CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5_Toelichting.pdf

Commissie Omgeving & Economie 1 maart 2022, gemeente DinkellandBij agendapunt: 5: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Weerselo, Vicarieweg 5”19.333 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Zo draagt de gemeente bij aan de werkgelegenheid en kunnen verschillende soorten bedrijvigheid ontstaan. Dinkelland streeft naar levendige compacte kernwinkelgebieden. Voor duurzame, kansrijke initiatieven levert de gemeente maatwerk. Daarbij ligt de nadruk op het behouden en versterken van het lokale bedrijfsleven. Samenvattend gaat Dinkelland voor: goede vestigings- en ontwikkelingsmogelijkheden voor het bedrijfsleven; het faciliteren van ondernemers met als principe “ja- tenzij”. Dinkelland geeft ondernemers de ruimte door in te zetten op maatwerk en door flexibiliteit te bieden. De gemeente vindt het belangrijk dat de juiste functies op de juiste plek terecht komen. Het slim combineren van functies vanuit een duidelijke visie biedt kansen. De ondernemers, de bedrijfsconsulent en het 28

bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5

OndernemerServiceTeam (OST) zijn hierbij de spil. Zij verbinden partijen aan elkaar en helpen met de juiste routes. 4.3.1.3 Toetsing van het initiatiefaan MijnOmgevingsvisieDinkelland De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de realisatie van een multifunctionele ruimte voor verschillende functies. Het initiatief past uitstekend in het streven naar voldoende voorzieningen en draagt bij aan de leefbaarheid van het buurtschap. Ten aanzien van ruimte voor ondernemen past het initiatief binnen het streven van de gemeente om ruimte te bieden aan ondernemers. Het initiatief sluit hiermee naadloos aan op de omgevingsvisie. 4.3.2

Structuurvisie Dinkelland

4.3.2.1 Inleiding De Structuurvisie Dinkelland bevat een integrale, ruimtelijke en functionele toekomstvisie voor de gemeente Dinkelland. Naast een integrale beleidsvisie geeft de visie de regionale positionering en inbreng van de gemeente Dinkelland in de regio Twente aan. 4.3.2.2 Hoofdambitie Hoofdambitie van Structuurvisie is: “Dinkelland staat voor het duurzaam borgen en ontwikkelen van een unieke combinatie van levende en sociaal coherente gemeenschappen, ligging en landschap, rijk historisch bezit en een gezonde en weerbare economie”. Om deze hoofdambitie te kunnen realiseren zijn vijf hoofdkeuzes gemaakt: 1. de gemeente zet in op 10 vitale woonkernen, met een concentratie van de meest kostbare gemeenschapsvoorzieningen in de hoofdkernen Denekamp, Ootmarsum en Weerselo; 2. het versterken van het economisch profiel door het realiseren van compenserende werkgelegenheid in de agrarische sector en het bevorderen van de economische betekenis van de toeristisch-recreatieve sector; 3. het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied; 4. het bevorderen en versterken van recreatie en toerisme; 5. het bevorderen van de bereikbaarheid en de verkeersveiligheid. Hierna wordt allereerst ingegaan op de visie op hoofdlijnen voor de kern Weerselo.

Vervolgens wordt ingegaan op de visie ten aanzien van 'recreatie en toerisme', aangezien daar specifiek in het Stift ingegaan wordt. 4.3.2.3 Visie op hoofdlijnenWeerselo In de visie zijn voor de kernen visies op hoofdlijnen weergegeven. Hieronder is de visie op hoofdlijnen voor de kern Weerselo weergegeven. De voor dit plan van belang zijnde punten zijn weergegeven: Ontwikkelen recreatieve verbinding van het Stift met dorpskern Weerselo; De kern Weerselo is aangeduid als verzorgingskern. Voor l Weerselo zal enige groei van draagvlak/inwonertal moeten worden gerealiseerd zodat het dienst kan blijven doen als verzorgingskern. Voor de komende jaren wil de gemeente in het plan Het Spikkert bouwen via een uniek concept: “riant wonen in het groen”. Een kwalitatief hoogwaardig woonconcept met een combinatie van natuur en woonruimte. We streven er naar om ook met name speciale doelgroepen zoals jongeren te bedienen. Dit moet leiden tot een evenwichtige opbouw van de bevolking 4.3.2.4 Visie op recreatie en toerisme Recreatie en toerisme zijn speerpunten van gemeentelijk beleid. Zij bieden namelijk economische kansen voor de gemeente. Dit is des te meer van belang nu de oorspronkelijke functie van de landbouw voor werkgelegenheid en grondgebruik van het landelijk gebied meer en meer gaat verdwijnen.

