CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen.pdf

Gemeenteraad 21 september 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 9: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan Vierde Veld DSVD Deurningen24.831 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

27

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets In paragraaf 4.11 is berekend dat de verkeersgeneratie als gevolg van het plan (elf woningen) toeneemt met circa 84 verkeersbewegingen. Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals hierboven zijn beschreven, kan worden gesteld dat voorliggend plan voor de realisatie van elf woningen 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Met behulp van de NIBM-tool is dit tevens in figuur 4.2 inzichtelijk gemaakt. Tevens kan de realisatie van deze woningen niet aangemerkt worden als de realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen de zone van een Rijks- of provinciale weg.

Figuur 4.2: NIBM-tool, ingevuld voor onderhavig plan (bron: infomil.nl) Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

28

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.

Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets

Figuur 4.2: uitsnede risicokaart in de omgeving van het plangebied (bron: risicokaart.nl). De dichtstbijzijnde risicobron betreft een tankstation met LPG. De situering ten opzichte van het plangebied is in figuur 4.2 weergegeven. Dit tankstation ligt op dusdanig grote afstand dat het geen belemmering vormt voor de woningbouwplannen binnen het plangebied. Uit de inventarisatie blijkt dat verder binnen een straal van 650 m van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

29

4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.

De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit.

Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Waterhuishouding en watertoetsproces In opdracht van Gemeente Dinkelland heeft Geofoxx, als onafhankelijk adviesbureau een actualisering uitgevoerd van het waterstructuurplan op de planlocatie “Deurningeres (vierde veld)” te Deurningen. Onderhavig rapport is medio december 2020 opgesteld en bijgevoegd in Bijlage 5.

Het overgrote deel van het plangebied “Deurninger Es” is reeds ontwikkeld. Op 1 juli 2014 is het bestemmingsplan (ruimtelijkeplannen.nl; NL.IMRO.1774.DEUBPDEURNINGERES-0401) vastgesteld met de functies wonen, verkeer en groen. Aangezien het plantontwerp van het noordelijk deel van het plangebied is gewijzigd ten opzichte van het eerdere waterstructuur plan dient dit geactualiseerd te worden. De doelstelling van dit project is het ontwerpen van een duurzaam en robuust watersysteem voor het plangebied (4e veld DSVD). De geohydrologische situatie is in het eerdere waterstructuurplan (voor fase 1 van plan Deurninger Es) uitgebreid uitgewerkt en zal niet nader vastgesteld worden. Resultaten waterhuishouding

30

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

Binnen het plangebied zal het hemelwater en vuilwater (droogweerafvoer) gescheiden worden afgevoerd. Hierbij is gekozen om het hemelwater over het maaiveld te laten afstromen doormiddel van een molgoot. De molgoot eindigt in een wadi die aan de oost- en noordkant van het projectlocatie wordt gerealiseerd. De planontwikkeling voorziet niet in een extra belasting van de waterkwaliteit. Door de ontwikkeling neemt het verhard oppervlak toe met circa 2.828 m2. De gemeente hanteert in overeenstemming met het waterschap bij een ‘nieuwe uitleggebied’ een bergingseis van 37mm. Hemelwater afkomstig van het verharde oppervlak wordt geborgen en geïnfiltreerd in de infiltratievoorziening (wadi). De te bergen hoeveelheden zijn beschreven in hoofdstuk 4.5 van de rapportage. Hierdoor vindt geen afwenteling plaats op het omliggende watersysteem. In extreme gevallen kan overstort plaatsvinden op de oostelijke zaksloot. Opgemerkt dient te worden dat grondverbetering wordt aanbevolen teneinde de infiltratiecapaciteit te verhogen. Door het natuurlijke reliëf van de locatie is ondanks een verhang van 0,5% met betrekking tot de molgoot geen significant grote afgraving/ophoging verreisd om de benodigde bouwpeilen en ontwateringsdieptes te handhaven. Aanbevolen wordt om maatregelen te nemen teneinde versleping van de (onder)grond bij de bouwwerkzaamheden tegen te gaan.

Watertoets Om vast te stellen welke waterbelangen spelen bij de planontwikkeling en welke procedure in het kader van de watertoets moet worden gevolgd, is de digitale watertoets uitgevoerd op de website www.dewatertoets.nl. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies, met een geldigheid van 1 jaar.

4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing In opdracht van gemeente Dinkelland heeft EcoTierra- ecologisch adviesbureau op een braakliggend terrein te Deurningen (gemeente Dinkelland) een quickscan flora en fauna uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Zie Bijlage 6 voor de volledige rapportage. Onderstaand volgt een samenvatting van het onderzoek en de bevindingen. Het plangebied is gelegen ten oosten van de bebouwing van Deurningen en betreft een braakliggend terrein (vierde veld van DSVD) met enkele groenstructuren. De initiatiefnemer is voornemens 11 woningen met bijbehorende tuinen en parkeergelegenheid te realiseren. In dit kader zullen naar verwachting diverse bomen langs de Deurningerbeek worden gekapt. Er worden geen opstallen geamoveerd of oppervlaktewateren gedempt. Het plangebied zal landschappelijk worden ingepast.

De ingrepen vinden plaats in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Onderhavige quickscan is gebaseerd op een bronnenonderzoek en een veldbezoek. Het veldbezoek heeft op 4 juni 2020 plaatsgevonden. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat: Het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt en er in Overijssel geen externe werking van toepassing is. Verdere toetsing aan het NNN wordt niet noodzakelijk geacht; Het plangebied wel deels in de Zone Ondernemen met Natuur en Water buiten NNN is gelegen. Door de landschappelijke inrichting zal er een impuls worden gegeven aan de natuur; Er geen significante aantasting wordt verwacht op soorten die voor de meest nabijgelegen Natura2000-gebieden zijn aangewezen (Wnb- Natura2000-soorten); Er geen gevolgen zijn aangaande het onderdeel Wnb- houtopstanden; Er geen nadelige gevolgen zijn aangaande streng en strikt beschermde soorten of hun beschermde verblijfplaats (Wnb-soorten); Een ontheffing niet noodzakelijk is; Er geen nader onderzoek hoeft plaats te vinden; Er wel rekening met grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en vogels gehouden dient te worden tijdens de werkzaamheden en bij de inrichting van het plangebied; bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

31

Voor algemeen voorkomende soorten een algemene vrijstelling geldt als het ruimtelijke ingrepen betreft; De zorgplicht altijd van toepassing is. Stikstofdepositie De verspreiding van emissies en de bijdrage aan de stikstofdepositie ten gevolge van het bestemmingsplan Deurningen, Vierde Veld DSVD is berekend met het rekenmodel AERIUS Calculator (versie 2020). In Bijlage 7 is het rapport opgenomen. Voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is de maximale bijdrage minder dan 0,00 mol/ha/jaar (AERIUS uitvoer: “Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar”). Daarmee kan geconcludeerd worden dat er bij gebruik van STAGE IV klasse werktuigen geen negatieve effecten te verwachten zijn op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten gevolge van de aanlegfase en de gebruiksfase van het bestemmingsplan Deurningen, Vierde Veld DSVD.

4.10

Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie Onderstaand is de gemeentelijke verwachtingenkaart weergegeven. Het plangebied is met lichtblauw gearceerd.

32

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

Figuur 4.3: uitsnede archeologische verwachtingenkaart gemeente Dinkelland nabij plangebied Toets Op basis van archeologisch onderzoek dat is uitgevoerd in het kader van het vigerende bestemmingsplan 'Deurninger Es' is opgenomen dat het plangebied uitvoerig is onderzocht op archeologische waarden. In het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met het zoveel mogelijk ontzien van die delen die het meest archeologisch waardevol zijn. De voorliggende plannen op het vierde veld van DSVD kent op basis van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart het kenmerk 'beekdalen en overige laagten' en op basis hiervan een vrijstelling voor archeologisch onderzoek. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek is op basis hiervan niet noodzakelijk. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.

Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat de Deurningerbeek is aangemerkt als historische afwatering. Voorliggende ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor deze bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

33

historische afwatering. Verder bevinden zich geen cultuurhistorische elementen in of direct nabij de planlocatie. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.11

Verkeer en parkeren

Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. De gemeente Dinkelland hanteert hiervoor de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren'. Hiertoe wordt de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW aangehouden. Voor het plangebied binnen de gemeente Dinkelland gelden de volgende uitgangspunten: stedelijkheidsgraad: 'niet stedelijk'; zone: 'rest bebouwde kom'. Verkeergeneratie Binnen het plangebied is reeds ten behoeve van het woningbouwplan Deurninger Es een ontsluitingsweg aangelegd. Deze straat, Beekdal, zorgt voor ontsluitingsmogelijkheden richting de Pastoor Havinkstraat aan de noordwestzijde. Richting de Vliegveldstraat is een calamiteitenroute aangelegd, zodat hulpdiensten de wijk vanaf twee zijden kunnen benaderen in geval van nood. De betreffende ontsluiting via de Pastoor Havinkstraat kent een snelheidsregime van 30 km/u en is voldoende berekend op extra verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van elf woningen. Dit woningbouwprogramma voor voorliggend bestemmingsplan leidt tot circa 84 verkeersbewegingen per etmaal.

Ten opzichte van de woningaantallen in het geldende bestemmingsplan, waarin al rekening is gehouden met acht woningen in het plangebied, is er sprake van drie extra woningen, daarmee maximaal 24,6 verkeersbewegingen extra. Dit vormt geen belemmering, omdat het aanwezige wegprofiel ruimschoots voldoende is voor de beoogde verkeersintensiteiten. Parkeren Op basis van de parkeernormen van de gemeente Dinkelland - conform de beleidsnotitie 'Bouwen & Parkeren 2018' is in het kader van voorliggende ontwikkeling de parkeerbehoefte berekend. Binnen het plangebied zijn halfvrijstaande woningen, rijwoningen en één vrijstaande woning mogelijk. Gemiddeld levert de ontwikkeling de volgende parkeerbehoefte op: 1 vrijstaande woning (koop): 1 x 2,3 parkeerplaatsen = 2,3 parkeerplaatsen; 6 halfvrijstaande woningen (koop): 6 x 2,2 parkeerplaatsen = 13,2 parkeerplaatsen; 4 rijwoningen (koop): 4 x 2 parkeerplaatsen = 8 parkeerplaatsen. Dit zijn naar boven afgerond in totaal 24 parkeerplaatsen. In openbaar gebied worden in totaal 15 parkeerplaatsen aangelegd. Daarnaast hebben de halfvrijstaande, vrijstaande en hoekwoningen een eigen oprit met ruimte voor parkeren. Hier is ruimte voor 9 parkeerplaatsen. Hiermee wordt voldaan aan het aantal benodigde parkeerplaatsen van 24. Het woningbouwplan geeft hiermee goed invullling aan het aspect parkeren.

Conclusie Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor voorliggende ontwikkeling. Vermeld wordt dat in artikel 11.1 van de regels ter waarborging bepalingen zijn opgenomen, waarmee wordt verzekerd dat binnen het plangebied voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd.

34

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels 5.2.1

Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.

Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

35

om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.

De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2

Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen Groen De bestemming Groen is gegeven aan de gronden die voor openbaar groen en waterhuishoudkundige voorzieningen worden gebruikt. Sport De sportvelden van DSVD vallen onder de bestemming 'Sport'. De bebouwing op deze terreinen bestaat uit kleed- en opslagruimtes en verenigingsgebouwen met kantines. In onderhavig plangebied is geen bouwvlak aangegeven Buiten een bouwvlak mag bij afwijking tribunes en gebouwtjes ten behoeve van onderhoud worden opgericht. Verkeer De wegen, voetpaden, parkeerplaatsen en overige infrastructurele voorzieningen hebben de bestemming 36

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

Verkeer toebedeeld gekregen. Wonen De bestemming Wonen is gebruikt om op de plekken van de woningen de functie wonen mogelijk te maken. Het hoofdgebouw moet worden geplaatst in de daarvoor bestemde bouwvlakken.

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

37

38

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds aangetoond door de financiële haalbaarheid en anderzijds via de grondexploitatieregeling vanuit de wetgeving. Dit betreft een gemeentelijk woningbouwplan. De vaststelling van een exploitatieplan is bij dit bestemmingsplan niet van toepassing.

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

39

40

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Conform het door de provincie Overijssel gehanteerde beleid is het plan voor vooroverleg verzonden aan de provincie. De provincie heeft in haar reactie van 18 augustus 2020 aangegeven dat het plan naar alle waarschijnlijkheid passend is binnen het provinciale ruimtelijk beleid. De provincie ziet vanuit het provinciaal belang geen belemmering voor het vervolg van de procedure. Waterschap Vechtstromen Op 15 juli 2020 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen.

De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 30 april 2021 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn drie zienswijzen binnengekomen. De reactienota zienswijzen is opgenomen in Bijlage 8. Deze zienswijzen geven aaleiding tot een planwijziging, in die zin dat een voorwaardelijke verplichting voor het realiseren en instandhouding van parkeerplaatsen in de planregels is opgenomen. Voor het overige hebben de zienswijzen niet geleid tot aanpassingen.

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

41

42

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

Bijlagen bij de toelichting

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

43

Bijlage 1

44

Besluit aanmeldnotitie

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

Bijlage 2

Lichthinderonderzoek

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

55

Lichthinderrapport

2020

14 MEI Aerolux B.V. Opgesteld door: N.M. Braamhaar

1

Notitie Datum: Onze referentie: Project: Betreft:

14 mei 2020 NB 85.032 D.S.V.D. Deurningen Lichthinderonderzoek

Ten behoeve van: Ter attentie van:

Gemeente Dinkelland de heer J. Hindriksen

Uitgevoerd door:

Aerolux B.V. Kampenstraat 12 7575 EK Oldenzaal Postbus 413 7570 AK Oldenzaal T: 0541 – 585050 F: 0541 – 585058 E: info@aerolux.nl KvK 06051155 BTW nr. NL 0069.71.234.B01

Opgesteld door:

de heer N.M. Braamhaar

In opdracht van Gemeente Dinkelland is onderzoek gedaan naar de huidige verlichting op 2 velden van D.S.V.D. Deurningen.

1. Wettelijk kader 1.1

Verlichting sportvelden

In de NEN-EN 12193 “Licht en verlichting – Sportverlichting” en de NSVV aanbevelingen “Verlichting voor Sportaccommodaties – Algemene grondslagen” en “Verlichting voor Sportaccommodaties – Voetbal” zijn eisen verbonden aan de optredende verlichtingssterkte, de gelijkmatigheid van de verlichting en de kleurweergave van het licht voor de betreffende sportclub. De eisen zijn afhankelijk van het niveau waarop de sport wordt beoefend. In tabel 1.1 is een overzicht gegeven van de verschillende categorieën.

