CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen regels_Bijlage 1 Inrichtingsplan.pdf

Gecombineerde commissievergadering Omgeving en Economie / Sociaal Domein en Bestuur 6 september 2022, gemeente DinkellandBij agendapunt: 5: Voorstel inzake ontwerp Provinciaal Inpassingsplan Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek (incl. een presentatie)33.349 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

17

Inrichtingsplan Agelerbroek & Voltherbroek

Figuur 2.9 Verspreidingskaart habitatsoort zeggekorfslak (bron: v.d. Berg et.al., 2017).

Figuur 2.10 Verspreidingskaart habitatsoort kamsalamander, gegevens periode 2011-2021 (bron: NDFF en Staatsbosbeheer, 2021). 18

Inrichtingsplan Agelerbroek & Voltherbroek

2.5 Potenties van het Natura 2000-gebied B-ware heeft op basis van de huidige situatie de natuurpotenties van voormalige landbouwpercelen binnen de natura begrenzing in beeld gebracht (paragraaf 3.3 Onderzoek bodem- en grondwaterkwaliteit). Geconcludeerd is dat deze landbouwgronden voor (natte) natuurontwikkeling erg rijk aan fosfaat zijn, waardoor er eerst gericht uitgemjjnd moet worden. Een uitzondering vormt het gebied ten zuiden van het kanaal tussen de Broekweg en de Twelweg. Op veel locaties in dit gebied kent de bodem onder de toplaag (20-30 cm) een laag gehalte aan fosfaat en zou met behulp van actief uitmijnbeheer een gewenste situatie t.a.v. fosfaat kunnen ontstaan. Op basis van het voorkomen van minerale bodems en (restanten) veengronden heeft de Unie van bosgroepen de potenties in beeld gebracht van uitbreiding van eikenhaagbeukenbos (H9160A), vochtig alluviaal bos (H91E0C) en uitbreiding van blauwgrasland (H6410). Voor de uitbreiding van Blauwgrasland dient, zij het kleinschalig, bos verwijderd te worden (Figuur 2.8). Voor vochtig alluviaal bos en blauwgrasland en habitatsoort kamsalamander geldt een formele uitbreidingsdoelstelling (Beheerplan), voor eiken-haagbeukenbos en zwakgebufferde vennen niet.

Belangrijke basis voor de bepaling van de mate waarin zowel duurzame instandhouding als uitbreiding van habitattypen kunnen worden bereikt, vormt het ecologisch toetsingskader (paragraaf 3.4 Ecologisch toetsingskader).

2.6 Cultuurhistorie Kaartbeelden van 1900 tot heden (Figuur 2.11) laten de ontwikkeling van het Agelerbroek en Voltherbroek zien, van woeste gronden bestaande uit vochtige moeras- en heidegebieden, waar de eerste ontginningen en gebruik als hooilanden zichtbaar worden, tot het uitgestrekte aaneengesloten bosgebied dat het nu is. De ontwikkeling van het gebied is reeds beschreven in paragraaf 2.2 Gebiedskenmerken. De historie van het gebied is nog volop beleefbaar door de aanwezigheid van oude erven, oude (zand)wegen en karakteristieke gebiedsnamen. Het kanaal Almelo-Nordhorn met begeleidende zandpaden, laanbeplanting en kunstwerken is een industrieel monument uit de tweede helft van de 19e eeuw. Het kanaal doorsnijdt het gebied en de kruisende beken als een autonome rechte lijn. Een ander, en veel ouder, belangrijk historisch relict is de oude ringwalburcht de Hunenborg.

2.7 Ruimtelijke kwaliteit Het Agelerbroek en Voltherbroek liggen binnen het in Nationaal Landschap Noordoost Twente. De kernkwaliteiten, vastgelegd in een ontwikkelingsperspectief (2006), zijn het samenhangende complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen, de grote mate van kleinschaligheid en het groene karakter. In de Omgevingsverordening is bepaald dat nieuwe ontwikkelingen binnen het Nationaal landschap moeten bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van deze kernkwaliteiten. Er zijn geen strijdigheden tussen de normatieve uitspraken uit de Omgevingsvisie van Overijssel en de voorgenomen maatregelen. De provincie heeft voor alle Natura 2000-gebieden een ruimtelijke kwaliteitsscan opgesteld. Het idee hierachter is dat voorgenomen maatregelen ook bijdragen aan versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Hieronder wordt verstaan: bescherming van karakteristieke waarden in het landschap, vergroten van de leesbaarheid van het landschap en het vergroten van de beleving en toegankelijkheid. De natuurgerichte maatregelen zijn vooral gericht op vernatting en bieden weinig aanknopingspunten ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit.

Een uitzondering is de aanpak van de beken in het gebied, waarbij de kans zich voordoet om aan te sluiten bij KRW-doelen (zie ook paragraaf 2.9 Overige opgaven) en de beken natuurlijker in te richten en hiermee aantrekkelijker en herkenbaarder te maken in het landschap. Vergroten van de toegankelijkheid van de gebieden is vanuit natuuroogpunt niet altijd gewenst. De aanleg van paden maakt ook geen onderdeel uit van de natuurherstelmaatregelen, maar wordt, op kleine schaal, als meekoppelkans gezien. Ditzelfde geldt voor informatievoorzieningen en de zogenaamde bakens in de tijd: beeldbepalende cultuurhistorische elementen of objecten die het verhaal van de streek vertellen: zoals het kanaal Almelo-Nordhorn en de Hunenborg.

19

Inrichtingsplan Agelerbroek & Voltherbroek

1905

2020

Figuur 2.11 Topografische kaarten van het gebied uit 1905, 1950 en 2020; Goed te zien is hoe het gebied bebost raakt en hoe kleinschalig het oorspronkelijke agrarische gebruik was (voor de ruilverkavelingen en schaalvergroting in de landbouw) (bron: topotijdreis.nl).

Herstel van landschapselementen zoals houtwallen of houtsingels maakt in beginsel geen onderdeel uit van de natuurherstelmaatregelen, maar wordt meegewogen op het moment dat er sprake is van een functieverandering (van landbouw naar natuur of landbouw met een beperking). Op het moment dat er een bufferstrook of greppel nodig is, om 20

Inrichtingsplan Agelerbroek & Voltherbroek

negatieve effecten vanuit landbouwpercelen op de natuur te voorkomen, kan dit aanleiding zijn voor aanleg van landschapselementen (bijvoorbeeld een houtwal) die de oorspronkelijke kleinschaligheid herstellen (paragraaf 5.8 Aandachtspunten uitvoering maatregelen).

2.9 Overige opgaven 2.9.1 Kaderrichtlijn water (KRW) De KRW is een Europese richtlijn die een duurzame bescherming van aquatische ecosystemen en watervoorraden beoogt. Er moeten maatregelen getroffen worden om een goede toestand van grond- en oppervlaktewater te bereiken. De toestand is goed als voldaan wordt aan de normen voor de chemische en ecologische toestand van grond- en oppervlaktewater. Voor deze maatregelen, vastgelegd in factsheets behorend bij het waterbeheerplan waterschap Vechtstromen, het Provinciaal regionaal waterprogramma en het stroomgebiedbeheerplan, bestaat een resultaatverplichting. Provincie en waterschap zijn op basis van Europese wetgeving en regionale afspraken verplicht om doelen, maatregelen en programmeringen van de Natura 2000- en KRW-opgaven op elkaar af te stemmen. Inrichtingsmaatregelen aan waterlichamen zijn er op gericht gunstige omstandigheden te creëren voor een goede waterkwaliteit, zoals stroming, zuurstofgehalte, helder water, beschaduwing, morfologische variatie en bereikbaarheid voor vissen. Dit kan worden bereikt door bijvoorbeeld hermeandering, aanleg van natuurvriendelijke oevers, realisatie van beekbegeleidende bomen en struiken, bufferstroken en het verwijderen dan wel vispasseerbaar maken van fysieke belemmeringen zoals stuwen.

KRW-opgave Tilligterbeek en Roelinksbeek De Tilligterbeek is een KRW-waterlichaam dat deels binnen de Natura 2000 begrenzing ligt. Dit betekent dat er, naast de Natura 2000 opgave, ook een opgave ligt om de KRW-doelen voor de Tilligterbeek en Roelinksbeek te bereiken. Het waterlichaam ligt voor een groot deel ook binnen het NNN welke een provinciale opgave kent. Het waterlichaam Tilligterbeek kent het KRW doeltype R20, moerasbeek (STOWA 2018-49; Referenties en maatlatten voor natuurlijke watertypen voor de Kaderrichtlijn Water 2021-2027). Het streefbeeld is een langzaam stromende beek die meanderend haar weg zoekt door een moerassig, met natte graslanden en vochtig alluviaal bos begroeid, beekdal. De beek loopt door een half open tot volledig bebost dal met struwelen van grijze wilg en zwarte els. Het dal kent drie zones te weten de beekloop, beekmoeras en een overstromingszone. De overstromingszone valt droog bij lage waterafvoeren. De herinrichtingsmaatregelen die nodig zijn om de KRW-doelen in het waterlichaam te bereiken worden gerealiseerd in de Roelinksbeek en de Tilligterbeek. Het waterschap heeft besloten de herinrichtingsopgave voor de Voltherbeek, welke ook deel uitmaakt van het waterlichaam Tilligterbeek, niet binnen dit planproces op te pakken.

