BOPA Saasveld, Molenbeekweg 14 incl bijlagen.pdf
Tekst van het document
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Ruimtelijke onderbouwing Saasveld, Molenbeekweg 14 Definitief 4.2.3
Bindend adviesrecht gemeenteraad
De raad heeft op grond van artikel 16.15 onder a en b van de Omgevingswet bepaald in welke gevallen een bindend advies van de gemeenteraad is vereist. Het gaat om de volgende gevallen: • Een toevoeging van een woning in het buitengebied; • (Verplaatsing van) bebouwing op meer dan 30 meter buiten het bouwvlak; • (Het uitbreiden van) niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied; • De vestiging van een intensief veehouderijbedrijf; • Duurzame energievoorzieningen, zoals bijvoorbeeld: o zonneveld voorzover groter dan 50m2; o windturbine/-molen voorzover hoger dan 25 meter; o biomassavergistingsinstallatie voorzover niet uitsluitend bedrijfseigenmest wordt verwerkt • Antenne-installatie voorzover hoger dan 40 meter; • Grootschalige infrastructurele (kunst)werken; • De opvang van vluchtelingen en/of asielzoekers. De voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren van een zorgboerderij binnen bestaande bebouwing in het buitengebied. De ontwikkeling kan worden gezien als “(het uitbreiden van) nietagrarische bedrijvigheid in het buitengebied. Hiervoor geldt bindend adviesrecht van de gemeenteraad. Het voornemen wordt in juli 2025 behandeld door de gemeenteraad.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Ruimtelijke onderbouwing Saasveld, Molenbeekweg 14 Definitief
HOOFDSTUK 5
ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU
Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt bij vergunningverlening van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dat een vergunning voor de activiteiten alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de buitenplanse omgevingsplanactiviteiten zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: • • •
de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 ‘Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ van het Bkl; de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
5.1
Ladder voor duurzame verstedelijking
Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven. Inhoud en strekking van de instructieregel komen overeen met de laddertoets die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold op basis van artikel 3.1.6 lid 3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Met artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen wijziging beoogd ten opzicht van artikel 3.1.6 lid 2 Bro.
Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven). Uit artikel 3.129g, eerste lid, Bkl volgt dat de laddertoets in ieder geval van toepassing is op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt.
Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Ruimtelijke onderbouwing Saasveld, Molenbeekweg 14 Definitief Stedelijke ontwikkeling Het plan voorziet in de realisatie van een zorgboerderij in bestaande bebouwing. Deze ontwikkeling wordt niet beschouwd als nieuwe stedelijke ontwikkeling omdat er geen bouwactiviteiten (< 500 m2) plaatsvinden. Een uitgangspunt hiervoor is de rechtsuitspraak ‘ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921’. Daarnaast geldt als enkel sprake is van een planologische functiewijziging dan is in beginsel geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (tenzij het een functiewijziging van zodanige aard en omvang betreft) (ABRvS 20 april 2016; ECLI:NL:RVS:2016:1075) Conclusie Gelet op vorenstaande is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 5.129g Bkl en is het initiatief in overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking. Verdere toetsing aan de behoefte of het bestaand stedelijk gebied wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Het plan houdt daarmee in voldoende mate rekening met de ter plaatse aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige waarden, waardoor wordt geconcludeerd dat wordt voldaan aan de instructieregels uit paragraaf 5.1.5 van het Bkl.
5.2
m.e.r.-beoordeling
5.2.1
Algemeen
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •
In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden.
Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een projectmer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor plan / programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. 5.2.2
Situatie projectgebied
Voorgenomen ontwikkeling betreft een kleinschalige ontwikkeling in de vorm van de realisatie van een zorgboerderij in bestaande bebouwing. Bijlage V uit het Omgevingsbesluit toont aan dat het voorgenomen project niet m.e.r-beoordelingsplichtig is. Verder is sprake van een functie die niet leidt tot aantasting van het woon- en leefklimaat ter. Gesteld wordt dat een verdere m.e.r.beoordeling dan ook niet nodig is. 5.2.3
Conclusie
Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Ruimtelijke onderbouwing Saasveld, Molenbeekweg 14 Definitief
5.3
Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren
5.3.1
Algemeen
De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘Parkeerkencijfers 2024 – basis voor parkeernormering’ (uitgave 744). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. 5.3.2
Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling)
De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘Parkeerkencijfers 2024 – basis voor parkeernormering, publicatie 744 (augustus 2024)’. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Qua functie, verstedelijkingsgraad en stedelijke zone, worden de volgende uitgangspunten gehanteerd bij het bepalen van de verkeersgeneratie: • • •
Functie: Kinderdagverblijf; Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk (bron: CBS Statline); Stedelijke zone: buitengebied.