Ontwikkelingen op het gebied van recreatie en toerisme worden steeds minder ondergeschikt aan de agrarische belangen. Om de leefbaarheid van het platteland te behouden heeft het gebied dringend nieuwe functies nodig. Dit kan zijn op het gebied van nieuwe vormen van wonen en werken en natuurontwikkeling en vooral ook recreatie en toerisme. Dinkelland wordt verder ontwikkeld naar een gebied waar kunst en cultuur, ontspanning, wellness en natuur de belangrijkste thema’s zijn. Hierbij is oog voor de zo kenmerkend kleinschaligheid van het gebied waardoor de basiskwaliteiten voor recreatie en toerisme in het gebied: rust, ruimte, authenticiteit, kleine en karakteristieke kernen, hoogwaardige (verblijfs)accommodaties en een goed routestructuur, gewaarborgd zijn. Behoud en ontwikkeling van het landschap blijft daarbij een speerpunt. Om de recreatie- en toeristische sector te stimuleren is het versterken van het historische karakter en de toeristische functie van het Stift als een van de speerpunten genoemd.

bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5

29

4.3.2.5 Toetsing van het initiatiefaan de Structuurvisie Dinkelland Het initiatief sluit aan bij de algemene ambitie van de gemeente om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied te waarborgen. Aan een monumentaal pand wordt immers een passende vervolgfunctie gegeven, waarbij het karakter van zowel het pand als omgeving versterkt wordt. Door de nieuwe functie in de gezondheidszorg wordt een impuls gegeven aan de gezondheidszorg en daarmee aan de leefbaarheid van het platteland. Ook wordt een impuls gegeven aan de ambities op het gebied van kunst en cultuur. Binnen het gebouw komt er namelijk tevens mogelijkheid voor exposities op het gebied van kunst. Dit past ook bij het leefbaar houden van het 't Stift als cultuurhistorische buurtschap. Ook wordt aangesloten bij het bevorderen van de recreatie en toerisme, aangezien er een ondergeschikte horecafunctie gerealiseerd wordt. Voorgenoemde sluit tevens specifiek aan bij de ambitie ten aanzien van recreatie en toerisme om het historisch karakter en de toeristische functie van het Stift en de omgeving Weerselo en Saasveld te versterken. De gemengde functie met kleinschalige horeca is een aanvulling op de bestaande horeca en een verbetering van de toeristische structuur. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de structuurvisie. 4.3.3

Beleidsnotitie'KwaliteitsimpulsGroene Omgeving'

4.3.3.1 Algemeen De gemeente Dinkelland heeft op basis van het provinciale beleid een eigen KGO-beleid opgesteld. Op basis van dit beleid kan er ruimte worden geboden voor grootschalige uitbreidingen en nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied. De volgende basisprincipes gelden voor elke ontwikkeling: Elke ontwikkeling dient beoordeeld te worden vanuit het aspect ruimtelijke kwaliteit; Bij grootschalige ontwikkelingen (nieuw of uitbreiding van bestaand) wordt naast een investering in de ontwikkeling zelf tegelijkertijd geïnvesteerd in de omgevingskwaliteit; De principes van ruimtelijke kwaliteit gelden voor elk planproces en dienen bij elk initiatief/ontwerp/opgave te worden toegepast. 4.3.3.2 Generiekbeleid Het generieke beleid voorziet in een zuinig gebruik van ruimte. In dit onderhavige gemeentelijke beleid wordt vastgesteld dat afwijking van bestaande regels mogelijk is ten behoeve van economische ontwikkelingen die naar aard en omvang passend zijn op de locatie, mits passend binnen het provinciaal- en rijksbeleid (zoals zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), deze passen bij de gebiedskenmerken en bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Is er sprake van een bestaande locatie dan wordt deze als passend aangemerkt. Dit betekent dat de geldende bestemming ter plekke als qua aard passend wordt beschouwd.

