Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo Toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
Status: ontwerp
Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):
ontwerp NL.IMRO.1774.BUIBPROSSUMERSTR2OW01
Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
Inhoudsopgave Toelichting
3
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging van het plangebied 1.3 De bij het plan behorende stukken 1.4 Geldend bestemmingsplan 1.5 Leeswijzer
5 5 5 5 6 7
Hoofdstuk 2 Huidige en gewenste situatie 2.1 Huidige situatie plangebied 2.2 Gewenste ontwikkeling 2.3 Verkeer- en parkeren
9 9 10 11
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
13 13 14 21
Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Geluid 4.2 Bodem 4.3 Luchtkwaliteit
27 27 27 28
4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9
29 30 32 33 34 36
Externe veiligheid Bedrijven en milieuzonering Geur Ecologie Archeologie en cultuurhistorie Water
Hoofdstuk 5 Juridische aspecten en planverantwoording 5.1 Inleiding 5.2 Opbouw van de regels 5.3 Bestemmingen
39 39 39 40
Hoofdstuk 6
43
Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 7 Vooroverleg, inspraak en zienswijzen 7.1 Vooroverleg 7.2 Inspraak 7.3 Zienswijzen
2
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
45 45 45 45
Toelichting
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
3
4
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding Aan de Rossumerstraat 2 in Agelo, gemeente Dinkelland, bevindt zich een perceel met een detailhandelsbestemming ten behoeve van de aanwezige winkel (antiek en historische (bouw)materialen). Op het perceel zijn drie bedrijfsgebouwen en een bedrijfswoning met inwoning aanwezig, waarbij de bedrijfswoning is aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol. Initiatiefnemer is voornemens de bedrijfswoning met inwoonsituatie te splitsen in twee afzonderlijke woningen. Eén van de woningen zal daarbij als bedrijfswoning bij de detailhandelsfunctie in gebruik blijven. De tweede woning wordt voorzien van een woonbestemming en zal regulier bewoond gaan worden. Daarnaast bestaat de wens de bestaande, ondergeschikte bedrijfsactiviteiten bij de bestaande detailhandelsfunctie in de vorm van het verwerken en bewerken van steen, hout en soorgelijke natuurlijke materialen en de opslag van materiaal planologisch te verankeren. De voorgenomen ontwikkeling is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan waardoor een bestemmingsplanherziening is vereist. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. Hierbij zal worden aangetoond dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met 'een goede ruimtelijke ordening'.
1.2 Ligging van het plangebied De locatie ligt aan de Rossumerstraat 2 in Agelo, ten zuidwesten van de kern Ootmarsum. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie Q, nummers 884 en 885. In afbeelding 1.1 is de ligging van de locatie ten opzichte van Ootmarsum en de directe omgeving weergegeven. Het plangebied is indicatief met rode lijn aangegeven.
Afbeelding 1.1 Ligging van het plangebied ten opzichte van Ootmarsum en de directe omgeving (Bron: ArcGIS)
1.3 De bij het plan behorende stukken Het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo" bestaat uit de volgende stukken verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1774.BUIBPROSSUMERSTR2-OW01) en een renvooi; regels (met bijbehorende bijlagen) Op de verbeelding zijn de bestemmingen binnen het plangebied aangegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan, maar maakt geen onderdeel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
5
1.4 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de begrenzing van "Bestemmingsplan Buitengebied 2010" en "Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland", respectievelijk vastgesteld door de gemeenteraad van Dinkelland op 18 februari 2010 en 29 mei 2018. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van "Bestemmingsplan Buitengebied 2010" weergegeven. Het plangebied is indicatief met rode lijn aangegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding.
Afbeelding 1.2 Uitsnede verbeelding "Bestemmingsplan Buitengebied 2010" (Bron: Ruimtelijke plannen) Het plangebied heeft de bestemming 'Detailhandel' en 'Agrarisch - 1'. De voor 'Detailhandel' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen ten behoeve van detailhandelsbedrijven, bedrijfswoningen, ondergeschikte wegen, paden en water en bijbehorende tuinen, erven, terreinen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ter plaatse is één bedrijfswoning toegestaan. Onder detailhandel wordt verstaan: 'het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit'. De voor 'Agrarisch - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor het agrarisch gebruik, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappe-lijke, geomorfologische en cultuurhis-torische waarden en daaraan ondergeschikt onder meer het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke waarden, doeleinden voor agrarisch natuurbeheer en cultuurgrond. Het splitsen van de bedrijfswoning en het regulier bewonen van één van de woningen is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan.