Afstemming Natura 2000 en KRW Vanuit de KRW en ook vanuit het beperken van wateroverlast is de natuurlijke situatie, het laten inunderen van de beekdalen (overstromen van de beek bij hoge afvoeren), gewenst. Het Agelerbroek is zeer geschikt als inundatiegebied voor de Tilligterbeek. Incidentele inundaties (eens in de 25 jaar) zijn toelaatbaar maar, vanwege de slechte waterkwaliteit is frequenter inunderen van de natuurgebieden vanuit de Natura 2000-doelstellingen niet gewenst. Ondanks dat de waterbehoefte van de habitattypen groot is kan er daarom niet goed voldaan worden aan de KRW-opgave op dit specifieke onderdeel. Dit betekent dat er, zo lang de beekwaterkwaliteit onvoldoende is, een duidelijke scheiding blijft tussen het water in de beken en het water in de natuurgebieden. Uitsluitend inundatie bij incidentele extreem hoge afvoeren (eens per 25 jaar) worden in de Natura 2000 gebieden toegestaan. Vanuit de KRW-doelstelling van vispasseerbaarheid is het ook nodig om de stuw in de Roelinksbeek te verwijderen. Het oppervlaktewatermodel laat zien dat verondieping in combinatie met een natuurlijke verhanglijn mogelijk is. Uit grondwaterberekeningen blijkt echter dat het vasthouden van water in de Roelinksbeek in droge periodes nodig is om de GLG binnen het Voltherbroek op peil te houden.

Als oplossing is afgesproken de stuw te vervangen door een of meerdere vispasseerbare drempels waarmee zowel de vispasseerbaarheid kan worden gegarandeerd als ook het vasthouden van water in het bovenstroomse pand van de Roelinksbeek kan worden gerealiseerd. Grondwaterberekeningen hebben laten zien dat dit, vanuit de Natura 2000 doelstelling, een aanvaardbare oplossing is. De Natura 2000 maatregel verondieping van de Tilligterbeek sluit aan bij de KRW-opgave om een meer natuurlijk beeksysteem te ontwikkelen met een natuurlijke verhanglijn. Hier vinden de Natura 2000 en KRW opgaven elkaar. Echter, de gewenste verondieping van de Tilligterbeek voor Natura 2000 is zo groot, dat een ingrijpende wijziging van het ontwerp van de beek nodig is om aan de eisen van het oppervlaktewatersysteem te kunnen voldoen: - niet te diepe beek; - behoud van zo lang mogelijk stromend water in de beek; - vispasseerbaar; - goed onderhoudbaar; - en wateroverlast in de omgeving dient voorkomen te worden. Het profiel dat hieraan het beste tegemoet komt is een, ondiepe beekloop, in een natte moerassige beekdallaagte, die kan inunderen in de Broekmaten. De breedte van de beek wordt zodanig gedimensioneerd dat bij hoge afvoer bovenstrooms het Voltherbroek geen wateroverlast ontstaat en er geen brede zone van meestromende berging is vereist. Ten noorden van het 21

Inrichtingsplan Agelerbroek & Voltherbroek

Agelerbroek wordt het verschil in bodemhoogte tussen het natuurgebied en het benedenstrooms gelegen gebied overbrugd met een voor waterfauna passeerbare hellingpassage. Hierbij wordt rekening gehouden met de aansluiting van de Voltherbeek op de Tilligterbeek. Waterschap Vechtstromen werk aan plannen met het benedenstoomse deel van de Tilligterbeek, noordelijk van het plangebied AVAV. De nieuwe inrichting van de Tilligterbeek in AVAV is randvoorwaarde voor de rest van de wateropgave van het waterlichaam Tilligterbeek benedenstrooms van het gebied AVAV. Het hydrologisch model dat voor het benedenstroomse deel wordt ontwikkeld neemt de situatie na herinrichting van de Tilligterbeek in AVAV als uitgangspunt. Dit betekent dat de nog uit te werken inrichtingsvarianten voor dit benedenstroomse deel geen negatieve gevolgen mogen hebben voor het gebied AVAV.

2.9.2 Vochtproblematiek en wateroverlast Maatregelen voor de natuur hebben gevolgen voor de grondwaterstanden in het gebied. Ook bij de woningen in of direct grenzend aan het gebied kunnen hierdoor effecten optreden. Dit betekent dat bestaande problemen kunnen toenemen of dat er nieuwe problemen kunnen ontstaan. Daar waar (nieuwe) effecten verwacht worden is er aanvullend onderzoek gedaan. Maatregelen ten behoeve van voldoende drooglegging van de erven zijn in voorliggend inrichtingsplan meegenomen. Verspreid in het gebied, maar ook bij alle erven zijn peilbuizen geplaatst. Deze worden langjarig gemonitord door de provincie.

22

Inrichtingsplan Agelerbroek & Voltherbroek

3. Uitgevoerde onderzoeken Binnen de planfase zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd om de complexe abiotische situatie van het Natura 2000-gebied beter te doorgronden. Daarmee is beter te voorspellen welke maatregelen effectief zijn om de natuur te verbeteren, duurzaam in stand te houden en waar nodig te ontwikkelen. Daarnaast is er een betere voorspelling te doen van de effecten van deze maatregelen op omliggende functies. In paragraaf 1.4.1 Onderzoeken is al beschreven welke onderzoeken door welke externe en onafhankelijke adviesbureaus zijn uitgevoerd. In dit hoofdstuk worden de resultaten van deze onderzoeken beknopt samengevat, waarbij de focus ligt op welke nieuwe inzichten zijn opgedaan ten opzichte van reeds bekende feiten uit het beheerplan. Er is geen onderzoek gedaan naar atmosferische depositie van stikstof.

3.1 Actuele status habitattypen De habitattypen in het Agelerbroek en het Voltherbroek hebben sterk te lijden onder verdroging en in enkele gevallen ook verzuring (H6410 blauwgrasland). De belangrijkste oorzaak is dat de habitattypen minder beschikking hebben over basenrijk grondwater die door grondwaterstandsdaling niet meer in de wortelzone van de vegetatie komt. De trend is negatief. Verdroging leidt tot vergrassing met soorten als hennegras en moerasstruisgras, waardoor de voor het habitattype kenmerkende soorten worden verdrongen. Zo zijn goed ontwikkelde blauwgraslanden in areaal afgenomen ten gunste van drogere en zuurdere vormen ervan. De vochtig alluviale bossen (H91E0C) worden ernstig bedreigd door verdroging. Braam en soms Hennegras overheersen. Overal waar veen in de ondergrond aanwezig is staan de aanwezige elzenbossen op wortelstelten. Dit is niet alleen in het Voltherbroek het geval maar zeker ook in het Agelerbroek. Door te lage waterstanden is de veenbodem geoxideerd (veenafbraak) en daardoor ingeklonken, waardoor de kwaliteit van het habitattype matig is. Er zijn ook plekken met een goede kwaliteit. Het habitattype is het best ontwikkeld in de zuidwestelijke hoek van het Agelerbroek en het noordwestelijk deel van het Voltherbroek. De eiken-haagbeukenbossen (H9160A) en zijn nog van redelijke kwaliteit, al is de ontwikkeling (trend) negatief.

De kwaliteit van het eiken-haagbeukenbos gaat dus achteruit en dit is vooral te zien aan de toename van braamstruiken (‘verbraming’) in het habitattype. Verbraming is weer het gevolg van met name verdroging en vermesting. Daarnaast treedt door essentaksterfte meer licht op de bosbodem wat tot verruiging met zwarte braam leidt. Dit zorgt voor een achteruitgang van de voor de eikenhaagbeukenbossen zo typerende voorjaarsflora. Het zwakgebufferde ven (H3130) is van goede kwaliteit en de ontwikkeling van het zwakgebufferde ven kan als stabiel worden beschouwd. NB. De inventarisatie naar de actuele status van de habitattypen is uitgevoerd in 2016, voor de zeer droge jaren 2018 en 2019. De habitattypen uit het ontwerp-wijzigingsbesluit (veegbesluit) uit 2018 zijn niet beoordeeld. Habitatrichtlijnsoorten Van de zeggekorfslak (H1016) waren waarneming uit 2008 en 2009 bekend. Ook in 2016 en 2021 is de soort op meerdere plekken in het Agelerbroek en Voltherbroek aangetroffen. De spreiding komt overeen met de locaties met goed ontwikkeld vochtig alluviaal bos met moeraszegge (H91E0C). Moeraszegge is de belangrijkste waardplant van de zeggekorfslak. De kamsalamander (H1166) komt voor in de vele poelen in het Voltherbroek en in de ringsloot van de Hunenborg.