De CROW-uitgave kent geen aparte verkeerkencijfers voor een zorgboerderij. Daarom wordt aangehaakt op de functie ‘kinderdagverblijf’. De zorgboerderij is bestemd voor kinderen en fungeert hoofdzakelijk als buitenschoolse opvang (bso). Logies vinden alleen in de weekenden plaats. Tabel met uitgangspunten Functie / activiteit
Verkeersgeneratie per 100 m2
Kinderdagverblijf
37,4
De woning, waarin de zorgboerderij wordt gevestigd, heeft een bruto vloeroppervlak van circa 250 m². De naastgelegen stal, die door de zorgboerderij in gebruik wordt genomen als speelruimte en dierenverblijf, wordt niet meegenomen in de berekening van de verkeersgeneratie. Deze ruimte is niet bedoeld voor structureel gebruik door personeel of bezoekers en levert daarom geen relevante bijdrage aan het verkeer. Het is in lijn met het uitgangspunt dat enkel functioneel relevante gebruiksoppervlakte wordt betrokken bij het bepalen van de verkeersintensiteit. Het meenemen van de staloppervlakte zou leiden tot een onnauwkeurig en overdreven hoog beeld van de te verwachten verkeersgeneratie. De zorgboerderij is kleinschalig van opzet, met maximaal 12 kinderen per groep en een beperkt aantal personeelsleden. Op basis van de CROW-kencijfers resulteert dit in een verwachte verkeersgeneratie van circa 94 verkeersbewegingen per etmaal op weekdagen (37,4 * 2,5). Daarbij wordt benadrukt dat de werkelijke verkeersbewegingen in de praktijk lager uitvallen, omdat veel kinderen gezamenlijk met taxi-services worden opgehaald en gebracht. Daarnaast is er sprake van zowel dagopvang op maandag t/m donderdag als logeerzorg in het weekend. Dit betekent dat er op weekdagen dagelijks Kiss & Ride-bewegingen (K+R) plaatsvinden en aanvullend op vrijdag en zondag in het kader van de logeeropvang.
De omvang van deze bewegingen blijft beperkt, mede doordat in de praktijk vaak gebruik wordt gemaakt van groepsvervoer. Op het erf is voldoende ruimte aanwezig voor het kortstondig en veilig laten stoppen van voertuigen, zonder dat dit leidt tot structurele parkeerdruk of verkeersonveiligheid. De verkeersbewegingen, inclusief K+R, worden daarmee als verkeerskundig aanvaardbaar beoordeeld.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Ruimtelijke onderbouwing Saasveld, Molenbeekweg 14 Definitief 5.3.3
Parkeren
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. Qua functie, verstedelijkingsgraad en stedelijke zone, worden de volgende uitgangspunten gehanteerd bij het bepalen van de verkeersgeneratie: • • •
Functie: Kinderdagverblijf; Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk (bron: CBS Statline); Stedelijke zone: rest bebouwde kom.
De beleidsnotitie kent geen aparte parkeerkencijfers voor een zorgboerderij. Daarom wordt aangehaakt op de functie ‘kinderdagverblijf’. De zorgboerderij is bestemd voor kinderen en fungeert hoofdzakelijk als buitenschoolse opvang (bso). Tabel met uitgangspunten Functie / activiteit
Parkeerbehoefte per 100 m2
Kinderdagverblijf
1,4
De woning is circa 250 m2 bvo. De stal die in gebruik wordt genomen door de zorgboerderij wordt niet meegenomen in de berekening van de parkeerbehoefte. De woning is in dit geval het hoofdgebouw waarin voornamelijk de zorgfunctie plaatsvindt. De bijbehorende stal is aanzienlijk groter, maar wordt uitsluitend gebruikt als speelruimte en dierenverblijf. Daarom wordt deze ruimte niet meegerekend in de berekening van de parkeerbehoefte, conform het uitgangspunt dat enkel functioneel relevante gebruiksoppervlakte wordt meegenomen. Verder is de zorgboerderij kleinschalig van opzet: er zijn maximaal 12 kinderen per groep tegelijkertijd aanwezig met een aantal personeelsleden. Het meenemen van de stal, zou een onrealistisch hoog beeld geven van de parkeerdruk. De totale parkeerbehoefte voor de zorgboerderij is afgerond 4 parkeerplaatsen (1,4*2,5). Het projectgebied is van voldoende omvang om te kunnen voorzien in deze parkeerbehoefte. 5.3.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de aspecten verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormen voor de ontwikkeling.
5.4
Soortenbescherming en gebiedsbescherming
5.4.1
Gebiedsbescherming
5.4.1.1 Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura2000-activiteit noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Ruimtelijke onderbouwing Saasveld, Molenbeekweg 14 Definitief Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • •
de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten.
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Situatie projectgebied Het projectgebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ‘Lemselermaten’ ligt op circa 5,9 kilometer afstand van het projectgebied.
Gelet op de onderlinge afstand en omvang van het project is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. De voorgenomen ontwikkeling betreft de verhuizing van een bestaande zorgboerderij naar een andere locatie, waarbij gebruik wordt gemaakt van een bestaande bedrijfswoning en een voormalige veeschuur. De zorgboerderij betreft geen nieuw initiatief, maar een voortzetting van bestaande zorgactiviteiten die al langere tijd plaatsvinden op een andere locatie binnen de regio (Geesteren). Kortom, er is geen sprake van het realiseren van een nieuwe zorgboerderij. Binnen de zorgboerderij worden hobbymatig dieren gehouden. Ook het aantal verkeersbewegingen blijft beperkt. De zorgboerderij is kleinschalig en veel kinderen worden collectief vervoerd. Bovendien ligt de nieuwe locatie op grotere afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied dan de huidige locatie in Geesteren (2,8 kilometer). Conclusie Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling in combinatie met de afstand tot het Natura 2000-gebied, kan redelijkerwijs worden geconcludeerd dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.
5.4.1.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Situatie projectgebied en conclusie Het projectgebied ligt op 815 meter afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Ruimtelijke onderbouwing Saasveld, Molenbeekweg 14 Definitief 5.4.2
Soortenbescherming
5.4.2.1 Algemeen Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 5.4.2.2 Situatie projectgebied Het voornemen gaat niet gepaard met sloop, bouw- en/of kapwerkzaamheden die negatieve effecten op het leef- en/of foerageergebied van beschermde soorten met zich mee kunnen brengen. 5.4.2.3 Conclusie Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg. 5.4.3
Conclusie
Vanuit het aspect natuurbescherming is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.5
Luchtkwaliteit
5.5.1
Algemeen
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Ruimtelijke onderbouwing Saasveld, Molenbeekweg 14 Definitief een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 5.5.2
Situatie projectgebied
De ontwikkeling ziet toe op de realisatie van een zorgboerderij in bestaande bebouwing. Hierbij worden slechts enkele dieren hobbymatig gehouden. Gelet op de aard en de omvang van het project, in verhouding tot de standaardgevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl) kan gesteld worden dat het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een onderzoek naar luchtkwaliteit kan daardoor achterwege worden gelaten. 5.5.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.6
Geluid
5.6.1
Algemeen
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen.
De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: • • •
woningen; Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Ruimtelijke onderbouwing Saasveld, Molenbeekweg 14 Definitief • •
verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.
Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Afbeelding 5.1 Standaardwaarden (Bron: Bkl, artikel 5.78t)
Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het ‘Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland’ en de ‘Nota hogere grenswaarden’. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend. Het projectgebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype ‘Buitengebied’. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde ‘redelijk rustig’ (48 dB) en de bovengrens ‘onrustig’ (53 dB). 5.6.2
Situatie projectgebied
Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Ook het plan zelf kan geluidhinder opleveren voor de omgeving. Er is sprake van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: •
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Ruimtelijke onderbouwing Saasveld, Molenbeekweg 14 Definitief • •
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.
De Molenbeekweg is een zeer rustige weg. Deze weg wordt primair gebruikt door bestemmingsverkeer en is verkeersluw. Akoestisch onderzoek wordt hiermee niet noodzakelijk geacht. Het projectgebied bevindt zich op circa 5,4 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde spoorweg. Op basis van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling dient de afstand van een geluidsgevoelig object in stedelijk gebied tot de dichtstbijzijnde spoorweg ten minste 200 meter te bedragen. In voorliggend geval wordt aan deze afstand voldaan. Industrielawaai In de omgeving van het projectgebied is geen gezoneerd bedrijventerrein aanwezig. Wat betreft de invloed van de in de omgeving aanwezige individuele bedrijvigheid/voorzieningen voor de voorgenomen ontwikkeling wordt verwezen naar onderstaande alinea. Solitaire bedrijvigheid In de omgeving van het projectgebied bevinden zich de volgende bedrijven: Adres
Soort bedrijf
Afstand tot projectgebied
(ong.)