4.3.3.3 Evenwicht ontwikkelingsruimteen kwaliteitsprestaties Er is een basis gevonden voor het bereiken en meten van het evenwicht tussen ontwikkelingsruimte en kwaliteitsprestaties. Bij elke ontwikkeling hoort een basisinspanning in de vorm van een goede ruimtelijke (landschappelijke) inpassing: vorm en situering van gebouwen, erfbeplantingen. Voor het bepalen van de hoogte van de aanvullende kwaliteitsprestaties zijn drie variabelen te hanteren: is de ontwikkeling gebiedseigen of gebiedsvreemd; wat is de schaal van de impact op de omgeving; Als er sprake is van een niet functioneel aan het buitengebied gebonden grootschalige ontwikkeling, dient 100% van de waardevermeerdering (van de gronden als gevolg van aanpassing van de bestemming) te worden geïnvesteerd (naast de basisinspanning). Van het voorgenoemde percentage van 100% kan in bepaalde omstandigheden worden afgeweken. Dit is de maatwerkclausule. Als er sprake is van specifieke omstandigheden die een verlaging van het toe te passen percentage rechtvaardigen, dan kan het college hiertoe een besluit nemen. Alsdan gelden aspecten als sociale kwaliteit, werkgelegenheid, veiligheid, ruimtegebrek en logistiek als items ter onderbouwing om (per item) het percentage te verlagen met 5 (met een maximum van 25%).

Als er sprake is van een functioneel aan het buitengebied gebonden grootschalige ontwikkeling zal er naast de basisinspanning 25% moeten worden geïnvesteerd in ruimtelijke kwaliteit. Indien er geen mogelijkheid is om het gehele bedrag te investeren, zal het bedrag gestort worden in het KGO-fonds. De percentages zijn ingegeven door het feit dat bij een niet aan het buitengebied gebonden activiteit de impact groot is, omdat deze functies feitelijk in de kernen thuishoren. Gelet hierop dient er een volledige tegenprestatie geleverd te worden. Het zogenoemde weegschaalmodel komt in evenwicht door de waardevermeerdering volledig te compenseren in ruimtelijke kwaliteit.

30

bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5

Kernrandzone Is er sprake van een niet aan het buitengebied gebonden ontwikkeling in een kernrandzone, dan dient niet 100% maar 50% van de waardevermeerdering geïnvesteerd te worden. Gaat het om een aan het buitengebied gebonden ontwikkeling in een kernrandzone, dan dient niet 25% maar 12,5% van de waardevermeerdering te worden geïnvesteerd. De kernrandzone is niet een vast afgebakend gebied (in bijvoorbeeld het bestemmingsplan), maar zal van geval tot geval gemotiveerd moeten worden. Een kernrandzone is een gebied aansluitend aan de kern waar sprake is van een menging van functies; waar “de kern het buitengebied treft”. Vindt een ontwikkeling plaats in de kernrandzone, dan kan dus het percentage van de waardevermeerdering die geïnvesteerd moet worden, worden gehalveerd. 4.3.3.4

Waardevermeerdering en waardevermindering

Waardevermeerdering Bij het bepalen van de hoogte van de kwaliteitsimpuls voor de groene omgeving wordt uitgegaan van de waardevermeerdering van de gronden die door de planologische verandering zal ontstaan. Er wordt uitgegaan van basisbedragen. Dit zijn in overleg met erkende taxateurs bepaalde waarden. Het gemeentelijk KGO-beleid bevat een tabel waarin deze bedragen zijn opgenomen. Daar waar dat lastiger is vanwege de invloed van de mogelijkheden binnen een specifieke bestemming (bijvoorbeeld indien veel meer bouwmogelijkheden worden geboden binnen een bestemming), zal een taxatie nodig zijn. Opgemerkt wordt hier dat bij ontwikkelingen waarbij sprake is van een negatieve waardeontwikkeling, geen verrekening plaats vindt. Waardevermindering Waardevermindering als gevolg van de herziening van het bestemmingsplan, zoals bijvoorbeeld van agrarische grond naar bos en natuur of landschap dan wel van bedrijfsterreingrond naar bos en natuur of landschap, mogen worden meegenomen in de berekening, voor zover het gaat om het veranderen van de bestemming ten behoeve van de basisinspanning.

