H91E0C)

Veldrus-associatie Typische subassociatie Associatie van Vetblad en Vlozegge RG Armbloemige waterbies Associatie van Bruine snavelbies en Moeraswolfsklauw Associatie van Gewone dophei; typische subassociatie Associatie van Struikhei en Stekelbrem; typische subassociatie Elzenzegge-Elzenbroek; typische subassociatie Elzenzegge-Elzenbroek; met Bittere veldkers (ook Moeraszegge) Vogelkers-Essenbos

-25 tot -5 -25 tot 0 -5 tot +10 -5 tot +10 -25 tot +5

-71 tot -56* -71 tot -50* Hoger dan -50 Hoger dan -50 -84 tot -43*

-35 tot -8

-145 tot -86*

<-70

-200 tot -162*

-15 tot +10 -15 tot +10

Hoger dan -50 Hoger dan -40

-60 tot -25

-140 tot -125*

*Uit SynBioSys in plaats van Waternood

3.4.1 Toetsingslocaties In de rapportages per scenario van Tauw (Willems 2018 a t/m i; Van Gurp 2018 a, b) zijn de effecten van de verschillende onderzochte scenario’s vlakdekkend weergegeven voor kwel, GVG en GLG en zijn aanvullend een aantal puntlocaties beschreven (kwel, GVG, GLG, duurlijnen). Dit zijn ‘referentielocaties’ die in habitattypen liggen die het meest kwetsbaar zijn en het meest belang hebben bij hydrologische herstelmaatregelen. Uitgangspunt is dat de rest van de habitattypen in het Natura 2000-gebied ‘meelift’ met maatregelen die worden genomen om de meest kwetsbare gebieden te herstellen. De locaties zijn (Figuur 3.9): Peilbuis B28H1805, B28H1884 en B28H1885 in Vochtige alluviale bossen (H91E0C); Peilbuis B28H1806 in Kalkmoeras (H7230) / Blauwgrasland (H6410) (mozaïek); Locaties 5, 6 en 14 in Blauwgrasland (H6410); - Locatie 3 in Zwakgebufferd ven (H3130).

31

Inrichtingsplan Lemselermaten

H6410 Blauwgrasland H7230 Kalkmoeras/ H6410 Blauwgrasland

H3130 Zwakgebufferde vennen H6410 Blauwgrasland

H6410 Blauwgraslanden

H91E0C Vochtige alluviale bossen

Figuur 3.9 Peilbuislocaties (links) waar de effecten van de maatregelen op kwel, duurlijnen, GVG en GLG zijn berekend en puntlocaties (rechts) waar aanvullend het effect op kwel is berekend.

3.5 GRONDGEBRUIKSWAARDE OMLIGGENDE LANDBOUWPERCELEN Dit door Aequator uitgevoerde onderzoek is separaat gerapporteerd (rapport Bodem, grondwater en bodemgeschiktheid uitwerkingsgebied Lemselermaten, Pleijter et al). Op basis van de bodemopbouw en grondwaterstanden (bodemgesteldheid) is de huidige grondgebruikswaarde van agrarische percelen bepaald om veranderingen hierin, als gevolg van hydrologische maatregelen voor de natuur, te kunnen bepalen. De effecten van de hydrologische maatregelen op de landbouwkundige gebruiksmogelijkheden van de gronden zijn met twee methodes inzichtelijk gemaakt; de WIB-C methode waarbij aan de hand van beoordelingsfactoren gronden zijn onderscheiden in ruime mogelijkheden, beperkte mogelijkheden en weinig mogelijkheden voor een bepaalde teelt (weidebouw of snijmaisteelt). De tweede methode is gericht op opbrengstderving als gevolg van mindere gewasgroei door vernatting of verdroging en is bepaald aan de hand van de HELP-tabellen2 (2001). Hieronder volgt een beknopte samenvatting van de huidige gebruikswaarde en huidige opbrengstderving. De verandering hierin als gevolg van de maatregelen (hoofdstuk Maatregelen) wordt beschreven in hoofdstuk 6 Effecten.

Figuur 3.10 Onderzoeksgebied grondgebruikswaarde met oppervlakte van ca 250 ha (op 13 ha werd geen toestemming verleend voor onderzoek).

