Lemselermaten_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 2 IP 1 Bodem grondwater interne eutrofiering.pdf
Tekst van het document
71
Figuur 4.9a. Concentraties sulfaat (boven) en nitraat (onder) in het grondwater op de overgang van landbouw naar natuur en in de grondwater gevoede delen van het elzenbroek in het Agelerbroek en Voltherbroek gemeten in juni en september 2016. Concentraties zijn gegeven in µmol/l.
72
Figuur 4.9b. Concentraties fosfor (boven) en ammonium (onder) in het grondwater op de overgang van landbouw naar natuur en in de grondwater gevoede delen van het elzenbroek in het Agelerbroek en Voltherbroek gemeten in juni en september 2016. Concentraties zijn gegeven in µmol/l.
73
Figuur 4.10a. Concentraties sulfaat (boven) en nitraat (onder) in het grondwater op de overgang van landbouw naar natuur en in Achter de Voort gemeten in juni en september 2016. Concentraties zijn gegeven in µmol/l.
74
Figuur 4.10b. Concentraties fosfor (boven) en ammonium (onder) in het grondwater op de overgang van landbouw naar natuur en in Achter de Voort gemeten in juni en september 2016. Concentraties zijn gegeven in µmol/l.
75
4.3 Oppervlaktewaterkwaliteit Voltherbroek De kwaliteit van het oppervlaktewater in sloten en beken in het Voltherbroek zijn gegeven in tabel 4.4. Uit de tabel blijkt dat het oppervlaktewater overal gebufferd is. Wat opvalt is dat het water op veel plaatsen rijk is aan fosfor. De sulfaatgehalten en nitraatgehalten zijn op de meeste locaties laag voor Nederlandse begrippen (m.u.v. locatie 5, 9 en 12 wat betreft sulfaat). Ook komen lokaal hoge ammonium gehalten voor. Vanwege de P-rijkdom lijkt het ongewenst dit water in het broekbos in te laten voor eventuele vernattingsmaatregelen. Vernatting lijkt beter plaats te kunnen vinden met gebidseigen grondwater dat arm is aan P (zie paragraaf 4.4). Tabel 4.4 Kwaliteit van het oppervlaktewater (sloten) in het Voltherbroek. De ligging van de locaties wordt gegeven in figuur 2.4. µS/cm
µeq/L
µeq/L
µmol/L
µmol/L
µmol/L
1 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12
pH 7,39 6,84 7,35 6,26 7,27 7,51 7,64 7,52 7,14 6,88 7,01
Alkaliniteit Ext.450nm 3338 0,033 3167 0,101 3308 0,03 1469 0,101 2113 0,043 3496 0,038 2682 0,031 2502 0,03 2441 0,095 2092 0,13 2479 0,124
Turb. 6 32 9 20 10 8 6 7 13 37 38
EGV 459 402 470 492 342 472 413 499 442 291 464
CO2 320 1126 357 2002 259 260 143 175 407 669 595
HCO33241 3196 3296 1501 2002 3494 2579 2416 2321 2095 2499
NO323 1 33 2 117 29 14 57 1 0 2
NH4 + 3 28 3 101 23 18 4 21 244 1 8
o-PO431,1 2,2 1,0 1,3 3,0 1,9 0,8 1,1 12,8 1,2 2,4
Locatie 1 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12
µmol/L K+ 147 78 157 119 415 178 186 245 386 27 35
µmol/L Cl913 855 990 452 777 1018 1147 1136 1482 514 722
µmol/L tot-Ca 1621 1386 1554 1758 798 1551 1217 1626 1063 1126 1782
µmol/L tot-Fe 28 120 30 170 31 39 9 32 19 57 88
µmol/L tot-Mg 344 279 333 221 287 318 224 347 297 225 266
µmol/L tot-Mn 1,1 6,7 1,4 24,0 0,7 2,0 0,3 1,5 4,4 5,3 3,3
µmol/L tot-Na 777 634 768 611 652 810 1049 656 953 328 539
µmol/L tot-P 3,0 14,2 3,8 10,4 9,0 5,2 0,5 1,9 16,7 3,7 11,4
µmol/L tot-S 422 199 423 1659 302 345 344 841 359 316 985
µeg/L Locatie
µmol/L tot-Al 0,7 2,2 0,8 3,1 2,5 1,4 4,0 1,9 6,3 6,3 6,7
µmol/L Na+ 842 710 863 698 757 897 1143 757 1048 368 616 µmol/L tot-Si 295 250 308 416 179 277 57 291 530 136 158
76
4.4 Risico interne eutrofiering Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek Om vast te kunnen stellen of de kwelgevoede natuur in de elzenbroekbossen gevoelig is voor interne eutrofiering ten gevolge van een verhoogde sulfaatbelasting is naast de bepaling van de grondwaterkwaliteit (paragraaf 4.2) ook de kwaliteit van de bodem op een achttal (grondwater gevoede) locaties bepaald (locaties met een asterix in figuur 1.2). Per locatie zijn vier sub-locaties in de directe omgeving bemonsterd. De bodems zijn geanalyseerd op een aantal indicatieve parameters (paragraaf 1.3). Tijdens de bemonstering zijn een drietal locaties bemonsterd met dominantie van een kwelvegetatie (Moeraszegge) en een aantal locaties met dominantie van soorten voor drogere omstandigheden. In dit gebied zijn geen locaties met Mannagras bemonsterd zoals in de Lemselermaten. In figuur 4.11 zijn parameters geplot die indicatief zijn voor het al dan niet naleveren van fosfaat uit onderwaterbodems. Er kan met enige zekerheid gezegd worden dat onderwaterbodems met een totaal-Fe/totaal-S ratio hoger dan 1 worden gekenmerkt door een hoge Fe:P ratio van het bodemwater waardoor deze geen P naleveren zolang de waterlaag zuurstofhoudend is (zie inleiding).
Voor alle doorgemeten bodems afkomstig uit Achter de Voort, Agelerboek & Voltherbroek waren de totaalFe:totaal-S ratio van bodems en de Fe:P ratio van het poriewater boven de 1. In het kader van het KRW innovatieproject MIND-BAGGERNUT is voor een groot aantal onderwaterbodems de nalevering door diffusie bepaald uit intacte bodemcores. Aan de hand van het verkregen mathematische verband tussen de P concentratie van het poriewater en de nalevering bij 15 °C (Poelen et al., 2012), hebben we voor de onderwaterbodems uit de Lemselermaten de potentiële P nalevering berekend. Hier wordt gebruikt gemaakt van het experimentele verband dat is gevonden tussen de nalevering van fosfor in cilinderexperimenten en de fosforconcentratie in het bodemvocht van de onderwaterbodems gemeten in het veld (Poelen et al., 2012) volgens de formule: 0,0006*(Ppw)2 + 0,0105*Ppw + 0,1473. Alle bodems hadden een berekende P nalevering die lager is dan 0,60 mg/m2/dag. Dat is lager dan de grenswaarde die doorgaans gehanteerd wordt om het omslagpunt (1 mg/m2/dag) van helder naar troebel water aan te geven (Janse, 2005). Dit komt waarschijnlijk door de lage concentratie P in de bodems die weer het resultaat zijn van de lage concentratie P in het grondwater.
Elzenbroekbossen in Maasmeanders bleken zeer hoge P gehalten te hebben in het grondwater, resulterend in sterke accumulatie van P in de broekbosbodems en een sterke P mobilisatie na het nemen van te sterke vernattingsmaatregelenen (leidend tot sterke eutrofiering). Dit zou inhouden dat indien de condities in Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek in de toekomst te nat zouden worden, er waarschijnlijk geen probleem gaat optreden met de fosfaatbelasting. Dit geldt echter niet voor de stikstofbeschikbaarheid. Aangezien de ammoniumbeschikbaarheid een sterke invloed heeft op de samenstelling van de vegetatie (Lucassen et al., 2006), blijft het dus belangrijk om langdurig te hoge waterpeilen in het elzenbroek te mijden bij het nemen van evt vernattingsmaatregelen in de toekomst. Omdat de Fe:S ratio ongunstig is op de doorgemeten kwellocaties, blijft er ook risico op sulfideophoping (toxisch) bij hanteren van te hoge waterpeilen (Lucassen et al., 2004a,b).
77
Figuur 4.11 Relatie tussen de totaal-ijzer/totaal-zwavel ratio van de bodem en de ijzer/fosfor ratio in het poriewater meer dan 1000 onderwaterbodems (uit de data set van Onderzoekcentrum B-WARE), met hierin geplot de bodems afkomstig uit het elzenbroekbos van Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek. In bodems met een Fe:P ratio > 1 in het porievocht, en een Fe:S ratio in de bodem > 1, vindt doorgaans geen P nalevering plaats zolang de toplaag van de bodem nog zuurstofhoudend is. Correlaties tussen parameters die verklaren waarom in de Lemselermaten onder de huidige hydrologische condities verruiging met Mannagras plaatsvindt.
78
4.5 Onderzoek aanleg van poelen ten gunste van de Kamsalamander De kamsalamander heeft een voorkeur voor relatief grote, diepe poelen. Die wateren zijn tenminste gedeeltelijk begroeid met waterplanten, niet verontreinigd en bevatten gewoonlijk geen vis. In ideale wateren komen combinaties voor van dichte watervegetaties om te schuilen en voor eiafzet, met open plekken voor de paring. De wateren zijn dieper dan 50 centimeter, en vallen zelden droog. Poelen met kamsalamander mogen incidenteel (in droge jaren) wel droogvallen. Dit droogvallen voorkomt de permanente aanwezigheid van vis. Andere gunstige kenmerken zijn de afwezigheid van watervogels (eenden en ganzen), een beperkte beschaduwing en de aanwezigheid van andere wateren binnen een straal van 400 meter temidden van soortvriendelijk habitat, zoals bos of struweel, extensief beheerd weiland, tuinen en dergelijke. Kinne (2004) geeft een homerange van landhabitat aan van 350 meter rond voortplantingswateren. Kamsalamanders worden weinig aangetroffen in zure oligotrofe vennen, tuinvijvers en ondiepe, niet begroeide wateren. Volledig beschaduwde bospoelen worden weinig gebruikt, maar enige beschaduwing is soms inherent aan het landhabitat van de soort. Als vuistregel voor de omvang van een poel kan een oppervlak van minimaal 100-200 vierkante meter worden angehouden.