Ten aanzien van de investering van de berekende KGO bijdrage, mogen reële, werkelijke kosten voor het opstellen van het KGO-landschapsplan tot een percentage van 10% van het berekende KGO bedrag met een absoluut maximum van €15.000,-, worden meegenomen, in die zin, dat deze mogen worden toegerekend aan de investering in ruimtelijke kwaliteit (voorwaarde is hierbij wel dat niet op een andere wijze een bijdrage mag zijn ontvangen voor het opstellen van het landschapsplan). Ook de kosten voor de inzet van de kwaliteitsgroep landelijk gebied kunnen hierbij worden betrokken. 4.3.3.5 Toetsing van het initiatiefaan de beleidsnotitie'KwaliteitsimpulsGroene Omgeving' De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op basis van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Het provinciale beleid gaat er vanuit dat er ter compensatie van ontwikkelingen in het buitengebied geïnvesteerd wordt in de groene omgeving. De parkeerplaatsen worden op agrarische gronden gerealiseerd, vandaar dat de KGO van toepassing is. In dit geval is in een ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1) opgesteld. Het perceel wordt geheel landschappelijk ingepast, waarbij er fors geïnvesteerd wordt in het groen. Bovendien is de impact van de parkeerplaatsen door een adequate inpassing minimaal. Daarmee wordt geconcludeerd dat de geboden ontwikkelingsruimte in overeenstemming is met de investeringen in het landschap.

Gezien de kleinschaligheid is een nadere uitwerking op basis van het gemeentelijk KGO-beleid niet noodzakelijk. Dit is reeds met de gemeente afgestemd. Het plan is daarmee in overeenstemming met de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. 4.3.4

Casco-benaderingin Noordoost-Twente

4.3.4.1 Algemeen In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld. Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5

31

kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel. 4.3.4.2 Casco-benaderingin de praktijk De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het 'kleinschalige groene karakter' van het landschap in totaliteit. De regels van de casco-benadering gelden niet voor: Punt elementen (zoals poelen en solitaire bomen). Lijn elementen (zoals stijlranden en zandwegen). Beplanting binnen bouwblokken/bebouwde kom. Boomgaarden. Bos groter dan 0,5 hectare. Voor bovenstaande elementen en het beheer van casco elementen geldt het reguliere beleid van elke afzonderlijke gemeente. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel. Landschapstype Elementen die tot het casco behoren Elementen die niet tot het casco behoren

Opmerking Mogen in principe niet verplaatst worden Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan Te compenseren elementen Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties: Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de casco-kaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). In de volgende afbeelding is een uitsnede opgenomen van de ligging van het plangebied ten opzichte van casco-elementen.

32

bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5

Afbeelding 4.6: Uitsnede cascokaart (Bron: Gemeente Dinkelland) 4.3.4.3 Toetsing van het initiatiefaan de "Casco-benaderingin Noordoost-Twente" Zoals uit afbeelding 4.6 blijkt, is de bomenrij langs de noordzijde van het plangebied onderdeel van het casco. Zoals ook in paragraaf 3.1.3 aangegeven wordt deze bomenrij versterkt met nieuwe inheemse bomen, zodat de cultuurhistorische kwaliteiten van het gebied versterkt worden. De casco-elementen worden daarmee versterkt. Het plan is dan ook in overeenstemming met het casco-beleid. 4.3.5

Nota omgevingskwaliteit

4.3.5.1 Algemeen De gemeenten Dinkelland en Tubbergen hebben op 22 december 2015 de gezamenlijke welstandsnota 'Nota Omgevingskwaliteit' vastgesteld. De gemeenten hebben de keus gemaakt om de bemoeienis zoveel mogelijk te beperken en daarom alleen te sturen op omgevingskwaliteit waar dit nodig en voor iedereen uitlegbaar is. Ruimtelijke kwaliteit en deregulering hebben in het proces bij het opstellen van de nota centraal gestaan. Behalve deregulering staat ook maatwerk centraal in het welstandsbeleid. De beeldkwaliteit van karakteristieke en kenmerkende plekken dient te worden geborgd. Het grondgebied van de gemeenten is opgedeeld in deelgebieden, om per deelgebied tot een passend welstandsbeleid te komen is gewerkt via de thema's waardering, ambitie en beleid. Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Ieder blad bestaat uit een kaartje van het gebied, een toelichting, en een weergave van de beoogde omgevingskwaliteit dat bij de welstandstoets voor de omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) van toepassing is. Het welstandsbeleid van de gemeentes bestaan uit drie niveaus van omgevingskwaliteit: basis omgeving; midden omgeving;

bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5

33

bijzonder omgeving. Daarnaast wordt er onderscheid gemaakt tussen bouwwerken, die allen een andere impact hebben op de omgeving. Er wordt onderscheid gemaakt tussen: Kleine bouwwerken (binnen en buiten het bestemmingsplan); Reguliere bouwwerken (binnen het bestemmingsplan); Reguliere bouwwerken (buiten het bestemmingsplan, m.u.v. kleine bouwwerken); Bijzondere bouwwerken. In afbeelding 4.4. staat de toetsingsmethodiek weergegeven.

