Lemselermaten_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 2 IP 1 Bodem grondwater interne eutrofiering.pdf
Tekst van het document
Ap
6 22 1,0 1199
24
0,05
157
28
1268
4
19
8
47
15450
0,00
159
6591
4,9
99
0
97
9
138
107
61
0
25-45
zand
C
1 11 1,4
272
4
0,07
84
17
204
7
16
1
47
8477
0,01
286
3485
5,3
99
0
20
4
0
0
0
0
45-65
zand
C
1 13 1,5
103
1
0,07
59
13
49
5
13
1
0
0
0
0
65-85
zand
C
1 13 1,5
97
2
0,05
68
18
79
6
18
1
0
0
0
0
0-20
zand, restant afgegr. bv
AXxC
3 18 1,2
419
5
0,08
77
25
48
6
17
5
9
0
0
0
20-40
veraard veen
O
12 29 1,1
114
6
0,02
205
128
86
12
30
15
0
0
0
0
40-60
zand, lemig
C
2 18 1,3
85
5
0,02
109
56
56
10
28
14
0
0
0
60-80
zand, lemig
C
2 18 1,4
85
5
0,02
115
44
60
13
33
10
0
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
3 16 1,2 1615
10
0,16
189
10
81
5
13
7
46
45
33
17
20-40
zand
C
0
8 1,4
161
3
0,06
168
13
86
5
17
1
0
0
0
0
40-60
zand
C
0 10 1,5
146
3
0,05
138
12
137
5
16
1
0
0
0
60-80
zand
C
1 10 1,5
162
5
0,04
126
16
244
6
17
1
0
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
5 15 1,1 3046
30
0,10
179
39
60
4
14
9
169
157
138
114
20-30
zand, bv
Ap
4 14 1,1 2067
23
0,09
195
40
62
5
14
8
61
54
44
30
30-50
zand, sterk siltig, sterk ger.
BxxC
60
257160
257236
484564
484534
grasland
grasland
140
120
100
150
80
62
257206
257265
484629
484606
grasland
grasland
130
85
140
90
64
65
66
67
68
69
70
257237
257292
257119
257177
257087
257143
255915
255964
484699
484678
485000
484973
484911
484888
485208
485263
grasland
grasland
akker
akker
akker
akker
grasland
grasland
150
110
115
85
85
90
130
100
110
70
50
50
130
70
40
80
100
110
40
40
2184
0,00
0,51
234
95
77
7102
1424
297
6,2 100
5,3
4,3
99
58
0
0
0
87
41
172
7
5
12
2 12 1,2
723
10
0,07
228
30
71
6
16
4
14
6820
0,00
716
1388
5,9 100
0
54
3
zand
C
1
85
1
0,06
190
13
128
7
19
1
66
5612
0,01
910
1383
6,1
0
21
4
zand, bv
Ap
5 15 1,0 2705
28
0,10
186
39
52
5
15
9
20-30
zand, bv
Ap
4 14 1,1 2303
25
0,09
211
42
62
6
17
9
30-50
zand
C
1
9 1,4
132
4
0,04
192
14
159
7
22
1
50-70
zand
C
1 11 1,5
150
3
0,04
222
15
154
12
32
1
0-20
zand, bv
Ap
5 16 1,0 2061
23
0,09
200
44
48
7
20
20-30
zand, bv
Ap
4 14 1,0 1838
20
0,09
184
40
43
6
zand
9 1,4
37
19
0
0
0
0
0
0
0
154
141
122
97
68
61
51
38
0
0
0
0
0
0
0
9
123
109
88
60
18
8
53
46
36
22
24
5 1,3
116
3
0,04
148
10
49
7
21
1
7 1,4
139
2
0,06
133
8
50
7
20
0
0
0
0
0
19
0,11
173
26
59
6
19
8
101
92
76
54
20-40
zand, opgebracht
Axx
4 13 1,0 1165
13
0,09
190
29
52
8
18
7
61
47
26
0
40-60
zand, opgebracht
Axx
4 13 1,1 1077
12
0,09
188
29
55
8
18
7
54
40
19
0
60-80
zand, opgebracht
Axx
6 19 1,0
524
4
0,14
165
16
22
8
11
9
46
6938
0,01
2902 3209
5,4
91
0
91
1662
4
1
0
115-145
intact veraard veen
O
22 43 0,6 1179
14
0,08
202
31
21
10
15
30
76
9350
0,01
2873 5497
4,9
83
0
3
6092
101
78
44
0
0-20
zand, bv
Ap
5 13 1,0 2435
21
0,12
200
23
62
9
17
8
111
103
87
66
20-30
zand, bv
Ap
4 14 1,0 2111
19
0,11
190
21
58
6
15
8
51
46
38
26
0
C
1
9 1,3
115
1
0,08
189
8
57
8
22
1
C
0
6 1,4
68
1
0,05
136
10
53
8
18
1
0
0
0
0
Ap
4 13 1,1 1992
16
0,12
193
24
66
8
22
7
82
76
60
40
20-30
zand, bv
Ap
3 12 1,2 2345
17
0,13
193
20
66
8
20
6
45
43
36
27
30-50
zand, sterk geroerd
AxxB
3 15 1,2 1175
9
0,13
205
18
67
7
20
5
38
33
18
50-70
zand, sterk siltig, uitlopende insp.
BxC
1 11 1,4
288
3
0,08
229
12
129
11
48
1
0
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
6 16 1,0 3216
18
0,18
187
19
37
6
12
8
94
94
84
71 11
1707
5,3
99
0
120
14
0
0
zand
728
0
0
zand, bv
0,01
0
0
0-20
7389
-4
0
50-70
60
7
3
0
4 12 1,0 2180
0
5
3
0
98
0
13
0
5,3
99
0
C
751
6,1
99
C
881
683
6,1
Axx
0,01
430
1000
zand
2571
0,01
730
zand, opgebracht
34
2436
0,01
0-20
zand
21
4269
99
0
50-70
20-30
63
###
11696
0,00
0-20
30-50
61
28
18994
50-70
30-50
59
15
0
0
zand, bv
Ap
5 16 1,0 1650
13
0,13
203
18
38
7
13
7
30
28
20
30-50
zand, geroerde insp.
Bx
1 10 1,3
456
2
0,18
229
9
65
9
22
2
79
4772
0,02
1004
994
5,2
98
0
14
6
0
0
0
50-70
zand, sterk siltig, lemig
C
1 14 1,4
95
1
0,07
192
9
53
11
27
0
46
3927
0,01
2145 1149
5,4
99
0
3
6
0
0
0
0
0-15
zand, bv
Ap
6 14 1,0 5106
21
0,25
178
15
43
7
12
8
82
82
81
74
15-25
zand, bv
Ap
5 14 1,0 3926
19
0,21
183
17
47
7
13
7
50
50
47
41
25-40
zand
BC
2
9 1,3
292
6
0,05
232
12
126
11
24
2
0
0
0
0
40-55
zand
BC
1
9 1,3
172
5
0,04
223
13
104
14
27
1
0
0
0
55-75
zand
C
0
7 1,4
91
2
0,06
98
6
52
6
13
0
0
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
5 15 1,0 2443
16
0,15
169
21
35
8
12
7
83
81
68
52
20-40
zand, sterk siltig, ger. insp.
BxxA
3 13 1,1
896
6
0,14
239
16
48
10
19
4
20
17
4
0
40-60
zand, sterk siltig, uitlopende insp.
BxC
1 10 1,4
248
4
0,06
214
16
57
11
34
1
56
2185
0,03
1727
395
5,3
97
0
10
4
0
0
0
60-80
zand
C
1 10 1,5
145
4
0,04
217
14
57
12
36
1
53
2414
0,02
1487
506
5,2
97
0
1
3
0
0
0
0
0-20
zand, sterk siltig, bv
Ap
4 18 1,2 2366
26
0,09
182
40
95
12
22
9
145
131
110
82
20-40
zand, geroerde insp.
Bx
1 11 1,4
280
3
0,09
111
17
60
6
16
1
0
0
0
0
40-60
leem, sterk zandig
C
2 16 1,4
86
3
0,03
421
23
371
28
70
2
0
0
0
60-80
leem, sterk zandig
C
2 17 1,4
229
5
0,05
442
27
203
26
67
4
0
0
0
0
0-25
zand, sterk siltig, bv
Ap
4 19 1,1 2567
27
0,10
157
54
82
10
22
12
184
167
143
111
25-45
zand, geroerd
Bx
1 12 1,4
220
3
0,07
166
27
102
8
22
1
0
0
0
0
45-65
zand
C
1 12 1,5
107
2
0,06
172
19
133
11
27
1
0
0
0
65-85
leem
C
2 20 1,4
76
5
0,02
456
44
572
34
78
2
0
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
6 17 1,1 2722
26
0,10
169
60
33
8
20
10
146
134
116
92
20-40
zand
C
2 11 1,4
240
4
0,06
213
18
75
7
21
2
0
0
0
0
40-60
zand
C
1 11 1,4
145
2
0,07
158
15
81
9
22
1
0
0
0
60-80
leem, sterk zandig
C
1 13 1,4
181
4
0,05
378
13
197
21
74
1
0
0
0
0
0-20
zand, kleiig, bv
Ap
6 17 1,1 2605
27
0,10
171
56
57
8
18
10
151
137
118
92
20-40
zand, lemig
C
1 14 1,3
180
3
0,05
217
21
64
9
24
1
0
0
0
0
40-60
zand, lemig
C
1 13 1,5
114
2
0,05
271
18
97
13
33
1
0
0
0
0
60-80
zand, lemig
C
1 15 1,4
100
2
0,06
239
20
73
13
29
1
0
0
0
0
0-20
leem, sterk zandig, bv
Apx
6 24 1,1
912
9
0,10
220
96
210
7
27
10
36
25
7
0
20-40
zand, sterk siltig
C
1 15 1,3
129
4
0,03
158
43
107
10
28
1
0
0
0
0
40-60
zand, sterk siltig
C
1 13 1,4
80
6
0,01
160
42
83
15
39
0
0
0
0
0
60-80
zand, sterk siltig
C
0 14 1,6
48
6
0,01
131
34
65
13
34
0
0
0
0
0
0-20
leem, sterk zandig, bv
Apxx
4 16 1,0
667
10
0,07
242
24
538
7
25
6
33
15
0
0
20-40
zand, brok leem, iets ger.
BCX
1 15 1,4
301
6
0,05
205
38
142
14
35
2
0
0
0
0
40-60
zand
C
0 12 1,4
439
4
0,11
91
20
50
9
19
1
6
0
0
0
60-80
zand
C
0 12 1,5
72
2
0,05
63
17
36
6
14
0
0
0
0
0
100
2166
334 12500
23
30
11
15
25
8755
6223
6117
17201
5801
0,05
0,03
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
1482
523
4147 6174
2011 3883
1239 1748
1422 1449
280
709
2335
1924
5,1
4,5
95
97
5,6 100
6,2
99
6,4 100
6,5 100
5,5
99
0
0
0
0
0
0
0
3
335
169
172
90
4
112
4
4
4
4
4
3
15
0
0
0
0
0
0
29
Figuur 3.3. Overzicht van de ruimtelijke variatie in de verschralingsduur (in jaren) van de toplaag. De verschralingsduur is berekend en weergegeven voor een bodempakket van 25 cm en betreft de gemiddelde verschralingsduur bij een Olsen-P streefconcentratie van 300 en die van 500 µmol/l. Het betreft een indicatieve verschralingsduur.
Op de percelen ter hoogte van de locatie P45-46 en locatie P47 t/m P50 was de bouwvoor reeds gedeeltelijk afgegraven. Uit tabel 3.1 blijkt dat op al deze locaties de bodem onder de toplaag tot op diepte ook zeer schraal is. Schijnbaar valt hier nog een makkelijke kwaliteitsslag te maken. Op enkele percelen is in het verleden waarschijnlijk zand opgebracht op de oorspronkelijke bouwvoor: locatie P15 (40cm) en P59 (80cm). Er komen meer locaties voor waar de bodem onder de bouwvoor direct schraal is. Een ruimtelijke kaart met ontgrondingsdiepten waarbij direct een schrale situatie ontstaat, daar waar mogelijk in combinatie met opties tot ontgrondingsdiepten waarbij via maaien en afvoeren op redelijk korte termijn (0-5 jaar, 5-10 jaar of 10-20 jaar) een schrale conditie kan ontstaan, wordt gegeven in figuur 3.4. Wanneer geen aanvullende ontgrondingsdiepte met maaiopties gegeven wordt, wil dat zeggen dat de bodem boven het geadviseerde ontgrondingsadvies te rijk is om via aanvullend maaien en afvoeren te kunnen verschralen binnen een periode van 20 jaar (dit met het oog van het op korte termijn in stand kunnen houden of uitbreiden van natuurdoelen).
30
Figuur 3.4. Overzicht van de ruimtelijke variatie in het ontgrondingsadvies (in centimeters) voor het creëren van P-gelimiteerde omstandigheden met opties tot ontgrondingsadviezen waarbij beperkt aanvullend verschralingsbeheer is vereist: a= 0-5 jaar; b= 5-10 jaar; c= 10-20 jaar om op korte termijn schrale natuurtypen te kunnen realiseren.
Uit figuur 3.4 blijkt dat er in het gebied van de Lemselermaten locaties zijn waar de bodem toplaag al schraal is (locatie P14 en P15). Ook zijn er een aantal locaties waar binnen 5 jaar (P17 en P19) of 10 jaar (P49) of 20 jaar (P46) de toplaag via maaien en afvoeren kan verschralen. Op alle andere locaties zijn geen mogelijkheden om via maaien en afvoeren in een periode korter dan 20 jaar schrale bodemcondities te kunnen behalen (dit in het kader van het op korte termijn behouden of uitbreiden van natuurdoelen). Wel is het zo dat er veel locaties zijn met een rijke bodemtoplaag die potenties hebben na het verwijderen van de bovenste 20 cm aan bouwvoor. Voor het perceel van de locaties P17 en P19 lijkt te gelden dat de hoger gelegen locaties van deze percelen (P16 en P18) een rijker bodemprofiel hebben waarbij tot een diepte van 80cm geen ontwikkeling van schrale natuur mogelijk is. De locaties bemonsterd op de percelen t.h.v. locatie P49 hebben allen gemeen dat ze een scherpe overgang hebben tussen bouwvoor en onderliggende bodemlaag. Dit wil zeggen dat indien beperkt ontgrond worden (20 cm) de bodem direct schraal is. Bovenstaande lijkt niet te gelden voor de percelen t.h.v. locatie P46 aangezien locatie P45 tot een diepte van 45 cm ontgrond zou moeten worden.
Wel kan het zo zijn dat bij een ontgrondingsdiepte van 20 cm het perceel gedeeltelijk direct schraal is en gedeeltelijk via een beperkt aantal jaren van maaien en afvoeren verder zou kunnen verschralen. De percelen ter hoogte van locaties P65 t/m P68 hebben een zeer rijke bouwvoor (020cm) maar de bodem is beneden deze bodemlaag direct zeer schraal tot op grote diepte. Dit geldt ook voor de percelen t.h.v. locaties P30 (30cm), P31 (25cm), P32 (25cm) en P33 (35 cm) en t.h.v. de locaties P37 (20cm) en P38 (20cm). Op het perceel hiertussen (P34 en P35) is de bodem P rijker en zijn deze scherpe overgangen niet aanwezig. Hier zou dieper ontgrond moeten worden, of bij een ongeveer vergelijkbare ontgrondingsdiepte van 35 cm nog 10-20 jaar aanvullend gemaaid moeten worden. Het maisperceel gelegen binnen de Lemselermaten lijkt grotendeels direct schraal op een diepte van circa 20 tot 30 cm schraal (P41, P42, P43 en P44) en op deze diepte zijn de wat rijkere 31
locaties (P39 en P40) binnen een periode van rond de 20 jaar van maaien en afvoeren verder te verschralen. Voor de percelen gelegen in het westen van het gebied (P5, P6, P7 & P11, P12) geldt dat er redelijk variatie is in P beschikbaarheid. Grofweg geldt dat op een ontgrondingsdiepte van 25 tot 40 cm de bodem met een aanvullend maaibeheer van 5 tot 20 jaar schraal kunnen zijn. De percelen ten oosten van een voormalige slenk (P56 t/m P64) hebben een scherpe overgang tussen voedselarme en voedselrijke bodem. Op een diepte van 25 tot 30 cm is de bodem op een groot aantal locaties direct schraal en lijkt plaatselijk met maaien en afvoeren nog een verdere verschraalslag te bereiken. Er zijn echter ook twee locaties waar de bodem op deze diepte niet zal kunnen ontwikkelen tot schrale natuur (P56 en P59). Zoals vermeld in paragraaf 1.2 is de vraag welke natte schrale natuurbeheertypen zich daadwerkelijk in het gebied kunnen ontwikkelen niet enkel afhankelijk van de voedselrijkdom van de bodem en de mate van buffering van de bodem (tabel 1) maar ook van de stijghoogte en kwaliteit van het grondwater (tabel 2). Deze (geo)hydrologische aspecten maken geen onderdeel uit van dit bodemchemisch onderzoek maar worden door de Bosgroepen geïntegreerd in het uiteindelijke advies.
De resultaten uit dit onderzoek kunnen sterk bepalend zijn voor de keuzes die bij de gebiedsinrichting gemaakt worden. De keuze van de uiteindelijke inrichtingsmaatregelen is echter niet alleen afhankelijk van de fosfaattoestand en de kansrijkdom qua bodemchemie. Een ontgronding kan bijvoorbeeld een geschikte maatregel zijn om de biogeochemische omstandigheden te optimaliseren, maar dient altijd te worden getoetst op de inpassing in het hydrologische systeem. Als we de mate van buffering en grondwaterstanden (GLG en GHG) op de ontgrondingsdiepten vergelijken met tabel 2, kunnen we een indruk krijgen welke natuurtypen kunnen ontwikkelen. Hierbij rekening houdend dat ontgronden ertoe leidt dat het grondwater dichter bij het maaiveld komt. Daarnaast moet er ook rekening mee gehouden worden dat hydrologische maatregelen, ter vernatting van het gebied, de grondwaterpeilen verder kunnen verhogen. De daadwerkelijke natuurtypen die zullen ontwikkelen zullen sterk afhangen van de toekomstige grondwaterstanden. Als het fosfaatprofiel te diep is doorgedrongen in de bodem kan het zo zijn dat er enkel voedselarme condities gecreëerd waarbij een open water gevormd wordt. Omdat open water geen natuurdoeltype is in de Lemselermaten, zijn deze percelen dan ook ongeschikt om ter plekke natuurdoelen te kunnen behalen.
Een andere optie is dat er een voedselrijk variant ontstaat met ongewenste groei van soorten als Pitrus. Deze ontwikkeling op grote schaal lijkt ons ongewenst in een Natura 2000 gebied en brengt daarnaast ook kosten met zich mee in het jaarlijks moeten maaien en afvoeren van de vegetatie. Daarbij is het zo dat onder natte condities fosfaten in de bodem oplossen en kunnen bijdragen aan eutrofiering van oppervlaktewater. In tabel 3.2 is een overzicht gegeven voor de natuurbeheertypen die in potentie tot ontwikkeling kunnen komen op de ontgrondingsdiepten, rekening houdend met de GLG en GHG die bij benadering is vastgesteld tijdens de bemonsteringen. In figuur 3.5 is een ruimtelijke kaart gegeven van de potentiele natuurtypen die tot ontwikkeling kunnen komen. Indien er in tabel 3.2 meerdere opties zijn kwa diepten, worden beide opties gegeven door een symbool twee kleuren te geven. Indien er zeer lang gemaaid moet worden ter verschraling (> 10 jaar), is ingezet op het symbool van de onderliggende bodemlaag waarbij direct schrale natuur tot ontwikkeling komt. Uit de kaart blijkt dat er in de Lemselermaten veel potentie is om landbouwgronden om te vormen tot nat schraalland (blauwgrasland, veldrusschraalland en kleine zeggenvegetaties).
Aan de noordwestzijde van het gebied (P14 t/m P19), waar het fosfaat niet diep in de bodem is doorgedrongen, komen de zeggen lokaal al in het grasland tot ontwikkeling. De huidige maisakker lijkt hiervoor te droog en te weinig gebufferd (P39 t/m P44) en deze lijkt potentie te hebben om te ontwikkelen tot droog schraalland, vochtig heischraalgrasland en vochtige heide. Het oostelijk deel van het gebied (P56 t/m P63) ligt relatief hoog en de bodem lijkt gebaseerd op de huidige GHG en GLG te droog voor ontwikkeling van vochtige en natte natuurtypen. Hier liggen potenties voor ontwikkeling van droog schraalland en droge
32
heide. Aan westelijke zijde grenzend hiervan ligt een deel van een oude slenk die mogelijk potenties heeft zich te ontwikkelen tot vochtige en natte natuurtypen. In tabel 3.2 wordt lokaal een eenmalige bekalking geadviseerd op calciumarme zure zandbodems (of op zwak gebufferde bodemlagen met een zure ondergrond). Als gevolg van verzuring (afname grondwaterinvloed en/of verzurende processen als ammoniumoxidatie) heeft uitspoeling van onder andere Ca, Mg en K plaatsgevonden waardoor er mineraalgebrek kan optreden in planten en er sprake kan zijn van Al toxiciteit (bij een hoge Al/Ca ratio in het zoutextract). Het herstel van de buffering kan bijdragen aan de ontwikkeling van een soortenrijkere heide en/of heischraal grasland. Over het algemeen volstaat een eenmalige bekalking van 2000 kg Dolokal per hectare. Uit onderzoek (De Graaf et al., 2009) is tevens gebleken dat in soortenarme heideterreinen de kaliumconcentraties in het zoutextract lager zijn (mediane waarde (10-90 percentielen): 153 (88-380) µmol/kg) dan in soortenrijke heiden en heischrale graslanden (283 (110-872) µmol/kg). Uit de dataset van B-WARE zijn er indicaties dat toedienen van Dolokal het uitspoelen van K bespoedigt.