2 HELP tabellen vormen een instrumentarium voor het bepalen van de doelrealisatie van de grondgebruiksfunctie voor 14 gewasgroepen;

er wordt door Wageningen University & Research gewerkt aan een Waterwijzer Landbouw (gereed eind 2020). 32

Inrichtingsplan Lemselermaten

Bodemgeschiktheid voor grasland/weidebouw In de huidige situatie valt de beperkte geschiktheid van de gronden in de beekdalen op. Deze gronden zijn veelal gedraineerd, maar door de sterk lemige en fijnzandige bovengrond en de grote kweldruk komen de grondwaterstanden hier regelmatig aan het maaiveld waardoor de draagkracht zeer beperkt is. Op de hoger gelegen zandgronden (noordoostelijk, oostelijk en zuidoostelijk delen) zijn de gebruiksmogelijkheden voor weidebouw ruimer, maar op de hoogste dekzandruggen treedt productieverlies op door vochttekort. De overgang tussen gronden met ruime mogelijkheden en met weinig mogelijkheden is op een aantal plaatsen zeer scherp. Dit wordt veroorzaakt door de relatief grote variatie tussen de gemiddeld hoogste en laagste grondwaterstanden, waardoor gronden snel overslaan van te droge omstandigheden naar te natte omstandigheden. Bodemgeschiktheid voor akkerbouw (maisteelt) De bodemgeschiktheidsklassen voor akkerbouw (of maïsteelt) lijken op die voor weidebouw. Op de zandgronden van Lemselermaten wordt hoofdzakelijk mais geteeld. In vergelijking met gras is mais gevoeliger voor natte omstandigheden en dat vertaalt zich in een beperktere geschiktheid van de nattere gronden voor maisteelt.

Met name gronden waar de grondwaterstand in de winter kan stijgen tot binnen 40 cm onder mv hebben beperkte mogelijkheden voor akkerbouw, omdat er tijdens de oogst een groter risico is op te natte omstandigheden en in het voorjaar de gronden minder goed bewerkt kunnen worden. Nat- en droogteschade (opbrengstderving) In de huidige situatie is er, als gevolg van de hierboven beschreven bodemgeschiktheid, reeds sprake van opbrengstderving ten opzichte van een voor het gewas optimale situatie. Het gaat dan zowel om droogte- als natschade. In de huidige situatie treedt de grootste opbrengstderving op in het gebied ten noorden van de Weerselerbeek (grasland >35%, en maisland >50%) en langs de Holthuizerbeek (30 -35%). Op de hoge zandruggen vindt geen opbrengstderving plaats als gevolg van te natte omstandigheden en in het oostelijke deel van het gebied is de natschade (10 – 15%) beperkt tot een aantal nattere locaties, waar de grondwaterstanden in de winter binnen de 40 cm –mv stijgen.

3.6 ONDERZOEK INVLOED BEMESTING LANDBOUWPERCELEN OP NATUUR Op basis van onderzoek naar stroombanen (Figuur 3.7) en isohypsenpatronen (Tauw) is bepaald welke landbouwpercelen mogelijk via het grondwater invloed hebben op het natuurgebied. Op basis van de hoogtekaart (en analyse in het veld) is daarnaast door de deskundigen van het projectkernteam bepaald bij welke percelen er mogelijk risico is op oppervlakkige afspoeling richting de natuur. Zo is het onderzoeksgebied bepaald waarvoor door Aequator de ‘bemestingsmaatregelenwijzer’ (BMW) is ingevuld. Met dit instrument kan een inschatting worden gedaan welke risico’s er zijn van bemesting op beïnvloeding habitattypen. Het instrument geeft ook advies welke bemestingsmaatregelen er kunnen worden getroffen om het risico weg te nemen. De BMW kijkt naar situatie specifieke gegevens van het perceel: o.a. transportroutes via oppervlakte- en grondwater, gewas, grondsoort, grondwatertrap, drainage en fosfaattoestand. Op basis van deze gegevens geeft de BMW een risicoschatting en een overzicht van de mogelijke maatregelen. Samen met het deskundigenteam zijn deze vertaald in concrete maatregelen voor Lemselermaten (paragraaf 5.4.3 Bemestingsmaatregelen en effectgerichte maatregelen gericht op stikstof en fosfaat).