Daarnaast zijn de ondergeschikte en bewerkingsacitiviteiten en de opslagactiviteiten niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de benodigde juridisch-planologische kaders om voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Daarnaast wordt aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming met 'een goede ruimtelijke ordening' is.
6
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
1.5 Leeswijzer Na deze inleiding wordt in Hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie in en rondom het plangebied en de gewenste ontwikkeling. Hoofdstuk 3 behandelt het relevante beleid. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 4 ingegaan op de relevante omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 gaat in op bestemmingsplansystematiek en licht de bestemmingen toe. In Hoofdstuk 6wordt de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan toegelicht, gevolgd door de maatschappelijke uitvoerbaarheid in Hoofdstuk 7.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
7
8
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
Hoofdstuk 2 situatie
Huidige en gewenste
2.1 Huidige situatie plangebied Het plangebied ligt aan de Rossumerstraat 2 (N736), direct aansluitend aan de kern Ootmarsum. De ruimtelijkfunctionele structuur van de omgeving bestaat voornamelijk uit agrarische gronden, bos- en natuurgronden, (agrarische) bedrijfspercelen en (verspreid liggende) woonerven. Ten noorden en westen van het plangebied bevinden zich agrarische cultuurgronden. Daarnaast bevindt er zich een agrarisch bedrijf (Kleinesweg 2) en een opslagplaats ten zuiden van het plangebied. Het perceel wordt aan de oostzijde begrensd door de Rossumerstraat. Het erf bestaat uit een bedrijfswoning met inwoonsituatie, winkelgedeelte op de deel van de bedrijfswoning, 3 bedrijfsgebouwen, erfverharding en tuin bij de bedrijfswoning. De bedrijfswoning betreft een authentieke Twentse boerderij die als cultuurhistorisch waardevol kan worden aangemerkt. De bedrijfsvoering van het ter plaatse aanwezige detailhandelsbedrijf bestaat uit de handel in authentieke, historische materialen voor de bouw, tuin en interieur, zoals gebinten, stenen en meubilair. Daarnaast worden ter plaatse ondergeschikte bedrijfsactiviteiten uitgevoerd in de vorm van het bewerken van hout, steen en soorgelijke producten ten behoeve van de detailhandelsactiviteiten. In de zuidwestelijke hoek van het plangebied vindt buitenopslag (circa 395 m2) ten behoeve van het bestaande bedrijf plaats.
In afbeeldingen 2.1 en 2.2 is de huidige situatie weergegeven middels een luchtfoto en twee straatbeelden. Het plangebied is indicatief met rode lijn aangegeven.
Afbeelding 2.1 Huidige situatie (Bron luchtfoto: Provincie Overijssel)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
9
Afbeelding 2.2 Straatbeelden van de huidige situatie (Bron: Google Streetview)
2.2 Gewenste ontwikkeling Initiatiefnemer is voornemens de bestaande bedrijfswoning met inwoonsituatie te splitsen in twee woningen. Eén van de woningen zal hierbij in gebruik blijven als bedrijfswoning bij de op het erf aanwezige detailhandelsfunctie. De tweede woning wordt planologisch omgezet naar een reguliere woning. Daarnaast is initiatiefnemer voornemens de bestaande, ondergeschikte bedrijfsactiviteiten bij het detailhandelsbedrijf planologisch vast te leggen. Het gaat om het bewerken van hout, steen en soortgelijke natuurlijke materialen. In afbeelding 2.3 is weergegeven welke woning als bedrijfswoning behouden blijft en welke woning omgezet wordt naar reguliere woning. Daarnaast is weergeven welke (delen van) gebouwen als bedrijfsgebouwen in gebruik blijven en welke gebouwen als bijgebouw bij de reguliere woning gaan dienen. In totaal blijft er circa 400 m2 aan bedrijfsbebouwing bij de detailhandelsfunctie behouden. Bij de reguliere woning wordt circa 225 m2 als bijgebouwen in gebruik genomen. Als laatste is weergegeven dat de bestaande buitenopslag planologisch ingepast wordt en welke houtopstanden een groenbestemming (circa 395 m2) krijgen.
