Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo Toelichting.pdf
Tekst van het document
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.2 Bodem 4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is een bodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Op basis van de Woningwet, de WABO en bijbehorende regelgeving, gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoeksplicht: 1. Als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; 2. Als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
27
(Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder dan 2 uur gehanteerd; 3. Als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd). 4.2.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval wordt het bestaande niet wederrechtelijke gebruikt gehandhaafd. De functie van de bebouwing blijft namelijk wonen en van uitbreiding/nieuwbouw is geen sprake. Ten aanzien van het positief bestemmen van de bestaande opslag wordt opgemerkt dat dit geen functie is waar langdurig door mensen wordt verbleven. Bovendien mag ter plaatse geen bebouwing worden opgericht. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek is dan ook niet benodigd. 4.2.3
Conclusie
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder andere grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.3.2
Situatie plangebied
Voorliggend plan voorziet in het planologisch toevoegen van één woning, het wegbestemmen van een deel van de detailhandelsbestemming en het toestaan van ondergeschikte bedrijfsactiviteiten bij de bestaande detailhandelsfunctie. In paragraaf 4.3.1.1 zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging.
28
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
Tevens wordt opgemerkt dat de af te splitsen woning niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.4 Externe veiligheid 4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen en moet worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Voor buisleidingen geldt het Besluit buisleidingen externe veiligheid (Bevb) die op 1 januari 2011 in werking is getreden.
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie plangebied
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
29
Afbeelding 4.1 Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart) Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 4.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.
4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 30
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een 'gemengd gebied'. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Dinkelland Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype "rustige woonwijk".
4.5.3
Situatie plangebied
4.5.3.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In dit geval wordt de bedrijfswoning gesplitst en wordt één van beide woningen planologisch als reguliere woning in gebruik genomen. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Het toestaan van de omdergeschikte bewerkingsactiviteiten betreffen wel milieubelastende activiteiten. Om in kaart te brengen wat de gevolgen van het toestaan van deze activiteiten op het woon- en leefklimaat van omwonenden is, is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd door Buijvoets Bouw- en geluidsadvisering. Het bijbehorende onderzoek is als Bijlage 1 bijgevoegd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan.
Door de zuidgevel van de af te splitsen woning als 'dove gevel' te bestemmen kan onder representatieve bedrijfsomstandigheden aan de ambitiewaarden van het geluidbeleid worden voldaan en is voor woningen van derden sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het bedrijf kan dan ruim aan de voorschriften van het Activiteitenbesluit voldoen en wordt niet beperkt in de werkzaamheden. Uit de resultaten van het akoestisch onderzoek blijkt eveneens dat de afscherming door de gebouwen belangrijke invloed heeft op de af te splitsen woning en de woning aan de Kleinesweg 2. De activiteiten zijn passend in de omstandigheden zoals deze zijn beschreven in het akoestische onderzoek. De te gunnen ruimte is gekoppeld aan bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
31
de omstandigheden uit het akoestisch onderzoek en de locaties van de werkzaamheden, uitgaande van het in stand houden van bestaande belemmeringen voor de geluiduitstraling naar de omgeving. Het doorslijpen van stenen is binnen de representatieve bedrijfssituatie niet toegestaan en kan alleen met een maatwerkvoorschrift op het Activiteitenbesluit (ontheffing <12 x per jaar). Ook wanneer de bedrijfswoning niet wordt afgesplitst geldt dit, omdat de bestaande woning aan de Kleinesweg 2 dan beperkend is. In voorliggend geval wordt in het bestemmingsplan vastgelegd dat het slijpen van stenen maximaal 12 x per jaar plaats mag vinden op de plek waar in het akoestisch onderzoek rekening mee is gehouden. Voor het beitelen van stenen geldt eveneens dat de locatie waar dit plaats mag vinden op basis van het akoestisch onderzoek is vastgelegd. Ten aanzien van het uitbreiden van de detailhandelsbestemming ten behoeve van opslag van materiaal wordt opgemerkt dat een dergelijke activiteit tot milieucategorie 1 behoort. Op basis van omgevingstype 'rustige woonwijk' geldt hier een richtafstand van 10 meter voor. Binnen deze afstand bevinden zich geen woningen van derden. Het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt, met inachtneming van het vorenstaande, niet aangetast met voorliggende ontwikkeling.
4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Nabij het plangebied bevinden zich een aantal (agrarische) bedrijven. Daarnaast blijft de bestaande detailhandelsbestemming in het plangebied grotendeels behouden. Het voornemen voorziet in het splitsen van de bestaande bedrijfswoning, waarbij één van de woningen planologisch als reguliere woning in gebruik wordt genomen. Ten opzichte van de milieubelastende functies buiten het plangebied geldt dan ook dat de woning niet dichter op omliggende bedrijvigheid komt te liggen ten opzichte van de huidige situatie. Ten aanzien van de detailhandelsbestemming in het plangebied, geldt dat af te splitsen woning geen onderdeel zal uitmaken van de inrichting. Op basis van het als Bijlage 1 bijgevoegde akoestische onderzoek industrielawaai wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de af te splitsen woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als de zuidgevel als 'dove gevel' wordt uitgevoerd. Omgekeerd wordt het detailhandelsbedrijf ter plaatse niet in de bedrijfsvoering belemmerd met het uitvoeren van de zuidgevel van de af te splitsen woning als 'dove gevel'.
Gelet op het bovenstaande wordt gesteld dat ter plaatse van de af te splitsen woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de omliggende milieubelastende functies niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. 4.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.6 Geur 4.6.1
Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:
32
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 4.6.2
Situatie plangebied
De af te splitsen woning wordt in bestaande bebouwing gerealiseerd waar in de huidige situatie reeds gewoond wordt. De af te splitsen woning wordt dan ook niet dichter op omliggende agrarische bedrijvigheid gerealiseerd dan in de huidige situatie. Overigens betreft de afstand tussen het dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak (Kleinesweg 2) en het bouwvlak van de af te splitsen woning circa 54 meter, waarmee wordt voldaan aan de vaste afstandseis van 50 meter zoals opgenomen in de Wgv. Gelet op vorenstaande kan worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de af te splitsen woning. Omliggende veehouderijen worden daarnaast ten gevolge van dit bestemmingsplan niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 4.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.
4.7 Ecologie Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. 4.7.1
Gebiedsbescherming
4.7.1.1 Natura 2000 Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Volther, Agelerbroek en Achter de Voort” ligt op circa 1,5 kilometer van het plangebied. De planologische mogelijkheid voor het exploiteren van detailhandel wordt deels verwijderd. Daarvoor in de plaats wordt planologisch gezien één woning toegevoegd en worden ondergeschikte bedrijfsmatige activiteiten planologisch ingepast. Feitelijk gezien is er geen sprake van het toevoegen van een woning, aangezien er in de huidige situatie sprake is van een inwoonsituatie. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, de afstand tot de Natura 2000-gebieden en de barrièrewerking van tussenliggende bebouwing wordt geconcludeerd dat als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling geen sprake is van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. 4.7.1.2 Natuur Netwerk Nederland Het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN).
Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt op circa 500 meter van het NNN. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal waardoor de voorgenomen activiteit geen negatief effect op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN heeft. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
33
4.7.2
Soortenbescherming
Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In voorliggende situatie is er sprake van een woningsplitsing van een bestaande bedrijfswoning naar een bedrijfswoning en een reguliere woning en het uitbreiden van de detailhandelsactiviteiten. Er worden geen fysieke ingrepen zoals sloop of het verwijderen van groenstructuren gepleegd. Van enige vorm van aantasting van beschermde dier- en/of plantensoorten is dan ook geen sprake. Het uitvoeren van een quickscan flora en fauna is dan ook niet benodigd. 4.7.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.8 Archeologie en cultuurhistorie 4.8.1
Archeologie
4.8.1.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Dinkelland beschikt over een archeologische verwachtings- en advieskaart. Een uitsnede van de gemeente archeologische verwachtingskaart is opgenomen in afbeelding 4.2. Het plangebied is met blauwe lijn weergegeven.
34
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
Afbeelding 4.2 Archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: Gemeente Dinkelland) Het plangebied ligt in het gebiedstype “Beekdalen en overige laagten”, "Stuwwalhellingen met een plaggendek", "Erf" en "Bufferzone rond erf, adellijk huis of watermolen". Voor de gebiedstypen "Stuwwalhellingen met een plaggendek" en "Bufferzone rond erf, adellijk huis of watermolen" geldt de hoogste archeologische verwachting, waarbij archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen met een groter oppervlak dan 2.500 m² en die dieper reiken dan 40 cm. Aangezien voorliggend bestemmingsplan geen bodemingrepen tot gevolg heeft, is archeologisch niet benodigd. 4.8.2
Cultuurhistorie
4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. De bestaande bedrijfswoning word twel als cultuurhistorisch waardevol aangemerkt. De gewenste ontwikkeling betreft het splitsen van de bedrijfswoning, zonder dat dit met fysieke ingrepen gepaard gaat. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie dan ook geen belemmering vormt voor dit plan. 4.8.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
35
4.9 Water 4.9.1
Vigerend beleid
4.9.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 4.9.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.
De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 4.9.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 4.9.1.4 Beleid waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren.
In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem. het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. 4.9.2
Waterparagraaf
4.9.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
36
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
4.9.2.2 Watertoetsproces Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'paragraaf geen waterschapsbelang' van de watertoets van toepassing is. Het watertoetsresultaat is bijgevoegd als Bijlage 2.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
37
38
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
Hoofdstuk 5 Juridische aspecten en planverantwoording 5.1 Inleiding De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
5.2 Opbouw van de regels 5.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.
5.2.2
Inleidende regels
5.2.2.1 Begrippen In Artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 5.2.2.2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (Artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse meetvoorschriften wordt verstaan.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
39
5.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. In de bestemmingen is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 5.2.4 Algemene regels Anti-dubbeltelregel (artikel 6: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene bouwregels (artikel 7): in deze regel wordt de minimale afstand tot wegen en de omgang met eventueel afwijkende bestaande maatvoering geregeld. Algemene gebruiksregels (artikel 8): in deze regel is aangegeven wat onder verboden gebruik wordt verstaan. Deze regel gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Tevens is in dit artikel het bestaande gebruik geregeld. Algemene afwijkingsregels (artikel 9): in deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene wijzigingsregels (artikel 10): in deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om het plan onder voorwaarden te wijzigen. Overige regels (artikel 11); in dit artikel zijn regels in verband met parkeren opgenomen. 5.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel is aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
5.3 Bestemmingen Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Zij zijn het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Detailhandel (Artikel 3) De gronden met de bestemming Detailhandel zijn hoofdzakelijk bestemd voor bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van detailhandelsbedrijven, met daaraan ondergeschikte bedrijfsactiviteiten, waaronder in ieder geval wordt begrepen het bewerken van goederen van steen, hout en soortgelijke natuurlijke materialen voor de verkoop, bedrijfsgebouwen, daaraan ondergeschikte wegen, paden en water en de daarbij behorende tuinen, erven, terrein en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
In het bestemmingsvlak mag enkel ten behoeve het ter plaatse gevestigde detailhandelsbedrijf worden gebouwd. In totaal mag 675 m2 aan bedrijfsgebouwen gerealiseerd worden. Het aantal bedrijfswoningen mag maximaal één bedragen. De locaties waar stenen gebeiteld en geslepen mogen worden zijn op de verbeelding met respectievelijk de aanduidingen 'specifieke vorm van detailhandel - 1' en 'specifieke vorm van detailhandel - 2' aangegeven. Daarnaast is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding 'opslag' opslag is toegestaan en dat hier geen gebouwen en overkappingen gebouwd mogen worden. De bedrijfswoning mag enkel op de bestaande plaats worden gebouwd. In de specifieke gebruiksregels is opgenomen dat het vaker dan 12x per kalenderjaar 40
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
doorslijpen van stenen strijdig is met de bestemming. Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten van het uitgevoerde akoestisch onderzoek, zoals opgenomen in Bijlage 1. Groen (Artikel 4) De bomenrij aan de noord- en noordoostzijde van het plangebied zijn bestemd als Groen. Deze gronden zijn onder meer bestemd voor groenvoorzieningen, in- en uitritten en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwed. Wonen (Artikel 5) De gronden die worden gebruik ten behoeve van de af te splitsen woning zijn voorzien van de bestemming Wonen. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor woonhuizen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen, en overkappingen, al dan niet in combinatie met ruimten voor: 1. een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit; 2. mantelzorg; Binnen de woonbestemming is een bouwvlak strak rondom de woning opgenomen, aangezien de hoofdvorm gehandhaafd dient te worden. Er is maximaal 1 woning toegestaan. De woning dient binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd en mag een inhoud van maximaal 750 m3 hebben, dan wel de bestaande inhoud indien deze meer bedraagt. Per woning is 220 m2 aan bijgebouwen toegestaan.
Als gebruik strijdig met de bestemming is het gebruik van een hoofdgebouw voor bewoning, zonder het realiseren van een dove gevel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke aanduiding - dove gevel' opgenomen, zodat ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de bedrijfsvoering van het detailhandelsbedrijf niet wordt belemmerd.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
41
42
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Ten behoeve van deze ontwikkeling is een planschadeovereenkomst (anterieure overeenkomst) met de initiatiefnemer gesloten. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
43
44
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
Hoofdstuk 7 zienswijzen
Vooroverleg, inspraak en
7.1 Vooroverleg 7.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 7.1.2
Provincie Overijssel
Gelet op de aard en omvang van het voornemen en het feit dat aan het provinciaal beleid wordt voldaan, wordt vooroverleg met de provincie Overijssel niet noodzakelijk geacht. 7.1.3
Waterschap Vechtstromen
De watertoets heeft plaats gevonden op de website www.dewatertoets.nl. Deze toets resulteerde in een 'paragraaf geen waterschapsbelang’. Vooroverleg met het waterschap is dan ook niet noodzakelij.k
7.2 Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In dit geval wordt geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.
7.3 Zienswijzen Deze paragraaf wordt ingevuld na de ter inzage legging van voorliggend bestemmingsplan.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
45