3.6.1 Onderzoeksresultaten Op basis van risico’s van stikstof en fosfaat zijn met de bemestingsmaatregelenwijzer (BMW) per (huidig) agrarisch perceel of perceelgedeelte binnen het invloedsgebied de risico’s bepaald en zijn aan de hand van de maatregelenmatrix benodigde maatregelen geselecteerd. Hierbij is uitgegaan van de toekomstige hydrologische situatie (na uitvoering hydrologische maatregelen en berekend met het grondwatermodel). Voor een aantal percelen is de uitkomst van de berekening dat er geen maatregelen genomen hoeven worden. In Figuur 5.1 zijn de percelen weergegeven waarop wel bemestingsmaatregelen worden genomen. In de eigenarendossiers is per perceel een toelichting gegeven op de uitkomst van de bemestingsmaatregelwijzer. De bemestingsmaatregelenwijzer maakt geen onderscheid tussen periode van bemesting en bemestingsniveau en doet geen uitspraak over de hoogte van het bemestingsniveau. Op basis van de abiotische kenmerken van het perceel en het risico voor nabije, kwetsbare habitattypen heeft het deskundigenteam met ondersteuning van Aequator een nadere uitwerking van de bemestingsmaatregelen gemaakt naar bemestingsniveau. In haar rapportage wordt nog gerept over vijf bemestingsklassen. Voortschrijdend eco-hydrologisch inzicht bij beperkingen in de hoeveelheid mest leert dat de kans op uitspoeling naar de kwetsbare natuur niet is uit te sluiten.

De gewasopname is onder andere afhankelijk van niet te beïnvloeden factoren: de hoeveelheid organische stof, bodemstructuur, gewas en weersomstandigheden. Kortom de teelt vindt niet geconditioneerd plaats en er is altijd kans op een zekere mate van uitspoeling. Binnen de kwetsbare habitats geeft dat onaanvaardbare risico’s. 33

Inrichtingsplan Lemselermaten

De voorgestelde bemestingsmaatregelen hebben tot doel de uitspoeling van nutriënten naar de habitattypen via het grondwater tegen te gaan. Daarnaast is er, als gevolg van het reliëf, sprake van oppervlakkige afspoeling van meststoffen richting de natuur. Om dit te voorkomen dienen effectgerichte inrichtingsmaatregelen te worden getroffen (paragraaf 5.4.3 Bemestingsmaatregelen en effectgerichte maatregelen gericht op stikstof en fosfaat).

3.7 ONDERZOEK EFFECTEN DRINKWATERWINNING VITENS Omdat maatregelen voor de natuur in Lemselermaten vooral herstel van het hydrologische systeem tot doel hebben, is onderzoek naar functies die effect hebben op de hydrologie onderdeel van het planproces. Een belangrijke onderzoeksvraag (onderzoeksopgave M20 uit de gebiedsanalyse) is welk effect de drinkwaterwinning Weerselo, die relatief dicht bij het Natura 2000-gebied Lemselermaten ligt, heeft op het hydrologische systeem (en daarmee op de natuur). Mogelijkheden pompproef De gebiedspartners hebben Vitens gevraagd naar de mogelijkheid een pompproef te houden, wat concreet inhoudt dat er tijdelijk gestopt wordt met winning om de effecten hiervan te kunnen meten. De mogelijkheden hiervoor zijn door Vitens onderzocht en de bevindingen zijn vastgelegd in een memo (Notitie Pompproef Weerselo, Nijboer, 31 augustus 2018). De belangrijkste conclusies uit de memo zijn hieronder weergegeven. Een pompproef kan meer inzicht geven in de geologie (vooral de dichtheid van de bodemlagen rondom de winning). Met een pompproef is echter niet het effect op het Natura 2000-gebied te meten, omdat er momenteel sterk drainerende beken aanwezig zijn. De deskundigen van het kernteam hebben hierop aangegeven dat een pompproef nagenoeg niets toevoegt aan het verbeteren van het grondwatermodel.

Hiervoor zijn de resultaten van de gevoeligheidsanalyse van het model van groter belang. Uiteindelijk is door de projectgroep en in de bestuurlijke adviesgroep besloten af te zien van een pompproef. Effectberekening grondwatermodel De winning Weerselo is gelegen ter plaatse van een slenk in de ondergrond. De slenk is opgevuld met voornamelijk zandige afzettingen. TNO (Harting, 2015) heeft een dwarsdoorsnede gemaakt van de ondergrond ter plaatse van de winning Weerselo. Uit deze doorsnede volgt een sterk wisselende bodemopbouw welke zich moeilijk laat vereenvoudigen tot een (schematisch) model. De diepte, het al dan niet voorkomen van klei en de korrelgrootte van zeer fijn zand tot uiterst grof zand variëren sterk per boring. In het gekalibreerde eindmodel zijn alle beschikbare gegevens gebruikt om de ondergrond met zoveel mogelijk zekerheid op te nemen in het model. Ondanks dat de ondergrond in de omgeving van de winning Weerselo zeer complex is en de berekende effecten hierdoor kunnen afwijken van de werkelijke effecten, is er geconcludeerd dat er voldoende vertrouwen is in het grondwatermodel om de effecten van de winning inzichtelijk te maken. Voor de details wordt verwezen naar het grondwaterrapport van Tauw, Lemselermaten, grondwaterberekeningen eindscenario 12, Capel, Beije, 24 september 2021.