Afbeelding 2.3 Luchtfoto gewenste situatie (Bron: Provincie Overijssel)
10
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
2.3 Verkeer- en parkeren Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het splitsen van de woning op het erf aan de Rossumerstraat 2 in Agelo, waarbij de afsplitste woning als reguliere woning bewoond zal gaan worden. De detailhandelsbestemming ter plaatse van de gronden die bij de afgesplitste woning gaan behoren worden herbestemd naar wonen. In afbeelding 2.3 is te zien dat het woonperceel ruim voldoende omvang heeft om op eigen terrein in voldoende parkeermogelijkheden te voorzien. De bestaande in- en uitrit op de Rossumerstraat blijft behouden. De voorgenomen ontwikkeling zorgt niet voor een onevenredige toename in het aantal verkeersbewegingen, aangezien de detailhandelsfunctie wordt verkleind en reeds sprake is van een inwoonsituatie. Daarnaast kent een woning een lagere verkeersaantrekkende werking dan een detailhandelsfunctie. Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'verkeer en parkeren' geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
11
12
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1 Rijksbeleid 3.1.1
Nationale omgevingsvisie (NOVI)
3.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 3.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.
Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.
Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zet het Rijk in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. 3.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
13
3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties.
3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
3.1.2.1 Algemeen In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, voorloper NOVI) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'. In het Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 3.1.3
Toetsing aan het rijksbeleid
De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de structuurvisie. Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat deze ladder van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). Het begrip stedelijke ontwikkeling: (ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen) is niet gewijzigd. Er zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze begripsdefinitie. Op het realiseren van woningen is onder andere de uitspraak ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921, r.o. 4.3. van toepassing. Uit deze uitspraak blijkt dat het realiseren van 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro. In voorliggend geval is de ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet van toepassing aangezien vanuit planologisch oogpunt sprake is van de toevoeging van één woning. Daarnaast zorgt voorliggende ontwikkeling niet voor een toename van het oppervlakte aan detailhandelsbestemming of voor een toename van bouwmogelijkheden. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
3.2 Provinciaal beleid In deze paragraaf wordt het voor deze ontwikkeling relevante provinciale beleid behandeld. Op 12 april 2017 hebben Provinciale Staten van Overijssel de nieuwe Omgevingsvisie Overijssel 2017 'Beken Kleur' en bijbehorende Omgevingsverordening Overijssel 2017 vastgesteld. Op 1 mei zijn de nieuwe Omgevingsvisie en Omgevingsverordening in werking getreden. 3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De omgevingsvisie is het centrale provinciale beleidsplan voor het fysieke beleidsplan voor het fysieke leefmilieu in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Enkele centrale ambities van de provincie: goed en plezierig wonen, nu en in de toekomst door een passend en flexibel aanbod van woonmilieus (typen woningen en woonomgeving) die voorzien in de vraag (kwantitatief en kwalitatief); versterken complementariteit van bruisende steden en vitaal platteland als ruimtelijke, cultureel, sociaal en economisch samenhangend geheel. Dit door behoud en versterking van leefbaarheid en diversiteit van het landelijk gebied, stedelijke netwerken versterken, behoud en versterken van cultureel erfgoed als drager van 14
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
identiteit; veilig, gezond en schoon kunnen wonen, werken, recreëren en reizen door te zorgen voor waterveiligheid, externe veiligheid en verkeersveiligheid; investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan. 3.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. 3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal: 1. Of - generieke beleidskeuzes 2. Waar - ontwikkelingsperspectieven 3. Hoe - gebiedskenmerken Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, et cetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. In afbeelding 3.1 is het Uitvoeringsmodel weergegeven.
Afbeelding 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
15
3.2.3.1 Generieke beleidskeuzes Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties - en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten - te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening. 3.2.3.2 Ontwikkelingsperspectieven Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheid de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.