Dit is ook niet onlogisch aangezien door oplossen van Ca- en Mg-carbonaten uit de Dolokal, de concentratie aan Ca2+ en Mg2+ ionen in het bodemvocht sterk toeneemt waardoor K + van het bodemcomplex wordt verdrongen. Het is daarom raadzaam om, zeker wanneer sprake is van een relatief K-arme bodem ook een ander, relatief K-rijk, steenmeel toe te dienen (bijvoorbeeld Vulkamin). K-gebrek leidt niet alleen tot groeistoornissen (o.a. slechte doorworteling) maar induceert ook een stikstofoverschot in de plant en maakt deze daardoor gevoeliger voor vraat en ziekten. Dit verschijnsel treedt in de Maasduinen op bij Jeneverbes en Zomereik (Lucassen et al., 2011, 2014) en het is aannemelijk dat dit zo ook werkt bij kruiden. Op de locaties waar een eenmalige bekalking wordt geadviseerd, wordt aanbevolen om te bekalken met 2000 kg Dolokal en (i.v.m. de relatief lage K-concentraties) 1000 kg K-rijk steenmeel (bijvoorbeeld Vulkamin) per hectare. Op de meeste bemonsterde locaties in de Lemselermaten is het niet noodzakelijk aanvullend te bekalken. De meeste locaties betreffen natte en vochtige locaties die onder invloed staan van basenhoudend grondwater (niet verzuurd). Op enkele drogere locaties blijkt dat de bodemadsorptiecomplex te basenarm is (Ca-z) voor het behalen van natuurdoelen op de korte en langere termijn.
De eerste jaren na de het afgraven van de voedselrijke toplaag dient maaibeheer plaats te vinden om de ontwikkeling en uitbreiding van algemene/ruigte soorten te beperken. Doordat vaak vele zaden aanwezig zijn kunnen deze algemene soorten, ook onder P-arme condities, tot ontwikkeling komen. Door middel van een maaibeheer en het aanbrengen van maaisel of plagsel kan de groei van ongewenste algemene soorten worden onderdrukt. Opgemerkt dient te worden dat de lokale ontwikkeling van ruigtes of kruidenrijke graslanden op zichzelf niet nadelig is en zelfs kan bijdragen aan de diversiteit van een gebied. Vlinders, sprinkhanen, vogels en kleine zoogdieren kunnen hier van profiteren. Op de afgegraven locaties wordt geadviseerd om kort na afgraven (<1 jaar) maaisel/plagsel op te brengen uit goed ontwikkelde referentielocaties om kolonisatie door doelsoorten te stimuleren. Op voormalige landbouwgronden is van de oorspronkelijke zaadbank vaak niets meer over. Natte, venige laagtes kunnen een uitzondering vormen. Zonder het uitstrooien van vers maaisel of plagsel uit geschikte referentiegebieden is de kans op vestiging van doelsoorten klein. Veel zeldzame en bijzondere soorten (meestal tevens de doelsoorten) vestigen zich doorgaans niet of slechts na lange tijd op de herstelde terreinen.
Het herintroduceren van doelsoorten uit zo lokaal mogelijke bronnen (in verband met de genetische diversiteit en de aanpassing aan lokale omstandigheden) leidt onder de juiste bodemchemische en hydrologische omstandigheden tot een succesvol herstel van ontgronde terreinen. Herintroductie van doelsoorten kan bijvoorbeeld door het aanbrengen van maaisel of plagsel waarbij idealiter 1m2 vers verzameld maaisel over 1(-2) m2 bodem wordt verspreid. Wanneer dit niet mogelijk is, kan het maaisel in een lagere dichtheid of in kleinere over het gebied verspreide zones worden opgebracht. Wanneer vers plagsel of bodemmateriaal uit referentielocaties wordt opgebracht (enten), wordt ook bodemleven (o.a. mycorrhiza schimmels)
33
geïntroduceerd. Mycorrhiza schimmels zijn van belang bij de opname van nutriënten onder voedselarme omstandigheden. Daarnaast beschermen ze de kiemlingen tegen verdroging. Het aanbrengen van maaisel of plagsel op een dichte zode is geen geschikte maatregel door het ontbreken van vestigingsplekken. Het achterwege laten van deze maatregel is zonde van de vele inspanningen die zijn gedaan om de juiste abiotische randvoorwaarden (bodem en hydrologie) te creëren voor de beoogde doelsoorten. Jaarlijks maaien en afvoeren (gemiddelde P-afvoer 10 kg/ha/jr) is op (sterk) met fosfaat verrijkte percelen niet optimaal voor een efficiënte afvoer van fosfaat. Een alternatief is uitmijnen (gemiddelde P-afvoer 40 kg/ha/jr): een ‘natuurvriendelijke’ vorm van het voeren van intensieve landbouw. Wanneer de huidige zode voldoende productieve soorten bevat kan met behulp van stikstof- en kalibemesting de P-afvoer worden vergroot. Wanneer deze te weinig productieve soorten bevat wordt geadviseerd om in te zaaien met een grasklaver mengsel. In combinatie met aanvullende kalibemesting wordt de productiviteit, en daarmee ook de P-afvoer, geoptimaliseerd. Hiervoor kunnen door middel van aanvullende analyses door het Louis Bolk Instituut gerichte bemestingsadviezen worden opgesteld. De percelen dienen gedurende een lange periode voldoende droog te vallen zodat 4-5 snedes gemaaid kunnen worden.
Dit maakt het nemen van vernattingsmaatregelen meestal niet mogelijk. Voor een succesvolle ontwikkeling zijn niet alleen de bodemchemische omstandigheden leidend. De hydrologie dient eveneens te worden geoptimaliseerd. Voor grondwaterafhankelijke natuurtypen zoals heischrale graslanden, blauwgraslanden en dotterbloemhooilanden is grondwaterinvloed in de wortelzone of het maaiveld vereist van circa oktober/november t/m maart/april om verzuring, de vorming van regenwaterlenzen en de ontwikkeling van zure vegetaties (op kansrijke locaties voor (zwak) gebufferde schraallande/hooilanden) tegen te gaan. Op plekken waar regenwater stagneert kunnen veenmossen gaan domineren, vooral op gebufferde bodems omdat hier veel CO2 beschikbaar komt. Op sterk gebufferde bodems gebeurt dit minder snel omdat bicarbonaat giftig is. Tijdelijke stagnatie is niet erg omdat de veenmossen tijdens droge perioden weer uitdrogen. Inundatie met Prijk oppervlaktewater en/of de afzetting van P-rijk slib kan tot verrijking en daarmee tot verruiging leiden.
34
nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee
N10.01 (bv) N10.01 (bv) N10.01 (bv) N10.01 (bv) N10.01 (bv) N10.01 (bv) N10.01 (hg/bv) N10.01 (bv) N10.01 (bv) N10.01 (bv) N10.01 (bv) N10.02/N14.01 N10.01 (bv) N10.01 (hg)/N06.04 N10.01 (bv) N10.01 (bv) N10.01 (bv) N10.01 (bv) N10.01 (bv) N10.01 (bv) N10.01 (bv) N10.01 (bv) N10.01 (bv)/N10.02 N10.01 (hg/bv) N10.01 (bv) N06.04 N10.01 (hg) N10.01 (hg) N10.01 (hg/bv) N10.01 (hg/bv) N10.01 (hg/bv) N10.01 (hg) N11.01
nat schraalland nat schraalland nat schraalland nat schraalland nat schraalland nat schraalland vochtig heischraal grasland/nat schraalland nat schraalland nat schraalland nat schraalland nat schraalland vochtig hooiland/elzenbroekbos nat schraalland vochtig heischraal grasland/vochtige heide nat schraalland nat schraalland nat schraalland nat schraalland nat schraalland nat schraalland nat schraalland nat schraalland nat schraalland/vochtig hooiland vochtig heischraal grasland/nat schraalland nat schraalland vochtige heide vochtig heischraal grasland vochtig heischraal grasland vochtig heischraal grasland/nat schraalland vochtig heischraal grasland/nat schraalland vochtig heischraal grasland/nat schraalland vochtig heischraal grasland droog heischraal grasland
1060 1313
2360 1203 130
976 1166
19565 26312
30003 25176 23199
3047 5246
20 0 4 0 74 22 0 0 0 2 0 169 0 0 0 0 14 0 3 16 0 0 23 0 0 0 6 0 11 1 0 0 10
60 0 28 0 109 49 0 0 17 18 17 258 17 0 19 0 66 0 24 35 0 10 111 0 0 0 19 4 12 17 3 0 23
5 4 10 7 10 10 5 6 9 12 11 9 12 6 8 8 22 21 20 13 9 9 3 9 7 9 9 11 13 13 9 5 2
449 37 131 91 492 406 93 63 463 105 101 990 146 30 102 184 544 93 279 220 189 396 973 97 1273 100 87 220 85 197 49 104 13
65 41 68 110 45 89 18 45 61 29 39 67 33 11 40 42 96 73 55 87 103 93 82 29 45 9 21 19 23 21 24 17 27
105 49 138 125 234 470 158 90 378 134 149 293 156 79 121 125 182 184 242 231 227 377 93 109 116 160 148 134 155 134 176 159 136
19 2 10 6 26 14 4 4 13 7 7 63 7 2 8 5 23 5 9 10 7 13 39 2 22 2 6 9 5 6 3 2 7
598 87 537 166 917 668 278 121 378 531 482 879 472 187 487 249 556 287 531 675 294 342 554 213 250 123 584 322 789 517 379 188 650
31 27 23 44 15 27 12 13 19 13 15 23 16 10 24 26 28 25 29 26 28 49 41 13 20 10 8 10 10 11 12 13 22
8 6 6 14 3 4 2 2 3 2 2 4 2 0 6 5 6 4 6 6 7 19 17 1 4 1 1 1 0 1 2 2 8
axx XX Cxx O xx C Ap xx Bx Apx Cxx Xx Xx B Axx Axx Xx Xx Bxx Ap A Ox Oxa AxxC Axx C BC BC BC BC xx Xx Ap
25-45 zand, sterk siltig, sterk ger. 45-65 zand, venig 40-60 zand, sterk siltig 60-80 veraard veen 20-40 leem, sterk zandig, omgezet 60-80 komleem, vet zand, kleiig, bv zand, sterk geroerd
0-20 40-60 leem, sterk zandig, iets ger. zand, sterk siltig, bv
0-20
0-20 20-40 zand, lemig, sterk ger. 60-80 leem, sterk zandig, sterk ger. 0-20 45-65 zand, uitlopende insp. 20-40 zand, sterk siltig, sterk ger. 40-60 zand, sterk siltig, sterk ger. 20-40 zand, brok leem, sterk ger. 40-60 zand, brok leem, sterk ger. 40-60 zand, brok leem, sterk ger. 20-40 zand, sterk siltig, bv 40-60 klei, sterk zandig 25-45 veraard veen, iets ger. 30-50 veraard veen, omgezet 25-45 zand 25-45 leem, sterk zandig, sterk omgezet 35-55 zand 35-55 zand, min. insp. 55-75 zand, min. insp. 35-55 zand, iets ingespoeld 55-75 zand, iets ingespoeld 20-40 zand, sterk geroerd 20-40 zand, sterk verstoord 20-40 zand, kleiig, bv
25c
45
40a
60
20b
60
0
0
40
0a
20
>80
0a
45
20b
40
20a
40
40
20c
40
25
30
25
25
35
35c
55
35c
55b
20
20
20c
40
40
30
20
40
30
30
30
30
50
30
30
30
20
20
50
60
50
40
55
50
30
30
80
100
100
90
90
120
90
90
100
90
100
100
100
100
90
90
120
140
110
100
110
100
90
100
70
80
75
70
80
70
65
80
70
70
70
60
60
50
60
90
90
80
70
80
80
60
80
100
11
12
13
14
15
16
17
18
19
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
37
38
39
zand, brok leem, sterk ger.