De dieren worden echter ook in aanmerkelijk grotere en kleinere wateren aangetroffen (Provincie Noord-Brabant, 2007). In figuur 4.12 worden de exacte locaties gegeven waar de bodemprofielen beschreven zijn. De grondwaterstanden ter plekke zijn genoteerd en van verschillende bodemlagen monsters genomen om te kijken of de bodem voldoende gebufferd is (geen zuur water) en op bepaalde diepte voldoende voedselrijk is om een diversere begroeiing te kunnen garanderen. Het is ongewenst dat de bodem door oxidatie verzuurt bij eventuele droogval (Serrano et al., 2016). Ook is het onwenselijk dat de bodem dusdanog P rijk is dat sterke algenbloei optreedt gepaard gaande met zuurstofloze condities (in de zomer gedurende de nacht). Een overzicht van de belangrijkste parameters is gegeven in tabel 4.5. Indien een bodemlaag een rode code bevat wuil dat zeggen dat deze ongunstig kan werken op de functie van de poel als habitattype. Uit de tabel blijkt dat de bemonsterde locaties in het Agelerbroek geschikter lijken dan die in het Voltherbroek. De hoogste grondwaterstanden zijn hoger in het Agelerbroek. Verder zijn de diepere bodemlagen, die onder invloed staan van grondwater, vaak zwak gebufferd in het Voltherbroek. Dit blijkt uit de lage basenverzadiging (46-63%) en/of relatief lage pH in het waterextract zoals aanwezig op locatie K3, K4, K5, K6 en K8.
In het Agelerbroek was de basenverzadiging van de bodemlaag die onder invloed van grondwater stond nagenoeg 100% en was de pH-w 6,0 tot 8,4. Sulfide dat onder natte condities gevoemd wordt, oxideert tijdens tijdelijke droogval. Bij dit proces wordt sulfaat en zuur geproduceerd. Oxidatie van ijzersulfiden bleek in National Park Donana (Spanje) verantwoordelijk te zijn voor het massaal beschimmeling van amfibieen eitjes die werden afgezet na de eerste perioden van regenval in de zomer (Serrano et al., 2016). De bemonsterde bodems uit het Voltherbroek en Agelerbroek zijn niet gevoelig voor dit proces aangezien de bodems allen een S/(Ca+Mg) ratio hebben die lager is dan 0,67. Boven deze ratio vindt er doorgaans meer zuurproductie plaats (door oxidatie van FeSx) dan er gebufferd kan worden door carbonaten waardoor sterke verzuring optreedt van bodem en oppervlaktewater (Lucassen et al., 2002). De minder gebufferde bodems van het Voltherbroek kunnen wel gevoeliger zijn voor verzuring ten gevolge van depositie van atmosferisch stikstof waarbij ammonium wordt geoxideerd tot nitraat onder vorming van nitraat en zuur. De data van de waterextracten laten zien dat de oplosbare concentratie aan de metalen Mn en Zn laag is. Dit geldt niet voor de concentratie Al. Al werkt doorgaans toxisch op eieren van amfibieen (lagere hatching) en op kieuwen van larven bij een lage pH (<5,0).
Echter, omdat de pH relatief hoog is en de Al:Ca ratio laag is, heeft het Al geen toxische werking op biota. Het is daarom aannemelijk dat zowel het Voltherbroek als het Agelerbroek geen problemen zullen optreden met toxicteit van metalen. In het Voltherbroek zijn nogal wat bodemlagen aanwezig met een ongunstige Fe:P ratio (<1) in het bodemvocht, in combinatie met een sterk verhoogde P-w waarde. Dit houdt in dat deze bodems fosfaat zullen naleveren indien ze in contact staan met water. Voor het Voltherbroek gaat het om
79
locatie K1, K3, K5, K8 en in het Agelerbroek om locatie K9. Enkel in geval van K3 en K5 gaat het om een bodemlaag die niet aan de oppervlakte ligt en mogelijk in contact staat met het grondwater ten tijde van hoge waterpeilen. In het Agelerboek zijn de in wateroplosbare P concentraties zeer laag in de doorgemeten bodems, uitgezonderd de bouwvoor op locatie K9. Hier lijkt de kans op fosfaatverrijking van de waterlaag beperkt.
Figuur 4.12 Locaties waar in het Agelerboek en het Voltherbroek bodemprofielen onderzocht zijn om te kijken of de locaties geschikt zijn voor aanleg van poelen voor de Kamsalamander.
80
Tabel 4.5. Beschrijving van bodemprofielen uit het Voltherbroek en Agelerbroek die bemonsterd zijn t.g.v. de aanleg van Kamsalamanderpoelen. De actuele grondwaterstand is gegeven alsmede bodemparameters die een rol spelen in het al dan niet geschiktheid zijn van het habitat voor de Kamslamander. Bodemlagen met een rode indicatie zijn bij uitstek ongeschikt. De oranje indicatie indiceert dat de waarde aan de hoge kant is. cm -mv
cm-mv
%
diepte GWS code Basen Voltherbroek K1 grijsbruine bouwvoor enig ijzermoer 0-20 A 99 zeer ijzerrijk zand 20-60 B 99 ijzerhoudend lemig zand 60-80 geel lemig zand, inspoellaag 80-100 grijs zand 100-140 C 80 grijze leem 140-160 D 94 grijs lemig zand 160-180 lemig zand waterverzadigd 180-200 190 E 97 K2 bouwvoor bruin zand 0-20 A 99 bouwvoor met zichtbaar Fe 20-40 B 97 geel zand met lichte geox. Fe afzettingen 40-100 C 98 geel zand zonder Fe afzettingen 100-120 grijs zand 120-180 160 D 88 K3 bruingrijze bouwvoor weinig org stof 0-30 A 76 moerige ijzerrijke laag 30-70 B 99 ijzerrijk geelrood zand 70-100 C 95 ijzerrijk geel lichtoranje zand 100-120 leem/klei grijs 120-140 D 80 grijs zand 140-220 220 E 46 K4 bouwvoor 0-30 A 72 geel zand 30-35 moerige laag 35-45 B 99 geel ijzerrijk zand met geox Fe afzettingen 45-100 C 99 lichtgeel zand met Fe afzettingen 100-120 grijs zand met weing Fe afzettingen 120-130 D 98 geel zand met Fe afzettingen 130-140 witgrijs zand 140-150 wit zand 150-175 leem klei met veenresten 175-190 175 E 52 lemig zand 190-200 K5 bouwvoor 0-30 A 50 moerige laag 30-60 B 99 zeer ijzerrijk oranje zand 60-80 C 99 grijs zand zonder Fe afzettingen 80-150 150 D 97 lemige laag grauwgrijs (pyriet) 150-160 E 99 K6 bouwvoor 0-40 A 98 zeer ijzerrijk oranje zand 40-60 B 97 matig ijzerrijk oranje zand 60-130 C 98 wit lichtijzerhoudend zand 130-210 D 94 leem met veen 210-220 210 E
63 K7 grijze bouwvoor 0-20 A 93 ijzerhoudend leem 20-40 B 96 ijzerhoudend wit lemig zand 40-60 C 91 ijzerarm wit zand 60-100 D 94 grijs zand 100-140 92 waterverzadigd grijs zand 140-160 150 E 93 K8 zwarte bouwvoor 0-20 A 97 ijzerrijk oranjebruin zand 20-70 B 98 grijs lemig zand 70-100 C 51 grijszandige leem 100-130 D 50 grijs lemig zand 130-150 grijs zand 150-200 waterverzadigd grijs zand 200-210 220 E 52 Agelerbroek K9 zwarte bouwvoor overgang zwart-geel ijzerhoudend zand geel ijzerhoudend zand witgrijs licht ijzerhoudend zand grijs ijzerarm zand waterverzadigd grijszand K10 bouwvoor grijs ijzerhoudend zwarte leem moerig blauw lemig zand lemig grijs zand waterverzadigd grijs zand K11 grijze bouwvoor ijzerrijk oranje wit zand ijzerrijk oranje witte zandige leem grijs licht ijzerhoudend lemig zand grijs zand waterverzadigd grijs zand
0-40 40-50 50-100 100-120 120-190 190-210 0-40 50-70 70-100 100-150 150-170 0-20 20-40 40-60 60-70 70-125 125-180
190
150
125
µmol/kg dw µmol/kg dw µmol/L Ca-z Mg-z Olsen-P pH-w
µmol/kg dw mol/mol
µmol/kg dw µmol/kg dw
mol/mol
µmol/kg dw
pH-z
Al-w
Al:Ca-w
Mn-w
Zn-w
Fe:P-bv
PO4-w
mol/mol
mol/mol
tot-Fe:tot-S S/(Ca+Mg)
µmol/kg dw µmol/kg dw
NO3-w
NH4-w
9901 2260
5340 1228
2174 192
5,4 6,29
5,10 5,53
39,2 26,8
0,1 0,3
1,2 0,1
2,6 0,6
0,12 4,80
42,6 0,5
2 23
0,38 0,09
1711 27
17 4
1741 6043
1538 2850
300 369
5,57 5,53
4,42 4,56
14,9 16,4
0,4 0,2
0,1 0,2
0,7 0,9
7,68 2,04
0,5 0,6
43 5
0,04 0,24
81 28
9 22
5577 13355 4003 2313
2043 5220 1724 1233
255 1383 417 213
5,87 5,76 6,42 6,53
4,74 5,24 5,59 5,61
2,0 59,9 17,0 10,2
0,0 0,1 0,1 0,1
0,1 0,4 0,1 0,0
0,7 3,5 0,6 0,5
1,36 1,19 4,33 5,00
0,5 6,5 0,6 0,4
9 4 20 56
0,13 0,26 0,07 0,04
12 1218 105 82
21 17 15 6
1906 2297 7642 4518
611 471 3871 2051
348 200 1827 497
6,08 5,13 5,4 5,56
4,68 4,34 5,10 4,66
3,5 6,2 35,4 95,1
0,4 0,0 0,0 0,6
0,0 2,3 1,2 0,3
0,3 1,6 2,7 1,5
1,48 4,21 0,16 3,58
0,9 0,4 27,1 0,8
26 4 3 2
0,06 0,33 0,21 0,29
16 5 1931 132
16 14 53 13
968 1484 1136
456 1122 665
967 1095 195
5,68 5,22 5,35
4,77 4,21 4,58
45,2 3,5 5,2
1,0 0,1 0,0
0,3 0,2 1,1
0,6 0,5 1,1
2,66 0,76 6,25
0,5 1,4 0,4
17 29 6
0,09 0,05 0,22
29 41 17
29 7 13
8763 7820
4548 4001
1506 810
5,75 6,3
5,08 5,39
41,2 21,2
0,1 0,1
0,2 0,2
0,7 0,6
1,38 2,31
4,4 2,2
5 9
0,27 0,19
612 320
26 6
2625
1499
98
6,36
5,36
9,9
0,2
0,2
0,9
7,72
0,4
51
0,06
21
28
946
319
168
5,24
4,41
2,3
0,0
1,9
1,1
1,68
0,4
27
0,08
27
5
2127 8937 7243 1707 1330 2858 5363 2603 1279 1377 6141 17908 23369 13930 3259 1886 14835 4457 3555 2295
573 4351 3765 888 753 1883 2839 1222 833 422 1592 7296 9747 6314 1615 858 7787 2001 2098 1285
634 1493 1558 71 50 518 1972 136 107 205 336 988 320 143 44 14 2166 532 179 127
4,51 5,99 6,47 6,34 6,55 6,31 5,71 6,14 5,88 5,44 5,14 5,28 5,27 5,5 5,76 5,37 5,74 5,94 5,28 5,19