De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de - voor dat ontwikkelingsperspectief - geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging ten aanzien van functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen. 3.2.3.3 Gebiedskenmerken Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden. De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend.
Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn dan ook in de omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet. 3.2.4
Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 3.2.4.1 Generieke beleidskeuzes Bij de afwegingen in de eerste fase 'Of - generieke beleidskeuzes' zijn artikel 2.1.3 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) en artikel 2.2.2 (Realisatie nieuwe woningen) uit de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Artikel 2.1.5 (Ruimtelijke kwaliteit) en artikel 2.1.6 (Kwaliteitsimpuls Groene omgeving) zijn niet van toepassing aangezien geen sprake is van een fysieke toevoeging van een nieuwe woning of andersoortige fysieke ingrepen. De ruimtelijke kwaliteit is niet in het geding met het toestaan van de gewenste ontwikkeling. Hierna wordt nader op de van toepassing zijnde artikelen ingegaan. Artikel 2.1.3: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of 16
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 Voorliggend bestemmingsplan voorziet niet in een extra ruimtebeslag in de Groene omgeving. Er worden geen fysieke ingrepen gepleegd. De ruimtelijke kwaliteit is niet in het geding met het toestaan van de gewenste ontwikkeling. Samenvattend wordt geconcludeerd dat het plan voldoet aan de artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening. Artikel 2.1.5: Ruimtelijke kwaliteit a. In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. b. In het kader van toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd. c. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. d.
In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening Overijssel De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de geldende gebiedskenmerken en voldoet aan de zogenaamde 'of-, waar- en hoe benadering'. Tevens past de ontwikkeling in het geldende ontwikkelingsperspectief en aan de vier-lagenbenadering zoals opgenomen in de Catalogus Gebiedskenmerken. In paragraaf 3.2.4.2 en paragraaf 3.2.4.3 wordt uitgebreid op voorgenoemde punten ingegaan. Artikel 2.1.6: Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening Overijssel De provincie Overijssel biedt gemeenten de gelegenheid om een eigen beleidsinvulling te geven aan het KGO-beleid. De gemeente Dinkelland heeft hier gebruik van gemaakt en de beleidsnotitie "Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving" opgesteld. In paragraaf 3.3.4 wordt hier uitgebreid op ingegaan. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Artikel 2.2.2: Realisatie nieuwe woningen (lid 1) Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.2.2 (lid 1) van de Omgevingsverordening Overijssel Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het planologisch toevoegen van één woning voor lokale behoefte. De woning voldoet aan de kwalitatieve behoefte in de markt. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf Verbroken kruisverwijzing naar 'Woonvisie 2016+', waar in wordt gegaan op de gemeentelijke woonvisie. De gewenste ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met artikel 2.2.2 (lid 1) van de Omgevingsverordening Overijssel.
3.2.4.2 Ontwikkelingsperspectieven In dit geval zijn vooral de ontwikkelingsperspectieven voor de Groene Omgeving van belang. In de Groene Omgeving gaat het vooral om: behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap, het realiseren van een samenhangend netwerk van gebieden met natuur- en waterkwaliteit, ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, het toerisme en andere economische dragers, realisatie van waterkwaliteitsdoelen, het duurzaam beheer van drinkwatervoorraden én het opwekken van hernieuwbare energie. In de Groene Omgeving onderscheidt de provincie de volgende drie ontwikkelingsperspectieven: de zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW); bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
17
agrarisch ondernemen in het grootschalige landschap; wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap. Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken buiten de stedelijke netwerken'. In afbeelding 3.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen.
Afbeelding 3.2 Uitsnede Ontwikkelperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) “Wonen en werken buiten stedelijke netwerken” De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico's op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).
Toetsing van het initiatief aan de “Ontwikkelingsperspectieven” Het splitsen van de bestaande boerderij in twee woningen, het uitbreiden van de bestaande detailhandelsactiviteiten met ondergeschikte bewerkingsactiviteiten van natuurlijke materialen en planologisch inpassen van de buitenopslag is passend binnen het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken buiten stedelijke netwerken', aangezien er binnen dit onwikkelingsperspectief ruimte is voor een mix aan functies waaronder wonen en lokaal gewortelde bedrijvigheid. De af te splitsen woning voorziet in lokale behoefte. Van een belemmering voor omliggende functies is geen sprake. Verwezen wordt naar hoofdstuk 4 waar in wordt gegaan op diverse omgevings- en milieuaspecten. Het initiatief is dan ook in overeenstemming met het ontwikkelingsperspectief.