nee
N10.01 (bv)
nat schraalland
N06.04
Vochtige heide
N07.01
Droge heide
N10.01 (bv)
Nat schraalland (blauwgrasland, veldrusschraalland, kleine zeggenvegetatie)
N10.01 (hg)
Nat schraalland (vochtig heischraal grasland)
N10.02
Vochtig hooiland (dotterbloemhooiland)
N11.01
Droog schraalland
N14.01
River- en beekbegeleidend bos (elzenbroekbos)
N14.02
Hoog- en laagveenbos (berkenbroekbos)
N12.02
Kruiden- en faunarijke akker
N12.03
Glanshaverhooiland 11420
9185
18940
16824
4145
27007
29141
26276
84
2063
9643
3959
1246
1632
183
3323
3399
0
0
10
110
27
91
4
191
12
1
C
40-60 zand
40
30
90
60
17834
N10.01 (bv)
nat schraalland
0
25
8
238
31
122
9
479
12
2
Ap
25-50 zand, sterk siltig, bv
25
50
10
nee
N10.02/N14.01
vochtig hooiland/elzenbroekbos
637
701
12
1624
114
101
127
2500
35
9
Xx
50-70 leem, st. zandig, st. ger., st. humeus
>70
30
110
80
9
100
60
8
nee
N10.01 (bv)
nat schraalland
845
36065
0
0
21
173
104
282
18
106
17
2
C
30-50 leem, sterk zandig
30
20
90
50
7
nee
N10.01 (bv)
nat schraalland
128
26133
0
0
15
137
70
191
11
174
15
1
C
60-80 zand, lemig
60
nee
N10.01 (bv)
nat schraalland
1
24
8
276
33
74
13
512
13
1
BC
30-45 zand, min. insp.
30c
35
100
70
6
nee
N10.01 (bv)
nat schraalland
1295
21568
0
0
12
80
46
105
7
194
26
4
C
28116
14
37
15
298
97
201
12
622
28
7
OxC
40-60 zand, lemig
N10.01 (bv)
nat schraalland
K-z 4456
Ca-z
Bekalking
Code
Natuurpotentie
umol/l
umol/l M5
M3
K-t
Fe-t
mmol/l mmol/l
Ca-t
mmol/l
Al-t
P-t
V
µmol/l mmol/l mmol/l Ols-P
%
% OS
HZT
40
Grondsoort
cm-mv bv=bouw voor Diepte 20-40 veraard veen, sterk kleiig
40
100
70
5
Advies
20c
GLG GHG
Nr GWS
Tabel 3.2. Natuurpotenties met bekalkingsadviezen op de ontgrondingsdiepten in de Lemselermaten uitgaande van de tijdens de veldbemonstering vastgestelde GLG en GHG. De daadwerkelijke natuurtypen hangen sterk af van de daadwerkelijke (toekomstige) grondwaterpeilen (na eventuele hydrologische maatregelen).
Natuurbeheertype
35
0
100
110
100
30
65
55
110
50
47
48
49
50
52
53
54
ja nee
N10.01 (bv)
nat schraalland
0
23
4
60
54
115
10
466
40
13
Axx
nee nee nee nee nee ja ja nee
N10.01 (bv) N10.01 (hg) N10.01 (hg/bv) N10.01 (bv) N07.01/N11.01 N10.01 (hg)/N06.04 N06.04 N10.01 (bv)
nat schraalland vochtig heischraal grasland vochtig heischraal grasland/nat schraalland nat schraalland droge heide/droog heischraal grasland vochtig heischraal grasland/vochtige heide vochtige heide nat schraalland
286 95
816 840
8477 11696
4102 3856
0 0 0 0 0 14 0 10
0 0 9 0 0 14 0 10
7 6 12 5 3 4 8
67 204 48 86 86 34 24 40
45 17 25 128 13 13 9 31
144 84 77 205 168 62 36 110
6 4 5 6 3 5 1 5
264 272 419 114 161 896 115 822
13 11 18 29 8 22 16 16
1 1 3 12 0 3 1 3
C C AXxC O C BxxC C Axx
20-40 zand, lemig 25-45 zand 0-20 20-40 veraard veen 20-40 zand 40-60 zand, kleiig, sterk geroerd 60-80 zand 40-55 zand, sterk siltig, sterk ger. oud bv
20 25 0b 20 20 40c 60 40b
35
30
75
30
50
70
110
120
150
70
80
N06.04
Vochtige heide
N07.01
Droge heide
N10.01 (bv)
Nat schraalland (blauwgrasland, veldrusschraalland, kleine zeggenvegetatie)
N10.01 (hg)
Nat schraalland (vochtig heischraal grasland)
N10.02
Vochtig hooiland (dotterbloemhooiland)
N11.01
Droog schraalland
N14.01
River- en beekbegeleidend bos (elzenbroekbos)
N14.02
Hoog- en laagveenbos (berkenbroekbos)
N12.02
Kruiden- en faunarijke akker
N12.03
Glanshaverhooiland nee ja nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee
N07.01 N07.01/N11.01 N07.01 N07.01/N11.01 N07.01/N11.01 N07.01/N11.01 N10.01 (hg) N10.01 (bv) N10.01 (hg) N10.01 (hg/bv) N10.01 (bv) N10.01 (bv) N10.01 (bv) N10.01 (bv)
droge heide droge heide/droog heischraal grasland droge heide droge heide/droog heischraal grasland droge heide/droog heischraal grasland droge heide/droog heischraal grasland vochtig heischraal grasland nat schraalland vochtig heischraal grasland vochtig heischraal grasland/nat schraalland nat schraalland nat schraalland nat schraalland nat schraalland
881
1004 1482
2571
4772 2166
0 0 0 0 17 0 0 0 0 0 25 0 15 0
0 0 0 0 20 0 0 0 0 0 36 0 33 0
8 11 9 11 10 11 6 8 7 9 7 10 7 14
57 129 65 126 48 57 60 102 75 64 210 107 538 142
8 12 9 12 16 16 17 27 18 21 96 43 24 38
189 229 229 232 239 214 111 166 213 217 220 158 242 205
1 3 2 6 6 4 3 3 4 3 9 4 10 6
115 288 456 292 896 248 280 220 240 180 912 129 667 301
9 11 10 9 13 10 11 12 11 14 24 15 16 15
1 1 1 2 3 1 1 1 2 1 6 1 4 1
C BxC Bx BC BxxA BxC Bx Bx C C Apx C Apxx BCX
30-50 zand 50-70 zand, sterk siltig, uitlopende insp. 30-50 zand, geroerde insp. 25-40 zand 20-40 zand, sterk siltig, ger. insp. 40-60 zand, sterk siltig, uitlopende insp. 20-40 zand, geroerde insp. 25-45 zand, geroerd 20-40 zand 20-40 zand, lemig 0-20 20-40 zand, sterk siltig
30 50 30 25 20c 40 20 25 20 20 0c 20
80
85
90
110
90
40
50
50
80
40
40
130
100
100
110
120
130
140
150
115
85
85
110
130
70
70
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
0-20 20-40 zand, brok leem, iets ger.
0b 20
leem, sterk zandig, bv
leem, sterk zandig, bv
nee N07.01/N11.01 droge heide/droog heischraal grasland 2902
6938
1
4
8
22
16
165
4
524
19
6
Axx
60-80 zand, opgebracht
60c
100
140
59
6223
1239
1727
nee N07.01 droge heide
430
2436
0
0
7
49
10
148
3
116
5
0
C
30-50 zand
30
100
130
58
2185
nee N07.01/N11.01 droge heide/droog heischraal grasland
730
4269
0
0
7
159
14
192
4
132
9
1
C
30-50 zand
30
90
130
57
150
nee N07.01/N11.01
droge heide/droog heischraal grasland
910
5612
0
0
7
128
13
190
1
85
9
1
C
50-70 zand
50
droge heide/droog heischraal grasland
2419
2944
0
0
8
94
14
235
5
266
8
1
BxC
35-55 zand, sterk siltig, ger. ijzerconcr.
35
130
90
55
140
nee N10.01 (hg)
vochtig heischraal grasland
0
20
116
149
0
C
55-75 zand
56
nee N10.01 (hg)
vochtig heischraal grasland
1337
8796
0
0
9 12
77
18
120
2
374
9 10
2
C
45-55 zand, sterk siltig, ijzerconcreties
55
N07.01/N11.01
nee N10.01 (bv)
nat schraalland
2593
8350
0
0 19
19
69 763
26
147
4 15
290
14
1
C
55-75 zand, sterk siltig
55 45a
zand, restant afgegr. bv
nee
N10.01 (bv)
nat schraalland
0
0
6 16
73
28
181
2
172
15
1
Xx
20-40 zand, sterk omgezet
20
1868
0-20
3491
0c
zand, sterk siltig, afgetopte bv
0
80
40
nee
46
nee
N06.04
vochtige heide
0
0
4
27
4
112
1
241
9
1
C
45-65 zand
N06.04
vochtige heide
3
9
9
45
nee
N06.04
vochtige heide
0
0
5
55
272
4
550
15
3
Bx
25-45 zand, sterk siltig, ger. insp.
50
140
90
45
37
8 10
125
3
449
12
1
bxc
30-50 zand
30 25b
30
110
70
44
nee
N11.01
droog heischraal grasland
0
5
11
133
15
203
6
347
9
1
C
20-40 zand
20
70
150
100
43
nee
N07.01/N11.01
droge heide/droog heischraal grasland
0
4
7
45
9
154
4
439
10
1
Apxx
20-40 zand, geroerde bv
20
60
130
90
42
nee
N11.01
droog heischraal grasland
0
0
8
94
14
167
3
213
8
1
BCx
25-45 zand, iets geroerd
25
60
135
95
41
nee
757
N10.01 (hg)/N06.04
3093
vochtig heischraal grasland/vochtige heide
0
0
7
51
11
162
3
418
11
1
C
N11.01
45-65 zand
Bekalking
Code
K-z
Ca-z droog heischraal grasland
5
15
9
63
18
240
5
584
11
2
BCx
umol/l
umol/l Natuurpotentie
M5
M3
K-t
Fe-t
mmol/l mmol/l
Ca-t
mmol/l
Al-t
P-t
V
µmol/l mmol/l mmol/l Ols-P
%
% OS
HZT
45
Grondsoort
cm-mv bv=bouw voor Diepte 25-45 zand, lemig, iets geroerd
80
130
110
40
Advies 25c
GLG GHG
Nr GWS
Tabel 3.2. Vervolg Lemselermaten
Natuurbeheertype
36
Figuur 3.5. Overzicht van de ruimtelijke variatie in potenties voor ontwikkeling van natuurtypen behorend bij de ontgrondingsadviezen voor het creëren van P-gelimiteerde omstandigheden zoals vermeld in figuur 3.4. Deze zijn sterk gebaseerd op de in het veld vastgestelde GLG en GHG. De daadwerkelijke natuurtypen zullen sterk afhangen van de toekomstige hydrologie.