3.2 Landschapsecologische systeemanalyse (LESA) Om de variatie in het gebied en het functioneren in termen van geologie, hydrologie en ecologie te onderzoeken is naast een bureaustudie een veldstudie uitgevoerd. Hierbij zijn in het Agelerbroek en Voltherbroek in totaal 11 raaien uitgezet waarlangs op regelmatige afstanden grondboringen zijn gedaan. De boringen vormen een actualisatie en ruimtelijke aanvulling van reeds bekende data. De systeemanalyse bevestigt grotendeels de in het beheerplan genoemde knelpunten ten aanzien van de ontwatering, afvoer van kwelwater en drainerende werking van de diepe waterlopen. Uit de systeemanalyse komen de volgende, aanvullende, conclusies: Alle ontwatering die vanaf de marke-indeling in 1870 is aangebracht ligt in het landschap en sorteert grote ecologische effecten in de zin van verdroging; veenmineralisatie en verminderende basenaanrijking in de wortelzone van habitattypen. Detailontwatering van voor 1870 is 70 cm diep en ligt in de bovenstrooms gelegen beekdalen. De aaneengesloten brede beekdallaagte Volther- Agelerbroek was grotendeels ongeschonden en een doorstroommoeras; De aanleg van het kanaal A-N heeft met haar hoge dijken tot stagnatie van oppervlaktewater geleid. Stagnatie van oppervlaktewater is deels voorkomen door de aanleg van onderleiders ter hoogte van de Roelinksbeek/Tilligterbeek en de Voltherbeek.

Door de hoge ligging van het kanaal is er geen negatieve invloed van verdroging (geen drainerende werking), maar wel is er in beperkte mate kanaalkwel aangetroffen in het Voltherbroek en in het Agelerbroek ter hoogte van de Broekmaten. Ook leidt de doorsnijding van het kanaal tot minder aanvoer van oppervlakkig water van Voltherbroek naar Agelerbroek wat in het Agelerbroek een verdrogend effect heeft; Het aanleggen van diepe ontwatering heeft geleid tot een sterke verdroging van zowel het Agelerbroek als het Voltherbroek (jaren 1950 – 1960 A2 werken en ruilverkaveling Beneden-Dinkel). • Er is onderzocht waar diepe watergangen door oude keileemlagen snijden; hierdoor is de mate van drainerende invloed van de watergangen verder onderzocht; • Door het verleggen van waterlopen in het verleden is de grond- en oppervlaktewaterstroming negatief beïnvloed in onder andere de zuidelijk delen van het Voltherbroek; 23

Inrichtingsplan Agelerbroek & Voltherbroek

•

-

De Roelinksbeek heeft nabij het kanaal geen verdrogend effect op de natuur, maar in het zuidelijk deel van het Agelerbroek (Tilligterbeek) wel. Bodemprofielen laten zien dat de GLG (en ook de GHG en GVG) rondom de beek meer wegzakt dan verder van de beek af; • De westelijke grenssloot van het Voltherbroek is over grote afstanden diep in het landschap ingesneden: verdroging aan de westzijde van het Voltherbroek is deels hieraan te wijten; • In de winterperiode vindt stagnatie van water plaats in de laag gelegen delen, waar ook watertoestroom is vanuit de Roelinksbeek. Deze stagnatie resulteert in interne eutrofiëring. Het doelgat (verschil werkelijke en door habitattype gewenste grondwaterstand) gebaseerd op de GLG is groot. In het Agelerbroek gemiddeld 75 cm met uitschieters van meer dan 105 cm. In het Voltherbroek gemiddeld 35 cm. Toch zijn er goed ontwikkelde habitats aangetroffen op plekken waar het doelgat groot is. Deze plekken hebben inzicht gegeven in voor dit gebied goede abiotische omstandigheden voor dit habitattype, namelijk dat niet sec de GLG maar kwel, duurlijnen en GVG zeer belangrijke factoren blijken te zijn en hebben geleid tot een ecologisch toetsingskader (paragraaf 3.4 Ecologisch toetsingskader).

3.3 Onderzoek bodem- en grondwaterkwaliteit Dit door B-ware uitgevoerde onderzoek is separaat gerapporteerd (Uitwerking onderzoeksvragen in het kader van Natura 2000 gerelateerd aan bodemonderzoek, grondwaterkwaliteit en inschatting interne eutrofiëring, B-ware, Lucassen & Roelofs, rapportnummer: 2016.044, 6 juni 2017). De resultaten zijn geïntegreerd in de rapportages van de Unie van Bosgroepen (Systeemanalyse en Maatregelenpakket, welke als bijlage zijn toegevoegd).

Figuur 3.1 Locaties waar in het Voltherbroek en Agelerbroek monsters zijn genomen en inzet rechtsboven: locaties waar in juni 2016 sloten en beken bemonsterd zijn voor bepaling chemische kwaliteit oppervlaktewater.

Natuurontwikkeling op voormalige landbouwgronden Om de potentie van natuurontwikkeling op (voormalige) landbouwgronden te bepalen is onderzoek gedaan naar het fosfaatgehalte in de bodem. Geconcludeerd wordt dat de landbouwgronden te rijk aan fosfaat zijn voor de ontwikkeling van (vochtig tot natte) natuur. Er zijn ten tijde van het onderzoek op de maatregelpercelen in het gebied geen schrale (voedselarme) locaties aanwezig. Daarom is onderzocht hoe lang verschraling via maaien en afvoeren van de vegetatie duurt. Zowel in het Agelerbroek als het Voltherbroek is de toplaag van de bodem over het algemeen zeer rijk en kost het vaak meer dan 100 jaar om deze te kunnen verschralen via alleen maaien en afvoeren. Een alternatief kan zijn: maaien en afvoeren in combinatie met het toedienen van kalium of stikstof of het gericht uitmijnen met een grasklavermengsel of een productieve 24

Inrichtingsplan Agelerbroek & Voltherbroek

graszone. Bij deze alternatieven worden door de plant beschikbare nutriënten relatief snel opgenomen. De verschraling gaat dan naar schatting vier keer zo snel. Een hoge voorraad fosfaat gebonden aan de bodem komt pas vrij bij vernatting. Dat betreft dan een 2e termijn van uitmijnen. Een uitzondering vormt het gebied ten zuiden van het kanaal tussen de Broekweg en de Twelweg. Tussen locatie B1 en B2 is recentelijk, door afgraven, een open water gecreëerd met een zeer goede waterkwaliteit. De verschralingsduur is door het afgraven van de toplaag aanzienlijk korter dan het restant van het terreindeel (B3 t/m B8). Op veel locaties in dit gebied (B1 t/m B8) is de bodem onder de toplaag (20-30 cm) direct schraal of valt op korte termijn te verschralen door maaien en afvoeren. De natuurtypen die hier kunnen ontwikkelen zijn zwak gebufferd ven en nat schraalland (blauwgrasland, kleine zeggevegetatie, vochtig heischraal grasland). Kwaliteit oppervlaktewater Agelerbroek en Voltherbroek Uit het onderzoek naar de kwaliteit van het oppervlaktewater in sloten en beken in het Agelerbroek en Voltherbroek komt naar voren dat het oppervlaktewater overal rijk aan basen is. Opvallend is dat het water op veel plaatsen rijk is aan fosfor. De sulfaatgehalten en nitraatgehalten zijn op de meeste locaties laag voor Nederlandse begrippen, maar te hoog voor de habitatvegetaties.