2

Tabel 1.1: De onderscheiden categorieën voetbalvelden Categorie

Benaming

A

Oefenveld

Omschrijving

Verlichtingsclassificatie

Bedoeld voor training en incidentele oefenwedstrijden. Geen voorzieningen voor publiek, soms een bijveld. Afmeting ca. 100x64m

NEN-EN Klasse III

Bedoeld voor vriendschappelijke wedstrijden in aanwezigheid van publiek. Veelal een bijveld; geen tribune. Afmeting ca. 100x64m

NEN-EN Klasse III

Wedstrijdveld (eenvoudig)

B*

C

Wedstrijdveld (amateurvoetbal)

D

Wedstrijdveld (betaald voetbal)

Bedoeld voor officiële KNVBcompetitiewedstrijden in het amateurvoetbal. Tribune aanwezig. Veelal het hoofdveld. Afmeting ca. 105x69m Bedoeld voor wedstrijden in het betaald voetbal. Meestal rond het veld tribunes aanwezig. Mogelijkheid tot vervaardigen van eenvoudige beeldreportages. Afmeting ca. 105x69m

NEN-EN Klasse II

NEN-EN Klasse I

In tabel 1.2 zijn de eisen per classificatie weergegeven. Tabel 1.2: Overzicht van de eisen per classificatie voor voetbal Verlichtingsklassen

NEN-EN Klasse III

NEN-EN Klasse II

NEN-EN Klasse I

Minimaal vereiste gemiddelde horizontale verlichtingssterkte Eh, gem. (lux)

≥ 75 lux

≥ 200 lux

≥ 500 lux

Gelijkmatigheid (Eh, min/Eh, gem.)

≥ 0,50

≥ 0,60

≥ 0,70

Verblindingswaarde VW

55

55

55

Kleurweergave (Ra)

≥ 60

≥ 60

≥ 70

* Voorwaarde voor dispensatie van de KNVB voor het gebruik van een categorie b-veld voor het spelen van incidentele competitiewedstrijden (bijvoorbeeld inhaalwedstrijden) is een lichtniveau van ten minste 120 lux. De voetbalvelden van D.S.V.D. Deurningen kunnen worden geclassificeerd als Klasse III velden. Van deze velden is het hoofdveld een eenvoudig wedstrijdveld (categorie B) en veld 3 een Oefenveld (Categorie A).

3

1.2

Lichthinder

In het Activiteitenbesluit is aangegeven waaraan de verlichtingsinstallatie van een sportvereniging moet voldoen om hinder te voorkomen. Zo dient de verlichting tussen 23.00 uur en 07.00 uur uitgeschakeld te zijn en moet de lichtinstallatie zodanig uitgevoerd worden dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen in gevels of daken van woningen wordt voorkomen. Om bovengenoemde te kwantificeren zijn in de NSVV-richtlijn grenswaarden opgenomen. In tabel 1.3 zijn de grenswaarden weergegeven. De richtlijn heeft geen wettelijke status, maar wordt in de toelichting op het Activiteitenbesluit wel als toetsingskader genoemd. Tabel 1.3: Grenswaarden voor sportverlichtingsinstallaties Omgevingszone Te hanteren parameter

Verticale verlichtingssterkte Ev (Lux) op de gevel

Lichtsterkte I (cd) van elk armatuur

ToepassingsCondities

Natuurgebied

Landelijk gebied

Stedelijk gebied

Stadscentrum/ industriegebied

Dag en avond 07:00-23:00

2 lux

5 lux

10 lux

25 lux

Nacht* 23:00-07:00

1 lux

1 lux

2 lux

4 lux

Dag en avond 07:00-23:00

2.500 cd

7.500 cd

10.000 cd

25.000 cd

Nacht* 23:00-07:00

0 cd

500 cd

1.000 cd

2.500 cd

* In het activiteitenbesluit is opgenomen dat de verlichtingsinstallatie na 23:00 moet zijn uitgeschakeld. Gezien de liggen van de velden is ervoor gekozen D.S.V.D. in te schalen in omgevingszone “stedelijk gebied”.

2. Beoordeling lichtinstallatie 2.1

Uitgangspunten

De berekening is gemaakt aan de hand van de volgende uitgangspunten: Hoofdveld: - Type armatuur: Aerolux Egalux 2000W - Voorzien van afschermkappen: 3 schijnwerpers zijn voorzien van afschermkappen - Aantal armaturen: 12 - Aantal masten: 8 masten - Lichtpunthoogte: 16m - Posities van de masten: Huidige mastposities

4

Veld 3: - Type armatuur: Philips MNF307 2000W, Aerolux Egalux 2000W - Voorzien van afschermkappen: De Aerolux Egalux 2000W schijnwerpers zijn voorzien van afschermkappen - Aantal armaturen: 3x Philips MNF307, 3x Aerolux Egalux - Aantal masten: 6 masten - Lichtpunthoogte: 16m - Posities van de masten: Huidige mastposities Voor de berekening is gebruik gemaakt van het rekenprogramma Relux 2020.1.2.0. De fabrikant van de armaturen heeft de invoerbestanden aangeleverd.

