CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

BOPA Laagsestraat 39 Oud Ootmarsum

Gemeenteraad 23 juni 2026, gemeente DinkellandBij agendapunt: 12: Voorstel inzake bindend adviesrecht Laagsestraat 39 Oud-Ootmarsum9.191 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Laagsestraat 39 te Oud Ootmarsum

Inhoudsopgave 1.

Inleiding ...................................................................................................................................... 3 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied ........................................................................................... 3 1.2 Beoordelingskader en belangenafweging.............................................................................. 5 1.3 Leeswijzer .................................................................................................................................. 6

2.

Toekomstige situatie .................................................................................................................. 7 2.1 Gewenst ontwikkeling ................................................................................................................ 7 2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving .................................................................. 7

3.

Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege ........................................................................... 9 3.1 Omschrijving gevraagde activiteiten .......................................................................................... 9 3.2 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege........................................................................... 9 3.2.1 Strijdigheden met bestemmingsplan Buitengebied 2010........................................................ 9 3.2.2. Bruidsschat ............................................................................................................................ 9 3.2.3 Gemeentelijke verordeningen ................................................................................................. 9 3.2.4 Hogere waarde besluiten (indien van toepassing).................................................................. 9 3.2.5 Bodemkwaliteitskaart (indien van toepassing)........................................................................ 9

4.

Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht ...................... 10 4.1 Visie en beleid voor het plangebied ......................................................................................... 10 4.1.1 Nationale omgevingsvisie ..................................................................................................... 10 4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024 ............................................... 10 4.1.3 Omgevingsvisie Dinkelland................................................................................................... 13 4.1.4 Beleid buitengebied met kwaliteit ......................................................................................... 14 4.1.5 Omgevingskwaliteit. .............................................................................................................. 16 4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders........................................................ 16 4.2.1 Provinciaal vooroverleg ........................................................................................................ 16 4.2.2 Participatie omgeving ...........................................................................................................

17 4.2.3 Bindend adviesrecht gemeenteraad .................................................................................... 17

5.

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu ................................................................................ 18 5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking ..................................................................................... 18 5.2 m.e.r.-beoordeling.................................................................................................................... 18 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren .......................................................................... 18 Zie paragraaf 2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving. Onder het kopje “Mobiliteit en bereikbaarheid” is bestaande situatie omtrent parkeren, ontsluiting omschreven. ................... 18 5.4 Soortenbescherming en gebiedsbescherming ........................................................................ 19 5.5 Luchtkwaliteit ........................................................................................................................... 19 5.6 Geluid ...................................................................................................................................... 20 5.7 Geur .........................................................................................................................................

20 5.8 Omgevingsveiligheid................................................................................................................ 20 5.9 Trilling ...................................................................................................................................... 20 5.10 Archeologie ............................................................................................................................ 21 5.11 Bodem ................................................................................................................................... 21 5.12 Waterbelang .......................................................................................................................... 21 5.13 Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen. ...................................................................... 21

6. 7.

Financiële haalbaarheid ........................................................................................................... 23 Voorwaarden omgevingsvergunning ....................................................................................... 24

2

1. Inleiding 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied De initiatiefnemer, wonende aan de Laagsestraat 39 te Oud Ootmarsum, is voornemens een bestaande schuur op hun voormalig agrarisch erf te verbouwen. Op de begane grond worden een praktijkruimte en een bijeenkomstruimte gerealiseerd. De praktijkruimte is bestemd voor zwangerschapsmassages en draagconsulten, gericht op zwangere vrouwen en recent bevallen moeders. De bijeenkomstruimte zal worden gebruikt voor kleinschalige informatievoorziening, bezinning en ontmoeting; het organiseren van feesten of grootschalige evenementen is hierbij uitgesloten. Het gaat om max. 4 stellen (ouders/ toekomstige ouders) die langs komen voor de voorlichting. De doelgroep is (aanstaande) ouders met hulpvragen voor hun baby/ kind. Deze ruimte maakt geen deel uit van de plattelandskamers. Op de eerste verdieping worden twee plattelandkamers gerealiseerd ten behoeve van kortdurend verblijf. Het beoogde gebruik past momenteel niet binnen de regels van het omgevingsplan, aangezien dit gebruik niet is opgenomen in het voor deze locatie geldende omgevingsplan. Door middel van een omgevingsvergunning voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA) kan medewerking verleend worden aan de voorgenomen ontwikkeling.

Het bevoegd gezag mag een omgevingsvergunning voor een Buitenplanse Omgevingsactiviteit alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Voorliggende onderbouwing voorziet hierin. Ligging Het projectgebied is gelegen aan de Laagsestraat 39 te Oud Ootmarsum en betreft een woonfunctie in het omgevingsplan gemeente Dinkelland, onderdeel bestemmingsplan Buitengebied 2010. Kadestraal staat het plangebied bekend als gemeente Denekamp, sectie A, perceelnummer 03303. Het perceel bestaat uit een hoofdbouw en bijbehorende bouwwerken die momenteel bewoond worden door de initiatiefnemer. Onder de bebouwing zit nog een gebiedsaanwijziging ‘Waarde Ecologie’. De omliggende gronden bestaan uit de functie Bos en Natuur, Agrarisch 2 en de functie Verkeer. Zie figuur 1.

Figuur 1: projectlocatie. (Bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerking initiatiefnemer).

3

Begrenzing De begrenzing van het projectgebied is in figuur 2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een situatiekaart weergegeven waarop het project gebied is weergegeven. Voorliggende BOPA heeft enkel betrekking op de aangegeven bestaande te verbouwen schuur met het blauwe kader en betreft niet de de nieuw te bouwen schuur en woning. Hiervoor worden separate aanvragen voor ingediend.