4,27 5,28 5,53 5,51 5,62 5,21 5,04 5,23 5,07 4,45 4,61 4,42 4,02 4,22 4,40 4,52 5,14 5,00 4,08 4,12
49,4 76,9 37,2 14,2 12,3 20,9 56,1 24,0 5,6 2,8 11,4 15,2 4,2 5,0 1,4 2,3 73,0 69,6 40,6 23,2
0,1 0,2 0,4 0,4 0,4 0,4 0,2 0,3 0,1 0,0 0,0 0,0 0,1 0,1 0,2 0,0 0,1 0,4 0,7 0,5
16,5 0,2 0,0 0,1 0,0 0,2 1,0 0,1 0,1 0,3 4,3 2,2 0,3 0,3 0,0 0,7 0,9 0,3 0,2 0,2
8,0 1,4 0,7 0,5 0,3 0,4 2,0 0,6 0,6 0,7 4,5 1,0 0,6 0,4 0,2 0,5 2,7 1,1 0,7 1,0
92,34 0,59 0,18 7,91 4,83 3,72 0,63 7,15 3,63 5,15 17,74 1,83 0,95 0,90 2,01 0,78 0,28 3,69 2,13 11,55
0,6 11,8 20,7 0,5 0,4 1,0 11,2 0,8 0,8 23,1 0,5 1,1 0,8 1,4 0,7 0,6 28,6 0,7 1,8 0,5
6 4 4 47 28 18 7 34 94 60 2 13 133 333 87 6 1 8 36 25
0,26 0,18 0,11 0,07 0,06 0,06 0,36 0,10 0,05 0,03 0,68 0,16 0,02 0,01 0,03 0,21 0,30 0,19 0,06 0,08
7 428 185 30 80 68 710 39 47 71 5 96 49 7 9 5 1103 53 38 19
75 11 2 3 47 8 32 12 9 6 25 39 3 5 5 16 63 4 11 6
985
510
153
5,12
4,36
14,4
0,2
0,4
1,2
5,10
1,1
12
0,12
7
10
A
99
13062
6853
2698
5,98
5,25
27,2
0,0
0,2
1,6
0,17
47,3
7
0,18
1908
13
B C D E A B C D E A B C D
100 99 100 99 100 99 98 96 91 87 92 94 96
4256 4543 3458 3274 12252 27310 14927 6604 6260 5505 6907 14842 5855
2098 2756 2459 2252 4763 6602 3188 1433 601 932 931 1179 405
461 543 409 299 974 762 394 319 177 548 146 171 101
6,68 6,8 6,9 6,88 6,39 6,29 6,57 6,71 8,36 5,46 5,4 5,56 6,74
5,80 5,74 6,08 6,00 5,80 5,46 5,75 5,83 7,36 4,43 4,35 4,47 5,97
7,3 3,3 3,6 3,6 6,2 11,5 3,6 10,9 7,4 29,4 6,9 9,5 15,9
0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,1 0,0 0,3 0,1 0,1 0,1
0,1 0,1 0,0 0,7 0,2 0,7 2,0 1,0 0,4 1,1 0,7 2,6 5,0
0,6 0,6 0,7 1,0 0,9 2,0 1,2 0,6 0,2 0,9 0,9 0,9 0,4
3,01 0,51 1,26 0,38 1,79 2,38 1,01 0,58 0,25 1,75 1,84 0,83 0,43
0,6 3,5 1,0 2,6 3,0 1,1 0,5 1,0 0,6 0,5 0,9 0,6 0,6
38 29 22 17 12 6 12 11 13 19 74 134 26
0,07 0,06 0,06 0,08 0,13 0,26 0,10 0,12 0,06 0,23 0,15 0,03 0,07
73 72 59 128 1083 922 104 19 15 91 26 29 9
9 2 4 7 4 7 208 251 802 5 10 14 4
E
96
5251
303
82
6,02
5,01
5,4
0,0
2,6
0,6
0,37
1,7
6
0,21
7
50
81
82
5. Bergvennen en Brecklenkampse veld 5.1 Natuurontwikkeling op voormalige landbouwgronden Een lage fosfaatbeschikbaarheid biedt, zoals beschreven in hoofdstuk 1, goede kansen voor de ontwikkeling van (vochtige-natte) voedselarme natuur. Uit figuur 5.1 blijkt dat, als gevolg van het landbouwkundig gebruik, de P-beschikbaarheid voor planten (Olsen-P concentratie) en de totaal-P concentratie in de toplaag van de bouwvoor doorgaans te hoog zijn ten opzichte van de streefconcentraties (±300-500 µmol/l Olsen-P en 3-5 mmol/l totaal-P). Er zijn in de huidige situatie geen schrale locaties aanwezig in het gebied. Zowel de totaal-P concentraties als de Olsen-P concentraties nemen over het algemeen af in de diepte. De Olsen-P concentraties zijn in de eerste cm onder de bouwvoor (onder de bouwvoor a) nog voor een flink aantal locaties te hoog voor natuurontwikkeling. Hieronder (onder de bouwvoor b) bieden de meeste locaties voldoende perspectief voor de ontwikkeling van P-gelimiteerde natuur.
Figuur 5.1 De totaal-P (links) en Olsen-P (rechts) concentraties uitgedrukt per liter bodem in de toplaag van de bouwvoor, het restant van de bouwvoor en in toenemende diepte onder de bouwvoor (de dieptes variëren sterk) voor het deelgebied Bergvennen en Brecklenkampse veld.
In figuur 5.2 (linksboven) zijn de Olsen-P en totaal-P concentraties van de bodems tegen elkaar uitgezet. De spreiding is relatief klein wat duidt op een beperkte variatie in de beschikbare fosfaatfractie. Variatie kan worden veroorzaakt door een verschil in grondgebruik (bemestingsintensiteit), bodemtype (klei/leem, zand, veen) en bodemchemie (beperkte variatie in ijzer- en/of calciumconcentraties). Vergeleken met bijvoorbeeld de Lemselermaten, is de bodem in dit deelgebied relatief arm aan Ca. De Olsen-P concentratie wordt niet alleen bepaald door de totaalP concentratie van de bodem. Het fosfor kan aan ijzer gebonden zijn in de bodem, maar ook aan calcium. Fosfor wordt in bodems zeer effectief geïmmobiliseerd door adsorptie aan ijzer- en aluminium(hydr)oxiden en door de vorming van ijzerfosfaat zouten zoals Fe3(PO4)2 (onder anaërobe condities) en FePO4 onder aërobe condities. Voor de P-immobiliserende werking van calcium is de vorming van relatief slecht oplosbare calciumfosfaat complexen verantwoordelijk. Dit calcium gebonden-P is meestal slecht oplosbaar en komt slechts zeer langzaam vrij door verweringsprocessen. Ook klei/leem deeltjes (de totaal-aluminium concentratie is indicatief voor het lutumpercentage) zijn een sterke P-binder. De calcium-, ijzer- en aluminiumconcentraties kunnen de beschikbaarheid van fosfaat dus beïnvloeden.
In figuur 3.2 (rechtsboven en linksonder) is deze correlatie weergegeven. Op plaatsen waar de bodem rijk is aan ijzer en calcium en/of aluminium ten opzichte van totaal-P,
83
blijft de P-beschikbaarheid voor planten doorgaans laag. Dit proces wordt versterkt op locaties waar sprake is van ijzer- en calciumrijk kwelwater.
Figuur 5.2. Correlaties tussen enkele interessante bodemchemische parameters.
In tabel 5.1 en tabel 5.2 wordt per bemonsterde locatie in de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld een overzicht gegeven van belangrijke bodemparameters in het bodemprofiel. In de tabellen zijn onder andere de fosfaatconcentraties opgenomen (Olsen-P en totaal-P). Op basis van de verhouding tussen de Olsen-P en P-totaal concentratie (beschikbare P-fractie) is een P-totaal streefconcentratie berekend (deze varieert op basis van de P-beschikbaarheid die beïnvloed wordt door o.a. de lemigheid, ijzer- en calciumconcentraties van de bodem). Op basis van het verschil tussen de streefconcentratie en de actuele totaal-P concentratie is per bemonsterde laag een verschralingsduur berekend bij traditioneel beheer van maaien en afvoeren (P-afvoer: 10 kg/ha/jr). Gericht uitmijnen met van een grasklaver-mengsel (met K-bemesting) of een productieve graszode (met N- en K-bemesting) gaat vier keer zo snel (P-afvoer: 40 kg/ha/jr). De verschralingsduren zijn rechts in de tabellen gegeven (M3, M5 en M8). In figuur 5.3 is een ruimtelijk overzicht gegeven van het aantal jaren maaien en afvoeren dat nodig zou zijn om de toplaag van de bodem te kunnen verschralen. Uit de resultaten blijkt dat het op de meeste locaties 50 tot 100 jaar duurt om op deze wijze schrale condities te kunnen bereiken. Er zijn een aantal locaties die relatief schraal zijn: P1 (23 jaar), P19 (31 jaar) en P20 (42 jaar).
Dat geldt in sterkere mate voor de locaties op het perceel ten westen van het Brecklenkampse veld (groene bolletjes; locatie P1 t/m P6). Uit tabel 5.2 blijkt dat op de meeste locaties de bodem toplaag en de onderliggende bodem schraal was en geen aanvullend maaibeheer nodig is. Locatie P4 vormt hierop
84
een uitzondering. Op deze locatie zou een maaibeheer van 33 jaar nodig zijn om de toplaag te kunnen verschralen.
Figuur 5.3. Overzicht van de ruimtelijke variatie in de verschralingsduur (in jaren) van de toplaag. De verschralingsduur is berekend en weergegeven voor een bodempakket van 25 cm en betreft de gemiddelde verschralingsduur bij een Olsen-P streefconcentratie van 300 en 500 µmol/l. Het betreft een indicatieve verschralingsduur.
85
Uit figuur 5.1 bleek dat met toenemende diepte er op de landbouwgronden onder de bouwvoor schrale condities aanwezig zijn. Een ruimtelijke kaart met ontgrondingsdiepten waarbij direct een schrale situatie ontstaat, daar waar mogelijk in combinatie met opties tot ontgrondingsdiepten waarbij via maaien en afvoeren op redelijk korte termijn (0-5 jaar, 5-10 jaar of 10-20 jaar) een schrale conditie kan ontstaan, wordt gegeven in figuur 5.4. Wanneer geen aanvullende ontgrondingsdiepte met maaiopties gegeven wordt, wil dat zeggen dat de bodem boven het geadviseerde ontgrondingsadvies te rijk is om via aanvullend maaien en afvoeren te kunnen verschralen binnen een periode van 20 jaar (dit met het oog van het op korte termijn in stand kunnen houden of uitbreiden van natuurdoelen). Over het gebied verspreid zijn locaties aanwezig waar de bodem op niet al te sterke diepte (20-25 cm) schraal is. Er is lokaal echter nogal wat variatie. Ten noorden van het Brecklenkampse veld (P1 t/m P7) komen locaties voor waar de bodem op een diepte van 20 cm schraal is en locaties waar op deze diepte met een aanvullend maaibeheer schrale condities kunnen ontstaan binnen 20 jaar. Op een diepte van 40 cm lijkt het grootste deel van het terrein schraal te zijn (P2 uitgezonderd).