18
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
3.2.4.3 Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De 'Stedelijke Laag' en 'Laag van de beleving' kunnen buiten beschouwing blijven aangezien voor het plangebied geen specifieke eigenschappen gelden vanuit deze lagen. 1.
De 'Natuurlijke laag'
De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier 'van nature' op vestigt. Deze natuurlijke laag is het resultaat van de wisselwerking tussen abiotische (fysische) en biotische factoren en processen. Zo zorgden ijs-, wind- en waterstromen in Overijssel voor het ontstaan van een afwisselend landschap van stuwwallen, dekzandgronden, beekdalen en natte laagtes en bepaalden de stroomsnelheden van IJssel, Vecht, Regge of Dinkel waar het fijne (komgronden) en waar het grovere sediment (oeverwallen) werd afgezet. En ontwikkelde veen zich daar, waar het water maar moeilijk weg kon. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Natuurlijke laag' aangeduid met de gebiedstype 'Stuwwallen'. In afbeelding 3.3 is dit weergegeven.
Afbeelding 3.3 Uitsnede Natuurlijke laag (Bron: Provincie Overijssel) “Stuwwallen” De Stuwwallen zijn tijdens de ijstijd opgestuwde aardlagen. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nog steeds goed zichtbaar. Op een aantal plekken zijn de ruggen al van verre zichtbaar, bovenop staand bieden ze spectaculaire zichten over de provincie. De stuwwallen hebben als de regionale inzijggebieden een belangrijke functie in het watersysteem. Het zijn de 'ingangen' van regionale en lokale stelsels van grondwaterstromen. Lagen met diverse bodemsamenstelling zijn scheef gesteld, waardoor er voedselrijker en armere, waterdoorlatende en ondoorlatende lagen direct naast elkaar kunnen liggen. Zo bestaan de Twentse stuwwallen voor een groot deel uit tertiaire (zee)klei en keileem. Hierdoor zijn ze overwegend nat en komen er talrijke brongebieden voor. De norm voor het gebiedskenmerk is gericht op de instandhouding van de hoofdlijnen van het huidige reliëf. Indien mogelijk draagt de ontwikkeling bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen, de overgang tussen stuwwal en omgeving en het versterken en beter zichtbaar maken van de 'natte voet' van de stuwwal (kwelzone, brongebied). bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
19
Toetsing van het initiatief aan het de "Natuurlijke laag" De gewenste ontwikkeling gaat niet gepaard met fysieke ingrepen en heeft daardoor geen negatieve gevolgen voor de aanwezige natuurlijke waarden. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met het gestelde in de 'Natuurlijke laag'. 2.
De 'Laag van het agrarische cultuurlandschap'
In de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. Het plangebied ligt in het gebiedstype 'Essenlandschap'. In afbeelding 3.4 is dit weergegeven.
Afbeelding 3.4 Uitsnede Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Provincie Overijssel) 'Essenlandschap' Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, – voormalige – heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven). Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk. Toetsing van het initiatief aan de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” Voorliggend bestemmingsplan maakt geen fysieke ingrepen mogelijk. De landschappelijke waarden, behorende bij het essenlandschap zijn dan ook niet in het geding. De ontwikkeling is in overeenstemming met het gestelde in de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap”.
20
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
3.2.5
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat de ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1
MijnOmgevingsvisie Dinkelland
3.3.1.1 Algemeen De gemeente Dinkelland beschikt over een omgevingsvisie. MijnOmgevingsvisie Dinkelland gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. Hierin bouwt men verder op de basis die al in proces van MijnDorp gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied , gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. Door inbreng van de samenleving is MijnOmgevingsvisie van ons allemaal! MijnOmgevingsvisie gaat in op: de uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten); hoe men daarop kan inspelen (speerpunten); hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan); welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart). