CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

BOPA Bornsestraat 51, Saasveld.pdf

Commissie Omgeving & Economie 12 januari 2026, gemeente DinkellandBij agendapunt: 8: Voorstel inzake bindend adviesrecht Bornsestraat 51 Saasveld17.782 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

opgesteld zoals bedoeld in artikel 16. 53c Ow (artikel 16. 36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16. 36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. ,

In kolom 1 van bijlage V van het Ob wordt het mogelijk maken van huisvesten van arbeidsmigranten binnen bestaande bebouwing niet expliciet genoemd. De meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11 een ‘Stedelijk ontwikkelingstraject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’. Deze ontwikkeling is niet m. e. r. -plichtig. ,

,

Het begrip ‘Stedelijk ontwikkelingsproject’ is niet gedefinieerd wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o. a. woningen parkeerterreinen theaters sportcentra kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: ,

,

,

,

,

•

de aard en omvang van de ontwikkeling;

•

de vormgeving en opzet;

•

de schaalgrootte;

•

de ligging;

•

de voorgenomen functie(wijziging) en;

•

de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk.

,

Wanneer sprake is van een zogenaamde ‘kleine wijziging’ of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op ‘kleine gebieden op lokaal niveau’ dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken (art. 16.36 lid 3 Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling geldt een plan-mer-plicht. ,

,

,

,

,

Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m. e. r. onder het Ob. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie. Het plan voorziet in het huisvesten van vier tijdelijke arbeidsmigranten binnen bestaande bebouwing. Onder verwijzing van de uitspraken van de Raad van State van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:694) 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) en 17 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1253) hangt het antwoord op de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van kolom 1 van bijlage V van het Omgeving besluit. Uit deze uitspraken volgt eveneens dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1 van bijlage V van het Ob categorie J11 niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. ,

,

,

Uit recente jurisprudentie [ECLI:NL:RBLIM:2019:2684] van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg blijkt dat het toestaan van huisvesting voor maximaal 300 arbeidsmigranten in tijdelijke woonunits met bijbehorende voorzieningen op een agrarisch perceel niet wordt gezien als ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat het project hoewel een einde komt aan het agrarisch gebruik van het perceel naar zijn aard past binnen de omgeving. Het perceel sluit immers aan op grootschalige bedrijfspanden wordt ontsloten door een grote provinciale weg en ligt ingeklemd tussen twee grootschalige vakantieparken. Van een (louter) agrarische dan wel natuurlijke omgeving is ook indien het agrarisch gebruik van het perceel zou worden gehandhaafd op die plek (in westelijke richting) nauwelijks sprake. De omvang van het project vormt evenmin aanleiding om uit te gaan van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat het perceel hoewel het bebouwde oppervlakte toeneemt ,

,

,

,

,

,

landschappelijk wordt ingepast door de aanleg van (groene) taluds en een groenstrook. De bebouwing op het perceel wordt hierdoor ook (grotendeels) aan het zicht onttrokken. De ruimtelijke uitstraling van het project is hierdoor mede gelet op de geringe negatieve gevolgen die het project voor het milieu heeft en de getroffen maatregelen ter voorkoming van overlast (permanent toezicht door beheerders en de aanwezigheid van noodzakelijke voorzieningen en voldoende parkeergelegenheid op het terrein) relatief beperkt. Gelet hierop kan het bouwplan naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in de zin van kolom 1 bijlage V van het Ob worden aangemerkt. ,

,

,

Gelet op bovengenoemde uitspraken kan onderhavig plan – het huisvesten van vier arbeidsmigranten binnen bestaande bebouwing – niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. De omvang is kleinschalig/het ruimtebeslag is beperkt door het gebruik van bestaande bebouwing.

Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16. 43 jo. artikel 16. 53 Ow). ,

5. 3 Verkeersgeneratie , -afwikkeling en parkeren Algemeen De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave. De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling) De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. De projectlocatie wordt ontsloten via de Bornsestraat. Voor de berekening van verkeersgeneratie is uitgegaan van een huurappartement in de vrije sector met een BVO van minder dan 30 m.2 Bij vier kamers neemt de verkeersgeneratie toe met afgerond 8 verkeersbewegingen (Berekening: ((17+22)/2=195 x 4)).

Door de ligging van het projectgebied moeten de arbeidsmigranten een korte afstand afleggen tot hun werkplaats. Dit verkeer kan eenvoudig via de Bornsestraat worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. ,

,

,

Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen de rekensystematiek definities uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. ,

,

Het parkeren vind plaats op eigen terrein. Voor de berekening van het aantal parkeerplaatsen wordt er uitgegaan van dezelfde uitgangspunten als bij de berekening van de verkeersgeneratie. Enkel wordt er uitgegaan van de functie ‘appartement < 100 m2’ bij het berekenen van de parkeerbehoefte. Bij 4 kamers wordt de parkeerbehoefte 64 (afgerond 7). Op het terrein is ruim voldoende parkeergelegenheid. ,

Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.

,

-afwikkeling en

5. 4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming 5. 4. 1 Gebiedsbescherming 5. 4. 1. 1 Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2. 43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. ,

Als er naar aanleiding van projecten plannen en activiteiten afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten mogelijkerwijs significante effecten optreden dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. ,

,

,

,

,

,

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen kan het plan worden vastgesteld indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: ,

,

-

-

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. ,

Situatie plangebied Het plangebied ligt niet binnen bestaande Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Lemselermaten’ ligt op circa 53 km van de planlocatie. Zoals te zien is in figuur 5. 1. Met het huisvesten van vier arbeidsmigranten binnen bestaande bebouwing vinden geen externe bouwwerkzaamheden plaats. De bebouwing maakt nog gebruik van een gasaansluiting. In de nieuwe situatie wijzigt dit niet. Met het huisvesten van de arbeidsmigranten neemt de verkeersgeneratie in beperkte mate toe. Zoals blijkt uit paragraaf 5.3 neemt de verkeersgeneratie met 8 toe dit stoot stikstof uit. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied en de beperkte mate van stikstof uitstoot kan gesteld worden dat er geen negatieve effecten zullen optreden. ,

,

,

Figuur 5. 1 Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden projectgebied onder blauwe icon (Bron: atlas leefomgeving) ,

Conclusie Met de gevraagde vergunning voor de omgevingsplanactiviteit (BOPA) wordt geen oordeel gegeven over de vraag of een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit benodigd is maar wordt rekening gehouden met (de effecten op) de Natura 2000-waarden. Gelet op de bovenstaande motivering staat het Natura 2000-gebiedsbeschermingsrecht niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het gevraagde project in de weg. ,

5. 4. 1. 2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. ,

Situatie plangebied Het perceel behoort niet tot het Natuur Netwerk Nederland gebied. Daarnaast heeft het NNN-gebied geen externe werking. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op een afstand van circa 1 km van het plangebied. Zoals te zien is in figuur 5. 2.

Figuur 5. 2 Uitsnede kaart NNN-gebieden projectgebied onder blauwe icon (Bron: atlas leefomgeving) ,

Conclusie Het plangebied ligt op circa 1 kilometer afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. ,

5. 4. 2 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving maar ook van fysieke maatregelen die bescherming vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2. 18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: ,

,

,

,

-

er soorten aanwezig zijn; en

-

welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Situatie plangebied Het voorgenomen initiatief voorziet in het huisvesten van vier arbeidsmigranten binnen bestaande bebouwing. Om dit te realiseren worden er geen werkzaamheden uitgevoerd aan de buitenkant van het pand. Er wordt enkel binnen het pand verbouwd. Hierdoor worden geen negatieve effecten voor fauna verwacht. Een natuurwaarden quickscan word niet noodzakelijk geacht.

Conclusie Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.

,

5. 5 Luchtkwaliteit Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5. 1. 4. 1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: -

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5. 53 en 5. 54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 12 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. ,

,

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5. 54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. ,

,

,

Situatie plangebied In de toekomstige situatie wordt het huisvesten van arbeidsmigranten binnen bestaande bebouwing toegestaan. Het voornemen is om vier één persoons kamers te realiseren. Hierdoor is de inschatting dat het verkeer zal toenemen met 8 bewegingen per dag. In het worst-case scenario wordt uitgegaan van het dubbele aantal verkeersbewegingen met een 2% aandeel aan vrachtverkeer zoals bijvoorbeeld vuilniswagens. In figuur 5. 3 is de worst-case berekening weergegeven met 16 extra voertuigbewegingen per dag. ,

Figuur 5. 3 Worst-case berekening voor bijdrage extra verkeer (Bron: INFOMILL. NL)

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering veroorzaakt. 5. 6 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. ,

Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5. 1. 4. 2. 1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. ,

Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. ,

,

,

,

De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.

Geluid door wegen spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5. 1. 4. 2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen ,

spoorwegen

en

industrieterreinen

alsook

het

geluid

veroorzaakt

door

wegen , spoorwegen

en

,

industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: woningen; • • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals • • verzorgingstehuizen • psychiatrische inrichtingen medische centra poliklinieken medische kleuterdagverblijven etc. ,

,

,

,

,

Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5. 78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel: ,

FIGUUR 5. 4 STANDAARDWAARDEN (BRON ART. 5. 78T VAN HET BKL)

Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein wegen en/of spoorwegen bevinden. , ,

,

Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid namelijk het ‘Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland’ en de ‘Nota hogere grenswaarden’. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend. ,

,

Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype ‘Gemengd gebied’. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde ‘redelijk rustig’ (48 dB) en de bovengrens ‘onrustig’ (53 dB).

Situatie plangebied weg- en verkeerslawaai ,

In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: voor een weg bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg bestaande uit een of twee rijstroken waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt en een spoorweg bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg bestaande uit drie of meer rijstroken en een spoorweg bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. ,

, ,

,

,

,

,

,

In de toekomstige situatie wordt het huisvesten van arbeidsmigranten binnen bestaande bebouwing mogelijk gemaakt. Er worden met het project geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt.

Daarnaast staat op de geluidszoneringskaart aangegeven dat de geluidsbelasting op de gevel 47 dB is. Er wordt dan ook voldaan aan de standaardwaarde van 50 dB. Figuur 5. 5 toont een uitsnede van de geluidzoneringskaart. Verdere toetsing op het gebied van wegverkeerslawaai is niet noodzakelijk.

Figuur 5. 5 Uitsnede wegverkeerslawaai projectgebied onder blauwe icon (Bron: Atlas leefomgeving) ,

Situatie plangebied industrielawaai ,

Met uitvoering van dit plan worden geen activiteiten toegestaan die mogelijk effect hebben op de nabijgelegen gevoelige functies. Tevens ligt de projectlocatie niet binnen de contouren van een geluid gezoneerd industrie- of bedrijventerrein. Een nadere toetsing is niet noodzakelijk.

Situatie plangebied geluid door belastende activiteiten ,

In de omgeving van het projectgebied liggen verschillende bedrijven. De meest dichtstbijzijnde bedrijven liggen op een afstand van 239 meter (Ankerweg 1) 285 meter (Bornsestraat 54) en op 240 meter (Loodijk 1) afstand. Gelet op de afstand tussen de bedrijven en het projectgebied kan gesteld worden dat deze omliggende bedrijven geen geluidsoverlast veroorzaken voor het voorliggende project. ,

Deze bedrijven worden ook niet verder belemmerd door het toestaan van deze huisvesting. Mede ook door enkele woonfuncties gelegen tussen deze bedrijven en het projectgebied. In het geval van belemmering worden de bedrijven al belemmerd door deze woningen. Het toestaan van huisvesting van arbeidsmigranten zorgt niet voor verdere belemmering van deze bedrijven. In voorliggend initiatief wordt het huisvesten van tijdelijke arbeidsmigranten binnen bestaande bebouwing mogelijk gemaakt. Binnen het projectgebied zijn geen geluiden afkomstig die hinder kunnen veroorzaken op de omliggende omgeving.

Conclusie Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid afkomstig van o. a. wegen niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5. 7 Geur In paragraaf 5. 1. 4. 6. 1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld namelijk: • zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5. 1. 4. 6. 2); • het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5. 1. 4. 6. 3); andere agrarische activiteiten. • ,

In artikel 5. 92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.

,

Situatie plangebied Voorliggend initiatief voorziet in het huisvesten van vier arbeidsmigranten binnen bestaande bebouwing. Het gaat hier om het toestaan van een logiesfunctie. Aan het projectgebied grenzen geen volgens het omgevingsplan agrarische bedrijven. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf (Looweideweg 4) bevind zich op meer dan 200 meter afstand tot het plangebied. Het betreft een niet grondgebonden agrarisch bedrijf. De onderlinge afstand is groot genoeg dat de logiesfunctie geen belemmering voor de agrariër vormt maar dat de agrariër ook geen belemmering vormt voor de logiesfunctie. ,

,

,

In de omgeving van het projectgebied liggen verschillende bedrijven. De dichtstbijzijnde bedrijven liggen op een afstand van circa 233 meter (Bornestraat 54) en circa 218 meter (Ankerweg 1). Tussen het projectgebied en deze bedrijven zitten meerdere woningen gevestigd. Hierdoor zouden de bedrijven (voor zover geldend) al beperkt worden in hun bedrijfsvoering. Andersom liggen de bedrijven op een dusdanige afstand dat deze geen belemmering vormen voor het voorliggende initiatief.

Conclusie Gelet op het vorengaande leidt het aspect geur afkomstig van o. a. zuivering technische werken en agrarische bedrijven niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5. 8 Omgevingsveiligheid Algemeen Op basis van paragraaf 5. 1. 2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: ,

-

-

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; ,

-

Windturbines

die

zijn

aangewezen

als

milieubelastende

activiteit

in

het

Besluit

activiteit

leefomgeving. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: -

Opslaan bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5. 1. 2. 4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5. 1. 2. 5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5. 1. 2. 5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5. 1. 2. 5 Bkl). ,

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5. 12 t/m 5. 15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met ,

voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4. 2. 14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).

Situatie plangebied Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). De data uit het REV wordt ontsloten via de Atlas Leefomgeving door deze gegevens in een risicokaart te visualiseren. Op basis van de risicokaart Nederland zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen externe risico’s. De dichtstbijzijnde risicobron ligt op 1860 km. Zie figuur 5. 6. De risicobron betreft een mestvergisting aan de Darfeldsweg/ Postweg. Gezien onderlinge afstand en het feit dat het plangebied buiten het aandachtsgebied ligt van deze risicobron vormt deze risicobron geen belemmering voor dit initiatief. ,

,

Figuur 5. 6 Uitsnede risicokaart projectgebied onder blauwe icon (Bron: Atlas leefomgeving) ,

Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot omgevingsveiligheid.

5. 9 Trilling Paragraaf 5. 1. 4. 4 van het Bkl bevat instructieregels die zien op activiteiten anders dan het wonen die op een locatie worden uitgevoerd en die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. De instructieregels gelden zowel bij het toestaan van de trillingveroorzakende activiteit als bij het toestaan van trillinggevoelige gebouwen. De in deze paragraaf vastgelegde instructieregels zijn niet van toepassing op trillingen die afkomstig zijn van het gebruik van woningen. ,

,

,

Uit artikel 5. 79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De instructieregels voor trillingen zien uitsluitend op trillingen die door een activiteit worden veroorzaakt ter plaatse van een trillinggevoelig gebouw dat planologisch legaal is (toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit). In het tweede lid zijn een aantal gevallen aangewezen waarin de instructieregels voor trillingen niet van toepassing zijn. De omstandigheid dat de instructieregels voor trillingen in een aantal gevallen (zoals omschreven in het tweede lid) niet van toepassing zijn laat onverlet dat — in verband met de toets aan een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ — bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit gemotiveerd dient te worden dat de ter plaatse van trilling gevoelige objecten optredende trillingen aanvaardbaar zijn. Afhankelijk van deze beoordeling dient bij de verlening van BOPA bezien te worden of de te verwachten trillingen genormeerd moeten worden door bijvoorbeeld het stellen van emissie- en/of immissienormen als voorwaarden aan de vergunning. ,

,

Uit artikel 5. 83 Bkl volgt dat bij de vaststelling van het omgevingsplan/verlenen BOPA de aanvaardbaarheid van optredende trillingen die kunnen optreden in trilling gevoelige ruimten van

trilling gevoelige gebouwen moet worden beoordeeld. De regels in het omgevingsplan/voorwaarden BOPA moeten vervolgens bewerkstelligen dat de trillingen die een activiteit ter plaatse van trilling gevoelige ruimten die zijn gelegen in trilling gevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (lid 2). De strekking van art. 5. 83 is vergelijkbaar met de in art. 5. 59 opgenomen regeling voor het aspect geluid. ,

Situatie plangebied In de nabijheid van het plangebied zijn geen trilling veroorzakende functies te vinden zoals bijvoorbeeld spoorwegen. In de omgeving van het plangebied zijn bedrijven (Bornsestraat 54 museum en Ankerweg 1 hippisch centrum) te vinden. Deze bedrijven liggen op een afstand van meer dan 200 meter. Er kan gesteld worden dat deze op voldoende afstand liggen tot het plangebied en geen storende trillingen voor het plangebied veroorzaken. ,

,

,

Conclusie Hiermee kan geconcludeerd worden dat het omgevingsaspect trilling geen gevolgen heeft voor het voorgenomen

initiatief.

5. 10 Archeologie De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5. 130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd archeologische monumenten (voorbeschermde) rijksmonumenten beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8. 8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. ,

,

,

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorischedubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen wordt hieraan getoetst. ,

Situatie plangebied Archeologie Uit de archeologische en cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Dinkelland blijkt dat er een middelmatige archeologische verwachting op het projectgebied ligt. ,

Het plangebied bevindt zich in de zone ‘dekzandwelvingen en -vlakten’. Voor deze zone geldt een middelmatige archeologische verwachting. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 5. 000 m2 bij bodemingrepen van 40 cm en diepere. Voor gebieden kleiner dan 5. 000 m2 geldt vrijstelling van archeologisch onderzoek.

Figuur 5. 7 Uitsnede Dinkelland)

archeologische

waardenkaart

,

projectgebied in blauw

gemarkeerd

(Bron: gemeente

Cultuurhistorie Het plangebied bevat geen rijks- provinciale of gemeentelijke monumenten. In de omgeving van het plangebied bevind zich een monumentale molen (Soaseler Möl). De bebouwing valt buiten de vastgestelde molenbiotoop. Voorliggend initiatief doet geen afbreuk aan de monumentale molen. ,

Conclusie Uit het vorenstaande blijkt dat er geen archeologische en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad met het beoogde initiatief. Geconcludeerd kan worden dat de aspecten ‘archeologie’ en ‘cultuurhistorie’ geen belemmeringen veroorzaken voor het beoogde initiatief.

5. 11 Bodem Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m. b. t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5. 1. 4. 5. 1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. ,

Uit artikel 5. 89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o. a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5. 89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5. 89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5. 89k Bkl art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). ,

Situatie plangebied Het voorliggende initiatief voorziet in het hergebruik van de bestaande voormalige agrarische opstallen. Hierbij wordt de bodem niet geroerd. De opstallen stonden ten dienste van een boomkwekerij en zijn redelijk nieuw (2011 bron: Atlas van Overijssel). In de opstallen is naast de opslagruimte voor oldtimers ook kantoorruimte aanwezig. De bestaande kantoorruimte wordt verblijfsruimte. Tussen de realisatie van de bebouwing en het toestaan van de logiesfunctie binnen deze bebouwing hebben er geen bodem belastende activiteiten plaatsgevonden. Het onderzoek dat in 2006 is uitgevoerd is in bijlage 3 ,

opgenomen.

Uit dit onderzoek blijkt dat de bovengrond ondergrond en grondwater niet verontreinigd is. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin en bedrijfshal) ,

Nu de gebouwen redelijk nieuw zijn en uit de bodemkwaliteitskaart en een oud bodemonderzoek blijkt dat het niet aannemelijk dat de bodem onder het gebouw verontreinigd is is een nieuw verkennend bodemonderzoek niet nodig. ,

Hierdoor kan op basis van artikel 5. 89 lid 2 redelijkerwijs uitgesloten worden dat er een nieuwe gevoelige functie mogelijk wordt gemaakt op mogelijk vervuilde grond. Het milieuaspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor het voorliggende plan. 5. 12 Waterbelang Artikel 5. 37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5. 1. 3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. ,

,

Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5. 38 t/m 5. 49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5. 165 Bkl en paragraaf 22. 3. 8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5. 165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn.

Conclusie Op 4 maart 2025 is via www. hetwateradvies. nl de digitale watertoets verricht. Uit de watertoets is gebleken dat er geen belangen van het Waterschap worden geraakt. De procedure in het kader van de

voortoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen heeft dan ook geen bezwaren. Voor de volledige watertoets wordt verwezen naar bijlage 1. 5. 13 Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen Om gewassen te beschermen worden (chemische) bestrijdingsmiddelen gebruikt. Deze middelen worden door middel van spuitbomen aangebracht op gewassen en een deel hiervan kan verwaaien naar de naastliggende omgeving. Dit wordt ook wel drift genoemd. ,

Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de openlucht worden geteeld in de buurt van gevoelige functies zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van risico’s van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die hierin worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlakte water. Het Besluit activiteiten leefomgeving is daarom evenmin bruikbaar. ,

De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State doet met enige regelmaat uitspraak over zogenoemde spuitvrije De rechtspraak spuitvrije ziet het gebruik zones. over zones op van gewasbeschermingsmiddelen en agrarische bedrijvigheid. Uit deze rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ‘niet onredelijk wordt geacht’. Deze afstand mag wel worden verkleind maar dan moet de overheid dit wel goed motiveren aan de hand een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Echter het gebruik van rekenmodellen is volgens de rechtspraak nog weinig succesvol.

,

,

In eerste instantie betroffen de uitspraken van de Afdeling kwesties over hoogstamteelt. De spuithoogte bij deze teelt is hoger dan bij andere teelten. De grotere hoogte van spuiten leidt tot een ruimere verspreiding van het middel door de lucht naar de omgeving. Deze drift is mede afhankelijk van de windrichting en windkracht. Uit recente rechtspraak volgt dat het niet alleen gaat om gewasbescherming bij hoogstamteelt maar om agrarische bedrijvigheid waarbij agrarische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. ,

Situatie plangebied De kwekerij die op de agrarische bestemming rondom het souterrain wordt uitgeoefend maakt gebruik van gewasbescherming. I. v. m. veiligheid van personen zijn er eisen gesteld aan de nabijheid van spuitzones en opslag om schadelijke invloeden op de woonomgeving te voorkomen. Er zijn nog geen juridische kaders vastgesteld voor de minimale afstand voor de spuitvrije zone. Echter wordt gesteld dat 50 meter een redelijke eis is. Voorliggend initiatief voorziet in het huisvesten van arbeidsmigranten die op de omliggende gronden werkzaam zijn. De arbeidsmigranten worden gehuisvest in het souterrain. De ingang van het soutterain ligt op ca. 30 meter van de sierteelt gronden. Hierbij heeft het gebouw een afschermende werking ten opzichte van de gronden gezien de situering van de ingang. Hierdoor is een kortere afstand voor de spuitzones gerechtvaardigd.

Conclusie Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is niet toegelaten binnen een zone van 50 meter bij gevoelige functies. Gelet op het bovengenoemde omstandigheden is een kortere afstand dan de gestelde 50 meter gerechtvaardigd.

6. Financiële haalbaarheid De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland/Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. ,

,

De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure nadeelcompensatie.

overeenkomst gesloten over

Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing welke jaarlijks wordt vastgesteld.

Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.

,

7. Voorwaarden omgevingsvergunning Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt door activiteiten evenwichtig over locaties te reguleren. In dat verband worden de volgende voorwaarden aan de vergunning verbonden: 1.

Conform de beleidsregel omtrent het huisvesten van arbeidsmigranten uitsluitend de ,

huisvesting van shortstay en midstay-arbeidsmigranten zijn toegestaan; 2.

Voordat de locatie in gebruik genomen wordt voor de huisvesting van maximaal 4 arbeidsmigranten de contact- en verblijfsgegevens van de door initiatiefnemer aangewezen eerste aanspreekpunt van de huisvestingslocatie aan de gemeente is doorgegeven;

3.

Zodra de locatie in gebruik is genomen voor de huisvesting van maximaal 4 arbeidsmigranten moet een nachtregister worden bijgehouden;

4.

De voor de huisvesting van maximaal 4 arbeidsmigranten benodigde 4 parkeerplaatsen moeten in stand worden gehouden.

8. Bijlagen 1. 2. 3.

Bijlage 1 – Resultaat digitale watertoets Bijlage 2 – Participatie verslag Bijlage 3 – Bodemonderzoek , 2006

Het wateradvies

Het wateradvies Het wateradvies helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen van hhelpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen vanet Waterschap raakt. Indien dit het geval is krijgt u tekst en uitleg over het vervolg proces.

Op basis van de check is onderstaande nodig 1. Geen belang procedure

Op basis van onderstaande locatie

03-03-2025 14:53

1

https://hetwateradvies. nl

Het wateradvies

Vragen

en

antwoorden uit de check

1 Gaat het om

een ruimtelijk plan dat uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing inhoudt?

ja

Worden in het plan meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd?

nee

Is er in of rondom het plangebied wel eens sprake (geweest) van wateroverlast of grondwateroverlast?

nee

03-03-2025 14:53

2

https://hetwateradvies. nl

Het wateradvies

Details 1. Geen belang procedure Wateradvies Geen Waterschapsbelang Op grond van het Besluit Ruimtelijke Ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de taken en belangen van het waterschap. De watertoets voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets van waterschap Rivierenland. Uit de gegevens die u heeft ingevoerd volgt dat het plan uitsluitend een functieverandering van bestaande bebouwing betreft. Er vindt geen aanpassing van bebouwing of ruimte plaats. Waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaar tegen dit plan. Het plan hoeft in het kader van de watertoets niet meer voorgelegd te worden aan Waterschap Vechtstromen.

Wat moet ik doen? Overleg met het waterschap is niet nodig. Mochten er in de toekomst wijzigingen in het plan voordoen , dan kunt u de Digitale Watertoets nogmaals doen.

Waar moet ik op letten? Eventueel vereiste (water)vergunningen worden niet geregeld met deze Digitale Watertoets en zullen via de daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Wij willen u ook wijzen op de verwerking van afvalwater. Omdat in de meeste gevallen de gemeente bevoegd gezag is , dient u hiervoor contact op te nemen met uw gemeente.

03-03-2025 14:53

3

https://hetwateradvies. nl

Dinkelland

gemeente

yy

rn ST

O®%

Participatieverslag 1.

Wat

is

uw

plan?

Het

plan is om het kantoorgedeelte van het bedrijfspand om te bouwen naar 4 kamers voor arbeidsmigranten. Het keukengedeelte en ook de douche en we groep blijft intact en wordt door arbeidsmigranten gemeenschappelijk gebruikt. 2.

Welke

Voor

de

3.

Wie

invloed heeft

uw

de

plan op de omgeving?

omgeving heeft de aanpassing geen gevolgen. De parkeerplaats van het kantoorgedeelte kan worden gebruikt door de arbeidsmigranten. De naaste buren zijn ingelicht over het plan, en zij hebben geen bezwaren. Aan de buitenkant van het bedrijfsgebouw verandert er ook helemaal niets. heeft

u wanneer

gesproken

Adres/omschrijving*

over

plannen?

uw

Bezoekdatum November 2024

(geanonimiseerd) Muldersweg

2 November 2024 Bornsestraat 49/ 49a November 2024 *In verband met privacy noemt u hier niet de volledige namen van

de betrokkenen

4.

u

Wat

gesproken

en

wat is

aanpassingen heeft u concluderend aangebracht aan de gesprekken die u heeft gevoerd met betrokkenen?

uw

plan

waren

de reacties

van

de

mensen

die

heeft

uw

antwoord

op deze reacties?

Reacties Reacties van de directe buren waren positief. buren hebben geen bezwaar tegen het plan.

5.

| Antwoord De

Welke van

We hebben het plan in onderling overleg doorgesproken, dus omdat er voor de ruimte buiten helemaal niets veranderd.

er

aan

de hand

zijn verder geen aanpassingen.

Mede

Spva his as8

RAPPORT

VERKENNEND conform

NEN

BODEMONDERZOEK 5740

naan

(geanonimiseerd) Locatie: Bornsestraat 51 7597 NH Saasveld Maart 2006

AUS:

MILIEU

BV

BV

KAUSE

MILIEU

Huyerenseweg 33

Postbus 51 7650 AB Tubbergen 632139 Fax: 0546

7678 SC Geesteren Tel: 0546-631153

www.krusegroep.nl

-

_ krusegroep@krusegroep.nl

Verkennend Bodemonderzoek conform NEN 5740

Rapport

(geanonimiseerd) Locatie: Bornsestraat 51 7597 NH Saasveld

Projectcode: 06008010 27 maart 2006

Auteur: B

Kruse Milieu BV

(geanonimiseerd)|

St

1

Inleiding

Dit rapport

beschrijft het verkennend bodemonderzoek, dat in opdracht

pe uitgevoerd.

(geanonimiseerd) reren

(geanonimiseerd) op een deel van het terrein aan de Bornsestraat 51 in Saasveld

door

Kruse

Milieu BV is De

aanleiding van dit onderzoek is de geplande nieuwbouw van een bedrijfswoning en een bedrijfshal, ter vervanging van de bestaande, te slopen woning met schuur. In het kader van de aanvraag van de bouwvergunning dient onderzoek te worden uitgevoerd naar de bodemkwaliteit.

Doelstelling grondwater.

het onderzoek

is het vaststellen van eventuele verontreinigingen van grondonderzoeksopzet gaat uit van NEN 5740, "Bodem. Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek.” van

en

De

Het veldwerk is uitgevoerd in maart 2006. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. Deze worden vergeleken met de gecorrigeerde streefen interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn.

Kruse Milieu

BV

Project: 06008010

Pagina 1 van 10

2

Locatiegegevens 2.1

Beschrijving huidige situatie

Algemeen

EN

De onderzoekslocatie is eigendom van (geanonimiseerd) en gelegen aan de Bornsestraat 51 op circa 1.0 kilometer ten westen van de bebouwde kom van Saasveld. Het terrein heeft de coördinaten x = 250.71 en y = 483.71. De kadastrale gegevens zijn bij ons bureau niet bekend.

Bebouwing en verharding Op het terrein staat een woning. Ten noordoosten van de woning staat een schuur. Rond de woning is het terrein grotendeels onverhard en in gebruik als siertuin. Ten noorden van de woning bevindt zich een oprit. Ten oosten van de siertuin is het terrein onbebouwd en onverhard en in gebruik als weiland. De Bornsestraat bevindt zich ten westen van de locatie. Onderzoekslocatie Er zijn plannen om op korte termijn een bedrijfswoning en een bedrijfshal te bouwen ter vervanging van de bestaande, te slopen woning met schuur. In het kader van de aanvraag van de bouwvergunning dient onderzoek te worden uitgevoerd naar de bodemkwaliteit op de te bebouwen terreindelen. De onderzoekslocatie is onbebouwd en onverhard en in gebruik als akker. Er is één onderzoekslocatie gedefinieerd met een oppervlakte van circa 890 m?.

|

In bijlage is de regionale ligging van de locatie weergegeven en zijn tevens twee situatieschetsen opgenomen. De eerste is een kopie van de bouwaanvraag en op de tweede schets zijn de boorlocaties weergegeven.

2.2

Historische gegevens

Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreinigin aanwezig geweest kunnen zijn. Er is navraag gedaan bij de opdrachtgever (geanonimiseerd) en de afdeling bodem/milieu van de gemeente Dinkelland. De volgende (geanonimiseerd) informatie is verzameld:

bi

-

-

-

-

-

De onderzoekslocatie heeft al jaren de huidige (woon) bestemming. Voor zover bekend is er op het te bebouwen terreindeel nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel. Het te onderzoeken deel van het terrein is voor zover bekend nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten, die verontreinigend kunnen zijn. Voor zover bekend is het te onderzoeken terreindeel in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden. Voor zover bekend bevindt zich geen asbest op of in de bodem op de onderzoekslocatie. Eris nog niet eerder een bodemonderzoek uitgevoerd op het terrein.

mmm

Kruse Milieu

BV

Project: 06008010

Pagina

2 van 10

ESL ES GELZEF

G0108090 Oe0Swo:jL-py)

-

-

950 9750 :

Aä pnt

nel j u r d a o u B o s n . y Ssn1 Mm epojoeloid je yos ue ,

:

pgr

_

:

PuuBeIleO,M

(geanonimiserd)

Lg

jeujsosulog

PIEASES yeoziepuowepog HN

pusu e

4654 JA

eydeip eideip Jeje sejew

eIJEDOSHSOZIEPUO singed G°O Q'L

JO} 30}

Bu Og Bu OE

=

= ©

="@

=

Boring: 1

EI

akker

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, sterk plantenhoudend, zwart-bruin

A

A

akker

Zand, zeer fijn, matig silig, matig humeus, sporen veen, zwart-bruin

Zand, zeer fijn, matig siltig,

zeer fijn, matig siltig, zwak humeus, donkerbruin

zwak humeus, donkerbruin

Zand,

50.

Zand, matig fijn, sporen

A

El Zand, matig fijn, bruin-geel

Zand, matig fijn, geel

Zand, matig fijn, sporen roest, geel

Zand, matig fijn, beige

A

400

en

Zand, matig fijn, sporen roest, beige A

150

KC

Zend, matig fijn, beige-grijs

200

220

Zand, matig fijn, lichtgrijs

En

250

Boring:3 °

LE Zand, zeer fijn, matig siltig,

ie

NE

matig humeus, zwart-bruin

Zand, matig fijn, matig teelaardehoudend, beige-bruin

A

A

akker

2

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, zwart-bruin

Zand, A

Projectcode:

06008010

zwak

zeer

VALOLLAOIO

zeer fijn,

matig silig, Zand, matig humeus, zwart-bruin

fijn, matig siltig,

humeus, sporen oer,

akker

A

Zand, matig fijn, matig teelaardehoudend,

donkerbruin

(geanonimiseerd)

Lokatie:

Bornsestraat 51

-

Saasveld

ACMAA

B.V.

CHEMISCH

ANALYTISCH

MILIEU

ADVIESBUREAU

ALMELO

Laboratorium/Adviesbureau Industrieterrein: Westermaat Hazenweg 30 2508402 2560600 fax 074 7556 BM Hengelo «telefoon 074 E-mail: info@acmaa.nl « Internet: www.acmaa.nl *

«

-

-

Onderzoeksrapport Opdrachtgever:

Opdrachtgever

1

Aanvrager Adres Postcode en plaats

_ Kruse Milieu B.V.

Pagina: 1 van 2

ing. (geanonimiseerd)

:

Postbus 51 7650 AB Tubbergen

: _:

Opdrachtgegevens:

Datum

Deuren

GAGO301295 Roeportnurmer _ }: (geanonimiseerd) ned pe

Oedndk

Bemonsterd door

Datum rapportage

Bovengrond Ondergrond

SA60301368

LS 17-3-2006 _:

Monstersoort

Monsteromschrijving 1 t/m 6

_Labnr. __SA60301367

1 2

10-3-2006

:

Opdrachtgever

:_

Monstergegevens: Nr.

opdracht

-

-

Datum bemonstering 10-3-2006

Grond Grond

Boring Boring 1 en 2

10-3-2006

Resultaten:

Parameter

Î

met

Hom.

Sample Mate

Voorbehand.

Q Q

Eenheid

Inter ref.nr.

NEN 5751

Droge stof

_ Gloeiverlies(Org.st)

MVB-VBH-GO1 MVB-VBH-GO1 DIV-DS-GOL DIV-ORG-GOL

%

(m/m)

%

van

ds

1

2

+

+

+

+

79,6 4,9

86,6

<5,0 <0,4 75 8,1 <0,2

<5,0 <0,4 <5,0 <5,0 <0,2 <5,0

METALEN

Q Q Q Q Q Q Q

IcP-BeP-01 ICP-BeP-01

Arseen Cadmium

Icp-Ber-01

Chroom

Koper Kwik

_

Lood

Nikkel Zink

Q

mg/kg ds mg/kg ds

mg/kg

ds

ICP-BEP-01 FIMS-49-01 ICP-BEP-01 ICP-BEP-01

mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg

ds ds ds

16

ds

<5,0

ICP-BEP-01

mg/kg

ds

29

<5,0 <5,0

Cum-EOX-01

mg/kg ds

0,2

<0,1

GC3-OUE-GO1 GC3-OUE-GO1 GC3-OUE-GO1 GC3-OUE-GOL

mg/kg

GC3-OUE-GO

EOX

Q

Extr.org.halogeniden

Q Q

Olie totaal C10-C40

Q Q Q Q

Fractie C12

-

C22

Fractie C22

-

C30

MINERALE

OLIE GC

Fractie C10

-

C12

_ _ Florisil behandeling Fractie C30

-

C40

PAK(10) Q Q Q Q Q Q

_

_ Anthraceen

_ Fluorantheen _ Benzo(a)anthraceen

HPLC-PAK-02 HPLC-PAK-O2 HPLC-PAK-O2

Benzo(k)fluorantheen

HPLC-PAK-02

_ Chryseen

<50

<20

<20

ds

mg/kg mg/kg ds

<20

<20

<20

<20

mg/kg ds

<20

<20

+

rn

<0,04

<0,04 <0,04 <0,04 <0,04 <0,04 <0,04 <0,04

mg/kg

HPLC-PAK-02 HPLC-PAK-O2

Fenanthreen

<50

GC3-OUE-GOL

HPLC-PAK-O2

_ Naftaleen

Q

ds

mg/kg ds

ds

<0,04 <0,04

mg/kg ds mg/kg ds ma/kg ds

0,04 <0,04

mg/kg ds mg/kg ds

0,05

<0,04

mg/kg ds

Zie volgende pagina

eN GQ TESTEN AvA L100

== Banknr. RABO

nr.

