CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Jonkmansweg 5 Deurningen ruimtelijke onderbouwing.pdf

Gemeenteraad 24 september 2024, gemeente DinkellandBij agendapunt: 9: Voorstel inzake aanvragen (ontwerp)verklaring van geen bedenkingen verplaatsen kuilvoerplaten aan de Jonkmansweg 5 te Deurningen10.832 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Jonkmansweg 5 in Deurningen ontwerp, 9 juli 2024

Jonkmansweg 5 in Deurningen

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1. 1 Aanleiding 1. 2 Ligging plangebied 1. 3 Geldend bestemmingsplan 1. 4 De bij het plan behorende stukken 1. 5 Leeswijzer

6 6 6 7 7 8

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2. 1 Huidige situatie 2. 2 Toekomstige situatie

9 9 10

Hoofdstuk 3 Beleid 3. 1 Rijksbeleid 3. 2 Provinciaal beleid Overijssel 3. 3 Gemeentelijk beleid

11 11 12 18

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4. 1 Besluit milieueffectrapportage 4. 2 Milieuzonering

20 20 20 23 23 24 25 26 27 29 30 32

4. 3 4. 4 4. 5 4. 6 4. 7 4. 8 4. 9 4. 10 4. 11

Geur

Bodem Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Water

Ecologie Archeologie en Cultuurhistorie Verkeer en parkeren

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5. 1 Financiële uitvoerbaarheid 5. 2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5. 3 Vooroverleg instanties

33 33 33 33

Hoofdstuk 6 Conclusie Bijlagen bij de toelichting

34

35

Bijlage 1

erfinrichtingsplan

36

Bijlage 2

watertoets

38

(ontwerp)

3

Jonkmansweg 5 in Deurningen

4

(ontwerp)

Jonkmansweg 5 in Deurningen

Toelichting

Toelichting (ontwerp)

5

Jonkmansweg 5 in Deurningen

Hoofdstuk 1 1. 1

Inleiding

Aanleiding

Aan de Jonkmansweg 5 in Deurningen is een grondgebonden agrarisch bedrijf gelegen. Het bedrijf betreft een melkveehouderij. Het bedrijf is bezig met modernisatie en optimalisatie van de bedrijfsactiviteiten. Als gevolg daarvan is de huidige indeling van het bedrijf tegen het licht gehouden. Initiatiefnemers zijn namelijk voornemens om te investeren in een voerrobot. De ligging van de huidige kuilvoerplaten is daarvoor niet geschikt vanwege de oriëntatie en afstanden ten opzichte van de loopstal. Tevens dient er een locatie gecreëerd te worden op het bedrijfsperceel voor een voerkeuken (ten dienste van de voerrobot). Het voorgaande leidt tot de conclusie dat een verplaatsing van de kuilvoerplaten gewenst is. Het plan bestaat dan ook

om de kuilvoerplaten buiten het huidig bouwperceel te situeren, direct aansluitend aan de achterzijde van het erf. Deze ingreep wordt gecombineerd met het saneren van de bestaande kuilvoerplaten. Hierdoor kan een bestaand landschapselement versterkt en op deze locatie doorgetrokken worden.

Om het voornemen

van initiatiefnemer planologisch mogelijk te maken, is een buitenplanse afwijking het geldend bestemmingsplan noodzakelijk. De beoogde kuilvoerplaten vallen namelijk deels buiten het toegekende agrarisch bouwvlak ter plaatse. van

1. 2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Dinkelland, aan de Jonkmansweg 5 in

Deurningen. Het plangebied aan de Jonkmansweg 5 staat kadastraal bekend als gemeente Weerselo, sectie N, nummer 2032. Een topografische kaart met daarop de plangebieden rood

is onderstaand zichtbaar. De begrenzing het plangebied zichtbaar de digitale verbeelding en komt overeen met het huidig bedrijfsperceel, de gewenste uitbreiding en de landschappelijke investeringen. van

is eveneens

aangegeven

op

Afbeelding 1. 1: topografische kaart omgeving planlocatie, plangebied in rood (bron: Opentopo)

6

Toelichting (ontwerp)

Jonkmansweg 5 in Deurningen

1. 3

Geldend bestemmingsplan

De planlocatie ligt in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Het geldend bestemmingsplan ter plaatse is daarmee 'Buitengebied 2010' en het 'facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland'.

Binnen het plan 'Buitengebied 2010' kent de locatie de bestemming 'Agrarisch - 1', waarbij een bouwvlak en 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf' is toegekend. Tevens kent de locatie de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - tweede bedrijfswoning' en 'vrijwaringszone - straalpad'. Een weergave van de geldende verbeelding zie je onderstaand. Het facetbestemmingsplan parkeren is opgesteld

om

regels te stellen aan parkeren in het geval van

nieuwe bouwplannen of activiteiten.