In de landbouwenclave gelegen tussen het Bercklenkampse veld en de Bergvennen komen ook een viertal percelen voor die op 20 cm diepte direct schraal lijken te zijn (P16, P20, P22 en P23). Een vijftal locaties zou op deze diepte middels maaien en afvoeren verder kunnen verschralen op niet al te lange termijn: P15 en P17 binnen vijf jaar; en P10-P13 en P21 binnen 20 jaar. Voor deze verder te verschralen locaties is de ontgrondingsdiepte om direct tot schrale condities te komen echter circa 40cm. Ter hoogte van locatie P10 en P14 is het fosfaat diep in de bodem doorgedrongen en zijn de ontgrondingsdiepten 80 en 65 cm. De landbouwenclave ten zuiden van de Bergvennen heeft op een ontgrondingsdiepte van 20-25 cm ook een drietal schrale locaties (P31, P32 en P35). Op deze diepte zijn ook een viertal locaties waar via een maaibeheer op niet al te lange termijn schrale condities kunnen ontstaan: P29 binnen vijf jaar; P30 binnen tien jaar; en P27 en P33 binnen twintig jaar. Voor deze verder te verschralen locaties is de ontgrondingsdiepte om direct tot schrale condities te komen echter circa 40 tot 65 cm. Op de landbouwenclave ten westen van het Brecklenkampse veld had enkel locatie P4 nog een te rijke bodem toplaag voor ontwikkeling van schrale natuur. Hier zou 20 cm extra ontgrond moeten worden.
86
Figuur 5.4. Overzicht van de ruimtelijke variatie in het ontgrondingsadvies (in centimeters) voor het creëren van P-gelimiteerde omstandigheden met opties tot ontgrondingsadviezen waarbij beperkt aanvullend verschralingsbeheer is vereist: a= 0-5 jaar; b= 5-10 jaar; c= 10-20 jaar om op korte termijn schrale natuurtypen te kunnen realiseren.
87
Zoals vermeld in paragraaf 1.2 is de vraag welke natte schrale natuurbeheertypen zich daadwerkelijk in het gebied kunnen ontwikkelen niet enkel afhankelijk van de voedselrijkdom van de bodem en de mate van buffering van de bodem (tabel 1) maar ook van de stijghoogte en kwaliteit van het grondwater (tabel 2). Deze (geo)hydrologische aspecten maken geen onderdeel uit van dit bodemchemisch onderzoek maar worden door de Bosgroepen geïntegreerd in het uiteindelijke advies. De resultaten uit dit onderzoek kunnen sterk bepalend zijn voor de keuzes die bij de gebiedsinrichting gemaakt worden. De keuze van de uiteindelijke inrichtingsmaatregelen is echter niet alleen afhankelijk van de fosfaattoestand en de kansrijkdom qua bodemchemie. Een ontgronding kan bijvoorbeeld een geschikte maatregel zijn om de biogeochemische omstandigheden te optimaliseren, maar dient altijd te worden getoetst op de inpassing in het hydrologische systeem. Als we de mate van buffering en grondwaterstanden (GLG en GHG) op de ontgrondingsdiepten vergelijken met tabel 2, kunnen we een indruk krijgen welke natuurtypen kunnen ontwikkelen. Hierbij rekening houdend dat ontgronden ertoe leidt dat het grondwater dichter bij het maaiveld komt. Daarnaast moet er ook rekening mee gehouden worden dat hydrologische maatregelen, ter vernatting van het gebied, de grondwaterpeilen verder kunnen verhogen.
De daadwerkelijke natuurtypen die zullen ontwikkelen zullen sterk afhangen van de toekomstige grondwaterstanden. Als het fosfaatprofiel te diep is doorgedrongen in de bodem kan het zo zijn dat er enkel voedselarme condities gecreëerd waarbij een open water gevormd wordt. Omdat open water geen natuurdoeltype is in de Lemselermaten, zijn deze percelen dan ook ongeschikt om ter plekke natuurdoelen te kunnen behalen. Een andere optie is dat er een voedselrijk variant ontstaat met ongewenste groei van soorten als Pitrus. Deze ontwikkeling op grote schaal lijkt ons ongewenst in een Natura 2000 gebied en brengt daarnaast ook kosten met zich mee in het jaarlijks moeten maaien en afvoeren van de vegetatie. Daarbij is het zo dat onder natte condities fosfaten in de bodem oplossen en kunnen bijdragen aan eutrofiering van oppervlaktewater. In tabel 5.3a-b is een overzicht gegeven voor de natuurbeheertypen die in potentie tot ontwikkeling kunnen komen op de ontgrondingsdiepten, rekening houdend met de GLG en GHG die bij benadering is vastgesteld tijdens de bemonsteringen. In het gebied ten westen van het Brecklenkampse veld zijn geen GLG en GHG vastgesteld maar kon de a.h.v. de zich reeds ontwikkelde vegetatie al een indicatie gegeven worden. In figuur 5.5 is hiervan, bij benadering, een ruimtelijke kaart gegeven.
Indien er meerdere opties zijn kwa diepten, worden beide opties gegeven door een symbool twee kleuren te geven. Indien er lang gemaaid moest worden ter verschraling, is gekozen voor het symbool van de onderliggende bodemlaag.
88
Tabel 5.1. Overzicht van de grondwaterstand (GWS = actuele grondwaterstand GLG/GHG = gemiddeld laagste en hoogste grondwaterstand), grondsoort, algemene bodemhorizont (HZT) en de bodemchemie per monsterlocatie op de landbouwgronden in de Bergvennen en Brecklenkampse veld. OS = % organische stof; V = vochtpercentage; MV = massa/volumeverhouding van de bodem in kg/l; Ols-P = plantenbeschikbaar fosfaat (Olsen-P) in µmol per liter bodem; -t = totaalconcentratie in mmol per liter bodem. Pbs = voor planten beschikbare fosfaatfractie (Olsen-P/totaal-P) in mol/mol. –z = concentratie in een NaCl-extractie. M3 = indicatieve verschralingsduur (in jaren) per bodemlaag door middel van jaarlijks maaien en afvoeren bij een Pafvoer van 10 kg/ha/jaar op basis van een Olsen-P streefconcentratie van 300 µmol/l (totaal-P ondergrens 3 mmol/l). M5: idem, echter op basis van een Olsen-P streefconcentratie van 500 µmol/l (Olsen-P 300-500 µmol/l: streefconcentratie ontwikkeling heide of schraalland). M9: idem op basis van een Olsen-P streefconcentratie van 900 µmol/l (zeer ijzerrijke (klei)bodems). % % kg/l µmol/l mmol/l mol/mol mmol/l mmol/l mmol/l mmol/l mmol/l mmol/l umol/l umol/l mol/mol umol/l umol/l
umol/l umol/l umol/l
Nr GWS GLG GHG
cm-mv bv=bouw voor Diepte
Grondsoort
HZT
OS V MV Ols-P
P-t
Pbs
Al-t
Ca-t
Fe-t
K-t
Mg-t
S-t
P-z
M3
M5
M8
1
0-15
zand, restant afgegraven bv
Apx
10 30 0,7 1227
7,9
0,15
54
31
29
4
12
11
23
22
13
15-35
zand, sterk verstoord
XX
3 15 1,2
971
5,5
0,18
88
27
36
5
14
6
15
15
6
35-55
zand, sterk verstoord
XX
2 18 1,2 1714
1,8
0,97
80
26
27
4
12
5
21
8082
0,00
519
2529
6,0
99
8
147
20
0
0
55-75
zand, iets geroerd
cx
1 16 1,5
152
0,8
0,18
54
11
20
6
12
2
57
3855
0,01
396
1547
6,3
98
1
15
26
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
10 25 1,0 2125
23,5
0,09
106
114
137
7
19
21
126
112
92
20-40
zand, bv
Ap
14 31 0,7 1359
5,4
0,25
47
30
38
5
10
6
15
15
14
40-60
zand, kleiig, sterk geroerd
Bxx
4 19 1,2
974
7,8
0,12
75
46
58
7
16
9
53 15090
0,00
2299 3565
6,2 100
4
251
20
30
24
9
60-80
zand
C
1 13 1,6
198
2,0
0,10
52
18
29
7
15
2
28
0,01
1028 1079
6,6
2
29
23
0
0
0
2
3
4
5
6
7
8
9
70
80
90
70
85
90
110
110
120
130
100
120
130
140
140
50
50
60
40
40
50
80
110
130
90
10 130
90
11 120
80
12 140
100
13 120
85
14 150
120
80
16 130
17 100
18 100
90
140
150
50
55
Ca-z
4339
Al/Ca
K-z
Mg-z pH-z BV
99
NO3-z NH4-z
0
0-20
zand, bv
Ap
6 17 1,1 3595
17,1
0,21
71
49
17
5
10
10
88
88
83
20-35
zand, bv
Ap
6 18 1,1 3440
19,2
0,18
84
58
19
6
12
11
76
76
69
35-55
zand, iets ger. insp.
Bx
2 12 1,3
480
2,7
0,18
95
22
12
4
9
3
0
0
0
55-75
zand
C
1 13 1,4
357
1,3
0,28
83
10
17
5
11
1
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
3 13 1,3 4719
28,8
0,16
93
30
61
9
11
6
201
201
187
25-45
zand, min. insp.
C,bc
0 11 1,5
562
1,9
0,29
48
9
21
5
8
1
0
0
0
45-65
zand, min. insp.
C,bc
1 14 1,5
332
1,3
0,26
51
9
21
5
8
1
0
0
0
65-85
zand, min. insp.
C,bc
0 14 1,6
125
1,4
0,09
55
13
20
8
11
1
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
6 20 1,0 2126
16,7
0,13
87
68
71
4
12
13
107
100
81
25-45
zand
C
1 12 1,4
376
2,0
0,19
58
15
32
5
9
2
0
0
0
45-65
zand
C
1 15 1,4
211
2,2
0,10
62
17
42
6
11
1
0
0
65-85
zand
C
1 14 1,4
278
2,1
0,13
58
14
40
6
11
1
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
3
8 1,2 2637
26,7
0,10
128
14
108
14
16
7
148
135
116
20-40
zand, bv
Ap
2 10 1,2 3089
13,1
0,24
82
22
24
5
11
6
63
63
61
40-60
zand, sterk verstoord
XX
1 11 1,4
274
16,0
0,02
94
28
28
5
13
8
0
0
60-80
zand, sterk verstoord
XX
1 14 1,4
166
1,5
0,11
73
17
20
5
10
3
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
5 13 1,1 2592
14,2
0,18
87
27
19
3
8
9
87
87
76
25-45
zand, iets uitspoeling
C,E
1
7 1,4
497
14,7
0,03
86
26
18
3
8
10
36
0
0
45-65
zand, iets uitspoeling
C,E
1
8 1,4
383
2,4
0,16
81
9
16
2
7
2
0
0
0
65-75
zand, iets uitspoeling
C,E
1 10 1,4
800
2,4
0,33
64
8
13
2
5
1
0
0
75-95
zand, iets ingespoeld
B
1 12 1,4
557
1,6
0,36
62
4
10
3
5
1
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
5
6 1,1 4919
27,5
0,18
108
28
19
5
12
10
191
191
180
25-45
zand
B
1
5 1,3 1110
4,5
0,25
89
5
13
2
9
1
9
9
8
45-65
zand
B
1
6 1,3
656
3,5
0,19
87
5
14
2
9
1
3
3
0
65-85
zand
C
0
7 1,3
159
1,4
0,11
68
2
14
2
7
0
0
0
0
112
112
108
0
0
0 0
61
28
48
50
72
3850
3522
7353
6440
1989
119 2867
0,02
0,01
0,01
0,01
0,04
0,04
856
860
229
1604
1646
1852
1560 3068
526
847
472
1750
6,3
6,4
6,1
6,3
5,7
5,4
98
99
99
99
96
96
1
24
2
6
1
4
161
35
47
55
17
16
19
19
20
20
16
15
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
6 12 1,0 4718
20,9
0,23
80
32
17
1
8
8
20-40
zand
B
2
7 1,2
862
2,5
0,35
59
8
10
2
6
2
40-60
zand
B
1
7 1,3
404
1,4
0,29
60
6
12
1
7
1
0
0
60-80
zand, uitlopende insp.