37
3.2 Grondwaterkwaliteit Lemselermaten Een compleet overzicht van de grondwatersamenstelling gemeten op overgangen tussen landbouw en natuur en in delen van het elzenbroek (locaties zie figuur 1.1) wordt gegeven in Bijlage 4. De concentraties aan elementen, waaronder elementen die kunnen afspoelen van landbouwgronden en in potentie een negatief effect teweeg kunnen brengen in grondwater gevoede natuur (sulfaat, nitraat, ammonium, fosfor) worden gegeven in figuur 3.6. In deze figuur zijn ter vergelijking ook grondwater data opgevoerd afkomstig van een groot aantal elzenbroekbossen gelegen in voormalige Maasmeanders. Deze broekbossen bleken zeer gevoelig voor vermesting ten gevolge van een hoge sulfaatbelasting. De bodemopbouw met de grondwaterstand ten opzichte van maaiveld (4 september 2016) wordt gegeven in figuur 3.7. Op 4 september 2016 stond het grondwater in de natste delen van het elzenbroek 64 cm (locatie 1), 26 cm (locatie 2) en 73 cm (locatie 3) beneden maaiveld. Op locatie 2, met de hoogste grondwaterdstand, was het veen nog gestructureerd en de veenlaag relatief dik. Onder nattere condities wordt de veenfbraak geremd door zuurstofgebrek. Schijnbaar is locatie 2 (met Watereppe) een relatief natte locatie. Uit figuur 3.6 blijkt dat het grondwater op de overgang van landbouw naar natuur, en het grondwater in het elzenbroekbos, arm was aan nitraat in juni 2016.
Slechts plaatselijk werden verhoogde concentraties sulfaat aangetroffen. Verhoogde concentraties sulfaat zijn meestal het gevolg van de oxidatie van pyrietbanken (FeSx) in de ondergrond ten gevolge van verdroging (oxidatie door zuurstof) of nitraatuitspoeling vanuit landbouw (oxidatie door nitraat) (Lucassen et al., 2004c). De concentraties ammonium zijn ook laag. Verder valt op dat de concentratie fosfor in het grondwater extreem laag was op zowel de overgang van landbouw naar natuur, als in de grondwater gevoede natuur. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat in het bodemprofiel van de landbouwgronden veel klei aanwezig is dat rijk is aan ijzer, calcium en aluminium. Hieraan wordt fosfor afkomstg uit meststoffen sterk gebonden waardoor het redelijk immobiel in de bodem aanwezig is. Dit bijvoorbeeld in tegenstelling tot de concentratie ammonium afkomstig uit meststoffen, dat oxideert tot het goed in water oplosbare nitraat dat achtereenvolgens relatief makkelijk kan uitspoelen naar het grondwater. Wat verder opvalt is dat het grondwater niet erg rijk was aan ijzer. Hierdoor kan het zijn dat er relatief weinig opbouw van ijzer is in de kwelkernen van de Lemselermaten. Deze kunnen hierdoor gevoeliger zijn voor interne eutrofiering ten gevolge van sulfaatverontreiniging (zie paragraaf 1.3).
Dat zal in toenemende mate een rol gaan spelen als de waterpeilen hoger worden en minder gaan fluctueren dan in de huidige situatie. In figuur 3.8a-b is de grondwaterkwaliteit, gemeten in de zomer van 2016, ruimtelijk inzichtelijk gemaakt. Hieruit blijkt dat er aan de zuidzijde van het gebied sprake is van een hoge sulfaatbelasting vanuit de aangrenzende landbouw. De grondwater data impliceren dat het niet direct noodzakelijk is om alle omringende landbouw als bufferzone in te richten omwille van een betere grondwaterkwaliteit. Daarbij moet vermeld worden dat het om eenmalige metingen gaat. In geval van de zuidelijk gelegen landbouwgronden is niet bekend is wat (de omvang van) het exacte brongebied en gevoede gebied is. De hoge sulfaatwaarden geven wel aan dat in geval van vernattingsmaatregelen er rekening gehouden moet worden met het risico op interne eutrofiering. Zeker aangezien de ijzergehalten in het grondwater laag zijn. In de huidige hydrlogische situatie zijn de waterpeilschommelingen in het gebied fors. Dat houdt in dat er weinig zwavel kan accumuleren in de bodems en er altijd een flink deel van het ijzer in de bodem beschikbaar zal zijn om fosfor te binden (Lucassen et al., 2005a,b).
Als het gebied vernat, en de peilfluctuaties door verminderde doorstroming zouden toenemen, vindt geen oxidatie van gereduceerd S meer plaats en zal de vrije ijzervoorraad die nog in de bodem aanwezig is (en fosfor kan binden) afnemen. Dit kan leiden tot een toename van N en P beschikbaarheid (Lucassen et al., 2004b).
38
Figuur 3.6. Concentraties van enkele belangrijke parameters in het grondwater, waaronder elementen die af kunnen spoelen vanuit landbouwgrond en in potentie een negatief effect kunnen hebben op grondwater gevoede natuur (sulfaat, nitraat, ammonium, fosfor). De rode stippellijn geeft waarden aan die in de wetenschappelijke literatuur te boek staan als problematisch. Grondwaterkwaliteit op de overgang tussen landbouw en natuur (rode stippen), en op grondwater gevoede locaties in het elzenbroek (groene stippen) zijn gegeven. De zwarte stippen zijn data van een zestiental elzenbroekbossen gelegen in voormalige Maasmeanders. Deze bleken erg gevoelig voor vermesting ten gevolge van een hoge sulfaatbelasting.
Figuur 3.7 Opbouw van het bodemprofiel ter hoogte van de peilbuizen geplaatst in het elzenbroek van de Lemselermaten (*1, *2, *3 ligging zie figuur 1.1). De grondwaterstand op 4 september is gegeven met een blauwe driehoek. *1= dominantie van Moeraszegge; *2= dominantie van Watereppe; *3= dominantie van Mannagras.
39
Figuur 3.8a. Concentraties sulfaat (boven) en nitraat (onder) in het grondwater op de overgang van landbouw naar natuur en in de grondwater gevoede delen van het elzenbroek in de Lemselermaten gemeten in juni en september 2016. Concentraties zijn gegeven in µmol/l.
40
Figuur 3.8b. Concentraties fosfor (boven) en ammonium (onder) in het grondwater op de overgang van landbouw naar natuur en in de grondwater gevoede delen van het elzenbroek in de Lemselermaten gemeten in juni en september 2016. Concentraties zijn gegeven in µmol/l.
41
3.3 Risico interne eutrofiering Lemselermaten Om vast te kunnen stellen of de kwelgevoede natuur in de elzenbroekbossen gevoelig is voor interne eutrofiering ten gevolge van een verhoogde sulfaatbelasting is naast de bepaling van de grondwaterkwaliteit (paragraaf 3.2) ook de kwaliteit van de bodem op een drietal grondwater gevoede locaties bepaald (locaties met een asterix in figuur 1.1). Per locatie zijn vier sub-locaties in de directe omgeving bemonsterd. De bodems zijn geanalyseerd op een aantal indicatieve parameters (paragraaf 1.3). Tijdens de bemonstering zijn twee locaties bemonsterd met dominantie van een kwelvegetatie (Moeraszegge en Kleine watereppe) en een locatie met dominantie van Mannagras. Mannagras is een verruigende soort die gaat domineren onder voedselrijkere omstandigheden die het gevolg kunnen zijn van interne eutrofiering ten gevolge van een te hoge sulfaatbelasting in combinatie met een lage redox potentiaal van de bodem (langdurig te hoog waterpeil) (Lucassen et al., 2006). Aan de zuidzuide wordt de Lemselermaten gevoed met sulfaatverrijkt grondwater (figuur 3.8a boven). Uit figuur 3.10 blijkt dat er in de mooiere delen van de Lemselermaten, onder de huidige hydrologische condities, geen sprake is van zwavelophoping in de wortelzone van de bodem. Dit in tegenstelling tot elzenbroekbossen gelegen in Maasmeanders.
De verklaring hiervoor is dat in de Lemselermaten de grondwaterpeilen sterker fluctueren waardoor het sulfaat dat wordt aangevoerd met het grondwater niet kan accumuleren als FeSx (vaste immobiele verbinding) in de bodem (Lucassen et al., 2005a,b). Tijdens droge perioden, waarin het grondwaterpeil sterk daalt, vindt namelijk oxidatie van ijzer-sulfiden plaats. Het ijzer dat gevormd wordt oxideert en slaat neer in de bodem (roestvorming). Het sulfaat daarintegen is erg mobiel en wordt bij hogere waterpeilen afgevoerd uit het systeem. Dit verklaart waarom de vegetatie in het elzenbroekbos gelegen in het zuidelijk deel van het gebied in de natste terreindelen toch nog een mooie vegetatie heeft bestaande uit Watereppe, Elzenzegge en Ijle zegge (figuur 3.9). In elzenbroekbossen gelegen in voormalige maasmeanders domineert Mannagras op locaties waar de beschikbaarheid van fosfor en ammonium verhoogd is door het te hoog opstuwen van het grondwater waardoor stagnerende condities ontstaan. In figuur 3.11 zijn correlatiegrafieken gegeven waaruit te achterhalen valt welk proces de dominantie van Mannagras stuurt in de Lemselermaten. Dominantie van Mannagras correleerde ook hier duidelijk met een hogere stikstof- en fosforbeschikbaarheid in de bodem. Deze waren echter niet het gevolg van een langdurig te hoog waterpeil, aangezien de bodems juist arm waren aan zwavel en ijzer.
De locaties met Mannagras bleken de locaties met het laagste percentage organisch stof en het laagste vochtgehalte. Schijnbaar valt het elzenbroek hier dusdanig frequent en/of langdurig droog dat het organisch stof in de bodem (afkomstig van bladinval, afstervende planten) continu gemineraliseerd wordt. Het is echter nog wel nat genoeg voor de groei van Mannagras. Sterkere verdroging zal leiden tot groei van Brandnetel en Braam onder voedselrijke droge condities. Het feit blijft echter dat in het zuidelijk deel van de Lemselermaten sterk verhoogde sulfaatgehalten gemeten zijn in het grondwater (> 1000 µmol/l). De kwellocaties hebben een ongunstige Fe:S ratio (< 1) (figuur 3.11) en zijn daardoor gevoelig voor sulfaatrijk grondwater. Wanneer in de Lemselermaten vernattingsmaatregelen genomen worden, waarbij onvoldoende water wordt afgevoerd leidend tot langdurige hoge waterpeilen, zal ammonium ophopen en kan fosfaat worden nageleverd uit de onderwaterbodem (figuur 1). In figuur 3.12 zijn parameters geplot die indicatief zijn voor het al dan niet naleveren van fosfaat uit onderwaterbodems. Er kan met enige zekerheid gezegd worden dat onderwaterbodems met een totaal-Fe/totaal-S ratio hoger dan 1 worden gekenmerkt door een hoge Fe:P ratio van het bodemwater waardoor deze geen P naleveren zolang de waterlaag zuurstofhoudend is (zie inleiding).