Afbeelding 1. 2: weergave huidige verbeelding projectlocatie (bron: ruimtelijkeplannen. nl) Strijdigheid Volgens de planregels zijn ter plaatse van de voor ‘Agrarisch – 1’ aangewezen gronden geen bouwwerken in de vorm van kuilvoerplaten buiten het bouwperceel toegestaan. Derhalve is het voornemen voor de nieuwe kuilvoerplaten ten westen van het huidig bouwperceel niet in overeenstemming met het bestemmingsplan en dient een planologische procedure te worden doorlopen om de plannen mogelijk te maken. Middels een projectafwijkingsbesluit wordt het gewenste voornemen mogelijk gemaakt, waarbij wordt aangetoond dat het voornemen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

1. 4

De bij het plan behorende stukken

De ruimtelijke onderbouwing " Jonkmansweg 5 in Deurningen " bestaat uit de volgende stukken:

toelichting; bijlagen bij de toelichting;

Toelichting (ontwerp)

7

Jonkmansweg 5 in Deurningen

1. 5

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie van het plangebied en de omgeving beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het ruimtelijk beleidskader van het Rijk, de provincie en de gemeente uiteengezet. Hoofdstuk 4 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan en tot slot in hoofdstuk 7 wordt de conclusie beschreven.

8

Toelichting (ontwerp)

Jonkmansweg 5 in Deurningen

Hoofdstuk 2 2. 1

Planbeschrijving

Huidige situatie

Aan de Jonkmansweg 5 in Deurningen is een agrarisch bedrijf met melkvee gevestigd. Het erf ligt vanaf de Jonkmansweg, Venweg en Strootsweg verscholen achter het groen, maar is gelegen in relatieve openheid in de vorm van een forse landschapskamer. De planlocatie is gelegen in het

kampenlandschap. Het erf aan de Jonkmansweg ligt in een overgangsgebied

verschillende landschappen. De natuurlijke laag bestaat uit dekzand dat in de laatste ijstijd met de wind is meegevoerd. De dekzandvlakten werden afgewisseld met beekdalen. De beken die hier doorheen stroomden zorgden voor afwatering van de hogere delen. De beken zijn deels nog terug te zien. Maar een deel van de beken is gekanaliseerd, omdat vanaf de jaren '30 de gebieden grootschaliger werden ontgonnen als gevolg van verbeterde landbouw- en afwateringstechnieken. van

In het plangebied zijn de dekzandvlakten in gebruik genomen

voor bebouwing en als landbouwgrond. Hier zijn het essenlandschap, het oude hoevenlandschap en de jonge heideontginning terug te vinden op korte afstand van elkaar. Op de historische kaart van 1900 is deze verscheidenheid in landschappen goed terug te vinden. Aan de noordkant zijn (grootschalige) essen, zoals de " Deurninger esch " te zien. Daar omheen liggen de wat kleinschaliger oude hoeven. Aan de west- en zuidzijde van de planlocatie lagen heidevelden met hier en daar wat lager gelegen delen die dienden als afwatering. Deze heidegebieden zijn later ontgonnen en hebben de structuur van het erf op de planlocatie ook beïnvloed. Op het erf was rond 1900 al bebouwing te zien, maar in de jaren '30 is de bestaande bebouwing vervangen door nieuwe bebouwing. In deze tijd won de (heide)ontginning terrein en werd de structuur van wegen en verkaveling functioneler en rechtlijniger. Deze opzet is dan ook in het huidige erf terug te zien. Een weergave hiervan is zichtbaar in afbeelding 2. 1.

Afbeelding 2. 1: aanzicht huidig erf Jonkmansweg 5 in Deurningen (bron: Streetsmart)

Toelichting (ontwerp)

9

Jonkmansweg 5 in Deurningen

2. 2

Toekomstige situatie

van het huidige erf zal niets veranderen. De bestaande bebouwing zal behouden blijven, evenals de bestaande houtopstanden (F). Het huidig bedrijfsperceel zal worden vergroot om de nieuwe kuilvoerplaten (J) te kunnen realiseren. Het erf zal een compact geheel blijven vormen, omdat de platen direct aansluiten op de bestaande bebouwing en aan de achterzijde van het erf gelegen zijn. De bestaande, rechtlijnige structuur wordt aangehouden. Door deze ontwikkeling kan de bestaande houtopstand aan de noordzijde van het erf verder versterkt worden (K en L). De huidige doorsteek (I) van de kuilvoerplaten wordt omgevormd naar reguliere agrarische grond. Het verplaatsen van de kuilvoerplaten zorgt ervoor dat een voerkeuken (gebouwd in een vrijstaand gebouw) gesitueerd kan worden op het erf (N). Daarnaast wordt ook een werktuigenberging (M) gerealiseerd. Deze gebouwen worden overigens via een separate procedure (binnenplans) aangevraagd.