BC
1
7 1,3
256
1,0
0,26
59
2
10
2
6
0
0
0
0
98
5944
0,02
220
2293
5,3
98
4
51
15
0-20
zand, restant afgegraven bv
Apx
4 12 1,0 3302
22,9
0,14
84
24
30
2
7
8
124
121
108
20-30
zand, restant afgegraven bv
Apx
3 11 1,1 2957
20,3
0,15
89
21
39
2
7
6
54
53
46
30-50
zand, sterk geroerd
Bxx
3 11 1,2
898
4,9
0,18
85
16
17
1
6
3
12
12
3
50-70
zand, sterk geroerd
Bxx
3 13 1,2 2986
15,9
0,19
83
14
21
3
8
4
81
81
73
80-100
43
5669
0,01
262
1812
5,2
99
7
145
15
zand
BC
1 13 1,3
244
0,8
0,29
60
9
14
3
8
1
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
6 13 0,9 3119
18,7
0,17
60
37
13
3
10
10
98
98
87
20-35
zand, bv
Ap
5 14 0,9 3078
12,5
0,25
52
37
10
2
6
6
44
44
43
35-50
zand, iets geroerd
BX
2 10 1,2
582
2,4
0,25
48
15
5
1
5
2
0
0
0
50-65
zand, iets geroerd
BX
1
9 1,3
412
1,7
0,25
59
13
7
3
6
2
0
0
0
65-85
zand, uitlopende insp.
BC
1 11 1,4
285
0,9
0,31
65
8
13
3
9
1
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
6 14 1,0 2978
13,4
0,22
62
34
12
1
7
8
65
65
61
20-40
zand, bv
Ap
4 13 1,0 2824
14,0
0,20
62
34
13
1
6
6
69
69
63
40-60
zand, iets geroerd
BX
3 13 1,1
301
1,8
0,16
66
18
5
1
7
4
0
0
0
60-80
zand, uitlopende insp.
BC
1 12 1,3
188
0,7
0,25
73
9
13
4
8
2
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
5 10 1,0 3786
18,1
0,21
77
27
18
4
11
7
118
118
112
25-40
zand, omgeroerd
AXC
1
6 1,2 1262
5,7
0,22
90
10
17
4
10
3
13
13
10
40-60
zand
C
0
7 1,4
200
1,8
0,11
86
6
16
4
9
1
0
0
0
60-80
zand
C
0
9 1,4
118
1,2
0,10
83
5
17
4
9
1
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
7 10 0,9 4127
18,7
0,22
79
46
30
5
10
12
123
123
118
zand, esdek
95
25-45
15 125
Al-z
67
61
36
6763
7746
1676
0,01
0,01
0,02
165
118
701
2516
3478
1144
5,4
5,6
5,7
99
99
98
1
1
0
15
65
20
17
15
17
Aan
6 12 1,0 4481
18,2
0,25
59
49
13
4
5
8
95
93
45-65
zand
B
4 12 1,0 2160
7,1
0,30
75
40
4
5
5
6
26
26
26
65-85
zand, uitlopende insp.
BC
2
9 1,2
726
2,8
0,26
77
27
6
4
5
4
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
4
7 1,1 4235
12,3
0,34
72
17
11
3
7
6
73
73
73
25-45
zand, iets geroerd
BX
4 11 1,2 1193
3,5
0,34
69
18
10
3
8
4
114 6233
0,02
222
2551
4,7
97
2
46
17
3
3
3
45-65
zand
C
1
8 1,4
301
1,3
0,23
73
5
14
4
8
2
231 1166
0,20
355
640
4,7
83
1
28
18
0
0
100 13351
0,01
1713 1810
5,5
99
36
52
16
0
65-85
zand
C
0 10 1,4
178
1,0
0,17
73
4
15
4
9
1
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
7 15 1,0 3012
11,9
0,25
61
30
16
4
8
9
69
69
68
25-45
zand, iets geroerd
BX
1
9 1,2
389
1,7
0,23
88
17
13
3
8
3
67
7021
0,01
610
1912
5,3
99
1
649
16
0
0
0
45-60
zand, iets geroerd
BX
2
9 1,3
399
1,6
0,25
90
16
13
4
8
2
99
5977
0,02
910
1669
5,6
98
2
361
17
0
0
0
60-80
zand, uitlopende insp.
BC
1 10 1,4
175
0,9
0,19
77
7
16
4
8
1
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
7 19 1,0 3445
12,2
0,28
53
31
11
5
8
9
58
58
58
20-40
zand, iets geroerd
BX
1
8 1,3
973
3,3
0,30
68
17
8
5
7
2
2
2
2
40-55
zand, iets geroerd
BX
1
9 1,3
427
1,8
0,23
79
15
11
5
7
2
0
0
0
55-75
zand, uitlopende insp.
BC
1 10 1,4
428
1,0
0,45
73
9
13
5
9
1
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
4 14 1,1 4405
20,1
0,22
77
30
22
7
8
8
134
134
129
13
13
13
0
0
0
0
0
0
25-45
zand, sterk geroerd
Bxx
6 18 1,2 1435
5,1
0,28
62
20
7
5
6
6
45-60
zand, sterk geroerd
Bxx
6 22 1,1
717
2,7
0,27
81
15
8
7
7
9
60-80
zand, uitlopende insp.
BC
1 14 1,5
373
0,9
0,40
66
6
13
6
7
2
82
5170
159 2288
0,02
0,07
902
1811
1704 1032
5,3
4,8
98
93
1
1
93
24
18
22
89
Tabel 5.1. Vervolg landbouwgronden Bergvennen en Brecklenkamspe veld. cm-mv bv=bouw voor
% % kg/l µmol/l mmol/l mol/mol mmol/l mmol/l mmol/l mmol/l mmol/l mmol/l umol/l umol/l mol/mol umol/l umol/l
umol/l umol/l umol/l
Nr GWS GLG GHG
Diepte
Grondsoort
HZT
OS V MV Ols-P
P-t
Pbs
Al-t
Ca-t
Fe-t
K-t
Mg-t
S-t
P-z
19
0-25
zand, bv
Ap
3 11 1,3 3198
7,0
0,46
61
12
14
5
6
4
25-45
zand, iets geroerd
BX
3 14 1,3 2327
7,3
0,32
63
15
14
4
7
5
82
6378
0,01
1458 1905
5,0
98
4
1023
45-65
zand, uitlopende insp.
BC
1 12 1,4
568
1,9
0,31
91
11
15
6
9
2
132 3595
0,04
1319 1210
5,1
96
1
171
65-85
zand, uitlopende insp.
BC
1 11 1,5
380
1,3
0,30
74
6
13
6
8
1
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
5 16 1,2 2391
9,7
0,25
66
29
11
5
6
8
42
42
40
20-40
zand, iets geroerd
BX
1 12 1,4
628
1,9
0,33
73
12
10
5
6
2
0
0
0
40-55
zand, iets geroerd
BX
1 13 1,4
569
1,7
0,33
76
11
12
5
7
2
0
0
0
55-75
zand, uitlopende insp.
BC
1 12 1,5
586
1,6
0,37
74
6
14
4
8
1
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
5
5 1,1 3428
95
20 100
21 100
22 110
140
140
150
150
23 130
110
29 110
80
30 140
120
140
100
33 100
34
90
35 110
36 130
60
80
28 140
70
60
70
27 120
32
55
100
26 110
31 120
50
90
50
70
130
60
70
100
Al-z
Ca-z
118 3265
Al/Ca
0,04
K-z
644
Mg-z pH-z BV
1198
5,1
96
1
NO3-z NH4-z
71
M3
M5
M8
31
31
31
19
27
27
27
20
0
0
19
0
17,7
0,19
54
27
16
3
5
10
115
115
106
25-45 zand, podzol uitspoelingslaagjesAanx/E 12 30 0,8
740
6,8
0,11
90
42
4
3
8
17
24
14
0
45-65
zand
B
1 12 1,4
549
1,7
0,33
58
15
11
4
8
3
0
0
0
65-85
zand
B
1 13 1,5
235
1,0
0,23
72
13
15
6
10
2
0
0
0
85-100
zand, uitlopende insp.
BC
1 14 1,5
251
0,9
0,29
61
10
14
5
9
1
0
0
0
Ap
6 10 1,1 2362
0-25
zand, bv
25-40
zand, verstoorde podzol
40-60
zand, iets geroerd
BX
60-80
zand, iets geroerd
0-25
61
6186
0,01
610
2075
5,6
99
3
843
19
12,4
0,19
72
32
15
3
8
10
73
73
64
167
2,5
0,07
61
39
5
4
10
12
0
0
0
2 14 1,4
42
0,4
0,10
44
8
8
3
5
3
0
0
0
BX
1 16 1,5
55
0,4
0,13
57
4
13
4
7
2
0
0
0
zand, bv
Ap
7 14 1,1 2509
11,4
0,22
49
34
10
2
10
11
66
66
61
25-45
zand, sterk ingespoeld
B
2
8 1,4
733
2,4
0,31
85
17
8
4
7
5
0
0
0
45-65
zand
B
1 10 1,5
499
1,1
0,45
84
11
13
5
8
3
0
0
0
65-85
zand
B
1 11 1,5
318
0,8
0,41
80
8
13
5
9
2
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
3
9 1,4 4957
28,4
0,17
99
23
30
8
10
7
199
199
186
25-45
zand
C
0
8 1,4 1216
5,5
0,22
97
10
18
7
10
2
15
15
12
45-65
zand
C
0
8 1,5
649
2,9
0,22
94
7
18
6
10
1
0
0
65-85
zand
C
0 11 1,5
57
1,2
0,05
98
7
19
7
11
1
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
4 11 1,2 3995
15,3
0,26
74
19
21
4
7
8
77
77
76
20-40
zand, sterk verstoord
XX
2 10 1,4 1813
5,9
0,31
72
11
15
3
4
3
18
18
18
40-60
zand
B
5 17 1,3
487
2,1
0,23
94
11
5
3
5
6
0
0
60-80
zand, uitlopende insp.