Ook komen lokaal hoge ammonium gehalten voor. Vanwege de fosforrijkdom is het ongewenst dit water in het broekbos in te laten als eventuele vernattingsmaatregel. Vernatting met gebiedseigen grondwater is goed. Onderzoek interne en externe eutrofiering De concentratie ammonium in het grondwater van de elzenbroekbossen is hoger dan dat afkomstig van de landbouw. Dit komt omdat bossen efficiënt atmosferisch stikstof invangen wat met de regen afspoelt naar de bosbodem. Zwarte els is bovendien in staat om atmosferisch stikstof te fixeren. Via bladval verrijkt dat de bodem. In het Agelerbroek & Voltherbroek is het grondwater dat afkomstig is van de landbouwgronden over het algemeen arm aan nitraat, sulfaat, ammonium en fosfaat. Een aantal locaties vormt hierop een uitzondering m.b.t. de concentratie nitraat (G1, G2 en G3 in het noordwesten van het Agelerbroek, G8 in het Voltherbroek) en sulfaat (G1 en G3 in het noordwesten van het Agelerbroek). Op deze B ware meetpunten worden lage concentraties aangetroffen. Die zijn echter niet representatief voor het gehele gebied. Op basis van de BMW, het sulfaat onderzoek, de hoogtekaart en het voorkomen van specifieke plantensoorten (indicatorsoorten) zijn bemestingsbeperkende maatregelen genomen. De indicatorsoorten (plantensoorten) duiden op lokale laterale afstroming van grondwater.

Dit is voor locatie G8 nader onderbouwd in de notitie “AVAV deelgebied Voltherbroek bemestingsmaatregelen (Laarweg en Beekmeden), d.d. 23-09-2021 Provinciaal kernteam AVAV”. De hoge sulfaatwaarden in het van de landbouw afkomstige grondwater in het (noord)westen van het Agelerbroek, geven aan dat veel nitraat vanuit het landbouwgebied onderweg is naar het gebied. In de ondiepe ondergrond wordt nitraat door contact met pyriet omgezet in sulfaat. Alle bodems hebben een berekende fosfaatnalevering die lager is dan 0,60 mg/m2/dag, een gunstige ijzer-fosfaat verhouding in het porievocht en een gunstige ijzer-sulfaat verhouding in de bodem. Dit betekent dat, wanneer de condities in Agelerbroek & Voltherbroek in de toekomst natter worden, er waarschijnlijk geen probleem gaat optreden met een te hoge fosfaatbelasting. Dit geldt echter niet voor de stikstofbeschikbaarheid. En aangezien deze een sterke invloed heeft op de samenstelling van de vegetatie (Lucassen et al., 2006) blijft het belangrijk om langdurig te hoge waterpeilen in het elzenbroek te mijden bij het nemen van vernattingsmaatregelen. Daarnaast blijft er ook risico op (toxische) sulfideophoping bij hanteren van te hoge waterpeilen, omdat de ijzer-sulfaat verhouding op de onderzochte kwellocaties ongunstig is (Lucassen et al., 2004a,b).

Het onderzoek onderstreept hiermee het belang van een goede doorstroming en afwatering van water door de natuurgebieden. Ook onderstreept het onderzoek de gevoeligheid van de habitats voor stikstof en/of nitraatbelasting. Onderzoek aanleggen poelen kamsalamander Op enkele aangewezen percelen in het Voltherbroek en Agelerbroek (gearceerde gebieden bodemonderzoek in Figuur 3.1) is onderzocht of deze geschikt zijn om poelen voor ontwikkeling van de kamsalamander (H1166) aan te kunnen leggen. Er zijn 3 boringen verricht op percelen rond de Hunenborg en 7 aan de zuidzijde van het Voltherbroek (nabij de NAM-locatie). Hierbij is gekeken naar een aantal belangrijke parameters waaronder grondwaterstand, mate van buffering (gevoeligheid voor verzuring en aluminiumtoxiciteit ten gevolge van stikstofdepositie en droogval) en voedselrijkdom. De locaties in het Agelerbroek zijn, bodemchemisch gezien, geschikter dan die in het Voltherbroek. De hoogste grondwaterstanden zijn hier hoger en de diepere bodemlagen zijn vaak sterker gebufferd dan in het Voltherbroek. De bodemchemische data laten zien dat er geen risico is op aluminiumtoxiciteit of verzuring t.g.v. droogval. De minder gebufferde bodems van het Voltherbroek kunnen op termijn echter gevoeliger zijn voor verzuring ten gevolge van depositie van atmosferisch stikstof en toestromend nitraatrijk grondwater.

De Unie van Bosgroepen heeft vanuit de landschapsecologische systeemanalyse gekeken naar de locaties van de leefgebieden van de kamsalamander. Het graven van poelen vindt plaats op locaties waar dit geen negatief effect heeft op de omliggende habitattypes. Het graven van extra poelen is een versterking van het bestaande netwerk aan poelen. Hiermee wordt het totale leefgebied van de kamsalamander binnen dit Natura 2000-gebied verbeterd, Figuur 2.10.

3.4 Ecologisch toetsingskader Om de effectiviteit van de hydrologische maatregelen voor de Natura 2000-doelen te kunnen beoordelen, is door de Unie van Bosgroepen in samenspraak met de gebiedspartners in 2018 een ecologisch toetsingskader opgesteld. Hierin zijn, in het kader van de toetsing van de verschillende scenario’s van (hydrologische) maatregelen aan de natuurdoelen, de belangrijkste 25

Inrichtingsplan Agelerbroek & Voltherbroek

sturende factoren voor grondwaterkwantiteit en –kwaliteit voor AVAV vastgelegd en toegelicht. Het spreekt voor zich dat ieder habitattype zijn eigen voorkeuren heeft met betrekking tot een meest gunstige situatie. De Vochtige alluviale bossen (H91E0C) en Blauwgraslanden (H6140) zijn het meest kritisch in de herstel- en ontwikkelopgave voor dit Natura 2000-gebied. De uit te voeren maatregelen t.b.v. het vochtige alluviale bos en de blauwgraslanden zijn daarmee leidend in het geval van een conflicterende situaties binnen het inrichtingsplan. Voor vochtig alluviaal bos (H91E0C) op veen is de laagste grondwaterstand (GLG) zeer belangrijk om uitdroging van- en mineralisatie van veen te voorkomen. In de beekdalen van Volther- en Agelerbroek is geen sprake meer van veenbodems, maar verschillende typen eerdbodems, waarbij grondwaterinvloed (kwel) en GVG van groter belang zijn dan de GLG. Goed ontwikkelde vochtige alluviale bossen komen in het Volther- en Agelerbroek voor bij een relatief lage GLG (< 80cm –mv) en wordt de GLG hier als 3e criterium beschouwd.

Optimalisatieslag in het oppervlaktewater- en het grondwatermodel 2021 Door een optimalisatieslag van de maatregelen in het oppervlaktewatermodel en het grondwatermodel zijn de definitieve modeluitkomsten van het grondwatermodel voor de toekomstige situatie (Wachtendonk van, 2021b) opnieuw getoetst aan de ecologische vereisten van de habitattypen voor kwel/wegzijging, duurlijnen, voorjaarsgrondwaterstanden (GVG) en zomergrondwaterstanden (GLG). De habitattypen zijn beoordeeld op de ecologische vereisten. De locaties van de habitats (Figuur 3.2) en de puntlocaties zijn op kaart weer gegeven (Figuur 3.3).

Figuur 3.2 Ligging habitattypen (provinciale atlas Overijssel) en de locaties waar als gevolg van de maatregelen potenties liggen voor uitbreiding van vochtig alluviaal bos en blauwgrasland op basis van hoogteligging en bodemtype (van den Berg & Smeenge, 2017).

26

Inrichtingsplan Agelerbroek & Voltherbroek

Figuur 3.3 De genummerde puntlocaties liggen in de habitattypen blauwgrasland en vochtig alluviaal bos. Op de locaties 4, 8, 19, 20 en 22 komen (in de huidige situatie) geen habitattypen voor.

De gebied specifieke ecologische vereisten van de habitats zijn in het ecologisch toetsingskader genoemd (van den Berg et al., 2018). Kwel wordt als belangrijkste vereiste gezien. Voor herstel van de basenverzadiging zijn een drietal zaken van belang: Basenrijkdom toestromend grondwater Flux (grootte en duur) Adsorptiecomplex Verder zijn voor het blauwgrasland en het vochtig alluviaal bos voor dit Natura2000 gebied specifiek genoemd: Blauwgraslanden 1. Zijn afhankelijk van kwel en aanrijking met bufferende kationen. Kwel moet aanwezig zijn. 2. Vanuit de duurlijn-referenties van zandgronden (blauwgraslanden) kunnen we afleiden dat de duur van water in de wortelzone ongeveer 30 % van het jaar binnen de 0 en 30 cm –mv moet staan (referentie de Haan 1992 en Jansen 2000). 3. GVG hangt direct samen met kwel en duur van aanrijking met basische kationen (grondwater). 4. GLG is van belang voor het habitattype, maar ondergeschikt aan 1 t/m 3. De capillaire nalevering speelt een grote rol. Juist op de leembodem die zo kenmerkend is, waardoor de vochtvoorziening eerder “op orde is”. Blauwgraslanden komen voor op klei- en leembodems in Agelerbroek en Voltherbroek. Blauwgraslanden zijn zeer gevoelig voor verzuring als gevolg van verdroging, de invloed van regenwater en stikstof- en sulfaatvermesting. Vochtig alluviaal bos 1.

