CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen.pdf

Gemeenteraad 21 september 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 9: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan Vierde Veld DSVD Deurningen24.831 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan

Vierde Veld DSVD, Deurningen

Status: vastgesteld

Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):

vastgesteld NL.IMRO.1774.BUIBPVIERDEVELD-VG01

Vierde Veld DSVD, Deurningen

Inhoudsopgave Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 De bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer

7 7 7 7 8 8

Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Ontstaansgeschiedenis en landschapstypologie 2.2 Huidige situatie 2.3 Toekomstige situatie

9 9 11 11

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.3 Gemeentelijk beleid

13 13 14 19

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Milieuzonering 4.3 Lichthinder

23 23 23 25

4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

25 26 27 28 30 31 32 34

Bodem Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Water Ecologie Archeologie en Cultuurhistorie Verkeer en parkeren

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Planopzet en systematiek 5.2 Toelichting op de regels

35 35 35

Hoofdstuk 6

39

Economische uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg 7.2 Zienswijzen

41 41 41

Bijlagen bij de toelichting

43

Bijlage 1

Besluit aanmeldnotitie

44

Bijlage 2

Lichthinderonderzoek

55

Bijlage 3

Bodemonderzoek

65

Bijlage 4

Akoestisch onderzoek

109

2

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

Bijlage 5

Waterhuishoudkundig plan

145

Bijlage 6

Quickscan natuurwaarden

181

Bijlage 7

Stikstofdepositieberekening

218

Bijlage 8

Reactienota zienswijzen

243

Regels

253

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

255 255 261

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6

Bestemmingsregels Groen Sport Verkeer Wonen

263 263 264 266 267

Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

271 271 272 273 274 275

Hoofdstuk 4 Artikel 12 Artikel 13

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

277 277 278

Bijlagen bij de regels

279

Bijlage 1

280

inrichtingsplan

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

3

4

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

Toelichting

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

5

6

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Aanleiding Voor het voormalig vierde veld van DSVD Deurningen is een woningbouwplan ontwikkeld. De betreffende locatie is reeds in het bestemmingsplan Deurninger Es uit 2014 aangemerkt als gebied voor woningbouw. Met voorliggend bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan deze ambitie en wordt de realisatie van 11 woningen met bijbehorende voorzieningen mogelijk gemaakt. De gewenste ontwikkeling van 11 woningen past niet binnen de uitwerkingsregels van het geldende bestemmingsplan 'Deurninger Es'. Het aantal woningen mag hierin namelijk niet meer dan 8 bedragen. Hierdoor is een bestemmingsplanprocedure noodzakelijk om de nu gewenste woningbouwontwikkeling mogelijk te maken. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het planologisch-juridisch kader om deze ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied De locatie bestaat uit diverse percelen aan de oostzijde van Deurningen. Het plangebied ligt nabij de Pastoor Havinkstraat en staat kadastraal bekend als gemeente Weerselo, sectie N, perceelnummers 1961 en 1967. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

Figuur 1.1: Ligging plangebied in de dorpsrand van Deurningen (bron: opentopo.nl) De begrenzing van het plangebied is vormgegeven op basis van het woningbouwgebied op het voormalig vierde veld DSVD en de overgang naar het sportcomplex van DSVD. Zie de digitale verbeelding voor de exacte begrenzing van het plangebied.

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied is grotendeels bestemmingsplan 'Deurninger Es' van toepassing dat op 1 juli 2014 door de gemeenteraad van Dinkelland is vastgesteld. In figuur 1.2 is een fragment uit de verbeelding van dit bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied opgenomen.

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

7

Figuur 1.2: Uitsnede geldende verbeeldingen (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Aan het overgrote deel van het plangebied is de bestemming 'Woongebied - Uit te werken' toegekend en verder gelden de bestemmingen 'Groen' en 'Verkeer'. De geldende bestemmingen voorzien niet in de mogelijkheid om 11 nieuwe woningen te realiseren binnen het gebied. Het geldende bestemmingsplan biedt daarmee geen mogelijkheden om de beoogde ontwikkeling te realiseren. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk.

1.4 De bij het plan behorende stukken Het onderhavige bestemmingsplan 'Vierde Veld DSVD, Deurningen' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1774.BUIBPVIERDEVELD-VG01); Bijlagen bij de toelichting; Regels; Bijlagen bij de regels.

1.5 Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

8

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

Hoofdstuk 2

Het plan

2.1 Ontstaansgeschiedenis en landschapstypologie Van oorsprong is Deurningen een kleine agrarische nederzetting in het karakteristieke Twentse essenlandschap. Aan alle kanten omringd door de essen, ligt het dorpje langs de Deurningerbeek in het gebied dat de overgang vormt naar de lager gelegen gronden bij Saasveld. Op de kaart uit 1905 is goed te zien hoe hier de hogere akkers en lager gelegen weidegronden vlak bijeen lagen. Een toen agrarisch heel gunstige ligging. De grootste essen waren de Hasseleres (nu bebouwd met de uitbreidingen van Hengelo) en de Deurningeres. Het dorp zelf bleef tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw zijn overwegend agrarische karakter behouden. Pas in de jaren zeventig werden op wat grotere schaal woningen gebouwd, veelal voor bewoners die werkten in de nabij gelegen steden Hengelo en Enschede. Ook ontstond enige migratie uit die steden. Het contrast tussen de es en het dorp is sterk. De es is altijd open gebleven en heeft daardoor een grote maat en schaal. Deze worden ook mooi ervaren. In de rand om de es liggen typische agrarische clusters. Enkele daarvan zijn zeer groot geworden en omvatten grootschalige bedrijfspanden die men eerder op een bedrijventerrein in de stad zou verwachten. De schaal van deze bebouwing en de landschappelijke inpassing ervan wisselen en maken het verschil tussen een positieve of negatieve ruimtelijke beleving.

De grootschalige panden geven ook het landschap een andere schaal. Ook het dorp Deurningen ligt aan de rand van de es, met een kerk, en vooral vrijstaande woningen, twee-onder-één-kappers, een paar winkels en voorzieningen. Kleinschaligheid overheerst in het dorpsbeeld. Kerk en woningen zijn – ook van buitenaf - ingepakt in het hoge geboomte. Een weergave van diverse topografische kaarten uit verschillende tijdsperioden in onderstaand weergegeven.

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

9

Figuur 2.1 Historische topografische kaarten omgeving Deurningen (Bron: Atlas van Overijssel)

10

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

2.2 Huidige situatie Het plangebied, gelegen aan de noordzijde van de Deurningerbeek, was voorheen in gebruik als oefenveld van het sportcomplex van DSVD. Een houtwal scheidt dit veld van de Pastoor Havinkstraat, die hier slechts eenzijdige woonbebouwing kent. Ook tussen het oefenveld en de Deurningerbeek loopt hier een houtwal, waardoor dit plandeel als het ware afgeschermd ligt van het deel aan de overkant van de beek. De omgeving kenmerkt zich door de woningbouw en het sportcomplex van DSVD. Door het plangebied is op dit moment reeds de ontsluiting aangelegd voor het eerder gerealiseerde plandeel Deurninger Es. Een luchtfoto uit 2018 is onderstaand weergegeven. Het plangebied ontsluit via de Pastoor Havinkstraat en er is een calamiteitenroute aanwezig via Beekdal richting de Vliegveldstraat (N737).

Figuur 2.2: luchtfoto uit 2018 van Deurningen, plangebied in rood (bron: Atlas van Oveirjssel)

2.3 Toekomstige situatie Op 1 juli 2014 heeft de gemeenteraad van Dinkelland het bestemmingsplan 'Deurninger Es' vastgesteld. Het bestemmingsplan biedt het ruimtelijk-planologisch kader voor de ontwikkeling van de woningbouwplannen in Deurningen (zowel inbreiding als uitbreiding). In het bestemmingsplan is het plandeel voor het vierde veld van DSVD eveneens opgenomen door middel van de bestemming 'Woongebied - Uit te werken'. Met dit plan is de wens nu een woningbouwontwikkeling op deze gronden te realiseren. Omdat dit bouwplan - in afstemming met de werkgroep Mijn Dinkelland 2030 overeengekomen - afwijkt van de mogelijkheden binnen de uitwerkingsregels is voorliggende bestemmingsplanherziening noodzakelijk. De beoogde verkaveling voor het plangebied voorziet in het toevoegen van 11 woningen. Ten opzichte van de mogelijkheden binnen de bestemming 'Wonen - Uit te werken' betreft dit een toevoeging van drie extra woningen, aangezien de uitwerkingsregels in het huidige bestemmingsplan uitgaan van maximaal acht woningen. Conform het verkavelingsplan gaat het plan uit van de realisatie van 4 rijwoningen voor starters, 6 starters/seniorenwoningen in een twee-onder-een kapvorm en 1 kavel voor een vrijstaande woning. In figuur 2.3 is een fragment van het verkavelingsplan voor woningbouwplan 'Vierde Veld DSVD' weergegeven.

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

11

Figuur 2.3: Toekomstige situatie verkavelingsplan 'Vierde Veld DSVD' Rondom de woonpercelen zijn groenvoorzieningen beoogd in combinatie met waterhuishoudkundige voorzieningen. Daarmee is de bedoeling de ontwikkeling op een kwalitatief goede wijze in te passen en voldoende rekening te houden met de omgeving in de dorpsrand van Deurningen.

12

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1 Rijksbeleid 3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.

Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het ontwikkelen van een sterk en gezonde regio en past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI. 3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. Onderhavig plan Onderhavig plan heeft betrekking op een nadere invulling van het vigerende bestemmingsplan 'Deurninger Es'.

Het betreft het realiseren van 11 woningen, waarbij in het vigerende bestemmingsplan reeds een uitwerkingskader was opgenomen voor 8 woningen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft op 16 september 2015 geoordeeld dat de realisatie van 11 woningen niet wordt aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Besluit bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

13

ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6, tweede lid, Bro is dan ook niet van toepassing (ECLI:NL:RVS:2015:2921). Aangezien het bestemmingsplan 'vierde veld DSVD, Deurningen' voorziet in het realiseren van 11 woningen, waarvan 3 woningen extra ten opzichte van het aantal waarvoor in het vigerende bestemmingsplan een uitwerkingsplicht is opgenomen, kan op grond van de hiervoor genoemde uitspraak geconcludeerd worden dat de Ladder niet van toepassing is. Echter, op grond van de uitspraak van de Raad van State van 16 september 2015 ECLI:NL:RVS:2015:2921) geldt dat ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, gemotiveerd moet worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is. De toelichting van dit bestemmingsplan toont aan dat er als gevolg van onderhavig plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening en het plan uitvoerbaar is.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.2.1

Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. 3.2.2

Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 3.2.3

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts.

De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven 14

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hieronder wordt het plan getoetst aan de relevante artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel. Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik lid 1 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

15

en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. lid 2 Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Doorwerking voor voorliggend plan: Op grond van de Omgevingsverordening Overijssel wordt de Groene omgeving aangemerkt als: "de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied". Onder bestaand bebouwd gebied wordt verstaan: "de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro".

Een stedelijke functie wordt in de Omgevingsverordening aangemerkt als "functies van steden en dorpen zoals wonen, bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen met de bijbehorende infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen". Het voorliggend plangebied wordt aangemerkt als gronden met stedelijke functies omdat binnen het plangebied middels een uitwerkingsplan al woningen zouden kunnen worden gebouwd. Bovendien kende het plangebied voorgaand een sportfunctie. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het plan behoort tot het bestaand stedelijk gebied en geen extra ruimtebeslag door bouwen en verharden legt op de Groene Omgeving. Artikel 2.2.2 Realisatie nieuwe woningen (lid 1) Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw. Doorwerking voor voorliggend plan: Op de gronden binnen het plangebied worden als gevolg van het voornemen drie extra woningen toegevoegd ten opzichte van het eerder beoogde aantal woningen. In totaliteit worden namelijk 11 woningen opgericht, waarbij voor 8 woningen reeds een uitwerkingsplicht in het geldende bestemmingsplan is opgenomen.

Planologisch gezien is daarmee sprake van drie extra woningen. Tevens is het verkavelingsplan en het woningbouwprogramma afgestemd met de kernraad Deurningen, de vertegenwoordiging van de gemeenschap van Deurningen. Het voornemen past daarmee binnen het actuele gemeentelijk woningbouwprogramma en is in overeenstemming met het RWP Twente (april 2017), zie voor een nadere toetsing ook paragraaf 3.3.2 in deze toelichting. Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn met name de ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

16

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is aangepijld (bron: provincie Overijssel) Het plangebied ligt in het ontwikkelingsperspectief 'Woon en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Het plangebied maakt op grond van de Omgevingsverordening Overijssel deel uit van bestaand stedelijk gebied. Bij de uitwerking van het plan is daarom aansluiting gezocht bij de kenmerken van het ontwikkelingsperspectief 'woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' Derhalve kan gesteld worden dat de herontwikkeling van het plangebied in overeenstemming is met het provinciale beleid. Gebiedskenmerken Natuurlijke laag De locatie is op de gebiedskenmerkenkaart 'de natuurlijke laag' aangeduid met het gebiedstype 'Dekzandvlakte en ruggen'. Dekzandvlakten zijn na de ijstijd door de wind gevormde zandlandschappen. Ze beslaan een groot deel van de provincie.

De afwisseling van opgewaaide ruggen en uitgesleten beekdalen met bijbehorende hoogteverschillen kenmerken de dekzandvlaktes van Overijssel. Opvallend is de overwegend oost-west georiënteerde richting van ruggen en dalen. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dienen ze bij te dragen aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn uitgangspunt bij (her)inrichting, net als (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen. Doorwerking voor onderhavig plan:

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

17

De planlocatie maakt reeds deel uit van stedelijk gebruik. De natuurlijke laag is dan ook vrijwel niet zichtbaar binnen het plangebied. Desondanks wordt binnen het plan gewerkt met hoogteverschillen, waardoor een beleefbare omgeving gehandaafd blijft. Laag van het agrarisch cultuurlandschap De locatie is op basis van de laag van het agrarisch cultuurlandschap aangeduid met het gebiedstype 'Essenlandschap'. Het landschap is een samenhangend systeem van open essen, kleinschalige flanken met erven en esdorpen, kleinschalige natte laagtes met beken en - voormalige - grote open heidevelden. De ordening van het landschap volgt de natuurlijke ondergrond van hoog en laag en nat en droog en is als een spinnenwebstructuur gegroeid vanuit de nederzettingen. De essen onderscheiden zich door de karakteristieke openheid, de bijzondere bodemkwaliteit met archeologische waarden en het reliëf. Op de flanken ligt een kleinschalig landschappelijk raamwerk van landschapselementen zoals houtwallen, bosjes, zandpaden, karakteristieke erven en beeldbepalende open ruimte daartussen. Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk.

Doorwerking voor onderhavig plan: Het plan wordt gerealiseerd nabij de flanken van de Deurninger Es, rekening houdend met de hier aanwezige waarden. Het plan sluit aan op de huidige bebouwing en structuren van het dorp Deurningen. De bebouwing zal worden gerealiseerd op de lagere delen van het plangebied, langs de Deurninger beek. Het plan besteedt veel aandacht aan zorgvuldige inpassing van bebouwing en infrastructuur, groenstructuren en de beek. Stedelijke laag Het plangebied ligt binnen het kenmerk Woonwijken 1955-nu. De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningencentra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken,wijk(winkel)centra. Er is sprake van een tijdsgebonden verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes. Als ontwikkelingen plaats vinden de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp.

Doorwerking voor onderhavig plan: Bij de vormgeving van het plan is de bestaande 'groene kamer' het uitgangspunt geweest, zodat de groenstructuren behouden blijven. Qua opzet heeft de wijk een kleinschalige structuur met hofjes en korte straten. De woningtypen in de wijk zijn gemixt met zowel een vrijstaande woning, tweekappers als rijwoningen. Daar wordt met dit plan bij aangesloten door de kleinschaligheid en mix van woningtypen. Wel zullen de woningen doordat er sprake is van nieuwbouw een herkenbare eigentijdse uitstraling krijgen. Laag van de beleving Voor de laag van de beleving is aan het plangebied gee expliciete kenmerken toegekend en blijft daarom verder buiten beschouwing. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

18

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1

Omgevingsvisie Dinkelland

De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn: 1. We doen het samen; 2. We geven het goede voorbeeld; 3. We wentelen niet af op volgende generaties; 4. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. De gemeente Dinkelland wil kernen waar het lekker wonen is, waar bedrijvigheid is en waar mensen werk kunnen vinden. Maar vooral ook kernen waar ruimte is om elkaar te ontmoeten en om samen te komen. De inwoners zien hun leefomgeving veranderen. Het wordt moeilijker om voorzieningen in stand te houden. Dit geldt voor winkels, horeca, kerken, kultuurhuizen, sportvoorzieningen en scholen. Aan de andere kant ziet de gemeente ook nieuwe plannen en combinaties van functies van onderop die kernen juist krachtiger maken.

Van oudsher zijn inwoners van de kernen gewend om de leefbaarheid van hun omgeving in eigen hand te nemen en te zorgen dat het er goed toeven is. Het versterken van de leefbaarheid van de kernen wordt door inwoners en gemeente via MijnDinkelland al langer samen opgepakt. Dit wil de gemeente Dinkelland voortzetten aan de hand van vier speerpunten: 1. voldoende voorzieningen; 2. aantrekkelijk wonen; 3. ruimte voor ondernemen; 4. leefbare openbare ruimte Toets Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de invulling van woningbouwplan Deurninger Es. De gemeente Dinkelland wil dat het aantal en de soort woningen in de kern past bij de vraag. Daarbij is het tevens van belang dat woningen voor elke doelgroep bereikbaar en toegankelijk zijn. In eerste instantie wordt voor het bouwen van nieuwe woningen gezocht naar locaties binnen de grenzen van de kernen. Als er binnen de kern geen plekken zijn om te bouwen wordt gekeken naar bouwmogelijkheden aan de rand van een kern. Aangezien dit bestemmingsplan betrekking heeft op de invulling van een bestaand woningbouwplan kan geconcludeerd worden dat het plan voldoet aan het speerpunt aantrekkelijk wonen. Daarbij dient tevens de verwijzing gemaakt te worden naar paragraaf 3.3.2. In deze paragraaf wordt het plan getoetst aan het gemeentelijk woonbeleid, waarin een doorkijk gemaakt wordt naar de behoefte en de mogelijkheden op het gebied van wonen.

Zoals in paragraaf 3.3.2 wordt aangetoond voldoet het plan aan het woonbeleid van de gemeente. Daarmee houdt de gemeente grip op het principe van 'de juiste woning op de juiste plek'. Tot slot is het vierde speerpunt 'leefbare openbare ruimte' van toepassing op dit plan. De gemeente Dinkelland werkt aan een openbare ruimte die bijdraagt aan de leefbaarheid in de kernen. De openbare ruimte heeft veel verschillende functies zoals bereikbaarheid, toegankelijkheid, spelen, ontmoeting, openbaar groen, schaduw, wateropvang. Een goed ingerichte openbare ruimte zorgt ervoor dat de dorpen in de toekomst aantrekkelijk blijven. Het voorliggend plan voorziet in voldoende ruimte voor waterberging, parkeren en openbaar groen en geeft invulling aan een goede inrichting van de openbare ruimte. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan voldoet aan de Omgevingsvisie van de gemeente Dinkelland.

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

19

3.3.2

Woonvisie 2021+ gemeente Dinkelland

Wonen is een belangrijk thema voor de inwoners van de gemeente Dinkelland. Om ervoor te zorgen dat er ook op termijn voldoende woningen in alle segmenten én in alle kernen blijft, wordt om de 4 jaar de gemeentelijke Woonvisie opgesteld. Eind 2020 liep de Woonvisie 2016+ ten einde. De Woonvisie 2021+ is de opvolger van de in 2016 door de raad vastgestelde Woonvisie 2016+ en is gebaseerd op de nieuwe cijfers, trends en ontwikkelingen op de woningmarkt. De Woonvisie 2021+ is op 5 juli 2021 door de gemeenteraad van Dinkelland vastgesteld. De nieuwe woonvisie biedt een goed kwantitatief en kwalitatief kader voor de woningbouwontwikkeling in de gemeente Dinkelland en dient als basis voor de prestatieafspraken met de corporatie. De trends en behoeften op het gebied van wonen zijn in diverse bijeenkomsten besproken met woningmarktpartners: ondernemers, belangenorganisatites, zorginstellingen en inhoudelijk deskundigen zoals makelaars, projectontwikkelaars, woningcorporaties en kernraden.

De woonvisie gaat over: woningbouw om te voorzien in de vraag; zowel kwantitatief als kwalitatief en op de juiste plaats; voldoende en passende huurwoningen in de zin van betaalbaarheid en kwaliteit; het verbeteren van de bestaande voorraad zowel qua duurzaamheid als levensloopgeschiktheid; voorzien in de toenemende vraag naar wonen met zorg in de verschillende gradaties; voorzien in de verschillende woonbehoeftes als huisvesting van arbeidsmigranten, statushouders en woonwagenbewoners. De provincie heeft in de Regionale Woonagenda Twente aangegeven meer te sturen op kwaliteit, waarbij aangegeven wordt dat onderbouwd moet worden dat dit past binnen de onderbouwde lokale behoefte. In het kader van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking (bouwen voor concrete behoefte) is het noodzakelijk ook te sturen op kwantiteit. Er is een bandbreedte van de toekomstige woningbehoefte tot 2030 berekend op basis van diverse prognosemodellen. Voor de komende jaren wordt uitgegaan van een woningbehoefte tussen de +225 en +800 woningen voor de periode 2021-2030. Voor deze woonvisie wordt uitgegaan van de middeling van deze bandbreedte. Dit betekent dat wordt uitgegaan van een woningbehoefte van 515 woningen voor de periode 2020-2030. Daarbij zal het grootste deel van de vraag gericht zijn op het bedienen van de lokale behoefte, maar er wordt tevens rekening gehouden met instroom van vestigers.