Figuur 2:weergave projectgebied. (Bron: kadaster, bewerking initiatiefnemer).

4

1.2 Beoordelingskader en belangenafweging Beoordelingskader Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan van rechtswege. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat uit: - (ruimtelijke) regels uit verschillende in artikel 4.6 Invoeringswet aangewezen vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen; - rijksregels over activiteiten, aangeduid als de bruidsschat. Bij vergunningverlening van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt enerzijds dat een vergunning voor de activiteiten alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen. De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing: - de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl; - de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; - eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld. Bij de beoordeling of wij een vergunning willen verlenen voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn deze regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de buitenplanse omgevingsplanactiviteit ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen. De gemeenteraad heeft een aantal gevallen aangewezen waarvoor een bindend advies van de gemeenteraad is vereist alvorens de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit vergunning verleend kan worden. Wanneer de gemeenteraad een negatief advies geeft moet de gevraagde vergunning door het college worden geweigerd. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken.

De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat. Belangenafweging Het college heeft bij het bepalen om wel of geen vergunning te verlenen om af te wijken van het omgevingsplan beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoeringen vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is. Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen. Ondanks dat het project in strijd is met het omgevingsplan van rechtswege kan de omgevingsvergunning voor het project worden verleend, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5

Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het project bij aan die visie en beleid die de gemeente voor dit projectgebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen. Gelet op voorgaande overwegingen zijn er in hoofdstuk 7 voorwaarden aan de vergunning verbonden voor de ontwikkeling van het project. Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de omgevingsvergunning geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het verlenen van de omgevingsvergunning is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.

1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg, het participatietraject en of een bindend advies van de gemeenteraad benodigd is. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot zijn in hoofdstuk 7 de voorwaarden omgevingsplanactiviteit vergunning zijn verbonden.

opgenomen

die

aan

deze

buitenplanse

6

2. Toekomstige situatie 2.1 Gewenst ontwikkeling De initiatiefnemer, is voornemens een bestaande schuur op hun voormalig agrarisch erf te verbouwen. Op de begane grond worden een praktijkruimte en een bijeenkomstruimte gerealiseerd. De praktijkruimte is bestemd voor zwangerschapsmassages en draagconsulten, gericht op zwangere vrouwen en recent bevallen moeders. De bijeenkomstruimte zal worden gebruikt voor kleinschalige informatievoorziening, bezinning en ontmoeting; het organiseren van feesten of grootschalige evenementen is hierbij uitgesloten. Op de eerste verdieping worden twee plattelandkamers gerealiseerd ten behoeve van kortdurend verblijf. Zie hiervoor tekening D01.

2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving Inpassing in de omgeving De ontwikkeling vindt plaats binnen de bestaande erfstructuur en maakt uitsluitend gebruik van reeds aanwezige bebouwing. Er is geen sprake van uitbreiding van het bouwvolume of aantasting van het open landschap. De stedenbouwkundige uitgangspunten zijn gericht op het behoud van het bestaande karakter van het erf en de landschappelijke inpassing binnen het buitengebied. De verschijningsvorm, situering en schaal van de bebouwing blijven ongewijzigd, waardoor het initiatief passend is binnen de landelijke omgeving. Door hergebruik van bestaande bebouwing wordt aangesloten bij het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Landschappelijk wordt er zoveel mogelijk uitgegaan van het behoud van de groene inpassing. De groenstructuren langs beide wegen worden versterkt door het doorplanten met bosplantsoen. Ten opzichte van de huidige situatie wordt aan de zijde van de Heuvelweg halfverharding toegevoegd ten behoeve van het parkeren van auto’s. Deze ingreep leidt echter niet tot een aantasting van de landschappelijke kwaliteit of van het omliggende agrarische en landelijke karakter. Zie hiervoor bijlage landschapsplan, gemaakt door Tuulk Tuin & Lanschapsinrichting. Mobiliteit en bereikbaarheid De ontsluiting van de te verbouwen schuur wordt aangepast en zal plaatsvinden via de Heuvelweg.

De bestaande toegang wordt verbreed ten behoeve van het realiseren van aanvullende parkeervoorzieningen voor bezoekers. Het perceel wordt zodanig ontsloten dat zowel het in- als uitrijden van het erf via de Heuvelweg plaatsvindt. Parkeren wordt volledig op eigen terrein gerealiseerd en is rechtstreeks bereikbaar vanaf deze weg. De parkeerplaatsen worden gerealiseerd aan een doodlopende straat met een beperkte verkeersintensiteit. De haaks aangelegde parkeerplaatsen zijn overzichtelijk bereikbaar en veilig te verlaten, mede doordat aan de zijde van de parkeerplaatsen geen hoge groene bosschages of andere zicht belemmerende elementen aanwezig zijn. Hierdoor blijft de verkeersafwikkeling passend binnen de bestaande verkeerssituatie. Het initiatief leidt tot een beperkte toename van verkeersbewegingen, passend bij het kleinschalige karakter van de beoogde functies. De verkeersstromen zijn van beperkte omvang en vinden gespreid plaats, waardoor geen nadelige gevolgen ontstaan voor de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid in de directe omgeving. De praktijkruimte en bijeenkomstruimte op de begane grond zijn hoofdzakelijk overdag in gebruik en genereren uitsluitend incidentele en kleinschalige bezoekersstromen. Hierdoor wordt piekbelasting voorkomen.