Kwel is van belang voor het elzenzegge-elzenbroekbos en toename van kwel resulteert in een hogere kwaliteit van het habitattype vochtig alluviaal bos. Vanwege het historische overstromingskarakter van de bossen zal niet overal kwel realiseerbaar of geweest zijn en zal een kwelflux van 0 of lager ook voldoen mits de GVG en duur van grondwater in wortelzone optimaal zijn. Vanuit het oorspronkelijk systeem (en dat laten de historische vegetatiekaarten en huidige verspreiding ook nog deels zien) zal kwel vooral aan de randen van de inunderende laagtes zijn uitgetreden. Lager in de gradiënt zal er een mix zijn geweest van grondwater (lagere flux in lagere delen vanwege de inundatie), overstromingswater en regenwater. Dus ook in de laagste delen zal kwel zijn opgetreden maar minder dominant voor de waterkwaliteit zijn geweest. 2. GVG hangt direct samen met kwel en duur van aanrijking met basische kationen (grondwater). 27

Inrichtingsplan Agelerbroek & Voltherbroek

3.

GLG is van belang voor het habitattype, maar ondergeschikt aan 1 en 2. Voor vochtig alluviaal bos op veen is GLG zeer belangrijk om veenverdroging en mineralisatie te voorkomen maar omdat goed ontwikkelde vochtige alluviale bossen voorkomen bij een lage GLG in het Volther- en Agelerbroek (80 cm –mv) wordt dit niet als een primair criterium beschouwd. Het blijft natuurlijk wel een belangrijke vraag in hoeverre dit leidt tot duurzaam herstel. Droogtestress: voor optimale condities <15 dagen droogtestress (Waternood). Droogtestress begint bij een GLG van 100125 cm –mv op leemrijke bodem. Vochtig alluviaal bossen komen voor op klei en veenrijke bodems in AVAV. Op veen moet worden gestuurd op GLG van 50cm om uitdroging van veen te voorkomen. Habitattypen Naast bovengenoemde habitattypen blauwgrasland en vochtig alluviaal bos komen de typen zwak gebufferd ven en eikenhaagbeukenbos voor. De ligging van de aanwezige habitattypen (provinciale atlas Overijssel) en de locaties waar als gevolg van de maatregelen op basis van hoogteligging en bodemtype potenties liggen voor uitbreiding van vochtig alluviaal bos en blauwgrasland (van den Berg & Smeenge, 2017) zijn op kaart weergegeven (Figuur 3.2).

De habitattypen met de meest kritische ecologische randvoorwaarden; blauwgrasland en vochtig alluviaal bos zijn getoetst, daarmee zijn de ecologische vereisten van het habitattype eiken-haagbeukenbos eveneens geborgd. Zwak gebufferd ven stelt strengere eisen aan GVG en GLG. Ook toestroom van kwel is van belang, maar door de ligging in een gradiënt van blauwgrasland naar elzenbroekbos lift dit type automatisch mee. Toetsing is derhalve niet nodig. Kwel/wegzijging Kwel is een absolute randvoorwaarde, maar een absolute waarde is moeilijk aan te geven omdat: Het model kwel over een scheidende laag berekend en geen ecologisch kwel (dus kwel naar de wortelzone); Naast de flux voor de basenverzadiging ook de grondwaterkwaliteit en het adsorptiecomplex een belangrijke rol spelen (Aggenbach, 2021). De beoordeling heeft plaats gevonden op basis van veranderingen in kwel/wegzijging, waarbij kwel in het winterhalfjaar een randvoorwaarde is voor de habitattype en een toename van kwel en omslag van wegzijging naar kwel positief beoordeeld. Een afname van wegzijging is beschouwd als onvoldoende in situaties waar jaarrond, winter en voorjaar sprake blijft van wegzijging. Op systeemniveau is overigens ook een toename van wegzijging op de hogere delen als positief te beschouwen omdat daarmee de lokale systemen in de gradiënt beter zullen gaan functioneren.

In paragraaf 6.1.2 Effecten op de habitattypen zijn de (hydrologische) effecten van de maatregelen op de habitattypen nader beschreven.

3.5 Grondgebruikswaarde landbouwpercelen Adviesbureau Aequator Groen & Ruimte heeft op basis van bodemopbouw en grondwatersituatie de huidige bodemgeschiktheid voor de landbouw onderzocht (het onderzoeksgebied is weergegeven in Figuur 3.4). Hierbij wordt onderscheid gemaakt in geschiktheid voor grasland/grasteelt en akkerbouw/maisteelt. Het merendeel van de gronden kent ruime mogelijkheden voor graslandgebruik. De wat hoger gelegen gronden zijn licht droogtegevoelig. Ten noorden en oosten van het Agelerbroek liggen lage gronden die een matig tot hoge bruto grasproductie kennen, maar zeer beperkt berijdbaar zijn. Deze gronden zijn gevoelig voor structuurbederf. De dekzandruggen rondom het Voltherbroek zijn goed geschikt voor grasland, maar zijn op de hoogste plekken wel droogtegevoelig. Het patroon van mate van geschiktheid voor akkerbouw (maisteelt) komt overeen met die van grasland. De droogste delen van het gebied (dekzandruggen) geldt een vrij groot teeltrisico als gevolg van vochttekort. Dit is met name aan de zuid- en westkant van het gebied het geval. De lagere delen kennen een teeltrisico als gevolg van een beperkte draagkracht en bewerkbaarheid. Dit is met name op de grens met het Voltherbroek en ten noorden en oosten van het Agelerbroek het geval. Deze lage delen zijn in de huidige situatie al niet geschikt voor maisteelt.

Bovengenoemde knelpunten ten aanzien van een optimale gebruikswaarde leiden reeds in de huidige situatie tot nat- dan wel droogteschade in gewassen.

28

Inrichtingsplan Agelerbroek & Voltherbroek

Figuur 3.4 Onderzoeksgebied grondgebruikswaarde rond Agelerbroek en Voltherbroek (bron Eindrapportage AVAV, Aequator)

3.6 Onderzoek invloed bemesting landbouwpercelen op natuur Op basis van onderzoek naar stroombanen (grondwatermodel, RHDHV) en hoogtekaart AHN-3 en het voorkomen van specifieke plantensoorten is bepaald welke landbouwpercelen mogelijk via het grondwater invloed hebben op het natuurgebied. Op basis van de hoogtekaart (en analyse in het veld) is daarnaast door specialisten van het ambtelijk projectteam bepaald bij welke percelen er risico is op oppervlakkige afspoeling richting de natuur. Zo is het onderzoeksgebied bepaald waarvoor de ‘bemestingsmaatregelenwijzer’ (BMW) is ingevuld (Aequator Groen & Ruimte). Met dit instrument kan een inschatting worden gedaan welke risico’s er zijn op beïnvloeding van bemesting op habitattypen. Ook geeft het systeem advies welke bemestingmaatregelen er kunnen worden getroffen om het risico weg te nemen. De BMW kijkt naar situatie specifieke gegevens van het perceel: o.a. transportroutes via oppervlakte- en grondwater, gewas, grondsoort, grondwatertrap, drainage en fosfaattoestand. Op basis van deze gegevens geeft de BMW een risicoschatting en een overzicht van de mogelijke maatregelen. Samen met het deskundigenteam zijn deze vertaald in concrete maatregelen voor het Agelerbroek en Voltherbroek. Sulfaat zit niet in de BMW en is waar nodig apart onderzocht en beoordeeld op de risico’s (o.a.

in 2020 door B-ware aan de westzijde van het Agelerbroek). Op basis van risico’s van stikstof en fosfaat zijn met de bemestingsmaatregelenwijzer (BMW) per (huidig) agrarisch perceel of perceelgedeelte binnen het invloedsgebied de risico’s bepaald en zijn aan de hand van de maatregelenmatrix benodigde maatregelen geselecteerd. Hierbij is uitgegaan van de toekomstige hydrologische situatie (na uitvoering hydrologische maatregelen en berekend met het grondwatermodel). Op het kaartbeeld van dit Inrichtingsplan zijn de percelen weergegeven waarop wel de noodzakelijke bemestingsmaatregelen worden uitgevoerd. In de eigenarendossiers is per perceel een toelichting gegeven op de uitkomst van de bemestingsmaatregelwijzer. De bemestingsmaatregelenwijzer maakt geen onderscheid tussen periode van bemesting en bemestingsniveau en doet geen uitspraak over de hoogte van het bemestingsniveau. Op basis van de abiotische kenmerken van het perceel en het risico voor nabije, kwetsbare habitattypen heeft het deskundigenteam met ondersteuning van Aequator een nadere uitwerking van de bemestingsmaatregelen gemaakt naar bemestingsniveau. In haar rapportage wordt nog gerept over vijf bemestingsklassen. Voortschrijdend eco-hydrologisch inzicht bij beperkingen in de hoeveelheid mest leert dat de kans op uitspoeling naar de kwetsbare natuur niet is uit te sluiten.