Om te kunnen voorzien in de woningbehoefte én als impuls voor de leefbaarheid en vitaliteit van kernen is het van belang dat er in alle kernen van Dinkelland kan worden gebouwd. Derhalve zal het woningbouwprogrammer per kern in meerdere en kleinere plannen worden weggezet, waardoor goed kan worden bijgestuurd als dat nodig blijkt. In kwalitatieve zin ligt de nadruk op woningen voor starters en ouderen, zowel in het betaalbare als middensegment. Op basis van in de woonvisie onderbouwde toekomstige woonbehoefte is een verdeling gemaakt. Om flexibel in te kunnen spelen op de vraag is de verdeling zoals ook reeds in het uitvoeringsprogramma opgenomen gehandhaafd - grote kernen, kleine kernen, buitengebied, en knelpunten transformatie. Tot slot bevat de Woonvisie 2021+ een Kwaliteitskader om te beoordelen of plannen van ontwikkelende partijen goed aansluiten bij de marktvraag. Dit Kwaliteitskader wordt tweejaarlijks bijgesteld op basis van verzamelde informatie over het functioneren van de woningmarkt en informatie van marktpartijen. Het kwaliteitskader bestaat uit een woningbehoefteprofiel per doelgroep (starters, doorstromers, gezinnen, senioren) op gemeenteniveau, nader uitgewerkt naar een profiel per kern.

Toets De extra toevoeging van drie woningen (bovenop bestaande capaciteit voor acht woningen) is op basis van de woonvisie 2021+ passend binnen de beschikbare wooncontingenten voor Deurningen en geeft invulling aan kwalitatieve behoefte voor woningbouw in Dinkelland door zich met name te richten op woningen in het betaalbare en middensegment. Het bouwplan wordt geiniteerd vanuit de gemeente en is in overleg met de kernraad van Deurningen tot stand gekomen. Geconcludeerd wordt dat dit plan in lijn is met het beleid uit de Woonvisie 2021+.

20

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

3.3.3

Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016

De Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 bevat het welstandsbeleid voor de beide gemeenten. In de nota is het grondgebied opgedeeld in deelgebieden voor de kernen en het buitengebied. Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Ieder blad bestaat uit een kaartje van het gebied, een toelichting, en een weergave van de beoogde omgevingskwaliteit dat bij de welstandstoets voor de omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) van toepassing is. Het welstandsbeleid van de gemeentes bestaan uit drie niveaus van omgevingskwaliteit: 1. Basis omgeving 2. Midden omgeving 3. Bijzondere omgeving Het niveau dat van toepassing is geldt voor de algemeen heersende karakteristiek van een gebied. De waarde is dus door de bestaande omgeving bepaald. Het komt voor dat binnen een gebied een gebouw of complex ligt dat zich door de bijzondere kwaliteit onderscheidt. Deze wordt apart genoemd. De welstandsbeoordeling in deze gebieden is gericht op het behouden en versterken van de basiskwaliteiten van de gebieden. Bij de welstandsbeoordeling wordt vooral gekeken of het bouwplan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (van hoofdvorm tot materiaal en detail). Afhankelijk van het soort bouwwerk komen de volgende beoordelingsmodellen voor: ‘Ambtelijk’: alleen kleine bouwwerken van- en voor de voorgevel worden getoetst. Deze toets vindt ambtelijk plaats.

Bouwplannen achter de voorgevel zijn toetsvrij. 'Stadsbouwmeester’: de stadsbouwmeester toetst. ‘Q-team’: het Q-team beoordeelt en kan daarbij in overleg treden met de initiatiefnemer en/of ontwerper. Toets Voor het plangebied is ten tijde van het bestemmingsplan Deurninger Es tevens een beeldkwaliteitsplan vastgesteld. In het noordelijke deelgebied (voorliggend plangebied) wordt de beeldkwaliteit afgeleid van de bestaande kwaliteiten in het omringende dorpsgebied. De bestrating en aanplant worden doorgezet vanuit de bestaande context. De nieuwbouw krijgt een duidelijke relatie met de bestaande bebouwing. Op voorhand worden er geen belemmeringen verwacht vanuit de Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016. Toetsing op welstand vindt uiteindelijk plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de woningen.

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

21

22

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Het voorliggend plan voorziet in de realisatie van 11 nieuwe woningen. De beoogde activiteit wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

Het onderhavige project wordt niet gezien als een m.e.r.- plichtige activiteit omdat deze pas geldt bij gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden, waar het onderhavige project ruimschoots onder blijft. Echter dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Per 16 mei 2017 is een aanmeldnotitie nodig wanneer sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven (en daarmee niet planMER-plichtig zijn). Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf, dus ook bij de ontwikkeling van onderhavig plan. De beoordeling van de aanmeldnotitie m.e.r. is als Bijlage 1 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Gelet op de uitkomsten van deze aanmeldnotitie, waaruit blijkt dat er als gevolg van het bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden is het niet noodzakelijk om een milieueffectrapport op te stellen.

4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

23

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'.