Voor bijna alle doorgemeten bodems afkomstig uit de Lemselermaten (1 uitgezonderd) waren de totaalFe:totaal-S ratio van bodems en de Fe:P ratio van het poriewater boven de 1. In het kader van het KRW innovatieproject MIND-BAGGERNUT is voor een groot aantal onderwaterbodems de nalevering door diffusie bepaald uit intacte bodemcores. Aan de hand van het verkregen mathematische verband
42
tussen de P concentratie van het poriewater en de nalevering bij 15 °C (Poelen et al., 2012), hebben we voor de onderwaterbodems uit de Lemselermaten de potentiële P nalevering berekend. Hier wordt gebruikt gemaakt van het experimentele verband dat is gevonden tussen de nalevering van fosfor in cilinderexperimenten en de fosforconcentratie in het bodemvocht van de onderwaterbodems gemeten in het veld (Poelen et al., 2012) volgens de formule: 0,0006*(Ppw)2 + 0,0105*Ppw + 0,1473. Alle bodems hadden een berekende P nalevering die lager is dan 0,20 mg/m2/dag. Dat is nog veel lager dan de grenswaarde (1 mg/m2/dag) die doorgaans gehanteerd wordt om het omslagpunt van helder naar troebel water aan te geven (Janse, 2005). Dit komt waarschijnlijk door de lage concentratie P in de bodems die weer het resultaat zijn van de lage concentratie P in het grondwater. Elzenbroekbossen in Maasmeanders bleken zeer hoge P gehalten te hebben in het grondwater, reuslterend in sterke accumulatie van P in de broekbosbodems en een sterke P mobilisatie na het nemen van te sterke vernattingsmaatregelenen (leidend tot sterke eutrofiering). Dit zou inhouden dat indien de condities in de Lemselermaten in de toekomst te nat zouden worden, er waarschijnlijk geen probleem gaat optreden met de fosfaatbelasting. Dit geldt echter niet voor de stikstofbeschikbaarheid.
Aangezien de ammoniumbeschikbaarheid een sterke invloed heeft op de samenstelling van de vegetatie (Lucassen et al., 2006), blijft het dus belangrijk om langdurig te hoge waterpeilen in het elzenbroek te mijden bij het nemen van evt vernattingsmaatregelen in de toekomst. Het is wel zo dat de kwellocaties in de Lemselermaten een ongunstge Fe:S ratio hebben en daarnaast dus ook gevoelig kunnen worden voor sulfideophoping (toxisch) bij te hoge waterpeilen (Lucassen et al., 2004b).
Figuur 3.9. In de Lemselermaten komen op grondwatergevoede locaties gevoed met sulfaatverrijkt grondwater nog fraaie kwelvegetaties voor (boven: Watereppe; onder: Moeraszegge). Door de sterk wisselende waterpeilen, onder de huidige hydrologische condities, hoopt geen zwavel op in de bodem.
43
Figuur 3.10. Correlaties tussen tot-S met het organisch stofgehalte en tot-S en de concentratie tot-Fe in de bodem. Data uit de Lemselermaten en uit onderzoek aan Maasmeanders zijn inbegrepen. Deze laatste bleken erg gevoelig voor interne eutrofiering ten gevolge van een verhoogde sulfaatbelasting.
44
Figuur 3.11. Correlaties tussen parameters die verklaren waarom in de Lemselermaten onder de huidige hydrologische condities verruiging met Mannagras plaatsvindt. De kwellocaties van de Lemselermaten hebben een ongunstige Fe:S ratio en zijn dus gevoelig voor interne eutrofiering.
45
Figuur 3.12 Relatie tussen de totaal-ijzer/totaal-zwavel ratio van de bodem en de ijzer/fosfor ratio in het poriewater meer dan 1000 onderwaterbodems (uit de data set van Onderzoekcentrum B-WARE), met hierin geplot de bodems afkomstig uit het elzenbroekbos van de Lemselermaten. In bodems met een Fe:P ratio > 1 in het porievocht, en een Fe:S ratio in de bodem > 1, vindt doorgaans geen P nalevering plaats zolang de toplaag van de bodem nog zuurstofhoudend is.
46
4. Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek 4.1 Natuurontwikkeling op voormalige landbouwgronden Een lage fosfaatbeschikbaarheid, zoals beschreven in hoofdstuk 1, biedt goede kansen voor de ontwikkeling van (vochtige-natte) voedselarme natuur. Uit figuur 4.1 blijkt dat, als gevolg van het landbouwkundig gebruik, de P-beschikbaarheid voor planten (Olsen-P concentratie) en de totaal-P concentratie in de toplaag van de bouwvoor doorgaans te hoog zijn ten opzichte van de streefconcentraties (±300-500 µmol/l Olsen-P en 3-5 mmol/l totaal-P). Er zijn in de huidige situatie geen schrale locaties aanwezig in het gebied. Zowel de totaal-P concentraties als de Olsen-P concentraties nemen over het algemeen af in de diepte. De Olsen-P concentraties zijn in de eerste cm onder de bouwvoor (onder de bouwvoor a) nog voor een flink aantal locaties te hoog voor natuurontwikkeling. Hieronder (onder de bouwvoor b) bieden de meeste locaties voldoende perspectief voor de ontwikkeling van P-gelimiteerde natuur
Figuur 4.1. De totaal-P (links) en Olsen-P (rechts) concentraties uitgedrukt per liter bodem in de toplaag van de bouwvoor, het restant van de bouwvoor en in toenemende diepte onder de bouwvoor (de dieptes variëren sterk) voor het deelgebied Lemselermaten.
In figuur 4.2 (linksboven) zijn de Olsen-P en totaal-P concentraties van de bodems tegen elkaar uitgezet. De spreiding is relatief groot wat duidt op een grote variatie in de beschikbare fosfaatfractie. Dit kan worden veroorzaakt door het verschil in grondgebruik (bemestingsintensiteit), bodemtype (klei/leem, zand, veen) en door het verschil in bodemchemie (sterke variatie in ijzeren/of calciumconcentraties). De Olsen-P concentratie wordt dan ook niet alleen bepaald door de totaal-P concentratie van de bodem. Het fosfor kan aan ijzer gebonden zijn in de bodem, maar ook aan calcium. Fosfor wordt in bodems zeer effectief geïmmobiliseerd door adsorptie aan ijzer- en aluminium(hydr)oxiden en door de vorming van ijzerfosfaat zouten zoals Fe 3(PO4)2 (onder anaërobe condities) en FePO4 onder aërobe condities. Voor de P-immobiliserende werking van calcium is de vorming van relatief slecht oplosbare calciumfosfaat complexen verantwoordelijk. Dit calcium gebonden-P is meestal slecht oplosbaar en komt slechts zeer langzaam vrij door verweringsprocessen. Ook klei/leem deeltjes (de totaal-aluminium concentratie is indicatief voor het lutumpercentage) zijn een sterke P-binder. De calcium-, ijzer- en aluminiumconcentraties kunnen de beschikbaarheid van fosfaat dus beïnvloeden. In figuur 4.2 (rechtsboven en linksonder) is deze correlatie weergegeven.
Op plaatsen waar de bodem rijk is aan ijzer en calcium en/of aluminium ten opzichte van totaal-P, blijft de P-beschikbaarheid voor planten doorgaans laag. Dit proces wordt versterkt op locaties waar sprake is van ijzer- en calciumrijk kwelwater.
47
Figuur 4.2. Correlaties tussen enkele interessante bodemchemische parameters.
In tabel 4.1 wordt per bemonsterde locatie in het Agelerbroek en Voltherbroek een overzicht gegeven van belangrijke bodemparameters in het bodemprofiel. In de tabellen zijn onder andere de fosfaatconcentraties opgenomen (Olsen-P en totaal-P). Op basis van de verhouding tussen de Olsen-P en P-totaal concentratie (beschikbare P-fractie) is een P-totaal streefconcentratie berekend (deze varieert op basis van de P-beschikbaarheid die beïnvloed wordt door o.a. de lemigheid, ijzer- en calciumconcentraties van de bodem). Op basis van het verschil tussen de streefconcentratie en de actuele totaal-P concentratie is per bemonsterde laag een verschralingsduur berekend bij traditioneel beheer van maaien en afvoeren (P-afvoer: 10 kg/ha/jr). Gericht uitmijnen met van een grasklavermengsel (met K-bemesting) of een productieve graszode (met N- en K-bemesting) gaat vier keer zo snel (P-afvoer: 40 kg/ha/jr). De verschralingsduren zijn rechts in de tabellen gegeven (M3, M5 en M8). In tabel 4.2 wordt een soortgelijk overzicht gegeven maar dan voor het gebied in het noordoostelijk deel van het Voltherbroek waar al enkele vennen met oevers zijn aangelegd. In figuur 4.3 is een ruimtelijk overzicht gegeven van het aantal jaren maaien en afvoeren dat nodig zou zijn om de toplaag van de bodem te kunnen verschralen.
Uit de resultaten blijkt dat de het op de meeste locaties een flink aantal jaren duurt om schrale condities te kunnen bereiken. In het Agelerbroek is de bodem toplaag doorgaans zeer rijk en kost het vaak meer dan 100 jaar om deze te kunnen verschralen. In het Voltherbroek komen naast dit soort rijke percelen ook percelen voor waar de toplaag met een beperkt(er) aantal jaren van maaien en afvoeren van de vegetatie kan verschralen.