2.2

Resultaten

In tabel 2.1 zijn de berekeningsresultaten op de velden weergegeven. Tabel 2.1: Overzicht van de berekeningsresultaten op de velden. Veld:

Gemiddelde horizontale verlichtingssterkte Eh, gem. (lux)

Gelijkmatigheid (Eh, min./Eh, gem.)

Hoofdveld

155 lux

0,61

Veld 3

82 lux

0,48

In tabel 2.2 zijn de berekeningsresultaten weergegeven van de verlichtingssterkte en de lichtsterkte ten gevolge van de sportveldverlichting ter plaatse van de woningen op 1,8m hoogte. Tabel 2.2: Overzicht van de berekeningsresultaten bij de woningen Gemiddelde verticale Woning: verlichtingssterkte Eh, gem. (lux) Kavel 1 – Oostgevel 0,26 lux Kavel 1 – Zuidgevel 1,14 lux Kavel 2 – Oostgevel 0,36 lux Kavel 3 – Oostgevel 0,38 lux Kavel 3 – Zuidgevel 1,44 lux Kavel 4 – Zuidgevel 1,75 lux Kavel 5 – Zuidgevel 1,90 lux Kavel 6 – Zuidgevel 2,10 lux Kavel 7 – Zuidgevel 2,09 lux Kavel 8 – Westgevel 0,10 lux Kavel 8 – Oostgevel 0,55 lux Kavel 9 – Westgevel 0,12 lux Kavel 9 – Oostgevel 0,23 lux Kavel 9 – Zuidgevel 1,68 lux Kavel 10 – Westgevel 0,16 lux

5

Lichtsterkte (cd) 28.305 candela 28.772 candela 30.815 candela 32.207 candela 32.659 candela 30.074 candela 31.211 candela 32.423 candela 33.201 candela 29.727 candela 11.636 candela 31.188 candela 6.947 candela 32.060 candela 34.293 candela

Kavel 10 – Oostgevel Kavel 11 – Westgevel Kavel 11 – Oostgevel Kavel 11 – Zuidgevel

2.3

0,95 lux 0,19 lux 0,49 lux 3,15 lux

15.717 candela 36.084 candela 5.534 candela 37.071 candela

Conclusie

Uit de resultaten blijkt dat ter plaatse van de woningen niet kan worden voldaan aan de normen: - De gemiddelde verticale verlichtingssterkte voldoet, met 3,15 lux als laagst gemeten waarde, wel aan de norm. - De lichtsterkte voldoet, met 37.071 candela als laagst gemeten waarde, niet aan de norm.

3. Advies Hoewel de verlichtingssterkte op de gevel van de woningen nog binnen de norm valt, is de gemeten lichtsterkte dusdanig hoog dat deze ruim niet aan de norm voldoet. We adviseren om hiervoor maatregelen te nemen. Een van deze maatregelen kan zijn om de verlichting te vervangen voor LED verlichting. Er is bij LED verlichting meer mogelijk om lichthinder te beperken. We hebben ter vergelijking de lichthinder ook berekend wanneer de armaturen vervangen zouden worden voor LED armaturen: Hoofdveld: - Type armatuur: Philips OptiVision BVP527 A55-NB+BL - Voorzien van afschermkappen: Armaturen zijn voorzien van interne afschermkapjes en zwarte achterplaat - Aantal armaturen: 12 - Aantal masten: 8 masten - Lichtpunthoogte: 16m - Posities van de masten: Huidige mastposities Veld 3: - Type armatuur: Philips OptiVision BVP527 A55-NMB+BL - Voorzien van afschermkappen: Armaturen zijn voorzien van interne afschermkapjes en zwarte achterplaat - Aantal armaturen: 6 - Aantal masten: 6 masten - Lichtpunthoogte: 16m - Posities van de masten: Huidige mastposities

6

Tabel 3.1: Overzicht van de berekeningsresultaten op de velden. Veld:

Gemiddelde horizontale verlichtingssterkte Eh, gem. (lux)

Gelijkmatigheid (Eh, min./Eh, gem.)

Hoofdveld

138 lux

0,70

Veld 3

88 lux

0,61

In tabel 3.2 zijn de berekeningsresultaten weergegeven van de verlichtingssterkte en de lichtsterkte ten gevolge van de sportveldverlichting ter plaatse van de woningen op 1,8m hoogte. Tabel 3.2: Overzicht van de berekeningsresultaten bij de woningen Gemiddelde verticale Woning: verlichtingssterkte Eh, gem. (lux) Kavel 1 – Oostgevel 0,05 lux Kavel 1 – Zuidgevel 0,14 lux Kavel 2 – Oostgevel 0,08 lux Kavel 3 – Oostgevel 0,08 lux Kavel 3 – Zuidgevel 0,16 lux Kavel 4 – Zuidgevel 0,21 lux Kavel 5 – Zuidgevel 0,24 lux Kavel 6 – Zuidgevel 0,26 lux Kavel 7 – Zuidgevel 0,24 lux Kavel 8 – Westgevel 0,01 lux Kavel 8 – Oostgevel 0,19 lux Kavel 9 – Westgevel 0,01 lux Kavel 9 – Oostgevel 0,08 lux Kavel 9 – Zuidgevel 0,19 lux Kavel 10 – Westgevel 0,01 lux Kavel 10 – Oostgevel 0,31 lux Kavel 11 – Westgevel 0,01 lux Kavel 11 – Oostgevel 0,18 lux Kavel 11 – Zuidgevel 0,37 lux