In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Met het toevoegen van 11 woningen binnen het plangebied is er ook sprake van het toevoegen van een extra milieugevoelige functie binnen het gebied. Zodoende is een toetsing verricht voor bedrijven en milieuzonering. Bij het realiseren van een nieuwe bestemming dient gekeken te worden of die nieuwe functie past in de omgeving (externe werking) en of de omgeving de nieuwe functie toelaat (interne werking). Interne werking De planlocatie is gesitueerd binnen een gebied met diverse woonfuncties en aan de noord- en oostzijde een sportcomplex. In de directe omgeving zijn voor het overige geen (agrarische) bedrijven aanwezig. De dichtstbijzijnde milieubelastende functie betreft daarmee de sportvelden van DSVD, waarvoor de functie 'Veldsportcomplex (met verlichting)' aangehouden wordt (categorie 3.1) en een maximale richtafstand van 50 m voor het aspect geluid geldt. Aan deze onderlinge afstand wordt niet voldaan. Bovendien speelt ook lichthinder een mogelijke rol bij ontwikkelingen. Voor wat betreft geluid wordt in paragraaf 4.5 een nadere motivering verschaft. Ook voor wat betreft lichthinder is onderzoek verricht; de bevindingen zijn te vinden in paragraaf 4.3. Met inachtneming van de bevindingen voor wat betreft de aspecten geluid en lichthinder wordt voor het overige voldaan aan de benodigde richtafstanden.

Externe werking Bij de externe werking gaat het om de vraag of de realisatie van onderhavig plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de omgeving. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is derhalve geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Behoudens de aspecten geluid en lichthinder (waarvoor dus verderop in dit hoofdstuk een onderbouwing wordt verschaft) vormt bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de ontwikkeling.

24

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

4.3 Lichthinder Nabij het plangebied ligt het complex van DSVD Deurningen. In de NEN-EN 12193 “Licht en verlichting – Sportverlichting” en de NSVV aanbevelingen “Verlichting voor Sportaccommodaties – Algemene grondslagen” en “Verlichting voor Sportaccommodaties – Voetbal” zijn eisen verbonden aan de optredende verlichtingssterkte, de gelijkmatigheid van de verlichting en de kleurweergave van het licht voor de betreffende sportclub. Toets In het rapport in Bijlage 2 zijn de uitgevoerde berekeningen voor wat betreft lichthinder inzichtelijk. Uit de resultaten blijkt dat ter plaatse van de woningen niet kan worden voldaan aan de normen: De gemiddelde verticale verlichtingssterkte voldoet, met 3,15 lux als laagst gemeten waarde, wel aan de norm. De lichtsterkte voldoet, met 37.071 candela als laagst gemeten waarde, niet aan de norm. Hoewel de verlichtingssterkte op de gevel van de woningen nog binnen de norm valt, is de gemeten lichtsterkte dusdanig hoog dat deze ruim niet aan de norm voldoet. Geadviseerd wordt om hiervoor maatregelen te nemen. Een van deze maatregelen kan zijn om de verlichting te vervangen voor LED verlichting. Er is bij LED verlichting meer mogelijk om lichthinder te beperken.

Ter vergelijking is daarom de lichthinder ook berekend wanneer de armaturen vervangen zouden worden voor LED armaturen: Uit de resultaten blijkt nu dat ter plaatse van de woningen wel kan worden voldaan aan de normen: De gemiddelde verticale verlichtingssterkte voldoet, met 0,37 lux als laagst gemeten waarde, ruim aan de norm. De lichtsterkte voldoet, met 4.509 candela als laagst gemeten waarde, nu ook aan de norm. Hoewel er met een volledige vervanging naar LED verlichting de beste resultaten worden geboekt, kunnen er redenen zijn waardoor dit (deels) niet haalbaar is. Tot slot is daarom een berekening gemaakt wanneer alleen veld 3 zou worden gerenoveerd naar LED verlichting. Uit de resultaten blijkt dat ter plaatse van de woningen wel kan worden voldaan aan de normen: De gemiddelde verticale verlichtingssterkte voldoet, met 0,52 lux als laagst gemeten waarde, ruim aan de norm. De lichtsterkte voldoet, met 8.271 candela als laagst gemeten waarde, ook aan de norm. Houd er rekening mee dat, hoewel de lichtinstallatie voldoet aan de norm, er nog altijd een mogelijkheid bestaat tot klachten van omwonenden. Momenteel is de gemeente Dinkelland in overleg met DSVD over het vervangen van de huidige verlichting. De gemeente Dinkelland draagt er zorg voor dat de voldaan zal worden aan de gestelde normen.

Met inachtneming van de voornoemde aanpassingen vormt lichthinder geen belemmering voor de planvorming.