34

Inrichtingsplan Lemselermaten

4. Knelpunten De in dit hoofdstuk geformuleerde knelpunten zijn afkomstig uit de Systeemanalyse opgesteld door de Unie van Bosgroepen in samenwerking met B-ware (Versluijs et al, 2 juni 2017). De vegetatie in het gebied vertoont volgens deze analyse kenmerken van verdroging, verzuring en eutrofiëring met als gevolg een afname in kensoorten en een toename van verruiging. Belangrijk uitgangspunt zijn de hydrologische vereisten van de habitattypen (paragraaf 3.4 Ecologisch toetsingskader). Hieronder volgt een toelichting op deze abiotische knelpunten. Als laatste paragraaf is het knelpunt voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) omschreven.

4.1 VERDROGING De habitattypen in Lemselermaten hebben te maken met een verminderde kweldruk, een verminderde opbolling van grondwater in de dekzandruggen en te lage grondwaterstanden (GVG en GLG). Minder lange hoge waterstanden leiden tot verdroging wat leidt tot een toename van oxiderende processen. Het grootste probleem in Lemselermaten is echter de verminderde kweldruk, doordat de diep ingesneden beken en watergangen dit kwelwater afvangen en versneld afvoeren. De Weerselerbeek heeft een negatieve invloed op de stijghoogte van het grondwater in de gebieden grenzend aan de beek; dit zijn de maatjes in het noorden van het natuurgebied waar blauwgrasland en kalkmoeras aanwezig is. Het gevolg is dat het basenrijke grondwater slechts een korte periode enkele centimeters boven maaiveld reikt. Hierdoor treedt zowel verdroging als ook verzuring van de groeiplaats op (paragraaf 4.2 Verzuring en vermesting). Wanneer het diepe grondwater door de sterke ontwatering van de beken niet meer hoog genoeg komt, wordt het basenarme, lokale systeem vanuit de direct omliggende dekzandruggen dominant. In het dal van de Dollandbeek is de kweldruk van het diepere grondwater sterker en staat het basenrijke grondwater in grote delen van het gebied gemiddeld 50-70% van het jaar in of boven maaiveld.

Voor een duurzame instandhouding van de grondwaterafhankelijke vegetaties is het van belang dat de hydrologie op orde is. De GVG lijkt op vrijwel alle locaties waar deze middels peilbuizen gemeten is in orde, met uitzondering van de locatie van blauwgrasland en kalkmoeras. Hier is de GVG van 2 tot 22 cm te laag. De gemiddeld laagste grondwaterstanden (GLG) is op meerdere plekken te laag. Dit is het gevolg van de drainerende werking van de beken, sloten en drainage in aangrenzende landbouwpercelen. Dit betekent dat voor de meeste vegetaties de waterstanden in de zomer te diep wegzakken, waardoor het grondwater niet meer in de wortelzone komt. Dit laatste is nodig voor de instandhouding van het habitattype. De snel dalende grondwaterstanden in het voorjaar leiden tot slot tot een te snelle daling van de waterstanden in de dekzandruggen. Hierdoor verdrogen ook de standplaatsen hoger op de gradiënt, zoals de vochtige heiden en heischrale graslanden. Dominantie van pijpenstrootje, maar ook de aangetroffen verjonging van wilde gagel te laag op de gradiënt, zijn belangrijke indicatoren van deze verdroging. Een maximale opbolling van grondwater in de dekzandruggen is nodig voor het uittreden van basenrijk grondwater aan de voet van deze dekzandruggen.