Lichtsterkte (cd) 2.339 candela 2.332 candela 2.469 candela 2.534 candela 2.509 candela 2.400 candela 2.545 candela 2.900 candela 3.256 candela 4.355 candela 4.184 candela 4.327 candela 2.290 candela 2.359 candela 4.206 candela 4.509 candela 4.140 candela 1.550 candela 4.247 candela

Uit de resultaten blijkt nu dat ter plaatse van de woningen wel kan worden voldaan aan de normen: - De gemiddelde verticale verlichtingssterkte voldoet, met 0,37 lux als laagst gemeten waarde, ruim aan de norm. - De lichtsterkte voldoet, met 4.509 candela als laagst gemeten waarde, nu ook aan de norm. Hoewel er met een volledige vervanging naar LED verlichting de beste resultaten worden geboekt, kunnen er redenen zijn waardoor dit (deels) niet haalbaar is. We hebben tot slot een berekening gemaakt wanneer alleen veld 3 zou worden gerenoveerd naar LED verlichting.

7

Naast het vervangen van de armaturen op veld 3, worden er ook 3 schijnwerpers van het hoofdveld anders ingesteld. Dat wil zeggen dat deze schijnwerpers vlakker worden gezet. Deze maatregelen komen tot de volgende resultaten: Tabel 3.3: Overzicht van de berekeningsresultaten op de velden. Veld:

Gemiddelde horizontale verlichtingssterkte Eh, gem. (lux)

Gelijkmatigheid (Eh, min./Eh, gem.)

Hoofdveld

154 lux

0,60

Veld 3

88 lux

0,61

Tabel 3.4: Overzicht van de berekeningsresultaten bij de woningen Gemiddelde verticale Woning: verlichtingssterkte Eh, gem. (lux) Kavel 1 – Oostgevel 0,04 lux Kavel 1 – Zuidgevel 0,14 lux Kavel 2 – Oostgevel 0,08 lux Kavel 3 – Oostgevel 0,09 lux Kavel 3 – Zuidgevel 0,16 lux Kavel 4 – Zuidgevel 0,22 lux Kavel 5 – Zuidgevel 0,26 lux Kavel 6 – Zuidgevel 0,30 lux Kavel 7 – Zuidgevel 0,28 lux Kavel 8 – Westgevel 0,01 lux Kavel 8 – Oostgevel 0,30 lux Kavel 9 – Westgevel 0,01 lux Kavel 9 – Oostgevel 0,13 lux Kavel 9 – Zuidgevel 0,22 lux Kavel 10 – Westgevel 0,01 lux Kavel 10 – Oostgevel 0,52 lux Kavel 11 – Westgevel 0,01 lux Kavel 11 – Oostgevel 0,28 lux Kavel 11 – Zuidgevel 0,52 lux

Lichtsterkte (cd) 2.339 candela 2.332 candela 2.469 candela 2.534 candela 2.509 candela 2.400 candela 2.934 candela 3.599 candela 4.344 candela 4.958 candela 5.199 candela 5.475 candela 3.598 candela 2.359 candela 6.728 candela 7.741 candela 6.994 candela 3.033 candela 8.271 candela

Uit de resultaten blijkt dat ter plaatse van de woningen wel kan worden voldaan aan de normen: - De gemiddelde verticale verlichtingssterkte voldoet, met 0,52 lux als laagst gemeten waarde, ruim aan de norm. - De lichtsterkte voldoet, met 8.271 candela als laagst gemeten waarde, ook aan de norm. Houd er rekening mee dat, hoewel de lichtinstallatie voldoet aan de norm, er nog altijd een mogelijkheid bestaat tot klachten van omwonenden.

8

Bijlagen:

1. Productspecificatie Philips OptiVision LED 2. Lichtplan DSVD Deurningen Conventioneel 3. Lichtplan DSVD Deurningen LED

9

Bijlage 3

Bodemonderzoek

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

65

RAPPORT ACTUALISATIE BODEMONDERZOEK conform NEN 5740 Deurninger Es - Deurningen

Opdrachtgever: Gemeente Dinkelland Locatie: Deurninger Es (Pastoor Havinkstraat / Beekdal) Deurningen Juni 2020

Kruse Milieu BV Bezoekadres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren

Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl

Postadres: Postbus 51 7650 AB Tubbergen

Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739

Tel: 0546 - 63 96 63

KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01

Rapport Actualisatie Bodemonderzoek conform NEN 5740 Deurninger Es - Deurningen

Opdrachtgever: Gemeente Dinkelland Postbus 11 7590 AA Denekamp

Locatie: Deurninger Es (Pastoor Havinkstraat / Beekdal) Deurningen Projectcode: 20036223 Rapportagedatum: 9 juni 2020 Auteur: Ing. H. Stevelink

Kruse Milieu BV

INHOUD Pagina 1

Inleiding

1

2 2.1 2.2 2.3

Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie

2 2 2 3

3.1 3.2 3.3 3.4

Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses

4 4 5 5 6

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten van de analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten en bespreking PFAS analyses

7 7 7 8 9 9

5

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen

10

6

Literatuur en bronvermelding

12

3

4

Bijlagen I II III IV

Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, januari 2011 Boorplan actualiserend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, juni 2020 Boorstaten en legenda boorstaten Resultaten chemische analyses en toetsing chemische analyses Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen

Kruse Milieu BV

Project: 20036223

1

Inleiding

Dit rapport beschrijft het actualisatie bodemonderzoek, dat in opdracht van de gemeente Dinkelland op het noordelijke deel van het nieuwbouwplan Deurninger Es te Deurningen door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de verkoop van de kavels, de geplande nieuwbouw van 11 woningen en de aanvraag van de omgevingsvergunning. Derhalve dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. In januari 2011 heeft Kruse Milieu BV reeds een verkennend bodemonderzoek op het terrein verricht (projectnummer 10060016). De situatie op de huidige onderzoekslocatie is ten opzichte van 2011 onveranderd. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de locatie als onverdacht kan worden beschouwd. De bovengrond wordt aanvullend op PFAS onderzocht. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” - de aanvulling NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016.

De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. Het veldwerk is uitgevoerd in mei 2020 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden.

Kruse Milieu BV

Project: 20036223

Pagina 1 van 12

2

Locatiegegevens 2.1

Beschrijving huidige situatie

Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen in het noordelijke deel van het nieuwbouwplan Deurninger Es, in het zuidoostelijke deel van de bebouwde kom van Deurningen. Het centrale punt binnen de onderzoekslocatie heeft de RD-coördinaten x = 254.175 en y = 480.087 en is kadastraal bekend als gemeente Weerselo, sectie N, nummers 1967 (ged.) en 1961 (ged.). De Pastoor Havinkstraat en de Beekdal bevinden zich ten westen van de onderzoekslocatie. Bebouwing en verharding De onderzoekslocatie is onbebouwd, onverhard en is grotendeels begroeid met gras. Onderzoekslocatie Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de verkoop van de kavels, de geplande nieuwbouw van 11 woningen en de aanvraag van de omgevingsvergunning. Derhalve dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 5200 m². In bijlage I is de regionale ligging van de locatie weergegeven en zijn de volgende boorplannen opgenomen: - Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, januari 2011; - Boorplan actualiserend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, maart 2020. 2.2

Vooronderzoek

In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde, evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. Er is navraag gedaan bij de gemeente Dinkelland. Een deel van de informatie is ontleend aan het verkennend bodemonderzoek uit januari 2011. De volgende informatie is verzameld: - De onderzoekslocatie is gelegen in het noordelijke deel van het nieuwbouwplan “Deurninger Es” te Deurningen. De huidige onderzoekslocatie heeft in het verleden altijd een recreatieve bestemming gehad en was in gebruik als voetbalveld. - Voor zover bekend is er op het te bebouwen terreindeel nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel. - Het te onderzoeken deel van het terrein is voor zover bekend nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten, die verontreinigend kunnen zijn. - Voor zover bekend is het te onderzoeken terreindeel in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden. - Voor zover bekend is het terrein niet eerder bebouwd geweest. - Voor zover bekend bevindt zich geen asbest op of in de bodem op de onderzoekslocatie.

Er bevinden zich geen asbesthoudende dakplaten, beschoeiingen of sloopafval direct naast of op de onderzoekslocatie. Tevens is de locatie niet gelegen aan een asbestweg. - Er hebben reeds eerder bodemonderzoeken plaatsgevonden op of nabij de huidige onderzoekslocatie. Deze worden hieronder verder toegelicht: Kruse Milieu BV, Verkennend bodemonderzoek Vliegveldstraat 43 te Deurningen, d.d. 2007 met nummer AA177401054 Uit het bodemonderzoek bleek dat het grondwater licht verontreinigd was met nikkel en cadmium en matig verontreinigd met zink.