Afbeelding 4.4: Werkwijze welstandsbeoordeling (Bron: gemeenten Dinkelland en Tubbergen) 4.3.5.2 Welstandsniveau Het plangebied ligt in de kern Het Stift, in een gebied dat in het welstandsbeleid is aangemerkt als 'bijzondere omgeving'. Het gaat om een bijzonder bouwwerk. 4.3.5.3 Toetsing van het initiatiefaan de 'Nota omgevingskwaliteit' In dit geval zijn de plannen besproken met het Q-team en met de monumentencommissie van de gemeente Dinkelland. In de planvorming is hiermee uitvoerig rekening gehouden. De kwaliteiten van het monument worden behouden en waar mogelijk nadrukkelijker in beeld gebracht. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het initiatief daarmee in overeenstemming is met de nota omgevingskwaliteit. 4.3.6

Conclusietoetsing aan het gemeentelijkbeleid

Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de in deze paragraaf behandelde beleidsstukken.

34

bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Beluit milieueffectrapportage.

5.1 Geluid 5.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

In dit geval gaat het om het realiseren van een multifunctionele psychologiepraktijk inclusief kantoor/verhuur vergaderruimten en workshops en ondergeschikte horeca. Deze functies betreffen geen van allen geluidsgevoelige functies. Een onderzoek naar de geluidbelasting als gevolg van de omliggende geluidsbronnen is dan ook niet nodig. Overigens liggen er in de nabijheid uitsluitend zeer rustige wegen die door het bestemmingsverkeer gebruikt worden. Ook liggen er geen spoorlijnen of gezoneerde bedrijventerreinen in de omgeving van het plangebied. 5.1.3

Conclusie

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.2 Bodem 5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht. 5.2.2

Situatie plangebied

5.2.2.1 Algemeen Ter plaatse van het plangebied is er geen sprake van het bouwen van bodemgevoelige functies, aangezien de praktijk volledig in het bestaande pand zal worden uitgeoefend. Er is ter plaatse echter wel lange tijd een bedrijfsfunctie in de vorm van een smederij gevestigd geweest. Om de kwaliteit van de grond in beeld te brengen, is daarom een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In de volgende subparagraaf wordt nader op de onderzoeksresultaten ingegaan. Het volledige rapport is als Bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen. 5.2.2.2

Onderzoeksresultaten

Bovengrond - BG I en BG II - Zware metalen en PAK

bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5

35

Er zijn enkele verontreinigingen aangetroffen. Deze verontreinigingen in de grond met metalen en PAK zijn niet ongebruikelijk op locaties, waar al tientallen jaren sprake is geweest van bebouwing. Oorzaak voor de verhoogde gehalten wordt gezocht in de waargenomen bodemvreemde materialen (kolengruis) en de voormalige bedrijfsactiviteiten (smederij). Het mengmonster van de bovengrond BG I is sterk verontreinigd met zink, matig verontreinigd met koper, nikkel en lood en licht verontreinigd met cadmium, kobalt, kwik, molybdeen, PCB en PAK. Aangezien de tussenwaarden worden overschreden, zijn de monsters uit het mengmonster BG I separaat geanalyseerd op zware metalen. Grondwater - Peilbuis 1 - Barium, cadmium en zink Het licht verhoogde gehalten aan barium in het grondwater is waarschijnlijk te wijten aan een plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarde. In de ondergrond zijn roesthoudende lagen waargenomen, wat duidt op de natuurlijke aanwezigheid van metalen in de bodem. De verhoogde gehalten aan cadmium en zink houden mogelijk (deels) verband met de voormalige bedrijfsactiviteiten en de aangetoonde verontreinigingen in de bovengrond. De tussenwaarden voor barium en cadmium worden niet overschreden en het uitvoeren van nader onderzoek is hiervoor niet noodzakelijk.