De snelle afname van de opbolling in de dekzandruggen vindt zijn oorzaak in de (detail)ontwatering in het gebied en de regionale drainagebasis: de Weerselerbeek en Dollandbeek. Doordat de beken de zandige, watervoerende bodemlaag aansnijden, vindt versnelde drainage plaats. De huidige maatregelen zijn ten behoeve van de duurzaamheid van de habitats en habitatsoorten en het geheel is niet getoetst op klimaatbestendigheid.

4.2 VERZURING EN VERMESTING Minder aanrijking van basenrijk grondwater leidt tot een verminderde aanvulling van de basenverzadiging in de bodem en een toename van de invloed van (zuur) regenwater. Door de verminderde grondwaterinvloed en grotere regenwaterinvloed vindt vooral oppervlakkige verzuring plaats in het dal van de Weerselerbeek. Dat dit gebeurd is te zien in het blauwgrasland, waar gewone waternavel (een zuurminnende soort) zich sterk heeft kunnen uitbreiden. In het dal van de Dollandbeek zijn vooral de sulfaatconcentraties in het grondwater te hoog voor de natuur. Naast verdroging worden de habitattypen in Lemselermaten dus ook bedreigd door waterkwaliteitsproblemen die veroorzaakt worden door nitraat en de natuurlijke aanwezigheid van pyriet in de leem- en kleilagen in de ondiepe ondergrond. Nitraat afkomstig uit het omliggende landbouwgebied wordt bij aanwezigheid van pyriet omgezet in sulfaat. Sulfaatrijk grondwater leidt tot verzuring en vermesting van de habitattypen. In de zuidoostelijke hoek van Lemselermaten is afbraak van veen vastgesteld; de hier aanwezige elzen staan op stelten, omdat de bodem als gevolg van verdroging en veenafbraak inklinkt. De veenafbraak wordt veroorzaakt door inspoeling van nitraat en sulfaat.

Onder vochtige omstandigheden wordt hier normaal gesproken veen gevormd, maar nitraat en sulfaat nemen in de zuurstofarme omstandigheden de rol van zuurstof over en zorgen voor afbraak van veen. Veel van de (hydrologische)maatregelen worden o.a. genomen om de gevolgen van N-depositie te mitigeren/bestrijden, zodanig dat behoud van de te beschermen habitats wordt gegarandeerd en uitbreiding mogelijk wordt/blijft. Er is niet onderzocht of de maatregelen voldoende zijn om de N-depositie te neutraliseren, of dat er aan de emissiekant nog iets nodig blijft. 35

Inrichtingsplan Lemselermaten

4.3 KRW OPGAVE De Weerselerbeek kent in gevolge de Kaderrichtlijn Water de opgave maatregelen uit te voeren die de ecologische waterkwaliteit verbeteren. Het betreft het realiseren van een ecologische verbinding en natuurlijk inrichten van de beek. In de Weerselerbeek zijn stuwen aanwezig die obstakels vormen voor migrerende waterfauna. Binnen het projectgebied is dit een stuw die ten noordwesten van de Lemselermaten ligt. Door deze stuw te verwijderen en het peilverschil op te vangen door middel van een vistrap wordt deze plek ook voor vis en andere waterfauna passeerbaar. De beek kent een diepe ligging, is gekanaliseerd en kent deels boomloze oevers. Opgave is de beek te verbinden met haar oorspronkelijke stroomgebied, te verondiepen en in lengte- en dwarsprofiel natuurlijk en bomenrijk in te richten.

36

Inrichtingsplan Lemselermaten

5. Maatregelen In de voorgaande hoofdstukken is beschreven dat het huidige systeem niet voldoet aan de ecologische vereisten van de habitattypen die voorkomen in het Natura 2000-gebied. Dit hoofdstuk vormt de vertaling en uitwerking van de resultaten uit de genoemde onderzoeken uit hoofdstuk 3 en het rapport Lemselermaten – onderbouwing scenariokeuze PASmaatregelen, Kieskamp et al, 22 januari 2020.