Kruse Milieu BV

Project: 20036223

Pagina 2 van 12

Boluwa Eco Systems, Verkennend bodemonderzoek Vliegveldstraat 390 te Deurningen, d.d. 1995 met nummer AA177400561. Uit het bodemonderzoek bleek dat de bovengrond een licht verhoogd PAK-gehalte bevatte en het grondwater licht verhoogde concentraties aan cadmium, zink en chroom. Kruse Milieu BV, Verkennend bodemonderzoek Deurningeresweg te Deurningen, projectcode 990416 - PHV, d.d. april 1999 Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek bleek dat de boven- en ondergrond van het terrein niet was verontreinigd. In het grondwater werden lichte verontreinigingen met de zware metalen cadmium, nikkel en zink en de aromaten benzeen, tolueen, ethylbenzeen en xylenen aangetoond. Kruse Milieu BV, Verkennend bodemonderzoek Deurninger Es te Deurningen, d.d. 31 januari 2011, projectnummer 10060016 De aanleiding van het onderzoek was de bestemmingsplanwijziging en de geplande nieuwbouw van woningen. Uit de analyseresultaten blijkt het volgende: Ter plaatse van de huidige onderzoekslocatie zijn in de boven- en ondergrond geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater is ter plekke een zeer licht verhoogd gehalte aan barium aangetoond (peilbuis 7). 2.3

Bodemsamenstelling en geohydrologie

Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - De locatie is gelegen op de Deurninger Es, aan de westgrens van het meest zuidelijke deel van het glaciale dal Manderveen-Weerselo. - Het maaiveld bevindt zich ongeveer 21 meter boven NAP. - De deklaag bestaat uit kwartair zand, een door de wind afgezet dekzandpakket, dat behoort tot de formatie van Twente. De deklaag heeft lokaal een dikte van 30 meter. Hieronder bevinden zich fijne zanden en plaatselijk ook keileem (formatie van Drenthe). Het doorlatend vermogen is minder dan 250 m²/dag. - De grondwaterspiegel bevindt zich circa 1.5 meter onder het maaiveld. Het freatische grondwater stroomt regionaal in west-noordwestelijke richting. - Het waterwingebied "Hengelo" bevindt zich ruim één kilometer ten noordwesten van de onderzoekslocatie, die in het bijbehorende grondwaterbeschermingsgebied is gelegen. - De Deurningerbeek stroomt direct langs de zuidgrens van de onderzoekslocatie. Verwacht wordt dat deze beek slechts een geringe invloed heeft op de lokale grondwaterstromingsrichting. - De waterwingebieden Hasselo, Weerselo en Oldenzaal bevinden zich op 3 tot 5 kilometer afstand van de onderzoekslocatie.

Kruse Milieu BV

Project: 20036223

Pagina 3 van 12

3

Uitvoering bodemonderzoek 3.1

Onderzoeksstrategie

De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” - de aanvulling NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. De onderzoeksstrategie en het boorplan zijn afgestemd met de opdrachtgever. Op basis van de beschikbare informatie omtrent het historisch en huidig gebruik van de locatie, kan de onderzoekslocatie als niet verdacht worden beschouwd. De hypothese "grootschalig onverdachte locatie" uit NEN 5740 wordt voor de locatie gebruikt. Deze hypothese gaat ervan uit dat op een locatie geen of slechts licht verhoogde gehalten worden gemeten. In verband met het eerder uitgevoerde onderzoek ter plaatse blijft het grondwateronderzoek achterwege. Aanvullend is inzicht gewenst in de bodemkwaliteit van de bovengrond met betrekking tot PFAS. In norm NEN 5740 zijn voor niet verdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en de uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht.

Indien tijdens het veldwerk blijkt dat de bodem puinhoudend is, worden de puinhoudende boringen tot 0.5 meter diepte conform NEN 5707 vervangen door inspectiegaten. Aangezien puinhoudende grond per definitie asbestverdacht is, dient in voorkomende gevallen asbestonderzoek plaats te vinden. Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Eventuele funderingslagen (asfalt- en puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN 5897 van toepassing, “Monsterneming en analyse van asbest in onbewerkt bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat”. Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem - in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen.

Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40). Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan. Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. Kruse Milieu BV

Project: 20036223

Pagina 4 van 12

Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Eventuele funderingslagen (asfalt- en puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN 5897+C2 van toepassing, “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017. 3.2

Veldwerkzaamheden

Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPR-voorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Op een terrein van circa 5200 m² worden in totaal 16 boringen verricht, waarvan 12 tot 0.50 meter en 4 tot 2.0 meter diepte of tot de grondwaterspiegel. De boorpunten worden vanwege een eerder uitgevoerd bodemonderzoek gecodeerd als 41 tot en met 56. Van elk monsterpunt wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN 5104. Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur. 3.3

Analyses

De chemische analyses worden uitgevoerd door Eurofins Analytico BV te Barneveld, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. Eventuele asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins Omegam in Amsterdam, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. Voor het uitvoeren van deze analyses worden in een verkennend onderzoek van deze omvang 4 (meng)monsters samengesteld. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 2. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN 5740 onderzocht. In de onderstaande tabel 1 is weergegeven welke chemische analyses worden uitgevoerd. Tabel 1: Analysepakket per(meng) monster. Monster

Analysepakket

Bovengrond (2x)

Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), PFAS, lutum, organische stof en droge stof

Ondergrond (2x)

Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), PFAS, lutum, organische stof en droge stof

Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan.

Kruse Milieu BV

Project: 20036223

Pagina 5 van 12

3.4

Toetsing chemische analyses

De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu. Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/490/documents/15998