BC
1 15 1,5
551
1,5
0,38
102
7
17
7
10
3
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
4
9 1,3 5303
20,4
0,26
96
22
22
5
12
6
109
109
108
20-40
zand, bv
Ap
4 10 1,2 3953
15,0
0,26
101
61
19
5
11
7
75
75
75
40-60
zand, iets geroerd
BxC
1
8 1,4
73
1,6
0,04
108
5
31
7
11
1
33
1511
0,02
996
776
5,3
97
1
17
17
0
0
0
60-80
zand
C
1
9 1,5
35
1,6
0,02
113
6
29
7
11
1
27
1203
0,02
1247
586
5,4
97
0
12
18
0
0
0
Aanx/E 19 30 0,9
118 3428
233 2365
58
3131
554 5533
0,03
0,10
0,02
0,10
1134 1608
449
399
346
1401
439
1876
4,7
4,6
5,2
4,1
96
90
96
88
1
2
48
2
33
20
413
58
20
20
18
20
0
0
0-20
zand, bv
Ap
5 16 1,1 2775
14,0
0,20
72
22
14
8
12
10
69
69
62
20-40
zand, sterk geroerd
Bxx
2
8 1,3
715
3,4
0,21
120
10
33
6
11
2
3
3
0
40-60
zand, sterk geroerd
Bxx
2
9 1,3
964
3,0
0,32
104
8
21
5
9
2
0
0
0
60-80
zand, sterk geroerd
Bxx
2 12 1,3
754
2,6
0,29
109
7
17
6
9
3
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
3
4 1,1 2824
16,0
0,18
62
15
20
4
7
5
102
102
90
25-45
zand, iets geroerd
Bx
2
9 1,2 1110
4,6
0,24
79
14
9
4
5
2
10
10
8
45-65
zand, iets geroerd
Bx
2 10 1,2
980
4,7
0,21
82
13
9
3
5
2
11
11
5
65-85
zand
B
1 10 1,2
892
3,2
0,28
82
8
10
3
5
1
1
1
1
0-25
zand, bv
Ap
4 12 1,0 1794
9,9
0,18
67
24
19
4
11
7
54
54
43
25-45
zand, sterk geroerd
BCXX
1
8 1,3
272
2,4
0,11
94
17
28
6
12
2
0
0
0
45-65
zand, sterk geroerd
BCXX
1
9 1,4
161
1,9
0,08
96
11
31
6
12
1
0
0
0
65-85
zand, sterk geroerd
BCXX
1 13 1,4
160
1,8
0,09
93
9
30
6
11
1
0
0
0
125-145
zand
B
3 15 1,3
211
1,3
0,16
94
12
15
7
11
3
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
5 13 1,1 3172
12,8
0,25
87
28
16
7
9
8
61
61
60
20-35
zand, iets geroerd
BX
5 15 1,1
916
1,7
0,53
44
14
4
3
4
2
34 10875
0,00
2428 3566
5,2
99
1
670
16
0
0
0
35-55
zand, uitlopende insp.
BC
1 11 1,3
160
1,1
0,15
97
8
23
8
11
1
62
0,03
1201
5,4
97
1
53
17
0
0
55-75
zand
C
0 10 1,4
57
1,0
0,06
91
7
21
7
10
0
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
7 15 1,0 4617
22,9
0,20
79
42
17
10
11
10
155
155
148
25-45
zand, iets geroerd
C/bcx
1
5 1,3 1517
5,7
0,27
84
7
20
6
10
1
17
17
17
45-60
zand, iets geroerd
C/bcx
0
8 1,3
618
3,3
0,19
103
10
24
8
12
0
26
1977
0,01
934
911
5,5
98
24
81
16
2
2
21
1357
0,02
1086
629
5,5
98
1
27
17
88
2721
117 2246
44
2834
2375
0,03
0,05
0,02
966
395
402
1555
710
1463
906
4,6
4,7
5,7
96
93
98
0
1
1
126
33
13
17
16
17
0
0
60-80
zand
C
0 10 1,4
158
2,1
0,07
104
6
25
7
12
1
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
6 19 1,0 2360
16,4
0,14
90
29
53
8
14
8
84
81
68
20-40
zand, bv
Ap
4 16 1,2 1721
7,4
0,23
75
32
13
5
10
5
28
28
25 0
40-60
zand
B
22 15 1,2
180
1,1
0,16
83
25
9
6
10
3
0
0
60-80
zand, uitlopende insp.
BC
2 13 1,3
223
0,8
0,29
90
12
16
8
11
1
0
0
0
51
8380
0,01
1401 3757
5,6
99
1
27
17
0-20
zand, bv
Ap
7 15 1,0 3852
18,2
0,21
83
36
14
9
12
10
95
95
90
20-40
zand
B
2
9 1,3
524
2,1
0,25
107
20
17
7
12
2
0
0
0
40-60
zand
B
1
9 1,2
315
1,3
0,25
95
11
17
6
10
2
0
0
0
60-80
zand
C
1 10 1,3
265
1,3
0,21
97
7
19
7
10
1
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
5 12 1,0 3405
21,6
0,16
89
22
52
5
9
8
117
115
103
20-30
zand, bv
Ap
5 12 1,0 2852
18,0
0,16
88
22
52
5
8
6
47
46
40
30-50
zand, restant podzol iets ger.
Ax
7 17 0,9 1357
8,2
0,17
83
27
16
3
6
6
33
32
21
50-65
zand, sterk ingespoeld
B
4 13 1,1
502
3,0
0,17
87
15
6
6
5
4
0
0
0
65-85
zand, uitlopende insp.
BC
2 12 1,2
403
1,6
0,24
101
7
14
5
7
2
0
0
0
65
4579
40 10612
0,01
0,00
1351 1840
306
2800
5,4
5,2
98
99
12
2
241
110
16
14
90
Tabel 5.2. Overzicht van parameters in het reeds ontgronde gebied met natuurontwikkeling ten westen van het Brecklenkampse veld (B1 t/m B6). OS = % organische stof; V = vochtpercentage; MV = massa/volumeverhouding van de bodem in kg/l; Ols-P = plantenbeschikbaar fosfaat (Olsen-P) in µmol per liter bodem; -t = totaalconcentratie in mmol per liter bodem. Pbs = voor planten beschikbare fosfaatfractie (Olsen-P/totaal-P) in mol/mol. –z = concentratie in een NaCl-extractie. M3 = indicatieve verschralingsduur (in jaren) per bodemlaag door middel van jaarlijks maaien en afvoeren bij een P-afvoer van 10 kg/ha/jaar op basis van een Olsen-P streefconcentratie van 300 µmol/l (totaal-P ondergrens 3 mmol/l). M5: idem, echter op basis van een Olsen-P streefconcentratie van 500 µmol/l (Olsen-P 300-500 µmol/l: streefconcentratie ontwikkeling heide of schraalland). M9: idem op basis van een Olsen-P streefconcentratie van 900 µmol/l (zeer ijzerrijke (klei)bodems). cm-mv
% % kg/l µmol/l mmol/l mol/mol mmol/l mmol/l mmol/l mol/mol mmol/l mmol/l mmol/l umol/l umol/l mol/mol umol/l umol/l
umol/l umol/l umol/l
Diepte OS V MV Ols-P
P-t
Pbs
Al-t
Ca-t
Fe-t
FC/P
K-t
Mg-t
S-t
Al-z
Ca-z
Al/Ca
K-z
Mg-z pH-z
P-z
M3
M5
M8
B1
0-20
0,2 9 1,3
20
1,4
0,01
87
6
17
17
6
9
2
82
1841
0,04
385
496
4,84
1
50
4
0
0
0
B1
20-40 0,4 9 1,3
3
1,1
0,00
79
8
16
22
5
9
1
29
1804
0,02
228
424
4,91
0
6
2
0
0
0
B2
0-20
3,4 19 1,3
136
2,1
0,06
84
19
6
12
3
5
5
117
9562
0,01
516
1938 4,98
2
1
46
0
0
0
B2
20-40 1,2 13 1,4
49
0,9
0,05
65
12
8
21
2
4
3
65
5466
0,01
209
1008 5,17
1
1
5
0
0
0
B3
0-20
5,6 20 1,4
134
2,2
0,06
244
26
41
31
5
14
5
94
16166
0,01
369
5352 4,95
1
54
204
0
0
0
B3
20-40 1,1 15 1,5
74
1,6
0,05
230
16
41
35
7
15
4
147
6863
0,02
245
3533 4,93
0
23
4
0
0
0
B4
0-20
1,5 7 1,1 2427
8,2
0,29
80
11
14
3
5
7
2
34
5262
0,01
173
599
5,40
8
0
4
33
33
33
B4
20-40 1,1 8 1,2
305
1,4
0,21
83
8
13
15
4
7
1
81
3396
0,02
122
387
4,90
0
5
2
0
0
0
B5
0-20
1,9 8 1,2
174
1,4
0,13
85
7
12
14
5
7
2
188
3272
0,06
149
1104 4,56
0
5
4
0
0
0
B5
20-40 1,0 7 1,3
102
0,6
0,16
79
7
13
30
5
8
2
110
2663
0,04
203
948
4,78
0
0
3
0
0
0
B6
0-20
3,5 13 1,1
370
2,6
0,14
74
14
9
9
3
4
4
124
7009
0,02
271
1387 4,86
2
1
9
0
0
0
B6
20-40 1,2 9 1,2
193
1,2
0,16
60
10
9
16
3
5
2
103
4109
0,03
151
915
1
1
3
0
0
0
4,97
NO3-z NH4-z
91
Al-z
K-t 5 4 5
36 27 38
27 26 30
88 80 47
0,18 0,97 0,25
5,5 1,8 5,4
1714 1359
1,2 0,7
18 31
2 14
XX Ap
35-55 zand, sterk verstoord
20-40 zand, bv
35
20c
nee ja ja ja ja ja nee ja nee nee ja ja nee nee ja nee nee nee nee nee
N06.04 N07.01 N07.01 N07.01/N06.04 N07.01/N11.01 N11.01 N06.04 N10.01 (hg)/N11.01 N10.01 (hg)/N11.01 N07.01/N11.01 N07.01 N11.01 N11.01 N07.01/N06.04 N11.01 N10.01 (hg)/N11.01 N10.01 (hg) N10.01 (hg) N10.01 (hg)
vochtige heide droge heide droge heide droge heide/vochtige heide droge heide/droog heischraal grasland droog heischraal grasland vochtige heide vochtig heischraal grasland/droog heischraal grasland vochtig heischraal grasland/droog heischraal grasland droge heide/droog heischraal grasland droge heide droog heischraal grasland droog heischraal grasland droge heide/vochtige heide droog heischraal grasland vochtig heischraal grasland/droog heischraal grasland vochtig heischraal grasland vochtig heischraal grasland vochtig heischraal grasland vochtige heide/vochtig heischraal grasland
0 9 3 0 0 12 0 0 0 13 0 0 3 0 0 2 0 13 0 0
0 9 3 0 0 12 0 0 0 13 0 0 3 0 0 2 0 13 0 0
526 847
222 355 610
1989 2867
6233 1166 7021
72 119
114 231 67
2 2 2 2 2 1 3 1 1 4 4 4 3 4 3 5 5 5
16 13 14 14 10 17 14 5 5 17 16 6 10 14 13 8 11 7
9 5 5 2 8 16 9 15 18 10 6 27 18 5 17 17 15 20
81 89 87 68 59 85 60 48 66 90 86 77 69 73 88 68 79 62
0,16 0,25 0,19 0,11 0,35 0,18 0,29 0,25 0,16 0,22 0,11 0,26 0,34 0,23 0,23 0,30 0,23 0,28
2,4 4,5 3,5 1,4 2,5 4,9 0,8 2,4 1,8 5,7 1,8 2,8 3,5 1,3 1,7 3,3 1,8 5,1
383 1110 656 159 862 898 244 582 301 1262 200 726 1193 301 389 973 427 1435
1,4 1,3 1,3 1,3 1,2 1,2 1,3 1,2 1,1 1,2 1,4 1,2 1,2 1,4 1,2 1,3 1,3 1,2
8 5 6 7 7 11 13 10 13 6 7 9 11 8 9 8 9 18
1 1 1 0 2 3 1 2 3 1 0 2 4 1 1 1 1 6
C,E B B C B Bxx BC BX BX AXC C BC BX C BX BX BX Bxx
45-65 zand, iets uitspoeling
25-45 zand
45-65 zand
65-85 zand
20-40 zand
30-50 zand, sterk geroerd
80-100 zand
35-50 zand, iets geroerd
40-60 zand, iets geroerd
25-40 zand, omgeroerd
40-60 zand
65-85 zand, uitlopende insp.