Het sterk verhoogde zinkgehalte houdt mogelijk (deels) verband met het aangetoonde zinkgehalte in de bovengrond (BG I). Formeel gezien dient verder aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om de omvang van de sterke verontreiniging met zink in het grondwater te bepalen. Er zijn naar een aantal redenen om af te zien van een nader onderzoek: In de ondergrond zijn oer- en/of roesthoudende lagen waargenomen, wat duidt op de natuurlijke aanwezigheid van metalen in de bodem. In de grondwatermonsters is een lage pH aangetoond. Hierdoor lossen zware metalen makkelijker op in het grondwater; Bij de geplande verbouwing van de voormalige smederij tot praktijkruimte is geen contact met het grondwater. Voor de verbouwing is geen bronbemaling nodig. Het is bekend uit diverse risicoanalyses dat er bij huidig gebruik geen sprake is van blootstellingsrisico’s. Er zijn mogelijk wel (humane) risico’s aanwezig, wanneer het freatische grondwater gebruikt wordt als drinkwater (voor vee) of voor de besproeiing van gewassen in een moestuin. Deze risico’s worden gering geacht bij de vastgestelde gehalten. Gebruik van het freatisch grondwater wordt echter afgeraden om enig risico uit te sluiten. De sterke zinkverontreiniging in het grondwater levert bij huidig en toekomstig gebruik geen risico’s op. Het is dan ook niet noodzakelijk om over te gaan tot een nader onderzoek.

Separate analyses Uit de separate analyses blijkt dat in de bovengrond rondom de voormalige smederij verhoogde gehalten voorkomen aan zware metalen. Het betreft met name koper, nikkel, lood en zink. Ter plekke van boring 2 is de bovengrond sterk verontreinigd met zink. De licht tot sterke verontreinigingen met metalen in de bovengrond zijn heterogeen aanwezigen en houden waarschijnlijk verband met de voormalige bedrijfsactiviteiten (smederij) en de aangetroffen bodemvreemde materialen (kolengruis). Een nader bodemonderzoek is uitgevoerd om de omvang van de sterke verontreiniging in kaart te brengen. Nader bodemonderzoek Uit de resultaten van de chemische analyses blijkt dat de sterke verontreiniging in voldoende mate is afgeperkt. De interventiewaardecontour is weergegeven op het boorplan in bijlage I. Er kan geen achtergrondwaardecontour worden vastgesteld, omdat in de overige boringen nog licht tot matig verhoogde gehalten aan zware metalen zijn aangetoond. Het sterk verhoogde gehalte aan zink en de matig verhoogde gehalten aan koper, nikkel en lood ter plekke van boring 2 houden verband met de aangetroffen bodemvreemde materialen (kolengruis). De omvang van de sterke verontreiniging met zink ter plekke van boring 2 wordt geschat op circa 25 m3 x 0.50 = circa 13 m3.

De locatie is een zeer lange tijd in gebruik geweest als smederij en aangenomen wordt dat het een historische bodemverontreiniging betreft (ontstaan voor 1987). Omdat er minder dan 25 m3 grond sterk verontreinigd is, is er geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging en is er derhalve ook geen saneringsnoodzaak. De sterk met zink verontreinigde grond bevindt zich ter plekke van boring 2, aan de noordzijde van het pand. In de toekomstige situatie zal de voormalige smederij verbouwd worden tot een praktijkruimte. Ter plekke van de sterke verontreiniging blijft de situatie ongewijzigd en is er geen saneringsnoodzaak. De sterk met zink verontreinigde grond mag niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van 36

bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5

bevoegd gezag (gemeente Dinkelland). Indien de sterk verontreinigde grond alsnog gesaneerd wordt, dient een saneringsplan ingediend te worden bij het bevoegd gezag. Een eventuele sanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd. 5.2.3

Conclusie

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder andere de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). 5.3.1.1 Besluit en de Regelingniet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor NO2 en PM10. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de functies die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt niet worden aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.

bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5

37

5.4 Externe veiligheid 5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. De rode marker geeft het plangebied weer.

38

bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5

Afbeelding 5.1: Uitsnede risicokaart (Bron: Nederland.risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen alsmede inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. LPG-tankstation Op afbeelding 5.1 is weergegeven dat er een LPG-tankstation in de nabijheid van het plangebied ligt. Het betreft het autobedrijf aan de Abdijweg 62, op circa 170 meter afstand van het plangebied. Ter plaatse is een LPG-reservoir aanwezig, waarvoor een plaatsgebonden risicoafstand geldt van 25 meter en een afstand van 150 meter waarbinnen een verantwoording voor het groepsrisico benodigd is. Het plangebied ligt niet binnen deze zone. Het aspect 'externe veiligheid' vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig plan. 5.4.3