48
Tabel 4.1. Overzicht van de grondwaterstand (GWS = actuele grondwaterstand GLG/GHG = gemiddeld laagste en hoogste grondwaterstand), grondsoort ,algemene bodemhorizont (HZT) en de bodemchemie per monsterlocatie op landbouwgronden in het Agelerbroek en Voltherbroek waarbij OS= % organische stof; V = vochtpercentage; MV = massa/volumeverhouding van de bodem in kg/l; Ols-P = plantenbeschikbaar fosfaat (Olsen-P) in µmol per liter bodem; -t = totaalconcentratie in mmol per liter bodem. Pbs = voor planten beschikbare fosfaatfractie (Olsen-P/totaal-P) in mol/mol. –z = concentratie in een NaCl-extractie. M3 = indicatieve verschralingsduur (in jaren) per bodemlaag door middel van jaarlijks maaien en afvoeren bij een Pafvoer van 10 kg/ha/jaar op basis van een Olsen-P streefconcentratie van 300 µmol/l (totaal-P ondergrens 3 mmol/l). M5: idem, echter op basis van een Olsen-P streefconcentratie van 500 µmol/l (Olsen-P 300-500 µmol/l: streefconcentratie ontwikkeling heide of schraalland). M9: idem op basis van een Olsen-P streefconcentratie van 900 µmol/l (zeer ijzerrijke (klei)bodems). cm-mv bv=bouw voor
% % kg/l µmol/l mmol/l mol/mol mmol/l mmol/l mmol/l mol/mol mmol/l mmol/l mmol/l umol/l umol/l mol/mol umol/l umol/l
umol/l umol/l umol/l
Nr GWS GLG GHG
Diepte
Grondsoort
HZT
OS V MV Ols-P
P-t
Pbs
Al-t
Ca-t
Fe-t
FC/P
K-t
Mg-t
S-t
P-z
1
0-25
zand, bv
Ap
5 11 1,1 3114
21,8
0,14
139
28
51
4
8
15
8
35-45
zand, sterk geroerd
AxxB
3 10 1,2 1636
13,9
0,12
149
21
64
6
7
12
5
45-65
zand
C
1
6 1,3
57
1,0
0,06
100
4
28
31
7
12
0
65-85
zand
C
0
8 1,3
3
0,8
0,00
95
4
23
33
7
11
0
2
3
125
90
150
130
130
90
50
100
5
6
7
8
9
120
100
90
130
150
70
110
130
90
130
100
130
100
10 150
120
11 150
125
115
13 110
80
14 120
80
15
16 110
17 100
18 100
130
130
130
130
75
60
40
1077
Al/Ca
0,01
K-z
428
Mg-z pH-z BV
437
5,9
98
0
NO3-z NH4-z
32
13
M3
M5
M8
147
143
126
34
30
22
0
0
0
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
4 13 1,0 1109
9,7
0,11
162
18
171
19
7
14
7
42
33
17
zand, bv
Ap
4 14 1,1
783
7,3
0,11
172
19
113
18
6
12
6
13
8
0
30-50
zand, iets ger., uitsp.
BEX
6 22 1,0
248
2,2
0,11
69
19
44
28
3
8
8
18
6389
0,00
469
2975
5,2
99
0
156
14
0
0
50-70
zand, lemig
C
1 14 1,5
3
0,7
0,00
219
11
82
138
16
25
1
268
4002
0,07
1005 3432
4,5
94
0
55
19
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
3 10 1,2 5815
21,6
0,27
94
15
24
2
7
6
5
146
146
146
25-45
zand, iets geroerd
BX
3 11 1,2 3221
16,2
0,20
111
12
15
2
6
6
4
82
82
76
zand
0
C
1 10 1,4
210
1,5
0,14
114
6
22
19
8
11
1
65-85
zand
C
1 13 1,4
301
1,9
0,16
134
9
24
17
8
13
1
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
4
7 1,0 2588
16,7
0,15
108
19
32
3
7
11
6
86
84
72
20-40
zand, sterk verstoord
XX
2
7 1,2 2199
18,5
0,12
176
12
54
4
9
14
2
97
89
74
40-60
zand, oud esdek
Aan
6 19 1,2
446
3,3
0,14
152
10
9
6
7
7
4
60-80
zand, uitlopende insp.
BC
1 14 1,4
208
1,2
0,18
147
4
23
23
8
11
2
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
3 12 1,2 5082
24,9
0,20
83
12
20
1
6
5
6
137
137
131
20-40
zand, sterk verstoord
XX
2 14 1,4 1121
5,9
0,19
117
14
23
6
10
11
3
18
18
11
40-60
zand, sterk verstoord
XX
2 14 1,4
782
4,6
0,17
134
14
27
9
12
14
4
10
10
0
60-75
zand, sterk verstoord
XX
3 18 1,4 1176
6,4
0,18
115
14
18
5
7
7
5
107
6603
0,02
739
776
5,0
97
1
73
17
16
16
10
75-95
118
2379
0,05
645
632
4,7
93
1
73
14
67
442
2476
5961
0,03
0,07
571
422
1552 2288
5,0
4,4
96
92
1
1
84
179
16
17
0
2
0
0
0
0
zand, uitlopende insp.
BC
1 17 1,5
402
2,5
0,16
105
8
34
17
10
16
1
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
6
5 1,1 3439
19,6
0,18
74
29
17
2
6
10
8
129
129
117
25-45
zand, iets geroerd
BX
2
6 1,2 4096
13,3
0,31
119
18
16
3
8
11
2
64
64
64
45-65
zand, iets geroerd
BCX
2
7 1,2 1208
6,0
0,20
132
11
20
5
9
13
1
19
19
13
65-85
zand, iets geroerd
BCX
1
8 1,3
218
2,2
0,10
121
6
20
12
7
12
0
0
0
0
85-100
zand
C
1
6 1,4
157
2,1
0,07
110
6
21
13
8
12
0
0
0
0
84
2281
0,04
370
1013
5,0
96
1
56
12
0-25
zand, bv
Ap
4 10 1,2 1963
15,2
0,13
67
30
15
3
7
9
9
95
88
70
25-45
zand, gelaagd met insp.lenzen
B
2 10 1,4
599
3,0
0,20
100
21
11
10
8
8
3
0
0
0
45-65
zand, gelaagd met insp.lenzen
B
1 10 1,4
274
1,1
0,25
74
7
11
17
5
7
1
0
0
0
65-85
zand, gelaagd met insp.lenzen
B
1 12 1,5
314
1,3
0,24
86
6
14
16
6
9
1
0
0
0
64
3598
0,02
309
1790
5,5
98
2
21
13
0-20
zand, bv
Ap
4
4 1,2 4760
25,3
0,19
96
28
18
2
12
11
7
139
139
131
20-30
zand, bv
Ap
4
5 1,2 4621
28,8
0,16
120
32
20
2
12
12
7
81
80
74
30-50
zand, iets ger. insp.
95
95
88
BXE
2
5 1,2 3556
18,3
0,19
113
27
17
2
9
12
3
50-70
zand
C
1
6 1,4
598
3,0
0,20
89
4
17
7
6
10
0
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
2
5 1,2 2227
14,3
0,16
52
29
11
3
4
7
6
88
87
72
25-45
zand
B
1
6 1,4 1306
5,3
0,25
63
17
7
5
6
6
1
14
14
13
50
5893
0,01
1458 2532
5,2
99
28
26
11
45-60
zand
B
1
9 1,4
450
2,0
0,23
76
18
10
15
6
7
1
60-80
zand, uitlopende insp.
BC
1 11 1,5
152
1,1
0,13
97
10
16
23
8
9
0
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
4
3 1,2 2153
9,6
0,22
43
17
9
3
3
4
5
52
52
47
25-45
zand, iets geroerd
BX
2
7 1,3
860
6,4
0,14
98
34
7
7
6
8
3
21
17
3
45-65
zand, iets geroerd
BX
2
7 1,4 1125
5,6
0,20
78
14
8
4
5
6
2
16
16
10
65-85
zand
B
1
7 1,4
367
2,0
0,18
73
7
7
7
6
5
1
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
4
6 1,2 2515
18,9
0,13
51
25
14
2
8
9
9
124
119
101
25-45
zand, sterk ingespoeld
B
3
6 1,2 4401
15,1
0,29
94
26
7
2
6
8
3
74
8660
0,01
1913 2918
5,2
99
64
402
14
76
76
76
108
3621
0,03
1443 1509
5,4
97
2
57
14
10
10
10
45-65
12 150
15
Ca-z
20-30
45-65
4
Al-z
zand, uitlopende insp.
51
35
5632
6039
0,01
0,01
482
603
2093
2694
5,8
5,4
99
99
3
3
90
132
15
15
0
0
0
BC
1
6 1,4 1358
4,6
0,29
119
9
16
5
6
10
1
65-85
zand, uitlopende insp.
BC
1
6 1,4 1077
4,0
0,27
119
9
17
6
6
11
0
6
6
6
0-25
zand, bv met uitsp.sporen
ApxE
4
4 1,2 2519
12,7
0,20
40
25
12
3
4
7
6
76
76
68
25-45
zand, sterk ingespoeld
B
3
7 1,2 4420
17,5
0,25
131
29
11
2
7
11
3
91
91
90
45-65
zand
B
2
5 1,3 4080
12,1
0,34
127
9
16
2
7
11
1
57
57
57
65-85
zand, uitlopende insp.
BC
1
6 1,4 2786
8,3
0,34
134
9
18
3
7
11
1
33
33
33
0-20
zand, bv
Ap
3 13 1,3 2190
17,3
0,13
73
30
15
3
8
6
7
89
83
69
20-40
zand, iets geroerd
BX
2 10 1,4
466
3,3
0,14
111
15
14
9
7
9
1
2
0
0
40-60
zand, uitlopende insp.
BC
1 13 1,5
240
2,1
0,11
162
15
28
20
11
17
1
0
0
60-80
zand, uitlopende insp.
BC
1 13 1,5
264
2,3
0,12
137
8
26
15
12
15
0
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
2
8 1,3 2741
20,3
0,13
66
32
17
2
9
6
6
108
104
90
20-40
zand, iets geroerd
BX
2 10 1,4 1364
6,4
0,21
100
23
9
5
7
2
21
21
16
40-60
zand, uitlopende insp.
BC
1
9 1,4
520
2,2
0,24
108
11
16
13
7
8
1
0
0
0
60-80
zand, uitlopende insp.