Veehouderij (stal)
8 meter
Broekhuisweg 5, Albergen
Autobedrijf
1.000 meter
Weemselerweg 33, Albergen
Veehouderij
230 meter
Weemselerweg 27, Albergen
Veehouderij
540 meter
Drie van de vier nabijgelegen agrarische bedrijven bevinden zich op voldoende afstand van het projectgebied om geen relevante geluidbelasting te veroorzaken. De grote stal direct ten oosten van de woning bevindt zich echter op slechts circa 8 meter afstand. Daarmee wordt niet voldaan aan de richtafstand voor agrarische activiteiten zoals opgenomen in de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering, waar doorgaans een afstand van 30 meter wordt gehanteerd tot geluidgevoelige functies in gemengd gebied. Artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) biedt hiervoor echter een relevante uitzondering. Dit artikel bepaalt dat het omgevingsplan kan regelen dat geluidnormen niet van toepassing zijn op geluid dat afkomstig is van een activiteit (zoals een agrarisch bedrijf) ten opzichte van een geluidgevoelig gebouw dat eerder functioneel verbonden was met die activiteit. In de huidige situatie maakten de bedrijfswoning en de stal beide deel uit van één agrarisch erf, en was sprake van een duidelijke functionele binding. Hoewel de functionele binding tussen de woning en de stal met de komst van de zorgboerderij formeel vervalt, is er in het verleden wel degelijk sprake geweest van een functionele verbinding tussen beide gebouwen.
Op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) biedt dit de mogelijkheid om geluidregels buiten toepassing te laten bij geluidgevoelige gebouwen die eerder functioneel verbonden waren met de betreffende activiteit. Door deze bepaling kan de voorgenomen ontwikkeling, ondanks de geringe afstand tot de stal, planologisch mogelijk worden gemaakt. Het aspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van de zorgboerderij. Daarnaast betreft een zorgboerderij ook een functie die akoestisch relevant is voor de omgeving (stemgeluid, spelende kinderen). Het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw ligt op circa 290 meter afstand van het projectgebied (bedrijfsgebouw, Weemselerweg 33). Gezien deze afstand wordt geconcludeerd dat er geen geluidhinder zal worden ondervonden ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Ruimtelijke onderbouwing Saasveld, Molenbeekweg 14 Definitief 5.6.3
Conclusie
Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.7
Geur
5.7.1
Algemeen
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •
Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • • 5.7.2
Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden Situatie projectgebied
De voorgenomen ontwikkeling betreft de vestiging van een zorgboerderij in een bestaande bedrijfswoning. Met de nieuwe functie is de woning bestemd voor langdurig menselijk verblijf en kwalificeert daarom als een geurgevoelig gebouw. De grote stal op het perceel, die momenteel in gebruik is en blijft voor jongvee, ligt op minder dan 10 meter afstand van de woning. Voor diersoorten zonder vastgestelde geuremissiefactoren geldt op grond van de 'bruidsschat' in het Omgevingsplan een vaste afstandsnorm van 50 meter buiten de bebouwde kom. Op basis van artikel 5.96, lid 1 van het Bkl geldt echter dat deze afstandseis niet van toepassing is wanneer het geurgevoelige gebouw (in dit geval de woning) eerder functioneel verbonden was met de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Ruimtelijke onderbouwing Saasveld, Molenbeekweg 14 Definitief geurveroorzakende activiteit (de stal). In de bestaande situatie was de bedrijfswoning daadwerkelijk functioneel verbonden met de stal, aangezien beide deel uitmaakten van één agrarisch erf. Hoewel de functie van de bedrijfswoning wijzigt naar een zorgfunctie en daarmee de functionele binding met de stal vervalt, blijft het feit bestaan dat er sprake is van een voormalige functionele binding. Daarmee is de uitzondering uit artikel 5.96 van toepassing en hoeft de vaste afstand van 50 meter niet in acht te worden genomen. Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect geur geen belemmeringen worden verwacht voor de realisatie van de zorgboerderij. 5.7.3
Conclusie
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.8
Omgevingsveiligheid
5.8.1
Algemeen
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). 5.8.2
Situatie projectgebied
Aan de hand van de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de externe veiligheidskaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.1 is een uitsnede weergegeven. Het projectgebied is met een rode ster aangeduid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Ruimtelijke onderbouwing Saasveld, Molenbeekweg 14 Definitief
Afbeelding 5.2
Risicobronnen in en rondom het projectgebied (Bron: Atlas Leefomgeving)
Het projectvoornemen voorziet niet in nieuwe risicovolle activiteiten. Op circa 440 meter van het projectgebied bevindt zich een activiteit met gevaarlijke stoffen in de vorm van mestvergisting. Het projectgebied bevindt zich niet in de aandachtsgebieden of de plaatsgebonden risicocontour van deze activiteit. Een verdere toetsing aan deze inrichting is niet noodzakelijk. 5.8.3
Conclusie
Met de voorgenomen activiteit wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.