De logiesfunctie op de eerste verdieping, bestaande uit twee plattelandskamers voor kortdurend verblijf, leidt slechts tot een zeer beperkte verkeersgeneratie, die voornamelijk bestaat uit aankomst- en vertrekbewegingen aan het begin en einde van het verblijf. Zie figuur 3. voor de bestaande situatie. Zie bijlage landschapsplan, gemaakt door Tuulk Tuin & Lanschapsinrichting voor de inrichting ten aanzien van het parkeren rondom de te verbouwen schuur.

7

Figuur 3: weergave bestaande situatie gezien vanuit de Heuvelweg. (Bron: google.nl/maps, bewerking initiatiefnemer). Milieukundige aandachtspunten Het initiatief betreft een functiewijziging binnen bestaande bebouwing en leidt niet tot milieubelastende activiteiten. Er is geen sprake van relevante negatieve effecten op aspecten zoals geluid, luchtkwaliteit, bodem, externe veiligheid of natuur. Eventuele milieukundige aandachtspunten zijn beoordeeld en beschreven in hoofdstuk 5 van deze ruimtelijke onderbouwing. Uit deze beoordeling blijkt dat het initiatief uitvoerbaar is en voldoet aan de geldende milieuwet- en regelgeving.

8

3. Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege 3.1 Omschrijving gevraagde activiteiten Het initiatief heeft betrekking op de volgende activiteiten: Het wijzigen van het gebruik van een bestaande schuur aan de Laagsestraat 39 te Oud Ootmarsum, het verbouwen van een bouwwerk (technische bouwactiviteit), het verbouwen van een bouwwerk (omgevingsplanactiviteit), het maken of veranderen van een uitweg naar de weg. Deze wijziging valt in het omgevingsplan ‘Omgevingsplan gemeente Dinkelland’, functie wonen volgens ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2010, onherroepelijk (vastgesteld 2010-02-18). 3.2 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege Het initiatief heeft betrekking op de volgende activiteiten: Het wijzigen van het gebruik van een voormalige agrarische schuur. Zie 3.2.1 strijdigheden met bestemmingsplan Buitengebied 2010 voor een nadere toelichting op het te wijzigen gebruik. 3.2.1 Strijdigheden met bestemmingsplan Buitengebied 2010. Het beoogde gebruik, praktijkruimte, bijeenkomstfunctie + plattelandskamers in een voormalige agrarische schuur past niet in het huidige omgevingsplan ‘Omgevingsplan gemeente Dinkelland’, functie wonen volgens ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2010, onherroepelijk (vastgesteld 2010-02-18). Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verleend te worden.

In deze onderbouwing wordt aangetoond dat het plan voldoet aan de vereisten van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 3.2.2. Bruidsschat De bruidsschat bevatten regels over onderwerpen die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet in nationale regelgeving waren opgenomen (door het Rijk opgestelde regels). Onder de Omgevingswet worden deze door gemeenten geregeld. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels op het gebied van bouwen, milieubelastende activiteiten en overige activiteiten en is opgenomen in hoofdstuk 22 van de regels van het omgevingsplan. Het grootste gedeelte van deze regels is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor milieuregels (zoals regels over geurnormen en de afstand tot een geurgevoelig object). Voor dat deel van de regels geldt dat het mogelijk is om van het omgevingsplan af te wijken. Voor voorliggend plan zijn geen specifieke bepalingen uit de bruidsschat relevant. Waar nodig, worden deze bepalingen in Hoofdstuk 5 betrokken bij de milieuspecifieke beoordeling. 3.2.3 Gemeentelijke verordeningen Niet van toepassing op deze ontwikkeling. 3.2.4 Hogere waarde besluiten (indien van toepassing) Niet van toepassing op deze ontwikkeling.

3.2.5 Bodemkwaliteitskaart (indien van toepassing) Niet van toepassing op deze ontwikkeling.

9

4. Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg, participatie en bindend adviesrecht 4.1 Visie en beleid voor het plangebied 4.1.1 Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s. 4. Toekombestendige ontwikkeling van het landelijk. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven van de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren.

Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes. • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiden van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte. • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Toets Het initiatief past binnen de uitgangspunten van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), omdat sprake is van zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik in het landelijk gebied. De ontwikkeling bestaat uit het hergebruiken van bestaande agrarische bebouwing naar een kleinschalige praktijkruimte met bijbehorende bijeenkomstruimte en een recreatieve functie, zonder uitbreiding van bebouwing of aantasting van het landschap.

Hiermee wordt aangesloten bij de NOVI-prioriteit ‘toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied’. Daarnaast draagt het plan bij aan een duurzaam economisch perspectief voor het buitengebied door het versterken van de recreatieve kwaliteit van de regio op kleinschalige wijze. De ontwikkeling sluit aan bij de bestaande kwaliteiten van de omgeving, waaronder natuur, rust en landschap, en richt zich op passende vormen van verblijfsrecreatie zonder massatoerisme. Ook sluit het initiatief aan bij de NOVI-afwegingsprincipes. Er is sprake van zorgvuldig hergebruik van bestaande bebouwing en een combinatie van functies binnen het erf. De kenmerken en identiteit van het gebied blijven behouden en worden juist versterkt door het behoud van het agrarische erf en de landschappelijke inpassing. Negatieve effecten op de fysieke leefomgeving blijven beperkt, waardoor geen sprake is van afwenteling op de omgeving of toekomstige generaties. 4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024 De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's.

De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.

10

Provinciale Omgevingsverordening De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt.

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: • generieke beleidskeuzes (OF); • ontwikkelingsperspectieven (WAAR); • gebiedskenmerken (HOE). Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes (OF) Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024. Ontwikkelingsperspectieven (WAAR) Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.