5.1 INLEIDING De systeemanalyse en de andere aanvullende onderzoeken, zoals beschreven in hoofdstuk 3, hebben voldoende inzicht gegeven om tot concrete en effectieve maatregelen te komen. Met behulp van het vernieuwde en verfijnde grondwatermodel zijn de maatregelen doorgerekend op hun effecten. Om de effectiviteit van de maatregelen op de habitattypen te kunnen beoordelen, is gekeken naar de vier sturende factoren voor grondwaterkwaliteit en -kwantiteit: kwel, duurlijnen, GVG en GLG (paragraaf 3.4 Ecologisch toetsingskader). In eerste instantie zijn drie scenario’s (maatregelenpakketten) doorgerekend: twee verschillende scenario’s van de Unie van Bosgroepen en de maatregelen uit de Gebiedsanalyse (en Beheerplan). De maatregelen bleken een onvoldoende positief effect te genereren op de habitattypen. In de daaropvolgende scenario’s zijn eerst de effecten berekend van de Holtwijkerbeek (deze blijkt in de huidige situatie geen negatief effect te hebben op de habitattypen) en van de drinkwaterwinning (deze blijkt een beperkt effect te hebben). De Holtwijkerbeek is hierna uit het maatregelenpakket gehaald en er zijn extra hydrologische maatregelen uitgewerkt voor de natuur met mitigerende maatregelen voor woningen langs de Haarstraat en Glipsdijk. Uiteindelijk bleken door actualisaties in het model nog extra doorrekeningen nodig te zijn.

Scenario 12 vormt het uiteindelijke maatregelenpakket, waarbij drainage in enkele percelen aan de Glipsdijk is behouden en mitigerende drainage is aangelegd rondom de huispercelen. In dit hoofdstuk worden alle inrichtingsmaatregelen uit dit definitieve maatregelenpakket beschreven (exclusief mitigerende maatregelen (paragraaf 6.4 Mitigerende maatregelen) en meekoppelkansen (paragraaf 5.5 Meekoppelkansen). Hierbij zijn zowel de interne als externe maatregelen als een samenhangend geheel meegenomen. Aangezien het pakket aan natuurherstelmaatregelen uit het Beheerplan (en Gebiedsanalyse) als vertrekpunt wordt gehanteerd, zijn deze maatregelen als eerste beschreven.

5.2 DEFINITIEF MAATREGELENPAKKET Tabel 5.1 geeft een overzicht van de maatregelen uit het Beheerplan. In de tabel is aangegeven of deze maatregel, met de aanvullende kennis die is opgedaan gedurende onderzoeksfase, nog steeds uitgevoerd moet worden. Wanneer een maatregel uitgevoerd moet worden is vervolgens aangegeven hoe deze maatregel voor dit gebied is uitgewerkt. Het maatregelenpakket is uitgewerkt in dit inrichtingsplan (kaartbeeld Figuur 5.1). Het inrichtingsplan beschrijft alleen inrichtingsmaatregelen ten behoeve van de Natura 2000 en KRW-doelstelling. Natschade maakt in principe onderdeel uit van de compensatieregeling en wordt door de provincie separaat opgepakt bij het taxeren van de waardevermindering als gevolg van deze natschade (Grondzaken). Door Aequator is getoetst in hoeverre landbouwpercelen, die als gevolg van de maatregelen aan vernatting onderhevig zijn, bruikbaar zijn als landbouwgrond. In paragraaf 3.6 Onderzoek invloed bemesting landbouwpercelen op natuur is beschreven hoe de bemestingsadviezen tot stand zijn gekomen en hoe dit vertaald is op de inrichtingsplankaart. De bemestingsmaatregelen worden behandeld in 5.4.3 Bemestingsmaatregelen en effectgerichte maatregelen en 5.4.4 Sulfaatmaatregelen. Tabel 5.1 betreft uitsluitend een opsomming van de fysieke maatregelen.

37

Inrichtingsplan Lemselermaten

Figuur 5.1 Kaartbeeld inrichtingsplan Lemselermaten.

38

Inrichtingsplan Lemselermaten

Tabel 5.1 Inrichtingsmaatregelen Beheerplan. Natuurherstelmaatregelen uit het Beheerplan M1 verwijderen ontwatering (sloten en buis drainage) en inrichten in verworven NNN3 percelen binnen Natura 2000 gebied M3 verwijderen ontwatering (sloten en buisdrainage) en inrichten verworven NNN-perceel binnen Natura 2000 gebied M6 voorkomen inundatie beekdal Weerselerbeek bij piekafvoeren door bekading of verdeelwerk

M9/M10 Ondiep afgraven toplaag (ontgronden) en verwijderen bos (eenmalig) (t.b.v. Kalkmoeras)

M11 Omvorming landbouwpercelen naar natuur binnen Natura 2000 gebied en (lokaal) fosfaatrijke toplaag verwijderen (eenmalig) (ontgronden)

Definitief maatregelenpakket Ongewijzigd

Onderbouwing

Gewijzigd

Er is geen drainage aanwezig, wel sloten. Deze worden gedempt

Ongewijzigd

Er wordt een verdeelwerk bij de bocht Boschbeek/Middensloot aangelegd, waarbij piekafvoeren omgeleid worden. Tevens is een faunapasseerbaar verdeelwerk een KRW-maatregel. In de realisatiefase wordt deze oplossing nader uitgewerkt door het projectkernteam. Betreft een uitbreidingsdoel; maatregel wordt in overleg met (particuliere) grondeigenaar uitgevoerd.