Ook al kan de mestgift volledig gecontroleerd worden toegediend. De gewasopname is 29

Inrichtingsplan Agelerbroek & Voltherbroek

echter afhankelijk van niet te beïnvloeden factoren: o.a. de hoeveelheid organische stof, bodemstructuur, gewas en weersomstandigheden. Kortom de teelt vindt niet geconditioneerd plaats en er is altijd kans op een zekere mate van uitspoeling. Binnen de 10 jaarszone van kwetsbare habitats geeft dat onaanvaardbare risico’s. De beide klassen die betrekking hadden op de beperking van mestgiften zijn hierdoor komen te vervallen. Hieronder volgt een toelichting op de legenda van de bemestingsmaatregelenkaart, in volgorde van aanscherping. Elke opvolgende maatregel vult de bovenstaande aan. Dus als er sprake is van beperking van het niveau van bemesting, dan is er al sprake van blijvend grasland: I. Blijvend grasland. Alleen in geval van achteruitgang van de grasmat kan graslandvernieuwing worden toegestaan door een ontheffing aan te vragen (scheuren); II. Beperking periode. Beperken van de periode van fosfaat- en stikstofhoudende bemesting van 15 maart tot 1 augustus III. Stoppen bemesting. Deze maatregel kan eerst voorgegaan worden door uitmijnen om tot de gewenste bemestingstoestand te komen. Verschil is dat na uitmijnen geen mogelijkheid meer is tot bemesten, omdat het risico op nitraatuitspoeling te groot is. Ook worden de functies van de percelen aangepast van bijvoorbeeld agrarische functie naar een natuurfunctie. Dit laatste wordt geregeld in het Provinciaal Inpassingsplan.

30

Inrichtingsplan Agelerbroek & Voltherbroek

4. Knelpuntenanalyse Agelerbroek en Voltherbroek De knelpunten zoals die in het Beheerplan (Tabel 4.1) zijn benoemd en in dit inrichtingsplan verder zijn onderzocht, worden in dit hoofdstuk beschreven. Het gaat hierbij vooral om hydrologische en vermesting knelpunten die door specifieke inrichtingsmaatregelen, zoals in hoofdstuk 5 beschreven, opgelost moeten worden. Tabel 4.1 Knelpunten uit het beheerplan AVAV Instandhoudings- Landelijke Huidige trend in doel staat van areaal instandhouding Aangewezen Habitattypen Blauwgraslanden

Behoud kwaliteit en oppervlak

Zeer ongunstig

Eikenhaagbeukenbosse n

Behoud kwaliteit en oppervlak

Zeer ongunstig

Vochtige alluviale bossen

Verbetering kwaliteit en uitbreiding oppervlak

Matig ongunstig

Zwakgebufferde vennen

Behoud kwaliteit en oppervlak

Zeer ongunstig

Kamsalamander

Vergroten oppervlakte leefgebied en verbeteren kwaliteit leefgebied

Matig ongunstig

Trend kwaliteit

-

Ecologische Randvoorwaarden

-

Staat van instandhouding Habitattype of soort in Natura 2000-gebied

Ongunstig - Vocht: onvoldoende - Zuurgraad: onvoldoende - Stikstofdepositie: ongunstig

?

-

Ongunstig - Vocht: onvoldoende - Zuurgraad: onvoldoende - Stikstofdepositie: ongunstig

-

-

Ongunstig - Vocht: onvoldoende - Zuurgraad: onvoldoende - Stikstofdepositie: ongunstig

f

f

Ongunstig - Vocht: onvoldoende - Zuurgraad: onvoldoende - Stikstofdepositie: ongunstig

+

?

Kleinschalige afwisseling grasland, ruigten en bos: voldoende Voldoende hoge dichtheid aan voortplantingswate ren: op aantal locaties onvoldoende Voortplantingswate ren visvrij: onbekend Geen grootschalig maaibeheer

Matig ongunstig

31

Inrichtingsplan Agelerbroek & Voltherbroek

rond voortplantingswate ren: Zeggekorfslak

Behoud oppervlakte leefgebied en verbeteren kwaliteit leefgebied

Zeer ongunstig

?1

?

Alle Matig ongunstig randvoorwaarden Vochtige alluviale bossen Maaibeheer moerassen en natte graslanden, jaarlijks 20% niet maaien: beperkt aantal locaties voldoende open plekken in boomlaag: onvoldoende Staat van instandhouding, trend en ecologische randvoorwaarden van aangewezen Habitattypen. = trend is stabiel; + trend is toenemend; - trend is afnemend; ? is onbekend.

4.1 Knelpunt verdroging Door de aanleg van diepe ontwatering in het kader van de ruilverkaveling en de A2-werkzaamheden is de GLG, de GVG en GHG sterk gedaald in het gehele gebied. Met name de diepe beken: Tilligterbeek, Peijinksbeek en de landbouwsloten rondom het gebied (veelal dieper dan 70cm) werken sterk verdrogend op het systeem. De Roelinksbeek werkt door een lekke bodem (afdichtende leemlaag in de bodem is lokaal doorsneden) ook verdrogend op de omgeving. De Voltherbeek werkt niet verdrogend op het systeem. Ook de deels afgedamde maar, na multifunctionele ruilverkaveling uit de jaren 90, nog niet gedempte westelijke grenssloot (sloot bij Wonderboer) van het Voltherbroek werkt nog lokaal sterk verdrogend. In het aangrenzende Oude broek (ter hoogte van erve Wonderboer) zien we in het alluviale bos grote oppervlakken met wortelstelten door veenoxidatie, ook wel veenafbraak genoemd. In het noordwesten van het Voltherbroek ligt een aantal percelen met een eigen waterpeil (laaggelegen deel van het erf Voltherbroekweg 8, aangegeven in raai 5). Dit waterpeil wordt veroorzaakt door een sloot rond het laaggelegen deel die altijd water voert en lager ligt dan de sloot bij Wonderboer. Water wordt afgevoerd via de Peijinksbeek.

Dit peil heeft een negatief effect op de grondwaterstanden gezien de bodemkarakteristieken in de omgeving en daarmee ook GVG en resulteert in ongewenste verdroging van de omgeving. In het zuiden van het Voltherbroek is een verbinding gegraven voor de Kamsalamander (Figuur 4.1). Deze draineert het systeem met name in de zomer. De verdamping door plaatselijk aanwezig eiken-dennenbos vergroot het verdrogende effect op de nabijgelegen vegetatie (plaatselijk in Agelerbroek en Voltherbroek).

Figuur 4.1 Drainerende verbinding tussen poelen van de kamsalamander.

De dwarsdoorsneden en de berekeningen uit de LESA (Van der Berg et al., 2017) (Figuur 4.2) laten zien dat ondiepe sloten nauwelijks een effect sorteren op de GLG in de zomer. Deze ondiepe sloten liggen veelal boven de slecht doorlatende lagen en 32

Inrichtingsplan Agelerbroek & Voltherbroek

vallen meestal droog in de zomer (draineren niet). De Roelinksbeek is opgeleid en werkt ook niet verdrogend ter hoogte van het Kanaal Almelo-Nordhorn, maar werkt wel drainerend in het zuidelijke deel van het Voltherbroek (waar de GLG in het algemeen wegzakt rondom de Roelinksbeek). De bredere watergangen die parallel aan de hoogtegradiënt lopen zoals het Vree in het Agelerbroek, het Nieuwe Vree en een landbouwsloot ten noorden van het Agelerbroek en enkele sloten in het Agelerbroek, blijken effect te hebben op de GHG en ook een negatief effect op de GVG. Deze watergangen zijn recht, vaak ononderbroken en kennen een sterk drainerende werking door hun ligging in het landschap (de helling af).