4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets In opdracht van de gemeente Dinkelland is door Kruse Milieu BV, in een actualisatie bodem-onderzoek (projectcode 20036223, 9 juni 2020) de bodem onderzocht op een terrein ter grootte van circa 5200 m² op het noordelijke deel van het nieuwbouwplan “Deurninger Es” te Deurningen. Het volledige rapport is bijgevoegd in Bijlage 3.

De aanleiding van dit onderzoek is de voorgenomen verkoop van de kavels, de aanvraag van de omgevingsvergunning en de geplande nieuwbouw van 11 woningen. De onderzoekslocatie is momenteel onbebouwd, onverhard en betreft hoofdzakelijk gras. Het terrein is beschouwd als niet verdacht. De bovengrond is aanvullend op PFAS onderzocht. Grondwateronderzoek blijft achterwege. In totaal zijn er 16 boringen verricht, waarvan 4 tot 2.00 meter diepte. bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

25

Gebleken is dat de bovengrond globaal bestaat uit zeer fijn tot uiterst fijn zand met in de ondergrond vanaf circa 1.50 m-mv een zwak zandige leemlaag en/of matig grof zand. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem. Resultaten chemische analyses Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond BG I is niet verontreinigd; de bovengrond BG II is licht verontreinigd met PAK; de ondergrond OG I is niet verontreinigd; de ondergrond OG II is niet verontreinigd. Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (BG II) is een lichte verontreiniging aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van de rapportage. In de bovengrond (BG I) en ondergrond (OG I en OG II) zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. Er zijn geen PFAS-gehalten gemeten boven de achtergrondwaarden. Uit milieukundig oogpunt is er naar het oordeel van Kruse Milieu geen bezwaar tegen de voorgenomen nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreiniging geen risico voor de volksgezondheid oplevert.

De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).

4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.

in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Voor wat betreft wegverkeerslawaai geldt dat de omgeving van het plangebied voorziet in wegen met een 30 km/u regime. Hierdoor is er geen sprake van een geluidszone op basis van de Wet geluidhinder waarvoor een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai vereist is. Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het voornemen. Industrielawaai

26

bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

Door Munsterhuis Geluidsadvies is in opdracht van de gemeente Dinkelland een akoestisch prognose onderzoek (projectnummer 20.053, d.d. 27 mei 2020) uitgevoerd naar de geluidemissie ten gevolge van het trainingsveld van DSVD gelegen aan de Kerkweg 14 te Deurningen. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd om het geluidniveau te bepalen als gevolg van voetbalvereniging DSVD ter plaatse van toekomstige woningen nabij voetbalvereniging DSVD en bijgevoegd in Bijlage 4. In 2012 heeft Munsterhuis Geluidsadvies voor dezelfde locatie een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderhavig onderzoek betreft een actualisatie van het eerder uitgevoerde onderzoek. Ten opzichte van het vorige onderzoek gaat het nu om de ontwikkeling van 11 woningen in plaats van 8. De directe uitstraling vanuit de kantine is niet relevant naar het plangebied met uitzondering van de afzuiging van de keuken en ventilatievoorziening. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd conform de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai 1999. De berekende geluidniveaus zijn getoetst aan de geluidnormen die in het activiteitenbesluit zijn opgenomen en de normen uit het geluidbeleid. Het onderzoek is gebaseerd op een inventarisatie van de training, literatuurgegevens en Munsterhuis Geluidsadvies B.V. -expertise.

Aan de hand van de verkregen gegevens is een akoestisch rekenmodel vervaardigd waarmee de geluidniveaus zijn berekend. Op basis van onderhavig akoestisch onderzoek worden de volgende conclusies getrokken: Uit berekeningsresultaten blijkt dat ter plaatse van een de dichtstbijzijnde woning het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau maximaal 39 en 35 dB(A) in respectievelijk de dag- en avondperiode bedraagt. In de dagperiode is de wedstrijd en in de avondperiode is de training maatgevend. Er wordt ter plaatse van woningen van derden voldaan aan de ambitiewaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau die in het geluidbeleid zijn opgenomen. Ook wordt er aan de grenswaarden uit het activiteitenbesluit voldaan. Het maximale geluidniveau bedraagt ter plaatse van woningen van derden maximaal 67 en 56 dB(A) in de dag- en avondperiode. In de dagperiode is de scheidsrechtersfluit maatgevend en in de avond de stemmen van de spelers. Er wordt voldaan aan de maximale grenswaarden voor het maximale geluiniveau die in de handreiking zijn opgenomen. Op basis van deze bevindingen vormt het aspect geluid geen belemmering voor onderhavig plan.

4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. bestemmingsplan Vierde Veld DSVD, Deurningen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/490/documents/15998