25-45 zand, iets geroerd
45-65 zand
25-45 zand, iets geroerd
20-40 zand, iets geroerd
40-55 zand, iets geroerd
25-45 zand, sterk geroerd
45
25b
45a
65
20
30c
80
35
40
25c
40
65
25a
45
25
20a
40
25c
80
110
90
90
80
100
85
120
80
90
140
110
140
130
7
8
9
10 130
11 120
12 140
13 120
14 150
15 125
16 130
ja nee nee nee nee nee ja ja ja ja ja ja ja nee ja
N06.04/N10.01 (hg) N10.01 (hg)/N11.01 N10.01 (hg) N10.01 (hg)/N11.01 N11.01 N07.01/N11.01 N07.01/N06.04 N07.01/N11.01 N07.01/N11.01 N07.01 N07.01/N11.01 N07.01 N11.01 N07.01
vochtige heide/vochtig heischraal grasland vochtig heischraal grasland/droog heischraal grasland vochtig heischraal grasland vochtig heischraal grasland/droog heischraal grasland droog heischraal grasland droge heide/droog heischraal grasland droge heide/vochtige heide droge heide/droog heischraal grasland droge heide/droog heischraal grasland droge heide droge heide/droog heischraal grasland droge heide droog heischraal grasland droge heide droog heischraal grasland
0 14 0 0 0 15 0 18 0 0 3 0 10 1 0
0 24 0 0 0 15 0 18 0 0 3 0 10 1 0
346 996
5533 1511
554 33
5 3 4 4 4 7 6 3 3 7 6 5 4 3
10 4 11 5 8 18 18 15 5 31 33 21 9 10
12 42 15 39 17 10 7 11 11 5 10 8 14 8
73 90 58 61 85 97 94 72 94 108 120 104 79 82
0,33 0,11 0,33 0,07 0,31 0,22 0,22 0,31 0,23 0,04 0,21 0,32 0,24 0,28
1,9 6,8 1,7 2,5 2,4 5,5 2,9 5,9 2,1 1,6 3,4 3,0 4,6 3,2
628 740 549 167 733 1216 649 1813 487 73 715 964 1110 892
1,4 0,8 1,4 0,9 1,4 1,4 1,5 1,4 1,3 1,4 1,3 1,3 1,2 1,2
12 30 12 30 8 8 8 10 17 8 8 9 9 10
1 12 1 19 2 0 0 2 5 1 2 2 2 1
BX
25-45 zand, podzol uitspoelingslaagjes Aanx/E B Aanx/E B C C XX B BxC Bxx Bxx Bx B
20-40 zand, iets geroerd
45-65 zand
25-40 zand, verstoorde podzol
25-45 zand, sterk ingespoeld
25-45 zand
45-65 zand
20-40 zand, sterk verstoord
40-60 zand
40-60 zand, iets geroerd
20-40 zand, sterk geroerd
40-60 zand, sterk geroerd
25-45 zand, iets geroerd
65-85 zand
20
25c
45
25
25
25c
45
20c
40
40
20a
40
25b
65a
55
60
60
100
70
80
110
80
120
140
150
150
20 100
21 100
22 110
23 130
26 110
N06.04
Vochtige heide
N07.01
Droge heide
N10.01 (bv)
Nat schraalland (blauwgrasland, veldrusschraalland, kleine zeggenvegetatie)
N10.01 (hg)
Nat schraalland (vochtig heischraal grasland)
N10.02
Vochtig hooiland (dotterbloemhooiland)
N11.01
Droog schraalland
N14.01
River- en beekbegeleidend bos (elzenbroekbos)
N14.02
Hoog- en laagveenbos (berkenbroekbos)
N12.02
Kruiden- en faunarijke akker
N12.03
Glanshaverhooiland
27 120
28 140
29 110
30 140
3 6 8
4 20 24
14 7 10
44 84 103
0,53 0,27 0,19
1,7 5,7 3,3
916 1517 618
1,1 1,3 1,3
15 5 8
5 1 0
BX C/bcx C/bcx
20-35 zand, iets geroerd
25-45 zand, iets geroerd
45-60 zand, iets geroerd
20
25c
45a
50
70
100
70
ja ja nee nee nee
N06.04 N10.01 (hg) N11.01 N10.01 (hg)
vochtige heide vochtig heischraal grasland droog heischraal grasland vochtig heischraal grasland
0 0 0 0
0 0 0 0
1086 1401
1357 8380
21 51
7 6 7 6
25 9 17 6
6 25 20 15
104 83 107 87
0,07 0,16 0,25 0,17
2,1 1,1 2,1 3,0
158 180 524 502
1,4 1,2 1,3 1,1
10 15 9 13
0 22 2 4
C B B B
20-40 zand
50-65 zand, sterk ingespoeld
20
50
70
100
35 110
36 130
90
40-60 zand
34
60-80 zand
droge heide/vochtige heide 2 2 934
40
ja N07.01 droge heide
60
nee N10.01 (hg)/N11.01 vochtig heischraal grasland/droog heischraal grasland 0 17
0 17
60
nee N11.01
N07.01/N06.04
33 100
130
1977 26
6
28
17
94
0,11
2,4
272
1,3
8
1
BCXX
25-45 zand, sterk geroerd
25
90
140
32
966
399
610
10875 2428
2721
3131
6186
31 120
34
88
58
61
1319
N06.04/N10.01 (hg)
3595
6
11
91
0,31
1,9
568
1,4
12
1
BC
45-65 zand, uitlopende insp.
45
50
140
95
132
7
8 15
15
81
0,27
2,7
717
1,1
22
6
Bxx
45-60 zand, sterk geroerd
45
55
150
18 100
19
50 902
701
118
140 5170
1676
7746
17 100 82
36
61
220
nee
N10.01 (hg/bv)
vochtig heischraal grasland/nat schraalland
0
0
5
28
28
94
0,02
16,0
274
1,4
11
1
XX
40-60 zand, sterk verstoord
40
50
130
90
6
5944
ja
N10.01 (hg/bv)
vochtig heischraal grasland/nat schraalland
0
0
229
7353
48
5
32
58
0,19
2,0
376
1,4
12
1
C
25-45 zand
25
40
120
85
5
98
nee
N06.04
vochtige heide
0
0
860
3522
28
5
21
9 15
48
0,29
1,9
562
1,5
11
0
C,bc
25-45 zand, min. insp.
25
40
100
70
4
nee
nee
N10.01 (hg/bv)
vochtig heischraal grasland/nat schraalland
0
4
12
22
95
0,18
2,7
480
1,3
12
2
Bx
0
nee
N06.04/N10.01 (hg)
N10.01 (hg)/N11.01
vochtige heide/vochtig heischraal grasland
vochtig heischraal grasland/droog heischraal grasland
0
15
15 0
N10.01 (hg/bv)
vochtig heischraal grasland/nat schraalland
0
0
35-55 zand, iets ger. insp.
1028
nee
N10.01 (hg)/N11.01
vochtig heischraal grasland/droog schraalland
15
15
35
4339
Bekalking
Code
Natuurpotentie
M5
M3
60
28
519
K-z
130
7
29
18
52
0,10
2,0
198
1,6
13
1
C
60-80 zand
60
8082
Ca-z
umol/l umol/l
90
50
120
80
2
21
umol/l
mmol/l
Fe-t
Ca-t
Al-t
Pbs
P-t
971
1,2
V
3
XX
mmol/l mmol/l mmol/l
mol/mol
mmol/l
µmol/l Ols-P
kg/l MV
%
15
% OS
HZT
15-35 zand, sterk verstoord
cm-mv bv=bouw voor
15c
3
50
110
70
1
Nr GWS GLG GHG Advies Diepte Grondsoort
Tabel 5.3a. Natuurpotenties met bekalkingsadviezen op de ontgrondingsdiepten voor landbouwgronden in het Brecklenkampse veld en de Bergvennen uitgaande van de tijdens de veldbemonstering vastgestelde GLG en GHG. De daadwerkelijke natuurtypen hangen sterk af van de daadwerkelijke (toekomstige) grondwaterpeilen (na eventuele hydrologische maatregelen).