BC
1 11 1,5
272
2,0
0,14
127
8
20
14
10
11
0
0
0
5
118
43
44
3488
6657
8528
0,03
0,01
0,01
984
2160
1400 2372
1020 2032
5,1
5,6
5,5
97
99
99
4
1
2
10
668
713
13
17
17
0
0
80-100
zand
C
1 11 1,5
170
2,2
0,08
118
5
22
12
9
12
0
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
3
7 1,1 2589
14,1
0,18
79
13
29
3
4
6
5
87
87
76
25-45
zand, iets geroerd
BX
2
8 1,3
809
3,6
0,22
153
10
20
8
7
9
2
4
4
0
45-65
zand, iets geroerd
BX
1
6 1,3
347
2,5
0,14
175
7
28
14
8
13
0
0
0
0
65-85
zand
C
1
6 1,4
125
1,7
0,07
142
4
26
19
8
13
0
0
0
0
0-20
zand, restant afgegraven bv
Apxx
4 13 1,0
860
7,0
0,12
124
24
65
13
11
19
5
25
18
3
20-40
zand
C
0
8 1,4
109
1,9
0,06
73
14
36
25
8
15
1
0
0
0
40-60
zand
C
0 16 1,5
165
3,3
0,05
98
20
48
21
11
24
0
0
0
0
60-80
zand, kleiig, gelaagd
C
1 18 1,5
176
7,4
0,02
148
41
73
15
19
47
1
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
5 11 0,9 1519
14,9
0,10
140
29
84
8
8
17
8
74
62
44
20-35
zand, bv
Ap
4 14 0,9 1217
13,3
0,09
158
34
89
9
9
17
8
47
37
21
35-55
zand
C
1 14 1,3
275
4,2
0,07
129
31
62
22
12
22
2
0
0
0
55-75
zand
C
1 17 1,4
123
5,1
0,02
176
43
78
24
19
37
3
0
0
0
236
57
15
1940
5751
13456
0,12
0,01
0,00
339
136
159
330
1724
3828
4,8
5,7
86
99
6,1 100
0
0
0
13
21
59
12
14
15
0-25
zand, kleiig, opgebracht
Apx
3 11 1,0
619
8,3
0,07
201
34
94
15
16
33
5
34
12
0
25-45
veraard veen, zw ak kleiig
O
17 40 0,6
559
15,3
0,04
600
88
203
19
15
44
28
20
25767
0,00
81
5499
5,2 100
1
385
12
44
10
0
45-65
zand, lemig, gelaagd
C
1 17 1,3
239
6,0
0,04
204
42
108
25
23
46
2
34
25450
0,00
120
5306
5,2 100
0
29
16
0
0
0
65-75
zand, gelaagd
C
1 16 1,4
368
7,2
0,05
166
33
97
18
18
40
4
4
0
0
49
Tabel 4.1. Vervolg landbouwgronden Agelerbroek en Voltherbroek % % kg/l µmol/l mmol/l mol/mol mmol/l mmol/l mmol/l mol/mol mmol/l mmol/l mmol/l umol/l umol/l mol/mol umol/l umol/l
umol/l umol/l umol/l
Nr GWS GLG GHG
Diepte
Grondsoort
HZT
OS V MV Ols-P
P-t
Pbs
Al-t
Ca-t
Fe-t
FC/P
K-t
Mg-t
S-t
P-z
M3
M5
M8
19 100
cm-mv bv=bouw voor
0-20
zand, sterk geroerde bv
APXX
7 25 0,8 1033
10,8
0,10
126
31
61
9
9
19
10
48
35
15
20-35
zand, sterk geroerde bv
APXX
12 32 0,6
722
14,2
0,05
118
50
66
8
6
20
18
39
21
0
35-55
zand, grindig gelaagd
C
1 12 1,4
334
2,1
0,16
59
10
31
20
6
13
0
0
0
55-75
zand, grindig gelaagd
C
0 12 1,5
262
1,6
0,17
53
9
31
25
7
14
0
0
0
0
0-25
zand, opgebracht, brok leem
APx
8 19 0,9 1096
16,8
0,07
215
61
114
10
8
30
17
95
71
35
25-45
leem, sterk zandig, geroerd
Ax
18 40 0,6
457
14,0
0,03
318
87
123
15
6
26
29
42
24494
0,00
88
6365
5,4 100
1
398
12
30
0
0
45-65
zand, geroerd
XX
1 15 1,4
155
1,5
0,10
49
15
24
27
5
11
3
34
12094
0,00
233
3422
5,5 100
1
179
16
0
0
0
65-85
zand, geroerd
XX
2 21 1,2
127
2,5
0,05
89
36
54
36
10
24
11
0
0
0
0-25
zand, bv, opgebracht
Ap
6 18 0,9
486
11,9
0,04
294
89
176
22
10
38
22
36
0
0
25-45
leem, sterk zandig, geroerd
Ax
11 31 0,7
382
12,2
0,03
245
104
122
18
5
21
31
10
23410
0,00
79
3525
5,6 100
0
224
12
16
0
0
45-60
leem, sterk zandig, geroerd
Ax
15 37 0,7
416
14,0
0,03
312
120
182
22
6
23
32
55
27758
0,00
102
4072
5,5 100
1
236
14
18
0
0
60-80
zand, verstoord
xx
4 22 1,1
161
4,2
0,04
117
48
68
28
7
18
12
0
0
0
20
21
22
90
80
90
23 100
24 120
130
120
110
120
130
150
25 125
45
50
40
50
50
80
85
26 140
120
28
70
29 100
30
31
32
33
70
80
70
70
110
100
140
120
125
125
120
34 130
30
70
40
60
55
45
100
35 130
100
60
37 120
90
20
90
5763
Al/Ca
0,00
K-z
306
Mg-z pH-z BV
1465
5,4
99
1
NO3-z NH4-z
78
18
0
0-25
zand, brok leem opgeb. bv
Apxx
7 18 0,9 1752
14,5
0,12
202
52
102
11
13
39
10
90
81
61
leem, verstoord
xx
3 19 1,4
491
7,1
0,07
363
95
240
47
18
53
7
17
0
0
45-65
zand, brok leem, verstoord
Xx
1 17 1,4
448
7,9
0,06
174
42
97
18
19
44
3
16
0
63
16649
0,00
194
3744
5,9
99
0
49
16
0
65-85
zand, brok leem, verstoord
Xx
1 15 1,5
377
4,8
0,08
121
27
62
19
14
30
2
6
0
0
0-25
leem, sterk zandig, opgeb. bv
Apxx
7 20 0,9 1546
23,7
0,07
467
105
271
16
14
50
18
149
125
89
25-40
leem, stug humeus
axx
14 34 0,7
831
16,8
0,05
673
123
342
28
15
51
21
50
31
3
40-55
leem, stug humeus
axx
6 24 1,1
284
10,0
0,03
489
120
286
41
20
60
17
0
0
0
55-75
klei, sterk zandig, sterk ger.
xx
7 32 1,0
518
9,2
0,06
284
91
162
28
19
41
19
24
2
0
75-95
zand
C
1 15 1,5
269
3,1
0,09
112
29
57
28
11
23
3
0
0
0
103
86
61
16
0
0 0
20
31081
0,00
554
7989
5,3 100
1
432
14
26
7194
0,00
570
1049
5,9
99
0
42
22
33
39885
0,00
59
7470
5,5 100
0
106
15
0-25
leem, sterk zandig, opgeb. bv
Apxx
6 14 1,0 1530
16,3
0,09
299
72
312
24
15
51
8
25-45
leem, iets geroerd
Cx
2 19 1,3
441
7,9
0,06
343
124
465
75
28
73
1
45-65
zand
C
0 13 1,6
303
5,3
0,06
118
31
66
18
11
26
0
0
0
65-85
zand
C
0 12 1,5
200
2,5
0,08
106
17
48
27
13
21
0
0
0
0
80
61
32
8
0
0
0
0
0-25
klei, sterk zandig, opgeb. bv
Apxx
4 15 1,1 1138
13,8
0,08
584
80
410
35
36
79
8
25-40
leem, iets geroerd
x
2 14 1,0
377
8,4
0,04
352
62
487
65
19
45
3
40-60
zand
C
0
9 1,5
275
1,9
0,15
126
17
52
37
15
22
0
16
28152
0,00
68
6262
5,6 100
0
154
12
0
60-80
zand
C
0 12 1,6
225
1,8
0,12
113
15
49
36
15
20
0
0
0
0
0-20
zand, bv, uitspoeling
ApE
7 16 1,1 4391
26,7
0,16
108
40
37
3
7
15
11
148
148
137
20-30
zand, bv, uitspoeling
ApE
5 13 1,2 3079
16,3
0,19
98
34
24
4
6
15
7
42
42
38
20
20
20
Bx
2
8 1,3 2343
6,1
0,38
105
12
20
5
5
12
2
50-70
zand
C
1
7 1,5
328
1,6
0,20
120
4
28
20
8
14
1
0-20
zand, geroerd bv
Apx
4 12 1,3 2064
12,4
0,17
73
20
53
6
7
12
7
20-40
zand, geroerd bv
Apx
3 12 1,3 1579
10,2
0,16
127
18
47
6
9
13
8
40-60
zand, geroerd
aax
5 16 1,3 1554
8,8
0,18
114
15
34
6
7
11
8
60-80
zand, geroerd
aax
4 15 1,4 1443
8,1
0,18
153
16
41
7
9
14
8
zand, inspoeling
64
108
6730
0,02
586
1263 2323
4,9
97
1
359
5
0
0
59
47
45
43
31
36
36
27
32
32
23
2,9
0,30
90
11
12
8
5
7
6
0
0
0
475
17,6
0,03
178
74
685
43
6
29
10
41
0
0
20-35
leem, sterk zandig , sterk ger. bv
Apxx
7 26 1,2
823
16,8
0,05
208
107
537
38
10
32
8
50
31
2
35-55
leem, sterk zandig
c
1 13 1,7
124
6,7
0,02
166
52
99
23
19
43
2
0
0
55-75
leem, sterk zandig
c
2 15 1,6
104
11,0
0,01
260
70
136
19
26
82
4
0
0
0
0-20
zand, bv
Ap
4 17 1,2 1564
13,5
0,12
197
27
98
9
9
19
8
66
58
41
20-40
zand, bv
Ap
4 19 1,3
489
8,1
0,06
241
30
166
24
6
19
7
19
0
0
40-60
zand
BC
1 12 1,5
197
3,3
0,06
161
13
103
35
6
15
1
0
0
60-80
zand
C
0 14 1,6
147
1,4
0,11
87
8
31
29
5
12
1
0
0
0
0-20
zand, opgebracht
5 19 1,3 1372
14,8
0,09
193
53
146
13
8
26
14
72
59
39
20-40
zand, opgebracht
968
8,4
0,11
155
46
91
16
10
23
7
34
26
9
40-60
zand, oud mv
a
8 26 1,1 1590
17,5
0,09
164
68
87
9
8
19
26
103 21476
0,00
836
3400
5,4
98
4
868
258
89
75
54
60-80
zand
c
1 15 1,6
207
4,7
0,04
117
33
65
21
12
24
9
61
11745
0,01
858
2002
6,6
97
1
14
695
0
0
0
234
221
200
58
48
31
4351
0,01
162
1591
5,3
99
0
5
24
328
0 59
867
1
195
2
5 22 1,3
7,3 100
1
114
3 17 1,4
39
95
0
B
1258 1985
5,0
96
Apxx
0,00
1053 3426
5,3
zand
18848
0,01
1312
leem, sterk zandig , sterk ger. bv
12
6282
0,05
0-20
3 14 1,4
90
1272
80-100
2
4
0
0
0-20
zand, bv
Ap
3 16 1,3 3758
40,7
0,09
128
35
132
4
4
8
8
20-40
zand, uitspoeling
E
3 13 1,4 1332
12,3
0,11
66
20
38
5
3
4
4
104
8877
0,01
278
887
5,2
98
8
122
12
40-60
zand, sterk ingespoeld
B
2 14 1,4
185
2,1
0,09
124
25
16
20
7
9
3
25
9074
0,00
173
1456
5,5 100
1
25
2
60-80
zand, uitlopende insp.
BC
1 14 1,6
241
2,9
0,08
199
22
34
19
12
21
2
0
0
0
0-25
zand, bv
Ap
4 19 1,3 2226
23,0
0,10
129
21
65
4
4
8
10
156
140
115
25-45
zand, iets geroerd
Bx
1 13 1,6
264
4,5
0,06
212
17
42
13
8
20
2
0
0
0
45-60
zand, iets geroerd
Bx
1 13 1,6
3
2,1
0,00
132
11
31
20
6
14
1
0
0
60-80
zand
C
0 12 1,7
3
1,0
0,00
199
15
52
66
12
28
1
0
0
0
0-20
zand, vergraven bv
Apxx
3 19 1,4 1839
13,0
0,14
58
13
23
3
3
4
8
63
59
46
20-40
zand
B
1 13 1,5
608
3,7
0,17
91
12
16
8
5
5
3
4
4
0
40-60
zand
B
1 13 1,7
251
2,5
0,10
148
16
26
17
10
14
1
0
0
0
60-80
zand
B
1 14 1,7
244
4,6
0,05
197
20