11

Gebiedskenmerken (HOE) Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Toets: Toetsing Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel De provincie Overijssel hanteert het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen generieke beleidskeuzes (OF), ontwikkelingsperspectieven (WAAR) en gebiedskenmerken (HOE). De voorgenomen ontwikkeling past binnen deze systematiek. OF – Generieke beleidskeuzes De ontwikkeling betreft het hergebruik van bestaande agrarische bebouwing naar een kleinschalige praktijkruimte met bijbehorende bijeenkomstruimte en twee kleinschalige plattelandskamers. Er is geen sprake van nieuwbouw of extra ruimtebeslag in de groene omgeving. Hiermee wordt invulling gegeven aan het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. De ontwikkeling heeft daarnaast geen negatieve invloed op provinciale belangen of omliggende natuur- en landschapswaarden.

WAAR – Ontwikkelingsperspectief Voor het plangebied geldt het ontwikkelingsperspectief “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap”. Binnen dit perspectief is ruimte voor een mix van functies, zoals wonen, landbouw en kleinschalige recreatie, mits deze aansluiten bij de identiteit van het landschap en bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit. De ontwikkeling past binnen dit perspectief, omdat sprake is van een kleinschalige bedrijfsmatige recreatieve nevenfunctie op een bestaand agrarisch erf. De karakteristieke uitstraling van het erf blijft behouden en het initiatief sluit aan bij de kwaliteiten van rust, natuur en landschap rondom het Springendal. Door de beperkte omvang is geen sprake van massatoerisme of een onevenredige belasting van de omgeving. HOE – Gebiedskenmerken De ontwikkeling sluit aan bij de kenmerken van het kleinschalige Twentse landschap. De bestaande bebouwing en erfstructuur blijven behouden en de plattelandskamers worden gerealiseerd binnen de bestaande schuur. Daarnaast wordt gebruikgemaakt van natuurlijke en streekeigen materialen, waardoor de ontwikkeling past bij de identiteit en belevingswaarde van het gebied.

Toetsing Omgevingsverordening Overijssel Artikel 4.6 – Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik De ontwikkeling voldoet aan het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, aangezien uitsluitend gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing op een bestaand erf. Er is geen sprake van uitbreiding van bebouwing of extra ruimtebeslag in de groene omgeving. Artikel 4.7 – Ruimtelijke kwaliteit Het plan draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit doordat het voormalige agrarische erf een passende functie krijgt met behoud van de bestaande bebouwing en landschappelijke structuur. De ontwikkeling sluit aan bij de schaal en het karakter van de omgeving. Artikel 4.8 – Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving De ontwikkeling betreft een kleinschalige hergebruik van bestaande bebouwing waarbij de ruimtelijke kwaliteit behouden en versterkt wordt. Er is geen sprake van grootschalige verstening of aantasting van landschappelijke waarden. De landschappelijke inpassing en het behoud van het erf dragen bij aan de kwaliteit van de groene omgeving.

12

Artikel 4.9 – Sociale kwaliteit Het initiatief draagt bij aan de sociale kwaliteit van het buitengebied door het versterken van recreatieve mogelijkheden en de beleefbaarheid van natuur en landschap. Daarnaast draagt het plan bij aan een vitaal en economisch leefbaar platteland. Artikel 4.11 – Cultureel erfgoed De bestaande agrarische bebouwing en erfstructuur blijven behouden. Daarmee blijft het historische karakter van het erf zichtbaar en wordt zorgvuldig omgegaan met de cultuurhistorische identiteit van het gebied. Artikel 4.13 – Catalogus Gebiedskenmerken De ontwikkeling sluit aan bij de kenmerken van het kleinschalige Twentse landschap. Het erf blijft herkenbaar als agrarisch erf en de ontwikkeling respecteert de bestaande landschappelijke structuren, schaal en identiteit van het gebied. Artikel 4.30 – Recreatie De ontwikkeling betreft een kleinschalige recreatieve voorziening die aansluit bij de kwaliteiten van het buitengebied en de provinciale ambitie om kwalitatieve recreatie te stimuleren. Door de beperkte omvang, het gebruik van bestaande bebouwing en de landschappelijke inpassing blijft de ontwikkeling passend binnen de omgeving en wordt geen afbreuk gedaan aan natuur- en landschapswaarden. 4.1.3 Omgevingsvisie Dinkelland MijnOmgevingsvisie gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente.

De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied , gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. MijnOmgevingsvisie gaat in op: 1. de uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten); 2. hoe men daarop kan inspelen (speerpunten); 3. hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan); 4. welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart). Speerpunten: In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op de thema’s Buitengebied in balans, Leefbare kernen, Leefomgeving van de toekomst. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name het thema Buitengebied van belang. Daarbij gelden de volgende speerpunten - toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd; - goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw; - kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur. Voor onderhavig initiatief is het laatste speerpunt van toepassing. De gemeente wil werken aan kwalitatief toerisme door middel van toerismespreiding en het behouden van een vitaal verblijfsaanbod.

Voorliggende ontwikkeling voldoet hieraan doordat sprake is van een kleinschalige en kwalitatieve recreatieve voorziening die aansluit bij de kwaliteiten van het buitengebied. Binnen bestaande agrarische bebouwing worden twee plattelandskamers gerealiseerd, gericht op rust, natuurbeleving en het landelijke karakter van de omgeving. Hiermee wordt bijgedragen aan een gevarieerd en vitaal verblijfsaanbod binnen de gemeente. Het initiatief richt zich specifiek op inzicht- en avontuurzoekers die bewust kiezen voor kleinschalige verblijfsrecreatie in een natuurlijke omgeving. Door de ligging nabij het Springendal en Ootmarsum wordt aangesloten bij bestaande recreatieve structuren en wordt de recreatieve beleving van het buitengebied versterkt. Daarbij is geen sprake van grootschalige recreatie of massatoerisme, waardoor landschap, natuur en leefomgeving behouden blijven.