Natuurbeheertype
92
Tabel 5.3b. Natuurpotenties met bekalkingsadviezen op de reeds ontgronde landbouwenclave met natuurontwikkeling ten westen van het Brecklenkampse (B1 t/m B6). De daadwerkelijke natuurtypen hangen sterk af van de daadwerkelijke (toekomstige) grondwaterpeilen (na eventuele hydrologische maatregelen). cm-mv
%
%
kg/l
µmol/l
mmol/l
mmol/l
umol/l
umol/l
Diepte OS
V
MV
Ols-P
P-t
Pbs
Al-t
Ca-t
Fe-t
K-t
Al-z
Ca-z
K-z
M3
M5 Natuurpotentie
Code
Bekalking
0,2
9
1,3
20
1,4
0,01
87
6
17
6
82
1841
385
0
0
vochtig heischraalgrasland
N10.01 (hg)
ja
20-40 0,4
9
1,3
3
1,1
0,00
79
8
16
5
29
1804
228
0
0
vochtig heischraalgrasland
N10.01 (hg)
ja
3,4
19
1,3
136
2,1
0,06
84
19
6
3
117
9562
516
0
0
vochtig heischraalgrasland
N10.01 (hg)
nee
20-40 1,2
13
1,4
49
0,9
0,05
65
12
8
2
65
5466
209
0
0
vochtig heischraalgrasland
N10.01 (hg)
nee
5,6
20
1,4
134
2,2
0,06
244
26
41
5
94
16166
369
0
0
vochtig heischraalgrasland
N10.01 (hg)
nee
20-40 1,1
15
1,5
74
1,6
0,05
230
16
41
7
147
6863
245
0
0
vochtig heischraalgrasland
N10.01 (hg)
nee
1,5
7
1,1
2427
8,2
0,29
80
11
14
5
34
5262
173
33
33 vochtig heischraalgrasland
N10.01 (hg)
nee
20-40 1,1
8
1,2
305
1,4
0,21
83
8
13
4
81
3396
122
0
0
vochtig heischraalgrasland
N10.01 (hg)
ja
1,9
8
1,2
174
1,4
0,13
85
7
12
5
188
3272
149
0
0
vochtig heischraalgrasland
N10.01 (hg)
ja
20-40 1,0
7
1,3
102
0,6
0,16
79
7
13
5
110
2663
203
0
0
vochtig heischraalgrasland
N10.01 (hg)
ja
3,5
13
1,1
370
2,6
0,14
74
14
9
3
124
7009
271
0
0
vochtig heischraalgrasland
N10.01 (hg)
nee
20-40 1,2
9
1,2
193
1,2
0,16
60
10
9
3
103
4109
151
0
0
vochtig heischraalgrasland
N10.01 (hg)
nee
B1 0-20
B2 0-20
B3 0-20
B4 0-20
B5 0-20
B6 0-20
mol/mol mmol/l mmol/l mmol/l
umol/l
93
Figuur 5.5. Overzicht van de ruimtelijke variatie in potenties voor ontwikkeling natuurtypen behorend bij de ontgrondingsadviezen voor het creëren van P-gelimiteerde omstandigheden zoals vermeld in figuur 5.4. Deze zijn sterk gebaseerd op de in het veld vastgestelde GLG en GHG. De daadwerkelijke natuurtypen zullen sterk afhangen van de toekomstige hydrologie.
94
5.2 Grondwaterkwaliteit Een compleet overzicht van de grondwatersamenstelling gemeten op overgangen tussen landbouw en natuur (locaties zie figuur 2.5) wordt gegeven in Bijlage 4. In figuur 5.6a-d is de grondwaterkwaliteit, gemeten in de zomer van 2016, ruimtelijk inzichtelijk gemaakt. Uit deze figuren blijkt dat het doorgemeten grondwater dat vanaf de aangrenzende landbouwgronden en bos naar het natuurgebied stroomt, lage concentraties aan nitraat, fosfor en ammonium bevat. Vanaf de zuidelijk gelegen landbouwgronden bevat het grondwater verhoogde concentraties aan sulfaat (circa 650 en 700 µmol/l).
Figuur 5.6a. Concentraties sulfaat in het grondwater op de overgang van landbouw naar natuur en bos naar natuur in de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld gemeten in juni 2016. Concentraties zijn gegeven in µmol/l.
95
Figuur 5.6b. Concentraties nitraat in het grondwater op de overgang van landbouw naar natuur en bos naar natuur in de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld gemeten in juni 2016. Concentraties zijn gegeven in µmol/l.
96
Figuur 5.6c. Concentraties nitraat in het grondwater op de overgang van landbouw naar natuur en bos naar natuur in de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld gemeten in juni 2016. Concentraties zijn gegeven in µmol/l.
97
Figuur 5.6d. Concentraties ammonium in het grondwater op de overgang van landbouw naar natuur en bos naar natuur in de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld gemeten in juni 2016. Concentraties zijn gegeven in µmol/l.
98
5.3 Verbetering kwaliteit bestaande natuur: jeneverbesstruwelen Het voortbestaan van Jeneverbesstruwelen in Nederland wordt bedreigd. De opbouw van jeneverbesstruwelen laat in Nederland en omringende West-Europese landen een chronisch tekort aan verjonging zien (Garcia et al., 2000; Knol en Nijhof 2004). De huidige sterk verouderde jeneverbesstruwelen dreigen spoedig te verdwijnen indien deze negatieve trend doorzet. Met het verdwijnen van jeneverbes dreigen belangrijke ecologische, landschappelijke en cultuurhistorische waarden verloren te gaan. De beperkte regeneratie van jeneverbes is onder andere te wijten aan een combinatie van een aantal factoren: i) de trage rijping, lage productie en zeer lage kiembaarheid van de zaden, versterkt door de hoge leeftijd van de struwelen, ii) lage zaaddispersie en hoge zaadpredatie (vóór en na dispersie) en iii) kiem- en zaailingsterfte door een lage vochtvoorziening, verzuring of droogte van de bodem, beschaduwing of competitie door snelgroeiende planten, ontbreken van een goed kiembed (kale, arme tot vrij mineraalrijke, neutrale bodem), en herbivorie door kleine en grote zoogdieren (Garcia et al. 2000, Knol and Nijhof 2004, Thomas et al. 2007,Lucassen et al. 2011).
De negatieve effecten van deze factoren worden waarschijnlijk versterkt door de huidige klimaatsverandering (verhoogde temperaturen) en hoge atmosferische depositie van stikstof en zwavel (Gruwez et al. 2013a, Gruwez et al. 2013b, Gruwez et al. 2015). Hoe de verhoogde atmosferische depositie de verjonging van jeneverbes negatief beïnvloed is echter nog niet exact duidelijk. Eerste onderzoeksresultaten laten zien dat de diepere bodemlagen, waarin de moederplanten wortelen, wel eens een grotere invloed kunnen hebben dan voorheen gedacht. Verzuring van de diepere bodemlagen kan leiden tot een mineraalgebrek (Ca, Mg en K) in de bodem en in de (dieper wortelende) moederboom. In de bessen hoopt aluminium op en treed ook geberek op aan Ca, Mg en/of K waardoor deze bessen gevoeliger zijn voor vraat (o.a. schildluis) en ziekten (schimmels). Dit gaat ten koste van de vitaliteit van de bessen. De kwaliteit van de diepere bodemlaag is tot op heden nooit meegenomen in herstelmaatregelen. Er is vooral gekeken naar de kwaliteit van de ondiepe bodemlaag (toplaag) die van invloed is op de kiemingsmogelijkheden en overlevingskansen van zaailingen tijdens de vestigingsfase. In verzuurde bodems waarin ammonium is opgehoopt is er teveel competitie met andere snelgroeiende soorten waardoor er geen ruimte is voor vestiging en ontwikkeling van de kiemplanten.
Daarnaast kunnen in sterk verzuurde bodems met een hoge aluminiumbeschikbaarheid de kiemlingen niet overleven door de direct toxische werking van aluminium bij een lage pH en een ongunstige Al/Ca ratio. Ook is gebleken dat het wortelstelsel van planten die wel overleven slecht ontwikkeld is, waardoor kiemlingen in de vestigingsfase gevoeliger zijn voor droogte (Lucassen et al., 2011; 2013). De afgelopen jaren is er in Nederland op verschillende locaties sprake van spontane verjonging. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de verlaagde atmosferische S depositie. Analysen van een aantal van dit soort locaties heeft aangetoond dat op deze locaties de basenverzadiging in de bodem relatief goed was. Soms was er in de diepere ondergrond een gebufferde bodemlaag aanwezig. Dit zal echter niet overal het geval zijn, en de conclusie dat het op korte termijn vanzelf wel goed komt met de verjongingsproblematiek van jeneverbes lijkt dan ook te vroeg getrokken. Herstel van de basenverzadiging, door verwering van bijvoorbeeld silicaten, is een zeer traag proces. Waarschijnlijk zal op een groot aantal locaties in Nederland de bodemkwaliteit toch verbeterd moeten worden door bufferstoffen toe te dienen. Doorgaans vindt dit plaats met dolocal dat rijk is aan magnesium en calcium. Echter, de vraag is ook of dit niet beter met een bepaald type steenmeel kan plaatsvinden.
Dolocal reageert snel in de bodem en de hoge concentratie aan magnesium die hierbij vrijkomt kan juist een averechts effect hebben op de beschikbaarheid van andere cationen zoals kalium. Kalium in juist in de Maasduinen een belangrijke factor gebleken die in verzuurde bodems de vitaliteit van Jeneverbes en Zomereik beinvloedt (Lucassen et al., 2011; 2014a,b) . Onderzocht wordt daar of het toedienen van een K-houdend steenmeel, dat langzamer reageert in de bodem, niet veel meer soelaas biedt eventueel in combinatie met dolocal (Lucassen et al., 2013).
99
In de Bergvennen zijn ook jeneverbesttruwelen aanwezig die niet meer verjongen terwijl wel mannelijke en vrouwelijke exemplaren aanwezig zijn. Om een inschatting te kunnen maken of hier verjonging valt te verwachten op termijn, omdat de basenverzadiging nog redelijk is, zijn in het gebied een zevental bodemprofielen bemonsterd waar vrouwelijke bomen aanwezig waren. Hierbij is niet enkel de bodem toplaag bemonsterd, maar ook de diepere bodemlagen. De locaties worden gegeven in figuur 5.7. Een indruk van een locatie met jenevrensstruweel wordt gegeven in figuur 5.8. De bodems zijn geanalyseerd zoals vermeld in paragraaf 2.4.
1
2 3
4 5 6
7
Figuur 5.7 Locaties waar in de Bergvennen bodemmonsters genomen zijn voor het onderzoek naar het uitblijven van de verjonging van Jeneverbes.
De bodemfactoren die een belangrijke sturende rol bleken te spelen bij het al dan niet verjongen van jeneverbes in de Maasduinen zijn opgesomd in tabel 5.4. In kleur is aangegeven of de bodemfactor zeer ongunstig (rood), ongunstig (oranje), waarschijnlijk gunstig (geel) of zeer gunstig is (groen) kan zijn voor verjonging. De data tonen dat de kwaliteit van de bodem toplaag op sommige locaties gunstig is, terwijl de diepere bodemlagen in het algemeen ongunstig lijken. Locatie 4 vormt hierop een uitzondering. De basenverzadiging van de bodem toplaag (0-20cm) is op een tweetal locaties (locatie 3 en 4) zeer gunstig is met gunstige Al:Ca-z ratio. Op locatie 1, met een gunstige Al:Ca-z ratio, is de basenverzadiging mogelijk ook nog toereikend. Op de andere locaties (locatie 2, 5 en 6) is de basenverzadiging van de bodemtoplaag te laag. De lage basenverzadiging in de toplaag wordt m.n. veroorzaakt door een relatief lage beschikbaarheid aan calcium en magnesium. De diepere bodemlagen zijn zeer arm aan magnesium. De kaliumbeschikbaarheid in de toplaag was lager dan dan die op locaties waar in de Maasduinen nog enige verjonging optrad, maar hoger dan die op locaties waar geen verjonging meer optrad. In de diepere bodemlagen was de concentratie K-z ook lager dan in de Maasduinen. Of kalium daadwerkelijk
100