5.9
Trilling
5.9.1
Algemeen
In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Ruimtelijke onderbouwing Saasveld, Molenbeekweg 14 Definitief van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten. Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl.
In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: • • • • 5.9.2
woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Situatie projectgebied
Het projectgebied ligt op een afstand van circa 5,4 km vanaf de dichtstbijzijnde spoorweg. Met het oog op het aspect trillingshinder wordt ruim voldaan aan de gewenste afstand van 250 meter. Trillinghinder door andere invloeden (wegverkeer, industrie, etc.) is hier ook niet aan de orde. Er hoeven geen extra maatregelen worden genomen. 5.9.3
Conclusie
Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.10
Archeologie
5.10.1 Algemeen Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Ruimtelijke onderbouwing Saasveld, Molenbeekweg 14 Definitief cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het projectgebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •
ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
5.10.2 Situatie projectgebied Archeologie Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Op de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland is de geomorfologie van de projectlocatie aangemerkt met ‘beekdalen en overige laagten’. Een uitsnede van deze kaart is weergegeven in afbeelding 5.2. Het projectgebied wordt aangegeven met de rode omlijning. Het beleidsadvies voor gebieden aangemerkt met ‘beekdalen en overige laagten’ is dat er een vrijstelling bestaat voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een zorgboerderij binnen bestaande bebouwing. Er vinden geen bodemwerkzaamheden plaats. Er wordt geen archeologisch onderzoek noodzakelijk geacht.
Afbeelding 5.3
Uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: Gemeente Dinkelland)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Ruimtelijke onderbouwing Saasveld, Molenbeekweg 14 Definitief
Cultuurhistorie Het dichtstbijzijnde monument of beschermd dorpsgezicht bevindt zich op ca. 600 meter ten noorden van het projectgebied. Dit archeologisch monument bestaat uit een terrein met overblijfselen van een versterkte toren uit de 13e eeuw. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van aantasting van dit archeologisch monument. Het plan heeft daarmee geen invloed op cultuurhistorische waarden in de omgeving. 5.10.3 Conclusie Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van archeologische cultuurhistorische waarden.
5.11
en
Bodem
5.11.1 Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •
Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.
Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 5.11.2 Situatie projectgebied Er is een verkennend bodemonderzoek (NEN-5740) door Sigma B.V. verricht op deze locatie. De resultaten van het onderzoek zijn als bijlage 2 opgenomen binnen deze ruimtelijke onderbouwing. In onderstaande alinea volgen de belangrijkste conclusies. Verkennend bodemonderzoek (NEN-5740)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Ruimtelijke onderbouwing Saasveld, Molenbeekweg 14 Definitief Uit milieuhygiënische overweging geven de gemeten gehalten in de grond en het grondwater geen aanleiding tot het instellen van nader onderzoek. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geldt, ten aanzien van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmering voor het toekomstige gebruik van de onderzoekslocatie. Verkennend onderzoek asbest (NEN-5707) Na een eerste locatie inspectie tijdens bovenstaande verkennend bodemonderzoek zijn twee druppelzones bij asbestverdachte daken ontdekt. Dit heeft de aanleiding gegeven om een verkennend onderzoek asbest in de grond volgens NEN-5707 uit te voeren. In één van de druppelzones is een lage concentratie asbest aangetroffen (0,7 mg/kg d.s.) en hiermee wordt de bepalingsgrens overschreden. Echter wordt hier opgemerkt dat deze concentratie ver onder de drempel voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) en de interventiewaarde (100 mg/kg d.s.) ligt. Bij de andere druppelzone zijn wordt de bepalingsgrens niet overschreden. Er worden geen belemmeringen verwacht voor het toekomstige gebruik van de onderzoekslocatie betreffende het aspect asbest. 5.11.3 Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.12
Waterbelang
5.12.1 Algemeen Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Ruimtelijke onderbouwing Saasveld, Molenbeekweg 14 Definitief Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. Beleid Waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Drents Overijsselse Delta, Vallei en Veluwe, Vechtstromen, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het beleid van waterschap Vechtstromen, is beschreven in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het genoemde beleidsdocument kan worden ingezien op het hoofdkantoor van het Waterschap Vechtstromen. Ook is deze te raadplegen op de internetsite: www.vechtstromen.nl. Op gemeentelijk niveau is opgestelde gemeentelijk Water en Riolerings Programma 2025-2030 (WRP) van belang. 5.12.2 Wateraspecten In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water.
Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. 5.12.3 Watertoetsproces en waterhuishouding projectgebied Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (www.hetwateradvies.nl). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat er geen sprake is van een waterschapsbelang. De watertoets is opgenomen in bijlage 3. Gezien de kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling is verder onderzoek niet noodzakelijk.
5.12.4 Conclusie Met de voorgenomen activiteit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Ruimtelijke onderbouwing Saasveld, Molenbeekweg 14 Definitief
HOOFDSTUK 6
FINANCIËLE HAALBAARHEID
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen.
Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd. Gelet op het voorgaande is het project financieel uitvoerbaar. Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld. Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Ruimtelijke onderbouwing Saasveld, Molenbeekweg 14 Definitief
HOOFDSTUK 7
VOORWAARDEN OMGEVINGSVERGUNNING
Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een zorgboerderij binnen bestaande bebouwing aan de Molenbeekweg 14 in Saasveld. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt door activiteiten evenwichtig over locaties te reguleren. Deze ruimtelijke onderbouwing heeft aangetoond dat bij de voorgenomen ontwikkeling hiervan sprake is. Er gelden geen aanvullende voorwaarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Ruimtelijke onderbouwing Saasveld, Molenbeekweg 14 Definitief
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
Bijlage 1 – Participatie
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Beste Suzanne, Namens BJZ.nu pak ik het project op betreffende jullie initiatief aan de Molenbeekweg 14 in Saasveld. De communicatie omtrent dit project mag vanaf nu volledig via mij verlopen. Fijn om een contact persoon te hebben en communicatie zal ik naar u sturen. De volgende punten wil ik met jullie delen: •
Ik zal bij de gemeente nagaan welke onderzoeken als noodzakelijk worden beschouwd. Hierbij richt ik mij met name op de optionele diensten uit de offerte. Ik houd je op de hoogte van de uitkomsten van dit gesprek; Helemaal goed en duidelijk. Met de gemeente hebben wij ook al veel contact gehad. Zodoende zijn wij ook bij jullie uit gekomen. Aan uw collega heb ik eerdere communicatie tussen ons en gemeente gemaild. Mocht u nog vragen hebben of informatie op dit punt nodig hebben dan laat het gerust weten.
•
Gemeenten hechten er veel waarde aan om burgers, belanghebbenden en gemeenschappen actief te betrekken bij het plannen en vormgeven van ruimtelijke ontwikkelingen. Een belangrijk doel van de Omgevingswet is ervoor te zorgen dat iedereen de mogelijkheid heeft om mee te praten over plannen in de leefomgeving. Met andere woorden, het onderwerp participatie is een belangrijk onderdeel in het opstellen van de ruimtelijke onderbouwing. Zou je mij toe kunnen sturen op welke manier er participatie heeft plaatsgevonden omtrent het project (bijv. hoe de buren/omgeving op de hoogte zijn gebracht over de geplande ontwikkeling)? Dan kunnen wij dit mooi op papier zetten in de onderbouwing; Het is allemaal begonnen met de zoektocht naar een nieuwe locatie. Deze zoektocht was zeker niet makkelijk en hebben we goed 3 jaar over gedaan. Dit i.v.m. het aflopen van het huidige huurcontract betreffende het pand dat wij al 13 jaar huren in Geesteren voor de uitvoering van mijn huidige zorgboerderij welke ik al 15,5 jaar heb ( begonnen in een oud boerderijtje ). We hebben veel panden bekeken. Eerst koop maar dat is toch wel lastig. Daarom zijn we ook naar huur gaan kijken. Elke keer als we een pand zagen , hebben wij de gemeente benaderd om eerst te weten wat er eventueel wel kan / mag of goedgekeurd kan gaan worden. De lijntjes met de gemeente zijn kort en goed.