13

Daarnaast draagt het initiatief bij aan toerismespreiding binnen de regio. De ontwikkeling stimuleert recreatief verblijf buiten de grotere recreatieconcentraties en biedt bezoekers een rustige verblijfslocatie in het buitengebied. Door het hergebruik van bestaande bebouwing en het behoud van de landschappelijke kwaliteit blijft de ontwikkeling passend binnen de uitgangspunten van de gemeentelijke omgevingsvisie. Waardenkaart: Volgens de waardenkaart valt het gebied onder de kleur middengroen. In de gebieden met de tussenkleur groen zijn waarden aanwezig voor modern, agrarisch gebruik alsmede landschapswaarden die van belang zijn voor natuur, beleving en recreatie. Deze gebieden zijn gericht op beperkte ontwikkeling door gemiddelde waarde en dynamiek. De waarden in deze gebieden betreffen onder andere “afwisseling van openheid en beslotenheid en “landschap met historisch herkenbare vormen van percelen, wegen en paden” en een verspreid bebouwingspatroon”. Bij ontwikkelingen moet onder andere ingespeeld worden op “de schaal van het landschap en het afwisselende karakter”, ”het behoud van natuurwaarden en cultuurhistorie” en de “bouwwijze en inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is”. Voorliggend initiatief betreft een functiewijziging binnen bestaande bebouwing. Landschappelijk wordt er zoveel mogelijk uitgegaan van het behoud van de groene inpassing.

De groenstructuren langs beide wegen worden versterkt door het doorplanten met bosplantsoen. Ten opzichte van de huidige situatie wordt aan de zijde van de Heuvelweg halfverharding toegevoegd ten behoeve van het parkeren van auto’s. Deze ingreep leidt echter niet tot een aantasting van de landschappelijke kwaliteit of van het omliggende agrarische en landelijke karakter. Conclusie: De voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de omgevingsvisie van de gemeente Dinkelland. 4.1.4 Beleid buitengebied met kwaliteit Het buitengebied kenmerkt zich door een mix van functies als landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en wonen, al deze functies vragen om ruimte. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Al deze functies leggen samen veel druk op ons buitengebied. Daarom wordt ook voor de toepassing van deze beleidsregel het uitgangspunt gehanteerd: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. We streven naar een aantrekkelijk en vitaal buitengebied waar een goede balans is tussen landgebruik, ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en economische activiteiten. Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren.

Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. De gewenste ontwikkeling wordt geschaard onder bedrijfsmatige activiteiten in artikel 3.4.Het is mogelijk om binnen de functie ‘Wonen’ bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen. Niet elk nieuwe functie wordt wenselijk en/of aanvaardbaar gevonden. Dit zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden waarbij onder meer de aard en invloed van de nieuwe functie op de omgeving een rol speelt.

14

Voor het toestaan van bedrijfsmatige activiteiten binnen de functie ‘Wonen’ gelden de volgende voorwaarden: 1. De maximale omvang van de bijbehorende bouwwerken die in gebruik zijn voor de bedrijfsmatige activiteiten bedraagt 500 m²; 2. Indien de bestaande bebouwing niet meer functioneel te gebruiken is voor de nieuwe activiteit, is vervangende nieuwbouw mogelijk. Voor de berekening van de terug te bouwen oppervlakte wordt de tabel uit paragraaf 3.2 toegepast. 3. Karakteristieke en/of cultuurhistorisch waardevolle gebouwen kunnen niet worden ingezet voor sloop/vervangende nieuwbouw, maar worden ingepast in de nieuwe erfopzet; 4. Buitenopslag van goederen of andere bedrijfsmatige activiteiten buiten de gebouwen zijn niet toegestaan; 5. In afwijking van lid 4 zijn activiteiten buiten de gebouwen uitsluitend toegestaan indien het gaat om toeristisch-recreatieve functies, horeca, zorgfuncties of daarmee vergelijkbare functies; 6. Indien met de bedrijfsmatige activiteiten sprake is van een verblijfsrecreatieve functie, dient voldaan te worden aan het bepaald in bijlage 3; 7. Detailhandel in een andere vorm dan productiegebonden detailhandel is niet toegestaan. Maximaal 10% van de totale oppervlakte van de gebouwen tot een maximum van 100 m2 mag worden gebruikt voor productiegebonden detailhandel.

Toets: De gewenste bedrijfsmatige ontwikkeling vinden plaats in een bestaande schuur en omvat meerdere onderdelen. De begane grond van de schuur wordt gebruikt voor een praktijkruimte en een daarbij behorende bijeenkomstruimte. Op de verdieping van de schuur vindt verblijfsrecreatie plaats in de vorm van plattelandskamers. De omvang van de bebouwing waarbinnen de bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden is 100 m². De activiteit vindt plaats binnen de contouren van een bestaand bijgebouw en op een bestaand erf. Er is geen sprake van buitenopslag en er vindt ook geen detailhandel plaats. Hieronder wordt getoetst aan Bijlage 3, Kaders Verblijfsrecreatie. Bijlage 3 Kaders Verblijfsrecreatie. 3.1 Algemene kaders: Wij bieden mogelijkheden voor marktconforme en gebiedspassende verblijfsrecreatieve bedrijvigheid. - De ontwikkeling dient bij te dragen aan differentiatie en vernieuwing van het bestaande aanbod en/of heeft een aantoonbare meerwaarde voor het verblijfsrecreatieve product binnen de gemeente. - Bij het verzoek om medewerking wordt gevraagd om een bedrijfsplan om de meerwaarde aantoonbaar te maken (economische haalbaarheid, marktbehoefte etc.). Initiatiefnemers kunnen het plan laten onderbouwen door een vakkundig extern adviseur. - Permanente bewoning is in beginsel uitgesloten in iedere verblijfsvorm.

- De kwantitatieve en kwalitatieve behoefte wordt getoetst op basis van actueel marktonderzoek en hierbij wordt de theorie van zgn. leefstijlvinder vakantie en vrije tijd gebruikt. Er is een bedrijfsplan opgesteld en beoordeeld is dat hiermee de meerwaarde van de ontwikkeling is aangetoond. Gelet op de belangen van initiatiefnemer wordt deze niet openbaar gemaakt, maar uit het bedrijfsplan blijkt het volgende: Zuver Sloap’n biedt een kleinschalige, natuurgerichte en betekenisvolle verblijfsplek die perfect aansluit bij inzichtzoekers, avontuurzoekers én aanstaande ouders die bewust kiezen voor rust en verdieping. De unieke combinatie van boutique plattelandskamers, natuurbeleving en een professionele zwangerschapspraktijkruimte maakt het concept onderscheidend binnen Noordoost Twente. Hiermee ontstaat een vernieuwend aanbod dat niet concurreert met bestaande wellnesshotels, maar juist een eigen niche bedient: rust, natuur, authenticiteit en persoonlijke aandacht. Het concept past binnen het beleid van de gemeente, versterkt de recreatieve diversiteit in de regio en sluit aan bij de groeiende vraag naar kleinschalige, hoogwaardige en betekenisvolle verblijfsconcepten.

15

Zuver Sloap’n staat daarmee klaar om uit te groeien tot een unieke plek waar mens, natuur en ontspanning samenkomen — een plek die rust geeft, inspireert en bijdraagt aan een toekomstbestendige recreatieve sector in Noordoost Twente. Daarnaast is sprake van zorgvuldig hergebruik van bestaande bebouwing, waarbij de landschappelijke en agrarische uitstraling van het erf behouden blijft. Het verblijf is uitsluitend bedoeld voor recreatief gebruik; permanente bewoning is uitgesloten. Daarmee voldoet het initiatief aan de uitgangspunten van de gemeentelijke kaders voor verblijfsrecreatie. 3.2 Agrarisch en voormalig agrarisch erf Onder de functie ‘agrarisch’ en bij een voormalig agrarisch erf worden diverse ontwikkelingen toegestaan. Het betreft plattelandskamers, een groepsaccommodatie en/of een kampeerboerderij en een kleinschalig kampeer- en/of camperterrein. Het gaat om initiatieven waarbij de beleving van het platteland en het (voormalige) agrarische erf centraal staat. 3.2.1 Voorwaarden en kaders plattelandskamers • • • • • •

Exploitatie is jaarrond toegestaan Moeten in (voormalige) agrarische bebouwing gerealiseerd worden. Bijbouwen en uitbouwen is niet toegestaan. Het (voormalige) agrarische gebouw dient in de categorieën monumentaal, karakteristiek of bebouwing met specifieke kwaliteiten (traditioneel of eigentijds) te vallen. Zie bijlage 2. Het aantal plattelandskamers in één gebouw bedraagt minimaal twee om de bedrijfsmatige exploitatie te waarborgen (= min. vier slaapplaatsen). De plattelandskamers vormen ruimtelijk een gezamenlijk object. Sanitaire voorzieningen, keuken en overige verblijfsruimten mogen per plattelandskamer worden ingericht.

Toets: Het initiatief voldoet aan deze voorwaarden. De te gebruiken schuur betreft een voormalige agrarische schuur die gecategoriseerd wordt in de categorie bebouwing met specifieke kwaliteiten. Binnen de schuur worden 2 plattelandskamers gerealiseerd en deze worden bedrijfsmatige geëxploiteerd. 4.1.5 Omgevingskwaliteit. Zie tekening D01. De verbouwing van de bestaande schuur past binnen het geldende welstandsbeleid voor het buitengebied van de gemeente Dinkelland, zoals vastgelegd in de Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen. Uitgangspunt binnen dit beleid is het behoud en de versterking van het landelijke karakter, waarbij zorgvuldig wordt omgegaan met bestaande erven en bebouwing. Het initiatief voorziet uitsluitend in het hergebruik en de interne aanpassing van een bestaande schuur, waarbij de hoofdvorm, schaal, kapvorm en situering ongewijzigd blijven. Het materiaal- en kleurgebruik sluit aan bij de bestaande verschijningsvorm en is passend binnen de agrarische en landschappelijke context van het buitengebied. Door het behoud van de bestaande erfstructuur en het ontbreken van volumetoename of landschapsverstorende ingrepen wordt voldaan aan de welstandscriteria die gelden voor het buitengebied. Daarmee draagt het plan bij aan het behoud van de ruimtelijke kwaliteit en is het in overeenstemming met het gemeentelijke welstandsbeleid.

4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak heeft gedaan. 4.2.1 Provinciaal vooroverleg De provincie Overijssel heeft de ‘uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023’ vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden. In de uitzonderingslijst is het huidige initiatief niet opgenomen. Er is daarom vooroverleg met de provincie vereist.