Gewijzigd: bos verwijderen maar alleen de strooisellaag afschrapen tot de minerale ondergrond. Verwijderen strooisellaag valt binnen Natura 2000 niet onder ontgronden. Gewijzigd; in noordelijk deel omvorming middels actief uitmijnen, waarbij op termijn afplaggen een extra impuls kan geven aan natuurontwikkeling

M13 verwerven percelen, verwijderen ontwatering (sloten en buisdrainage) en inrichten binnen Natura 2000 gebied M14 vergoeding natschade

Ongewijzigd

M16 ophogen landbouwgrond

Uitwerking geen onderdeel van inrichtingsplan Gewijzigd

M17 verwijderen ontwatering (sloten en buisdrainage) en inrichting in verworven NNNpercelen buiten Natura 2000 gebied M18 Verwerven van, verwijderen ontwatering (sloten en buisdrainage) in en inrichting van NNNpercelen buiten Natura 2000 gebied M19 Verwijderen ontwatering en nader in te vullen oplossing voor omgang met vernatting nabij tracé rondweg Weerselo

Uitwerking geen onderdeel van inrichtingsplan

Gewijzigd

Vervallen

M20 Onderzoeksopgave voor vaststellen of maatregelen ten aanzien van grondwateronttrekking drinkwater (Weerselo) nodig zijn voor realiseren instandhoudingsdoelstellingen grondwaterafhankelijke habitattypen

Uitgevoerd

M21 Verwijderen ontwatering en ophogen landbouwgrond (herstel waterhuishouding)

Gewijzigd,

Maatregel is ongewijzigd opgenomen in dit inrichtingsplan.

Afgraven van percelen in noordelijk deel blijkt in berekeningen met het grondwatermodel strijdig met hydrologisch herstel van de habitattypen. Eerst moet fosfaat worden uitgemijnd, zodat geen verruiging ontstaat. We moeten de tijd zijn werk laten doen. Er is aantoonbaar systeemherstel nodig, voordat kan worden geplagd. Maatregel is ongewijzigd opgenomen in dit inrichtingsplan. Voor 1 perceel is de maatregel tijdens het keukentafelgesprek omgezet naar drainage verhogen Maatregel is ongewijzigd opgenomen in dit inrichtingsplan. Alleen de ontwatering wordt verwijderd. Al dan niet wordt de verdere inrichting van het perceel in overleg met de eigenaar uitgewerkt. Alleen de ontwatering wordt verwijderd. Al dan niet wordt de verdere inrichting van het perceel in overleg met de eigenaar uitgewerkt. Ontwatering wordt hier niet aangepakt omdat deze geen invloed heeft op de habitattypen (systeemanalyse, scenarioberekeningen); oplossing voor omgang met vernatting bij rondweg vormt geen onderdeel van dit inrichtingsplan In het iteratief proces is berekend wat de invloed is van het stopzetten van de waterwinning op de habitattypen. De invloed, ten opzichte van de invloed van de diepe beken en drainage, is beperkt.

Op één locatie (B28H1884, zie paragraaf 6.2.1 Effecten van hydrologische maatregelen) blijft en een klein doelgat, wat mogelijk alleen met het verminderen van grote onttrekkingen (waaronder de drinkwaterwinning) kan worden gedicht. Ontwatering in de percelen ten zuiden van het Natura 2000-gebied wordt niet verwijderd. Het dempen van de bestaande Dollandbeek in combinatie met het dempen/verondiepen van de greppel langs de Dollanddijk en het nieuwe tracé voor de nieuwe ondiepe Dollandbeek is daar effectiever (zie scenario 4 en 5, Willems 2018 d,e). Ophogen landbouwgrond is niet van toepassing. In de M21-percelen ten oosten van het Natura 2000-gebied is de ontwatering wel gedempt en verondiept conform beheerplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/693/documents/19056