Aan de positionering

Maatregelen ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit: behoud van bestaande houtopstanden (F) het verwijderen van de huidige doorsteek van de kuilvoerplaten (I) het versterken van de houtopstand aan de noordzijde van het erf (K en L) Met de voorgestelde landschappelijke inpassing wordt voldaan aan het gestelde beleid.

Afbeelding 2. 2. : erfinrichtingsplan nieuwe situatie Jonkmansweg 5, Deurningen (bron: N+L Landschapsontwerpers)

10

Toelichting (ontwerp)

Jonkmansweg 5 in Deurningen

Hoofdstuk 3 3. 1

Rijksbeleid

3. 1. 1

Nationale Omgevingsvisie

Beleid

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI

biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand

toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied.

Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Beoordeling van het plan: van een

ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van een economische functie (agrarisch bedrijf) in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Aangezien sprake is van de ontwikkeling van een agrarisch bedrijf op gronden die reeds zijn bestemd ten behoeve van agrarische activiteiten, de ontwikkelingen plaatsvinden direct aansluitend op het agrarische bedrijfsperceel en in het kader van het planvoornemen wordt bijgedragen aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, bestaan er vanuit de NOVI geen belemmeringen. Voorts is ook van belang dat geen sprake is van een uitbreiding van het aantal dieren. De

voorgenomen

3. 1. 2

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), artikel 3. 1. 6. tweede lid, zijn eisen opgenomen waaraan een bestemmingsplan moet voldoen als dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Nieuwe ,

stedelijke ontwikkelingen, zoals een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de omgeving. Daarom is het noodzakelijk dat in een bestemmingsplan, maar ook in een inpassingsplan van rijk of provincie of bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan, nadrukkelijk wordt stilgestaan bij de vraag of er behoefte is aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Beoordeling van de plannen:

Toelichting (ontwerp)

11

Jonkmansweg 5 in Deurningen Initiatiefnemer is voornemens om de kuilvoerplaten voor het bestaande agrarisch bedrijf te verplaatsen. De ontwikkeling vindt plaats op agrarische gronden. De ontwikkeling voorziet in een directe behoefte van initiatiefnemer, namelijk het optimaliseren en verder ontwikkelen van de bedrijfsvoering. Relevant hierbij is dat de ontwikkeling zal plaatsvinden direct aan het huidige bouwperceel. Op het bestaande bouwvlak is namelijk behoefte om een voerkeuken te realiseren. De huidige kuilvoerplaten liggen qua positionering hiervoor niet goed. Als gevolg van de ontwikkeling kan een bestaand landschapselement ten noorden van het erf versterkt worden. Het planvoornemen valt gezien het voorgaande niet onder de definitie ‘stedelijke ontwikkeling’, waardoor de ladder formeel niet doorlopen hoeft te worden.

Provinciaal beleid Overijssel

3. 2

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare

natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal: 1. Of - generieke beleidskeuzes (themagerichte artikelen met criteria waaraan (bestemmings)plannen dienen te voldoen) 2. Waar - ontwikkelingsperspectieven 3. Hoe - gebiedskenmerken (conform lagenbenadering: natuurlijke laag, agrarische laag, stedelijke

laag) Doorwerking plan: In voorliggende geval zijn in het kader van de generieke beleidskeuzes de volgende artikelen relevant: artikel 4. 5 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) artikel 4. 9 (Ruimtelijke kwaliteit) artikel 4. 40 (Kwaliteitsimpuls Agro en Food) artikel 4. 55 (Nationaal landschap Noordoost-Twente)

Onderstaand worden de beleidskeuzes benoemd rekening is gehouden.

en

beoordeeld

op

welke wijze in het plan hiermee

Artikel 4. 5: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik lid 2: Omgevingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen in de Groene Omgeving die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen, als aannemelijk gemaakt is dat: a. (her)benutten van bestaande bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; en

b. mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Beoordeling van het plan:

12

Toelichting (ontwerp)

Jonkmansweg 5 in Deurningen Voorliggend plan voorziet in de bouwmogelijkheden voor de verplaatsing van kuilvoerplaten naar een locatie direct aansluitend aan het agrarisch bouwvlak van een bestaand agrarisch bedrijf. Dit ten behoeve van de efficiëntere bedrijfsvoering en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De situering van de nieuwe kuilvoerplaten op deze locatie is gekozen, omdat deze de minste impact heeft op het aanwezige landschap en er een betere routing ontstaat, ook met het oog op een toekomstige voerrobot. Binnen het huidig bouwvlak is daarbij geen ruimte meer beschikbaar, aangezien deze benut wordt door de benodigde bedrijfsbebouwing. Het agrarische bedrijf zal op een verantwoorde wijze worden ingepast in het landschap. Er is hiermee sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik passend binnen dit artikel van de omgevingsverordening. Geconcludeerd wordt dat de in dit plan besloten ontwikkeling voldoet aan artikel 4. 5 van de Omgevingsverordening. Artikel 4. 9: onderbouwing ruimtelijke kwaliteit In de toelichting bij bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken, past binnen het

ontwikkelingsperspectief, inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze toepassing wordt gegeven Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering).

aan

het

Beoordeling van het plan: Zoals blijkt uit de beschrijving in Hoofdstuk 2 in combinatie met de verantwoording in dit hoofdstuk wordt het erf landschappelijk ingepast conform de ter plaatse geldende gebiedskenmerken (zie vederop in deze paragraaf). De beplantingskeuze en de locatie van de aanplant is mede gebaseerd op de geldende gebiedskenmerken. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met dit artikel. Artikel 4. 40: kwaliteitsimpuls en food, beperkte wijziging agrarisch bouwperceel Een omgevingsplan kan in afwijking van Artikel 4. 38 voorzien in een beperkte aanpassing of

uitbreiding van een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel als: a. dit nodig is voor de bedrijfsontwikkeling van een agrarisch bedrijf; en b. onderbouwd is dat het in redelijkheid niet mogelijk is om het bestaande agrarische bouwperceel voor de beoogde bedrijfsontwikkeling geschikt te maken; Beoordeling van het plan: De

voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het verplaatsen van kuilvoerplaten ten behoeve van een efficiëntere bedrijfsvoering en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Van belang is dat bij het situeren van de kuilvoerplaten op de betreffende locatie, het aanwezige landschap zo min mogelijk wordt aangetast. Op het bestaande bouwperceel zijn daarnaast geen alternatieve locaties aanwezig die geschikt zijn, aldaar bouwen wordt dan ook niet als een optie gezien.

Tevens dient rekening gehouden te worden met manouvreerruimte e. d van groot materieel, RMO-transport en overige bewegingen. Ook zeker gezien het plan om een voerrobot te integreren in de bedrijfsvoering. Het agrarische bedrijf zal op een verantwoorde wijze ingepast worden (en blijven)

in het landschap. Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling voldoet aan artikel 4. 40 van de Omgevingsverordening. Artikel 4. 55 Nationaal landschap Noordoost-Twente De Nationale Landschappen IJsseldelta en Noordoost-Twente zijn gebieden met (inter)nationaal

zeldzame of unieke landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. In deze gebieden gaat het om het behouden, duurzaam beheren en waar mogelijk versterken van de bijzondere kwaliteiten. Ook de recreatieve toegankelijkheid moet worden vergroot. Voor grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen die in strijd zijn met de doelstellingen van de kernkwaliteiten is geen plaats. Voor het Nationaal Landschap Noordoost-Twente geldt dat de bijzondere kwaliteiten juist in combinatie met ontwikkeling versterkt kunnen worden. Landbouw blijft de drager van dit landschap: grootschalig boeren in een kleinschalig landschap met kenmerkende beken. Gemeenten maken met elkaar keuzes voor de ontwikkeling van woon- en werklocaties, waarbij de karakteristiek van het landschap, de toeristische routenetwerken en de veerkracht van het Toelichting (ontwerp)

13

Jonkmansweg 5 in Deurningen watersysteem worden versterkt en wordt gewerkt aan de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland. De ontwikkelingsmogelijkheden in dit gebied worden verregaand bepaald door het zoeken naar en oplossingen ten aanzien van natuur, water en toerisme en vrije tijd. Het glooiende landschap van

Noordoost-Twente is zeer gevarieerd door een fijnmazig samenstel van beken, essen, kampen en moderne ontginningen. Houtwallen, singels en bossen zorgen voor een kleinschalig en groen karakter. De specifieke landschappelijke (kern)kwaliteiten zijn: samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen; de grote mate van kleinschaligheid; het groene karakter. Doorwerking voor onderhavig plan: Beoordeling van het plan: De plannen van de eigenaren doen geen afbreuk aan de kernkwaliteiten van het Nationaal landschap Noordoost-Twente. Er wordt voldaan aan de randvoorwaarden voor ruimtelijke kwaliteit, daarmee worden ook investeringen verricht in (het behoud van) de ruimtelijke kwaliteit bij de inpassing van het

bedrijfsperceel. Hiermee wordt een versterking bewerkstelligd van de kernkwaliteiten. Ontwikkelingsperspectieven (waar) Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst. Voor het voorliggende plan is het volgende ontwikkelingsperspectief voor de locatie van toepassing.

14

Toelichting (ontwerp)

Jonkmansweg 5 in Deurningen

Afbeelding 3. 1: uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart (bron: provincie Overijssel) Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Daarnaast gelden - net als

alle andere ontwikkelingsperspectieven - de ruimtelijke kwaliteitsambities: zichtbaar en beleefbaar mooi landschap; sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel; continu en beleefbaar watersysteem. Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. voor

Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt. De ontwikkeling

agrarisch bedrijf binnen dit ontwikkelingsperspectief is mogelijk. Het ontwikkelen de agrarische bedrijfsfunctie is een passende activiteit in het mixlandschap. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan het agrarisch cultuurlandschap door een goede landschappelijke inpassing van de plannen. Bovendien worden omliggende functies niet geschaad in de mogelijkheden. Met inachneming hiervan voldoet het plan aan het ontwikkelingsperspectief. van een

van

Gebiedskenmerken (hoe)

Toelichting (ontwerp)

15

Jonkmansweg 5 in Deurningen Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend. De provincie onderscheidt de volgende vier lagen: 1. Natuurlijke laag. 2. Laag van het agrarisch cultuurlandschap. 3. Stedelijke laag. 4. Laag van de beleving.

Natuurlijke laag De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. Zoals grote delen van Overijssel bestond ook het plangebied uit dekzandvlakten met beperkte reliëfverschillen. In de jaren zijn de

hoogteverschillen onder andere door zandverstuivingen, het ontginnen van de heidecomplexen en de ontwikkeling in de landbouw nagenoeg verdwenen. In het plangebied is een eenmanses nog goed waarneembaar. Het plangebied ligt op de overgang naar de hogere dekzandrug. De lichtblauwe tinten in de afbeelding zijn de laagten van de beekdalen.

Afbeelding 3. 2: uitsnede kaart natuurlijke laag (bron: provincie Overijssel)

16

Toelichting (ontwerp)

Jonkmansweg 5 in Deurningen Laag

van

cultuurlandschap

Hoewel de plankaart aangeeft dat het gebied in het matenlandschap (lichtblauw) ligt, moet er geconstateerd worden dat dit het oude hoeven- en kampenlandschap had moeten zijn. Kenmerkend aan het plangebied is het gesloten landschap. Hoewel de schaalvergroting duidelijk heeft plaatsgevonden zijn bepaalde contouren nog goed leesbaar. Een aantal houtopstanden markeren nog de kenmerkende hoogteverschillen in het gebied. De voorgenomen ontwikkeling is mogelijk indien oude beplantingsstructuren (waar mogelijk) behouden of versterkt worden. De ontwikkeling moet bijdragen aan de herkenning van het landschap. De mate van herstel is afhankelijk van meerdere factoren. In beginsel moet ervoor gezorgd worden dat het bestaande

behouden blijft en dat erven op een juiste manier ingepast zijn en blijven.

Afbeelding 3. 3: uitsnede kaart laag van cultuurlandschap (bron: provincie Overijssel) Stedelijke laag en laag van de beleving Voor de stedelijke laag en de laag van de beleving gelden ter plaatse van het plangebied specifieke kenmerken. De beide lagen behoeven dan ook geen nadere beschouwing.

geen

Beoordeling van de plannen: Het in Bijlage 1 opgenomen erfinrichtingsplan is gebaseerd om de toegekende ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken. Met inachtneming hiervan en de motivering voor

de generieke beleidskeuzes in deze toelichting wordt geconcludeerd dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid. Toelichting (ontwerp)

17

Jonkmansweg 5 in Deurningen

3. 3

Gemeentelijk beleid

3. 3. 1

Mijn Omgevingsvisie Dinkelland

De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft in 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving voor het grondgebied van de gemeente Dinkelland waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o. a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ,

ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn: 1. We doen het samen. 2. We geven het goede voorbeeld. 3. We wentelen niet af op volgende generaties. 4. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. De gemeente Dinkelland wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Dinkelland is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en

singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden. In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen

nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Dinkelland streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Daarbij wordt gewerkt aan speerpunten. Voor het 'Buitengebied in balans' zijn dat: toekomstgerichte agrarische sector; goede staat van natuur en landschap; kwalitatief toerisme. Beoordeling van de plannen: In afbeelding 3. 4 is een fragment

18

van

de waardenkaart opgenomen voor de planlocatie.

Toelichting (ontwerp)

Jonkmansweg 5 in Deurningen

Afbeelding 3. 4: fragment waardenkaart, plangebied aangepijld (bron: gemeente Dinkelland) Op grond

van MijnOmgevingsvisie valt het plangebied onder de aanduiding 'nieuwe landschaps-structuren, veel ruimte schaalvergroting'. Hier wordt aangegeven om in te spelen op onder andere de schaal van het landschap, het agrarisch karakter, gemengde functies, bouwwijze en inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is, opgeruimd landschap, geclusterde bebouwing, heldere structuren, verbeteren van biodiversiteit en vasthouden van water.

Voor het plan aan de Jonkmansweg 5 geldt dat het een kleinschalige ontwikkeling betreft (uitbreiding van bestaande agrarische bedrijvigheid). Het perceel wordt landschappelijk goed ingepast doordat een bestaande houtsingel doorgetrokken en versterkt kan worden. Ten slotte worden er investeringen in de ruimtelijke kwaliteit verricht. Het plan is in lijn met de omgevingsvisie Dinkelland .

Toelichting (ontwerp)

19

Jonkmansweg 5 in Deurningen

Hoofdstuk 4 4. 1

Omgevingsaspecten

Besluit milieueffectrapportage

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een belangrijk element in het Besluit m. e. r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar

onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m. e. r. -beoordeling nodig.

Drempelwaarden en activiteiten Besluit m. e. r. In onderdeel D, kolom 1 van het Besluit m. e. r. staan de activiteiten waarvoor een m. e. r. -beoordelingsplicht geldt. Voor het verplaatsen van de kuilvoerplaten inherent aan de agrarische bedrijfsvoering aan de Jonkmansweg 5 wordt het meeste aansluiting gevonden bij D14: ‘De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren’. In het kader van onderhavige ontwikkeling vindt een wijziging van het bedrijf plaats door verplaatsing van de huidige kuilvoerplaten. Qua omvang van de bedrijfsacitiviteiten vindt echter geen wijziging plaats. Nu de voorgenomen bouw ook niet leidt tot een uitbreiding van het aantal dieren, is een

toetsing aan de drempelwaarden van het Besluit m. e. r. niet noodzakelijk. Derhalve is er geen sprake van een m. e. r. -(beoordeling)plicht. Bovendien volgt uit de bevindingen van de hiervoor behandelde milieuaspecten dat de voorgenomen uitbreiding geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Conclusie De gevolgen voor het milieu zijn als nihil aan te merken. In die gevallen is het Besluit m. e. r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld.

4. 2

Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan 20

Toelichting (ontwerp)

Jonkmansweg 5 in Deurningen mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In afbeelding 4. 1 zijn de

richtafstanden weergegeven.

Afbeelding 4. 1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Beoordeling van de plannen: Het plangebieden ligt in het buitengebied

de gemeente Dinkelland. De richtafstanden die tot het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' behoren dienen dus als uitgangspunt genomen te worden. Op voorhand valt te constateren dat in de nabijheid van het plangebied enkele verspreide woonbestemmingen (zuiden) aanwezig zijn. Onderstaand is dit zichtbaar.

Toelichting (ontwerp)

van

21

Jonkmansweg 5 in Deurningen

Afbeelding 4. 2: afbeelding geldende bestemmingen/functies in de omgeving van projectlocatie (bron: ruimtelijkeplannen. nl) Externe werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. Op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ valt een melkveehouderij als inrichting onder ‘Fokken en houden van rundvee’. Het wordt hiermee aangemerkt als een inrichting in milieucategorie 3. 2 met als grootste richtafstand voor het aspect geur. Opgemerkt wordt dat bij veehouderijen niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende

geuromissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend zijn. Hier wordt in paragraaf 4. 3 nader op ingegaan. Indien het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten geldt er een richtafstand van 30 meter voor de aspecten geluid en stof. De nieuwe kuilvoerplaten worden aan de westzijde van het bestaande bouwvlak gerealiseerd. Daarmee treden er geen wijzigen op voor de woonerven ten zuiden van de planlocatie. De afstand tussen de woonerven en Jonkmansweg 5 blijft minimaal 90 meter, waardoor er ruim voldoende onderlinge afstand afstand blijft. Omliggende functies worden als gevolg van de plannen daardoor niet belemmerd in het woon- en

22

Toelichting (ontwerp)

Jonkmansweg 5 in Deurningen leefklimaat. Bij de ontwikkeling is zoveel mogelijk rekening gehouden om zo min mogelijk overlast te veroorzaken c. q. het woon- en leefklimaat in de omgeving in stand te houden. Interne werking

Andersom betreffen de bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied geen milieugevoelige activiteiten. Desondanks liggen ook eventuele milieubelastende activiteiten op ruime afstand van het plangebied. Er blijft sprake van een aanvaardbare situatie. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering

4. 3

voor

de uitvoerbaarheid van dit plan.

Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond

de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. van

Beoordeling van de plannen: In de directe omgeving

van het plangebied aan de Jonksmansweg 5, op 90 meter ten opzichte van het huidige bouwvlak, ligt het dichtstbijzijnde woonerf (Strootsweg 3).

Aangaande geurgevoelige objecten ten opzichte van de agrarische bedrijvigheid binnen het plangebied wordt de onderlinge afstand niet kleiner. Hierbij dient vermeld te worden dat de nieuwe ontwikkeling aan de Jonkmansweg 5 enkel toeziet op de kuilvoerplaten en niet op de dierenverblijven, waardoor er voor de Wet gerhinder en veehouderij geen wijzigingen optreden. De onderlinge afstand is bovendien ruim meer dan de vaste benodigde afstand van 50 meter. Er is daarmee enerzijds geen sprake is van belemmeringen voor de voorliggende bedrijfslocatie en anderzijds wordt een bescherming van goed woon- en leefklimaat gegarandeerd. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4. 4

Bodem

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3. 1. 6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële)

Toelichting (ontwerp)

23

Jonkmansweg 5 in Deurningen uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Op basis van de Woningwet, de Wabo

en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht: Als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; het bouwwerk een te verwezenlijken bebouwingsoppervlakte heeft van ten hoogste 50 m²; als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder dan 2 uur gehanteerd; als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd). Beoordeling van de plannen:

Onderhavig planvoornemen wordt gerealiseerd op agrarische gronden die momenteel als zodanig in gebruik zijn. Derhalve is de bodem geschikt voor het beoogde gebruik en vormt het voorgenomen gebruik geen risico voor de bodemkwaliteit. Daarnaast is geen sprake

bestemmings- en/of functiewijziging die een inrichting mogelijk maakt waarin gedurende een groot deel van de dag mensen aanwezig zullen zijn. Hiermee zijn geen risico's te verwachten voor de gezondheid en staat de bodemgesteldheid de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. van een

Resumerend Het aspect bodem vormt geen belemmering

4. 5

voor

de uitvoerbaarheid van de plannen.

Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding

van een ruimtelijk plan, een motivering worden verstrekt aangaande geluidshinder, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen.

De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies:

Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Wegverkeerslawaai Op grond aan

het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die weerszijde een breedte heeft van: in stedelijk gebied: - voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; van

bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; in buitenstedelijk gebied: - voor

24

een weg,

Toelichting (ontwerp)

Jonkmansweg 5 in Deurningen - voor

een weg,

bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter;

- voor

een weg,

bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter;

- voor

een weg,

bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.

Deze zonering geldt niet:

die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Beoordeling van de plannen: voor wegen

In het plangebied wordt met onderhavig planvoornemen geen nieuw geluidsgevoelig object mogelijk

gemaakt waardoor een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk is. Wel dient gekeken te worden naar vraag of de realisatie van de kuilvoerplaten negatieve invloed heeft op het woon- en leefklimaat van omliggende gevoelige functies. Dit is reeds getoetst in paragraaf 4. 2. De Wet geluidhinder legt verder geen restricties aan onderhavig planvoornemen.

4. 6

Luchtkwaliteit

Om

een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan onder

meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100. 000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij

Toelichting (ontwerp)

25

Jonkmansweg 5 in Deurningen provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Beoordeling van de plannen: Het voornemen ziet op het realiseren van een nieuwe kuilvoerplaten. De veebezetting blijft ongewijzigd

de kuilvoerplaten op zichzelf hebben geen verkeersaantrekkende werking (is ondergeschikt aan het bedrijfsmatig agrarisch gebruik). Het voornemen heeft derhalve geen betrekking op een fijnstof uitstotend object, waardoor niet aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit hoeft te worden getoetst. Bovendien zal het voornemen dus niet leiden tot een toename van (meer dan 1. 283) voertuigbewegingen per weekdagetmaal, waardoor het plan als NIBM kan worden beschouwd. en

Conclusie Het voorliggende plan draagt niet bij aan

4. 7

een

onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit.

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron

aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden

risico en het groepsrisico gehanteerd. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een

persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt.

Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij

de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk

vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de

bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het

26

Toelichting (ontwerp)

Jonkmansweg 5 in Deurningen groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beoordeling van de plannen: Onderstaande afbeelding laat de risicokaart in de omgeving

van

het plangebied zien.

Afbeelding 4. 3: uitsnede risicokaart omgeving plangebied, planlocatie zwart omcirkeld (bron: Atlas Leefomgeving) De dichtbijzijnde risicobron betreft de A1

gevaarlijke transport kan plaatsvinden. Met het voorliggende plan wordt geen nieuw (beperkt) kwetsbaar object opgericht. Ook wordt geen nieuwe risicobron aan de omgeving toegevoegd. Voor wat betreft het aspect externe veiligheid treden dan ook geen relevante wijzigingen op. waarop

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering

4. 8

voor

de uitvoering van de plannen.