16

Het plan is daarom aan de provincie voorgelegd. Op 9 april 2026 heeft de provincie op het totaalplan aangegeven dat er geconstateerd is dat er meer bijbehorende bouwwerken toegestaan worden dan bij een normale woonfunctie is toegestaan. Op grond daarvan is het de provinciale kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing. Er wordt vanuit gegaan dat hiervoor de gemeentelijke beleidsregels, zoals schuur voor schuur toegepast worden. Voor het overige heeft de provincie geen opmerkingen op het plan. De provincie heeft een lijst vastgesteld met gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor op grond van artikel 16.15a sub d Omgevingswet advies met instemming nodig is (Lijst advies en instemming (lijst BOPA)). Als de gewenste activiteiten zijn opgenomen op deze lijst dan is de provincie bevoegd om advies te geven en instemming te verlenen. Onthoudt de provincie instemming dan kan de omgevingsvergunning niet verleend worden. Aangezien er een positief vooroverleg met de provincie is geweest en de voorliggende omgevingsvergunning hiermee in overeenstemming is, is geen advies en instemming van de provincie vereist. 4.2.2 Participatie omgeving De initiatiefnemer van het plan is bij de omwonenden langs geweest om de verbouw van zijn schuur en de hierbij horende gewijzigde gebruik toe te lichten. Zie hiervoor bijlage Participatie verslag.

4.2.3 Bindend adviesrecht gemeenteraad De raad heeft op grond van artikel 16.15 onder a en b van de Omgevingswet bepaald in welke gevallen een bindend advies van de gemeenteraad is vereist. Het gaat om de volgende gevallen: - Een toevoeging van een woning in het buitengebied; - (Verplaatsing van) bebouwing op meer dan 30 meter buiten het bouwvlak; - (Het uitbreiden van) niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied; - De vestiging van een intensief veehouderijbedrijf; - Duurzame energievoorzieningen, zoals bijvoorbeeld: - zonneveld voorzover groter dan 50m2; - windturbine/-molen voorzover hoger dan 25 meter; - biomassavergistingsinstallatie voorzover niet uitsluitend bedrijfseigenmest wordt verwerkt - Antenne-installatie voorzover hoger dan 40 meter; - Grootschalige infrastructurele (kunst)werken; - De opvang van vluchtelingen en/of asielzoekers. De ontwikkeling van de praktijkruimte, bijeenkomstruimte en de plattelandskamers betreffen nietagrarische bedrijvigheid in het buitengebied. Hiervoor is bindend advies van de gemeenteraad vereist.

17

5. Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt bij vergunningverlening van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dat een vergunning voor de activiteiten alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de buitenplanse omgevingsplanactiviteiten zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: - de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 ‘Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ van het Bkl; - de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; - eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.

5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking Niet van toepassing op deze ontwikkeling. Het betreft hier om een wijziging van het gebruik van de schuur. Zie hiervoor tekening D01. Het gewijzigde gebruik van deze bestaande schuur betreft een kleinschalige ontwikkeling waarbij geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 5.2 m.e.r.-beoordeling Niet van toepassing. Het project is niet mer-(beoordeling) plichtig. De voorgenomen ontwikkeling betreft het gewijzigde gebruik van een schuur met een oppervlakte van 100 m² ten behoeve van plattelandskamers en een praktijkruimte met de daarbij behorende bijeenkomstruimte. Het gaat hierbij om zeer kleinschalige activiteiten. Deze activiteiten vallen niet onder de categorieën zoals benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er geen noodzaak tot een m.e.r.-beoordeling. Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow). 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling) Zie paragraaf 2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving.

Onder het kopje “Mobiliteit en bereikbaarheid” is bestaande situatie omtrent parkeren, ontsluiting omschreven. Gelet op de aard, omvang en spreiding van de verkeersbewegingen kan worden geconcludeerd dat het initiatief verkeerskundig aanvaardbaar is en geen onevenredige gevolgen heeft voor de bereikbaarheid, verkeersveiligheid of mobiliteit in de directe omgeving. Parkeren Het aantal parkeerplaatsen voor dit initiatief is niet vastgesteld op basis van de gemeentelijke Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018 genoemde normen. Beide beoogde gebruiksvormen worden niet expliciet genoemd in de richtlijnen met parkeerkencijfers. Voor overnachtingsmogelijkheden geldt dat maatwerk noodzakelijk is, mede afhankelijk van het aantal kamers. Wanneer echter op praktische wijze wordt gekeken naar de functie en het te verwachten gebruik, kan met de realisatie van zes parkeerplaatsen worden voldaan aan de eis dat op eigen terrein in de parkeerbehoefte moet worden voorzien. Voor de plattelandskamers wordt daarbij uitgegaan van één auto per kamer en voor bijeenkomsten van één auto per stel. Voor de bijeenkomstruimte gaat het om max. 4 stellen (ouders/ toekomstige ouders) die langs komen voor de voorlichting, zie tevens paragraaf 1.1.

18

Aan de eis uit het beleid Bouwen en Parkeren, waarin is opgenomen dat op eigen terrein in de parkeerbehoefte moet worden voorzien wordt voldaan. Met het momenteel ingetekende aantal van zeven parkeerplaatsen wordt bovendien extra ruimte geboden, voor het geval een stel met twee auto’s arriveert. Hierbij is ervan uitgegaan dat de parkeerbehoefte van de bewoners, evenals die van degene die de informatievoorzieningen en de praktijkruimte verzorgt en gebruikt, wordt opgevangen binnen de parkeervoorzieningen bij de woning. 5.4 Soortenbescherming en gebiedsbescherming Het initiatief betreft een gebruikswijziging van een bestaande voormalige agrarische schuur, waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing. Er vinden geen uitbreidingen van het bouwvolume plaats en er wordt ten opzichte van de bestaande verharding niet of nauwelijks meer verharding toegevoegd aan het bestaande terrein. De enige toegevoegde verharding betreft de aanleg van extra parkeerplaatsen aan de Heuvelweg. Daarmee blijft de fysieke ingreep in de omgeving beperkt. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied of een ander wettelijk beschermd natuurgebied. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is op een afstand van circa 400 meter gelegen en betreft het "Springendal en Dal van de Mosbeek".