11.09.61.900

_—_

HET MILIEULABORATORIUM INGESCHREVEN IN HET RvA REGISTER VOORDE TESTLABORATORIA ONDER NR L100 VOOR GEBIEDEN ZOALS NADER OMSCHREVEN IN ACCREDITATIE IS

*

Handelsregister 060.58.291 Enschede

«

BTW

nr.

Opdrachten worden uitgevoerd volgens de Algemene Voorwaarden van ACMAA

NL805851665B01 BV

-

IBAN: NL24 RABO 0110961900

»

Swift adres: RABO

gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel Veluwe on Twente.

NL 2U

EE

E

ACMAA

B.V.

see

sr

MILIEU

ANALYTISCH CHEMISCH

ADVIESBUREAU

ALMELO

Laboratorium/Adviesbureau Industrieterrein: Westermaat Hazenweg 30 fax 074 2560600 2508402 7556 BM Hengelo «telefoon 074 E-mail: info@acmaa.nl Internet: www.acmaa.nl *

«

-

-

*

Onderzoeksrapport Opdrachtgever:

Opdrachtgever Aanvrager Adres Postcode en plaats

:_Kruse : : _:

_

Opdrachtgegevens:

Pagina: 2 van 2

Postbus 51 7650 AB Tubbergen Datum

Opdrachtcode Rapportnummer omschr.

L£H

Bemonsterd door

:

Opdracht

Milieu B.V,

ing. (geanonimiseerd)

opdracht

Startdatum Datum rapportage

_06008010G1 295 (geanonimiseerd) Saasveld

:

10-3-2006 10-3-2006 17-3-2006

: : _:

-

_ Opdrachtgever

Monstergegevens: Nr. 1 2

_Labnr.

SA60301367 SA60301368

Monstersoort

Monsteromschrijving Bovengrond Boring 1 t/m 6 Ondergrond

-

Datum bemonstering 10-3-2006 10-3-2006

Grond Grond

-

Boring 1 en 2

Resultaten:

Parameter

Intem ref.nr.

Eenheid

1

2

HPLC-PAK-02

mg/kg ds mg/kg ds

<0,04

mg/kg mg/kg

<0,04 <0,40

<0,04 <0,04 <0,04 <0,40

PAK(10)

_ Benzo(a)pyreen _ Benzo(g,h,i)peryleen

Q Q Q Q Q

Indeno(1,2,3-c‚d)pyr Totaal PAK =

door RvA

HPLC-PAK-O2 HPLCHAK-02 HPLC-PAK-02

<0,04

ds ds

geaccrediteerd

Opmerkingen:

Opmerking monster SA60301367: Bovengrond Boring 1 t/m 6: -

1-1

(0-50)

2-1 (0-50) 3-1 (0-50) 4-1 (0-50) 5-1 (0-50) 6-1 (0-50)

Opmerking monster SA60301368: Ondergrond Boring 1 en 2: -

1-2 1-3 2-2

(50-100) (100-150) (50-100)

Hoofd lab. ing.

Handtekening:

(geanonimiseerd) 7:

Dit rapport mag niet in z'n geheel worden gereproduceerd zonder de schriftelijke toestemming van het laboratorium. De resultaten hebben uitsluitend betrekking op de monsters, zoals die door voor analyse ter beschikking werden gesteld, Nadere informatie over de toegepaste methodes en prestatiekenmerken Is beschikbaar en kan op aanvraag worden verkregen. u

GN N

TESTEN AvA 100

ae

De

HET MILIEULABORATORIJM IS INGESCHREVEN IN HET RvA REGISTER VOOR TESTLABORATORIA

ONDER NR L100 VOOR GEBIEDEN ZOALS NADER OMSCHREVEN IN DE ACCREDITATIE

Banknr.

RABO

nr.

11.09.61.900

*

Handelsregister 060.58.291 Enschede

-

BTW

nr.

Opdrachten worden uitgevoerd volgens de Algemene Voorwaarden van ACMAA

NL805851665B01 BV

-

IBAN: NL24 RABO 0110961900

«

Swift adres: RABO

gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel Veluwe en Twente.

NL 2U

06008010

Opdrachtcode:

nn (geanonimiseerd) [Aanvrager Saasveld Í

Project:

(geanonimiseerd)

-

Datum aangeleverd: Datum afgerond:

10-03-2006 17-03-2006

SA60301367

Bovengrond

GROND

a

-

Boring

1 t/m 6

concentratie

[Hom. met Sample Mate Droge stof

[Gloeiverlies(Orgsst) ____ Arseen

|___ %

(m/m

en

|__ |

|

[|||

79.6

[%vands | nn 49 | ___ | ___ | ___ | [El IB B De |

g/kg

BE on

g/kg

<5.0

g/kg

Koper

jj || See

|_81

[Kwik [mgkgds | -]|

<02

| 021 19 | 60 | 101 |

|

12

|

[EX

|| [MINERALEOLIEGC OlietotaalC10-C40______________\mgkgds | - | <50 | 25 | 1237 | 2450 |

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/1027/documents/24630