Conclusie

Eén en ander brengt met zich mee dat het voornemen in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5 Bedrijven en milieuzonering 5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5

39

voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering'. Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zoals gesteld in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten'. Hierbij wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding, waarbij twee gebiedstypen te onderscheiden zijn, namelijk: 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woonen leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied is gelegen in het Stift, dit betreft een historische buurtschap. In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich met name woonfuncties. De omgeving kan dan ook worden aangemerkt als 'rustige woonwijk'. Hierna zijn bijbehorende richtafstanden weergegeven. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6 5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt, dient bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

40

bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Voorliggend plan voorziet in het realiseren van een multifunctionele psychologiepraktijk, inclusief ondergeschikte horeca en kantoorfuncties/workshopruimtes. Als deze functies worden vergeleken met de VNG-publicatie 'bedrijven en milieuzonering', dan kunnen deze functies het best worden vergeleken met de volgende functies: artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven; overige zakelijke dienstverlening: kantoren; restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen bereiding, viskramen e.d.; Voor bovengenoemde functies geldt op basis van ligging in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter. De dichtstbijzijnde milieugevoelige functie betreft de woning direct ten westen van het plangebied. Deze woning ligt op een afstand van 6 meter. Aan de richtafstanden wordt formeel niet voldaan. Het gaat echter om een zeer kleinschalige functie. Er wordt ter plaatse immers zorg geboden aan maximaal 4-5 patiënten gelijktijdig. Ook de vergaderfunctie en de horecafunctie zijn zeer kleinschalig. Het gebouw heeft immers een oppervlakte van slechts 90 m2.

Tot slot komt er in dit geval een bedrijfsbestemming te vervallen, wat een verbetering van het woon- en leefklimaat betekent. Geconcludeerd wordt dat omliggende functies niet worden beperkt als gevolg van de ontwikkeling. Een kleinere afstand dan 10 meter is daarmee gerechtvaardigd. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Er is in dit geval geen sprake van het toevoegen van een milieugevoelige functie. Overigens liggen er in de directe omgeving geen milieubelastende functies. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.6 Ecologie 5.6.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.2

Gebiedsbescherming

5.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Lemselermaten op een afstand van circa 1,9 kilometer van het plangebied. Het gaat in dit geval echter om een zeer kleinschalig project. Er is nagenoeg geen sprake van bouw- en sloopwerkzaamheden. De ontwikkeling vindt plaats in het bestaande pand, dat hiervoor zal worden gerenoveerd. Ook in de gebruiksfase is er nagenoeg geen sprake van een extra verkeersgeneratie, gezien de kleinschaligheid van het geheel (zie ook paragraaf 3.2). Hierdoor kan verwacht worden dat er geen sprake is van negatieve effecten ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Een stikstofberekening kan daarom achterwege gelaten worden.

bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5

41

5.6.2.2 NatuurnetwerkNederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet binnen het NNN. De dichtstbijzijnde gronden van het NNN liggen op circa 500 meter van het plangebied. Gezien de afstand tot het NNN en de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.6.3

Soortenbescherming

5.6.3.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 5.6.3.2 Situatie plangebied In dit geval gaat het om de realisatie van een psychologiepraktijk in een bestaand gebouw. Er is in het geheel geen sprake van sloopwerkzaamheden of het rooien van groen. Daarom kan redelijkerwijs niet verwacht worden dat er sprake is van aantasting van beschermde soorten. Een quickscan ecologie is daarom achterwege gelaten. 5.6.4

Conclusie

Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.7 Archeologie en cultuurhistorie 5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan dient de initiatiefnemer hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Dinkelland weergegeven. Het plangebied is daarin met rode belijning aangeduid.