Gelet op de aard en schaal van de beoogde functies – een praktijkruimte, een kleinschalige bijeenkomstruimte en twee plattelandkamers voor kortdurend verblijf – is geen sprake van activiteiten die leiden tot een significante toename van stikstofemissie, geluid, licht of andere verstorende effecten op natuurwaarden of natuurgebieden. Ten aanzien van soortenbescherming geldt dat de werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan uit interne verbouwingen en het behoud van de bestaande schuur. Hierdoor is het risico op aantasting van beschermde flora en fauna beperkt. Indien tijdens de uitvoering onverhoopt beschermde soorten worden aangetroffen, zal overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving worden gehandeld. Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief geen onevenredige negatieve gevolgen heeft voor aanwezige natuurwaarden en geen belemmeringen oplevert vanuit de geldende natuurwetgeving. 5.5 Luchtkwaliteit Het plan voorziet niet in de realisatie van nieuwe milieubelastende activiteiten als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en gaat niet gepaard met relevante emissies naar de lucht. Het initiatief is niet gelegen binnen een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit. Daarnaast leidt het plan slechts tot een zeer beperkte toename van verkeersbewegingen, passend bij het kleinschalige karakter van de functies.

Deze verkeersgeneratie is dermate gering dat kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentraties stikstofdioxide (NO₂) en fijnstof (PM₁₀), zoals bedoeld in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Er is geen sprake van activiteiten die over grotere afstand invloed hebben op nabijgelegen aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit. Ook is geen sprake van vergunningplichtige milieubelastende activiteiten waarvoor specifieke emissiebeoordelingen noodzakelijk zijn. Toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is daarom niet aan de orde. Gelet op het bovenstaande voldoet het initiatief aan de geldende luchtkwaliteitsregels en zijn er geen belemmeringen vanuit het aspect luchtkwaliteit.

19

5.6 Geluid De beoogde activiteiten voor in de schuur hebben een kleinschalig en rustig karakter. De praktijkruimte is bedoeld voor zwangerschapsmassages en draagconsulten en de bijeenkomstruimte voor kleinschalige informatievoorziening, bezinning en ontmoeting. Het organiseren van feesten of grootschalige evenementen is expliciet uitgesloten. De activiteiten vinden hoofdzakelijk overdag plaats en gaan niet gepaard met relevante geluidproductie door installaties, muziek of andere structurele geluidsbronnen. Het geluid dat samenhangt met menselijk stemgeluid en incidentele bezoekersbewegingen is beperkt en passend binnen het landelijke karakter van het gebied. De plattelandkamers op de eerste verdieping vormen een logiesfunctie voor kortdurend verblijf en leiden slechts tot zeer beperkte geluidemissies, voornamelijk bestaande uit aankomst- en vertrekbewegingen. Deze verkeersbewegingen zijn van geringe omvang en vinden gespreid plaats, waardoor geen sprake is van relevante indirecte akoestische effecten als bedoeld in paragraaf 5.1.4.2a.5 Bkl. Binnen het plan worden geen nieuwe geluidbelastende activiteiten toegestaan die kunnen leiden tot overschrijding van de standaardwaarden of grenswaarden zoals opgenomen in artikelen 5.65 en 5.66 Bkl.

Evenmin is sprake van cumulatie van geluidbronnen die de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting op nabijgelegen geluidgevoelige gebouwen in het geding brengt. De activiteiten vinden plaats binnen bestaande bebouwing en leiden niet tot een wijziging van de geluidsoverdracht in de omgeving. Daarnaast is geen sprake van het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw binnen een geluidaandachtsgebied van wegen of industrieterreinen als bedoeld in paragraaf 5.1.4.2a Bkl. De voorgenomen functiewijziging blijft daarmee buiten het toepassingsbereik van de regels voor hogere grenswaarden. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief geen onevenredige gevolgen heeft voor de geluidssituatie ter plaatse en in de omgeving. Het geluid door de toegestane activiteiten is aanvaardbaar en vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet. 5.7 Geur Het plan betreft een gebruikswijziging op een erf dat reeds een woonfunctie heeft en binnen bestaande bebouwing aan de Laagsestraat 39 te Oud Ootmarsum en leidt niet tot een toename van het aantal geurgevoelige objecten in de omgeving die verder gaat dan het reeds bestaande gebruik van het erf. Tevens leidt het initiatief er niet toe dat omliggende agrarische bedrijven in hun bedrijfsvoering worden beperkt.

De bestaande en geldende geurnormen op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) blijven onverkort van toepassing en kunnen door omliggende bedrijven worden nageleefd. 5.8 Omgevingsveiligheid Het plan leidt niet tot het mogelijk maken van risicovolle activiteiten en ligt niet binnen invloedssferen of aandachtsgebieden van externe veiligheidsbronnen. Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico vormen geen belemmering voor de voorgenomen gebruikswijziging. Het initiatief is daarmee in overeenstemming met de regels voor omgevingsveiligheid en past binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet. De verbouwde schuur zal verder omtrent veiligheidseisen moeten voldoen aan de Bbl (Besluit bouwwerken leefomgeving). 5.9 Trilling Er worden geen activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Ook omgekeerd worden er geen nieuwe trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten toegelaten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/1047/documents/25377