Figuur 4.2 Dwarsdoorsnede door Voltherbroek: raai 5. De doorsnede laat het maaiveldverloop zien met daarin de GHG (donkerblauwe lijn), GLG (lichtblauwe lijn), de boorprofielen met de zwaarte van de slecht doorlatende lagen (2 = matig slecht doorlatend en 3 = slecht doorlatend). Boven het maaiveld geven balken inundatiezones en aanwezigheid van habitattypen aan. De lichtgroene balk in de doorsnede is de optimale GLG-range voor het aanwezige habitattype. Bij Vochtige alluviale bossen kan dit zowel Elzenzegge-Elzenbroek of Vogelkers-Essenbos zijn met hun eigen optimale ranges. Het verschil tussen deze GLG-range en de actuele GLG is het doelgat.

Ondiepe watergangen die zandruggen doorsnijden en daarmee de opbolling van water in de flanken verhinderen (door drainage) hebben een negatief effect op het behoud en bevorderen van lokale kwel in de winter en het voorjaar in de lagergelegen delen. Deze watergangen (Figuur 4.3) zijn bepaald aan de hand van de hoogtekaart en hebben een negatief effect op de instandhoudingsdoelen en eventueel uitbreidingsdoelen van de habitattypen en deze watergangen moeten worden verondiept of gedempt. In het Agelerbroek is kwel aanwezig maar lang niet overal en is de GLG ook erg laag. In dit gebied zijn hydrologische maatregelen (intern) nodig. Het is derhalve noodzakelijk te borgen dat er geen ontwatering bij komt (er mogen geen additionele sloten/greppels of drainage worden aangelegd of verdiept binnen het beïnvloedingsgebied (hydrologische aandachtgebied)). Ten oosten en ten noorden worden percelen natter vanwege de lage ligging en is het ook van belang dat hier geen ontwatering bijkomt die resulteert in de drainage van het natuurgebied. De mogelijk negatieve effecten van de huidige ontwatering in deze percelen op de habitattypen zijn niet gekwantificeerd. In het Voltherbroek is lokale kwel aanwezig vanuit de aanwezige dekzandruggen.

Op enkele hooggelegen essen (zuidzuidwesten) en flanken nabij blauwgraslanden (zuidoosten) lijkt de GVG op orde voor de habitattypen maar moet voorkomen worden dat de ontwatering of drainage toeneemt. Het is in deze terreinen noodzakelijk te borgen dat er geen additionele ontwatering bijkomt of wordt uitgebreid (er mogen geen additionele sloten/greppels of drainage worden aangelegd of verdiept). De Peijinksbeek aan de zuidkant in het Voltherbroek is in het kader van de landinrichting Volthe aan de westzijde om het Voltherbroek geleid om vervolgens bij de Roelinksbeek met de onderleider bij Het kanaal Almelo-Nordhorn doorgeleid te worden naar de Tilligterbeek. In het kader van deze uitwerking wordt de Peijinksbeek aan de westzijde van het Voltherbroek met een nieuwe onderleider langs de westzijde van het Agelerbroek geleid. Natuur- en landbouwwater geheel gescheiden. Aan 33

Inrichtingsplan Agelerbroek & Voltherbroek

de zuidkant in het Voltherbroek, het nieuwe tracé van de Peijinksbeek (landinrichting jaren ’90 vorige eeuw) zijn de omstandigheden voor vochtig alluviaal bos niet optimaal, maar de beekbodem kan niet verhoogd worden vanwege te verwachten vernattingseffecten voor de functies wonen en landbouw ter plaatse. Er is namelijk geen alternatieve route voor de afwatering van de landbouwgronden en de woningen dan de nieuwe Peijinksbeek.

Figuur 4.3 De waterschapslegger, met de sloten die door de oppervlakkige klei- of leemlaag zijn gegraven (gele markering) en de 2de diepere klei- of leemlaag (rode markering). De doorlatendheid van de diverse klei- of leemlagen is in 3 klassen beschreven en gecodeerd (1 t/m 3) en is boven de waterloop weergegeven. Groen omcirkeld de sloot bij Wonderboer.

4.2 Knelpunt eutrofiëring Dit knelpunt komt voor in het overgangsgebied tussen landbouw en natuur. Dit is een plaatselijk probleem en speelt onder andere in het Voltherbroek aan de westkant van de Roelinksbeek tussen het laaggelegen deel (erf Voltherbroekweg 8), het kanaal Almelo-Nordhorn en de Roelinksbeek. In het Agelerbroek speelt dit onder andere aan de oost en westkant van het gebied. Stroomopwaarts van de stuw ontstaan door het vasthouden van regenwater in de winter hoge waterstanden. Hierdoor ontstaat er een risico op eutrofiering onder invloed van stagnant water. Daarnaast wordt hier voedselrijk beekwater hoog opgestuwd met een risico van overstroming bij hoge afvoer en verruiging in ditzelfde gebied. Stagnatie moet zoveel mogelijk worden voorkomen en maatregelen moeten worden genomen om doorstroom van gebiedseigen water en ook gebiedsvreemd (Roelinksbeek) water te bevorderen. Het gebiedsvreemde water kent onvoldoende kwaliteit om te mogen inunderen in de habitattypen. Dit laatste dient dan ook vermeden te worden.

4.3 Knelpunt verzuring Het grondwater is gebufferd en door het wegzakken van dit grondwater aan maaiveld en het minder lang aanwezig zijn van dit grondwater in de bovenste bodemlaag is er een omslag naar een dominantie van het zuurdere regenwater. Hierdoor verzuurt de bodem. Daarbij komt dat de verdroging ook verzuring in de hand werkt: door verdroging kan zuurstof makkelijk de bodem indringen, daar waar dat voorheen in de natte bodem niet goed kon. Dit zuurstof zorgt voor de afbraak van organische stoffen en hierbij komt stikstof vrij (mineralisatie – interne eutrofiering). Nitraat en sulfaat in het grondwater hebben ook een negatieve invloed op de waterkwaliteit en leiden tot verzuring. Veel van de (hydrologische)maatregelen worden o.a. genomen om de gevolgen van N-depositie te mitigeren/bestrijden, zodanig dat behoud wordt gegarandeerd en uitbreiding mogelijk wordt/blijft. Het is de vraag of de maatregelen voldoende zijn om de N-depositie te neutraliseren, of dat er aan de emissiekant nog iets nodig blijft.

34

Inrichtingsplan Agelerbroek & Voltherbroek

4.4 Knelpunt vermesting Het water van alle beken en sloten die water van buiten het natuurgebied voeren heeft een slechte waterkwaliteit en is te rijk aan voedingsstoffen voor de aanwezige natuurwaarden. Gehalten van stoffen als nitraat, fosfaat als ook sulfaat zijn te hoog waardoor menging van dit water in het natuurgebied leidt en /of in de toekomst kan leiden tot interne eutrofiering. Uit het onderzoek naar de grondwaterkwaliteit (BWARE, 2016) blijkt dat sulfaat en nitraat concentraties onder andere aan de westzijde van het Agelerbroek verhoogd zijn. Uit deze hoger gelegen percelen stroomt verrijkt landbouwwater richting het Agelerbroek, naar het vochtige alluviale bos en het blauwgrasland. Aan de zuidoost- en zuidzijde van het Voltherbroek speelt de problematiek van vermesting ook.

4.5 Knelpunt vispasseerbaarheid (KRW) Zowel de Roelinksbeek, Tilligterbeek en de Voltherbeek vormen zogenaamde KRW-lichamen in het projectgebied. In het recente verleden is de Voltherbeek al aangepast aan de KRW-normen. Met name stuwen zijn hierbij vervangen door vistrappen en daarmee is de beek beter vispasseerbaar gemaakt. In de Roelinksbeek en Tilligterbeek zijn stuwen aanwezig die obstakels vormen voor migrerende waterfauna. Het grootste knelpunt voor migratie van waterfauna wordt gevormd door de huidige onderleiders die de Roelinksbeek met de Tilligterbeek verbindt. Het wegnemen van dit knelpunt is vanuit de KRW-opgave erg belangrijk. Ook kan de beek zomers droogvallen en ontbreekt het aan beekdynamiek zoals een wisselende stroomsnelheid en processen als erosie en sedimentatie. Een derde knelpunt vormt de vermesting van het beekwater. Aangezien dit probleem vooral veroorzaakt wordt buiten het projectgebied kan dit knelpunt niet in dit project worden behandeld en niet worden vertaald in maatregelen.

35

Inrichtingsplan Agelerbroek & Voltherbroek

5. Maatregelen In het voorgaande hoofdstuk is beschreven dat het huidige ecohydrologische systeem functioneren niet voldoet aan de ecologische vereisten van de habitattypen die voorkomen in het Natura 2000-gebied. In dit hoofdstuk worden alle maatregelen die nodig zijn om de natuurdoelen te bereiken beschreven en onderbouwd.