42

bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5

Afbeelding 5.2: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Dinkelland (Bron: gemeente Dinkelland) Het plangebied ligt in een gebied dat is aangemerkt als 'dekzandhoogten en -ruggen met een plaggendek'. Een archeologisch onderzoek is nodig bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 centimeter. Deze oppervlakte wordt niet gehaald. Het gaat in voorliggend geval immers enkel om graafwerkzaamheden ten aanzien van een kleinschalige parkeerplaats en de aanleg van groenelementen. Een archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 5.7.2

Cultuurhistorie

5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan/wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied In dit geval gaat het om een nieuwe functie in een rijksmonument. Hiermee is in het plan uitvoerig rekening gehouden. Om de monumentale waarde te behouden van de smederij (anno 1890) worden verschillende onderdelen opgenomen in het nieuwe ontwerp. In het ontwerpproces is een vooronderzoek uitgevoerd. Zo is er een waardekaart opgesteld, om een indicatie te geven aan de waarde van de verschillende elementen van de smederij. Deze waardekaart met bijbehorende onderbouwing is als Bijlage 3 opgenomen. Hierna wordt er samengevat op ingegaan.

De eyecatchers zijn het smidsvuur die bewaard blijft en wordt beschermd door glas, de bestaande klinkervloer die te zien is door de stuken glazen vloer die worden geplaatst in de nieuwe vloer en de werkbank in de toekomstige spreekkamer die kan worden gebruikt als opbergruimte of werkplaats. Op de verdieping is er ook nog ruimte om onderdelen van de smederij zoals gereedschap, hoefijzers of werkkasten tentoon te stellen en daar is een stuk van de oude vloer en dak te zien. De selectie van welke onderdelen bewaard moeten blijven is vastgesteld in de waardekaart, hierin wordt tevens gekeken naar welke onderdelen eventueel naar heemkunde moeten of algeheel moeten worden verwijderd.

bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5

43

Omdat de smederij niet voldoet aan de eisen van een multifunctionele psychologiepraktijk moet er gerenoveerd worden. Hierbij wordt goed gekeken naar behoud van de monumentale waarde van de smederij, comfort, gebruiksvriendelijkheid en duurzaamheid. De plannen zijn besproken en afgestemd met de monumentencommissie. Door het plan wordt aan een monument een toekomstbestendige functie gegeven, die bijdraagt aan het behoud van het monument. Gesteld wordt daarmee dat het plan bijdraagt aan de cultuurhistorie. 5.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt er geen archeologisch onderzoek uitgevoerd hoeft te worden. Tevens is geen sprake van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.8 Besluit milieueffectrapportage 5.8.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.8.2

Situatie plangebied

5.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 1,9 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.8.2.2 DrempelwaardeBesluit m.e.r. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als 44

bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5

aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van de transformatie van een smederij naar een kleinschalige multifunctionele psychologiepraktijk. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet (onevenredig) toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en Hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.8.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5

45

46

bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5

Hoofdstuk 6

Wateraspecten

6.1 Vigerende beleid 6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Voornamelijk de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3

Provinciaalbeleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4

Waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem. het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.

6.2 Waterparagraaf 6.2.1

Watertoets

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5

47

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Watertoetsproces

Via de Digitale Watertoets is Waterschap Vechtstromen van de ontwikkeling op de hoogte gebracht. Uit de Watertoets kwam naar voren dat de korte procedure doorlopen dient te worden. Het resultaat is opgenomen in Bijlage 4. In de volgende paragaaf wordt nader ingegaan op de relevante wateraspecten.

6.3 Wateraspecten De smederij is momenteel nog niet aangesloten op het bestaande rioolstelsel. In verband met de klimaatveranderingen en de bijbehorende zware piekbuien, is het streven een ontwerp te maken waarbij het hemelwater niet opgevangen hoeft te worden door het riool. De voorkeur gaat dan ook uit naar een gescheiden rioolstelsel. Het vuilwater afkomstig uit de multifunctionele ruimte wordt dan geloosd op het huidige vrijverval riool, terwijl het hemelwater wordt opgevangen en wordt hergebruikt voor het besproeien van de beplanting in periodes van extreme hitte. Het hemelwater dient opgevangen te worden zodat het kan worden hergebruikt, hiervoor wordt de bestaande waterput aangewend. Het hemelwater dient naar deze put te worden getransformeerd, zodat het daar kan worden opgeslagen. Met het oog op de klimaatverandering zijn er veel bomen en overig groen verwerkt, zijn er weinig verharde oppervlakten en is er een systeem geplaatst waarmee hemelwater kan worden hergebruikt als grijswater in en rondom de praktijk. Deze maatregelen dienen de effecten van hittestress, wateroverlast en droogte te beperken. Het vele groen draagt daarnaast bij aan een verhoogde biodiversiteit.

48

bestemmingsplan Weerselo, Vicarieweg 5

Hoofdstuk 7 Juridische aspecten en planverantwoording 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/643/documents/17323