Water

Algemeen In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Watertoetsproces In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is de digitale watertoets uitgevoerd. De procedure in

Toelichting (ontwerp)

27

Jonkmansweg 5 in Deurningen het kader van de watertoets is goed doorlopen, daaruit is gebleken dat de normale procedure volstaat voor dit plan. Het toetsingsresultaat is bijgevoegd als Bijlage 2 Digitale watertoets. Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit

oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe 'eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren' is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het

effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe 'eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren' een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Wateraspecten plangebied Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is circa 2. 000 m2. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of

herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan wordt het afvalwater

het hemelwater behandeld via een gescheiden stelsel. Hemelwater - behoudens dat van de kuilvoerplaten zelf - wordt geïnfiltreerd. De kuilvoerplaten verkrijgen een eigen afwatering om vervuiling en uitspoeling van sappen te voorkomen. Afvalwater wordt ter plaatseverwerkt via het afvalwaterriool dan wel een IBA. en

Watertoetsproces Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets is toegepast. Daarop heeft op 21 mei 2024 nadere afstemming plaatsgevonden met de ruimtelijk adviseur van het waterschap. Vanuit dit contact kwam naar voren dat er geen bijzonderheden zijn om rekening mee te houden, behoudens dan dat de afstromende sappen uit de kuilvoerplaten apart moeten worden afgevoerd. Hiermee is rekening gehouden. Het bedrijfsperceel wordt in de toekomstige situatie omgeven door groenstructuren en agrarische

onbebouwde gronden. Hemelwater vanaf de verharding kan daarmee vertraagd infilteren in de omgeving, waarvoor voldoende ruimte bestaat. Voor de kuilvoerplaten zelf geldt dat een afzonderlijke voorziening wordt getroffen voor het afvoeren van hemelwater, om eventuele uitspoeling van sappen te voorkomen. Met inachtneming van deze aandachtspunten kan het waterschap instemmen. Voor het overige hebben de bestemming en de grootte van het plan een geringe invloed op de waterhuishouding.

28

Toelichting (ontwerp)

Jonkmansweg 5 in Deurningen

4. 9

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Onderstaand wordt op deze aspecten ingegaan voor wat betreft de plannen. Gebiedsbescherming Bij de beschrijving van de ter plaatse geldende gebiedsbescherming gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN).

gaan we

in op de Natura 2000-

Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden in Europa, die worden aangewezen ter uitvoering van twee Europese richtlijnen: de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Deze

gebieden worden in Nederland op grond van de Wnb beschermd. Activiteiten en ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij hiervoor een toestemming op grond van de Wnb is verkregen. Natuurnetwerk Nederland Naast de bescherming van de Wnb kunnen waardevolle gebieden ook beleidsmatig beschermd zijn, doordat zij behoren tot het NNN (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Het NNN is een samenhangend geheel van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Het

netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat de natuurgebieden hun waarde verliezen. Soortenbescherming De soortenbescherming is eveneens geregeld in de Wnb. Op dit punt heeft de Wnb per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet vervangen. Het doel van de Wnb is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het ‘nee, tenzij’-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kunnen vrijstellingen en ontheffingen (door het bevoegd gezag) worden verleend van de

verbodsbepalingen. De Wnb kent een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (alle vogels), Habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soorten. Voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten geldt een strikte bescherming. Voor de nationaal beschermde soorten hebben provincies de bevoegdheid om in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden een vrijstelling te verlenen van de verbodsbepalingen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening.

Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden nagegaan, c. q. onderbouwd worden, of zich in het betreffende gebied beschermde soorten bevinden. Beoordeling van de plannen: Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, ‘Lonnekermeer’ bevindt zich op 1,07 km ten zuiden van het plangebied. Gelet op de aard van de activiteiten en de afstand tot Natura

Toelichting (ontwerp)

29

Jonkmansweg 5 in Deurningen 2000-gebieden is een toename van stikstofuitstoot voor zowel de gebruiksfase als de bouwfase uitgesloten. Er is namelijk geen wijziging in dierenaantallen. Ook hebben de kuilvoerplaten op zichzelf geen

verkeersaantrekkende werking. Juist kan gesteld worden dat de aanleg op deze locatie voor een verbeterde routing op het erf zorgt (en dus effectievere/kortere transportbewegingen). Voor de aanlegfase geldt dat beperkt bouwactiviteiten plaatsvinden. Er is geen sprake van realisatie van

gebouwen, enkel van bouwwerken in de vorm van kuilvoerplaten.

Er is daarmee

geen

extra stikstofdepositie te verwachten;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/844/documents/22354