5.1 Inleiding De systeemanalyse en de andere, aanvullende onderzoeken, zoals beschreven in hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4, hebben voldoende inzicht gebracht om tot concrete en effectieve maatregelen te komen. Met behulp van het vernieuwde en verfijnde grondwatermodel zijn de natuurherstelmaatregelen doorgerekend op hun effecten. In totaal zijn er 5 scenario’s met verschillende (combinaties van) maatregelen doorgerekend. Bij het beoordelen van de scenario’s is telkens het uitgangspunt voor ogen gehouden: optimaal effect voor de natuur met minimaal effect voor de omgeving. Belangrijk instrument bij de afweging was het ecologisch toetsingskader, waarin duidelijk wordt wat voor ieder habitattype afzonderlijk van belang is (paragraaf 3.4 Ecologisch toetsingskader). Op basis van alle analyses zijn de effecten van de hydrologische bufferzones rond het Agelerbroek en Voltherbroek onderzocht Het definitieve maatregelenpakket voor het Agelerbroek en Voltherbroek bestaat uit: Hydrologische maatregelen gericht op het tegengaan van het grootste knelpunt namelijk verdroging.

Hierbij wordt onderscheid gemaakt in: o Interne hydrologische maatregelen waarbij diepe watergangen (welke soms leemlagen doorsnijden) of anderszins een drainerend effect hebben worden gedempt, afgedamd of verondiept; o Externe hydrologische maatregelen waarbij externe drainerende watergangen worden gedempt, afgedamd of verondiept. Het verondiepen geldt ook voor diepe beken zoals de Tilligterbeek; Maatregelen gericht op robuust systeemherstel. Het betreft hier het herstel van de verbinding tussen het Voltherbroek en het Agelerbroek door het kanaal af te dammen en over de te dempen breedte het oorspronkelijke moerasgebied te herstellen; Maatregelen gericht op de kwaliteit van het water door het inrichten van een watersysteem dat water van verschillende waterkwaliteit gescheiden houdt; het voedselrijkere beekwater en het voedselarmere kwel- en oppervlaktewater worden fysiek gescheiden; Maatregelen gericht op de bevordering van het oppervlaktewatersysteem.

Dit zijn aanpassingen aan greppels en sloten waarbij landbouwwater en water van erven gemakkelijker kan worden afgevoerd (rondom het Natura 2000-gebied); dit zorgt voor minder knelpunten in de omgeving, maar ook minder belasting (door nutriënten) in de natuur; Kleinschalige overige maatregelen zoals kleinschalige boskap, afschrapen strooisellaag, plaatsen of vervangen van diverse kunstwerken (stuwen, vispassages, dammen, voorden etc.); Maatregelen gericht op het tegengaan van toestroming van meststoffen naar de natuur, zogenaamde bemestingsmaatregelen (paragraaf 5.5.3 Bemestingsmaatregelen Agelerbroek en 5.6.3 Bemestingsmaatregelen Voltherbroek); Maatregelen die negatieve effecten (bijvoorbeeld vernatting van woonerven of wegen) verzachten of voorkomen, de zogenaamde mitigerende maatregelen (paragraaf 6.3 Mitigerende maatregelen); Meekoppelkansen (paragraaf 5.7 Meekoppelkansen) In dit hoofdstuk worden per deelgebied de inrichtingsmaatregelen uit het definitieve maatregelenpakket beschreven. Hierbij zijn zowel de interne maatregelen als de externe maatregelen als een samenhangend totaal maatregelenpakket meegenomen. De maatregelen aan het oppervlaktewatersysteem zijn deelgebiedoverstijgend en worden los van de deelgebieden beschreven.

Aangezien het pakket aan natuurherstelmaatregelen uit het concept beheerplan als vertrekpunt wordt gehanteerd, worden deze maatregelen als eerste beschouwd. Aangegeven wordt of deze maatregel, met de aanvullende kennis, nog steeds relevant is en vervolgens is aangegeven hoe deze maatregel voor dit gebied uitgewerkt of verfijnd is. Hierna volgen aanvullende maatregelen die met de huidige kennis van het gebied als noodzakelijk worden geacht voor het behalen van de doelen of die gezien worden als meekoppelkans. (Dit hoofdstuk vormt de vertaling en uitwerking van het rapport: Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek definitief maatregelenpakket Natura 2000- uitkomsten iteratief proces, Unie van Bosgroepen, 27 oktober 2019).

5.2 Definitief maatregelenpakket Agelerbroek Onderstaande tabel geeft een overzicht van de natuurherstelmaatregelen uit het beheerplan en de onderbouwing of en op welke wijze deze zijn meegenomen in het definitieve maatregelenpakket. Tabel 5.1 Agelerbroek natuurherstelmaatregelen uit het beheerplan en verwerking in definitieve maatregelenpakket; beheermaatregelen, bijvoorbeeld hervatten hooilandbeheer, zijn niet opgenomen in dit inrichtingsplan. Definitief Natuurherstelmaatregelen uit het beheerplan maatregelenpakket Onderbouwing M1a Inrichten hydrologische bufferzone ten oosten, Ongewijzigd Maatregelen zijn effectief voor toename kwel en hogere noorden en westen van het Agelerbroek; sterk verondiepen GVG en GHG in het Agelerbroek Tilligterbeek en verleggen Peijinksbeek en verwijderen randsloten Agelerbroek en detailontwatering 36

Inrichtingsplan Agelerbroek & Voltherbroek

Natuurherstelmaatregelen uit het beheerplan M1d Geleidelijke overgangen creëren langs bospercelen

Definitief maatregelenpakket Ongewijzigd

M1f Onderzoek naar de omvang van toestroming van sulfaat- en nitraatrijk grondwater en het effect op kwelafhankelijke habitattypen (ook M2i)

Uitgevoerd

M1h Onderzoek uitvoeren naar de verbreiding en dikte van de kleilaag ter plekke van diepe watergangen t.b.v. inschatting ontwaterende werking Roelinksbeek en andere te dempen/ verondiepen waterlopen

Uitgevoerd

M1k Nieuwe onderleider en verbinding Peijinksbeek met nieuwe landbouwafwatering buiten de hydrologische bufferzone westelijk van het Agelerbroek M1i Dempen interne ontwatering binnen het Agelerbroek

Gewijzigd

M1l Weghalen of sterke verlaging van de kade en stuw aan de noordzijde van het Agelerbroek ten einde diepe inundatie met regenwater van de lage delen van het Agelerbroek tegen te gaan

Gewijzigd

M1q Een nieuwe landbouwontwatering buiten de hydrologische bufferzone westelijk van het Agelerbroek (in het verlengde van de Peijinksbeek) en verbeteren huidige waterloop ten noorden van het Agelerbroek nodig om vervangende afwatering te realiseren voor landbouw ten westen van het Agelerbroek M4b Zeer kleinschalig plaggen bestaande blauwgraslanden na hydrologische maatregelen

Ongewijzigd

M4d Zeer kleinschalig plaggen op potentiële locaties blauwgraslanden na hydrologische maatregelen M1e Boskap op kleine schaal (in particuliere terreinen)

Gewijzigd

M6a Aanplanten enkele rij bomen (rond het melkveebedrijf aan de Steenmatenweg wordt stikstof invangende erfbeplanting aangelegd)

Vervallen

Gewijzigd

Gewijzigd

Ongewijzigd

Onderbouwing Maatregel is ongewijzigd opgenomen in dit inrichtingsplan. zie systeemanalyse (van den Berg et al., 2017), eindrapportage onderzoekcentrum B-WARE (Lucassen & Roelofs 2016); aanvullend onderzoek uitspoeling nutriënten (E. Lucassen, 2021) en van den Berg, 2021) de uitkomsten van de onderzoeken uit 2016 en 2017 zijn meegenomen in de Bemestingsmaatregelenwijzer en hebben geleid tot maatregelen ten aanzien van bemesting op enkele landbouwpercelen. Met de aanvullende onderzoeken uit 2021 (resultaten uit een jaar monitoring) is aangetoond dat de maatregelen goed zijn onderbouwd. De systeemanalyse (van den Berg et al., 2017) heeft de specifieke locaties waar dit van toepassing is in beeld gebracht en heeft geleid tot de aanbeveling bij verondieping ook oorspronkelijke keileem of kleilagen te herstellen De locatie van de onderleider onder het kanaal is meer naar het westen gesitueerd; dit is vanuit de terreinhoogtes een meer logische plek (laagste punt) De diepe watergangen zoals ’t Vree worden gedempt (en deels verondiept om te lange stagnatie van water in het voorjaar te voorkomen); bij de overige watergangen zal het dempen geleidelijk verlopen door een combinatie van gronddrempels (= uit te voeren maatregel) en op termijn natuurlijke verlanding.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/595/documents/18163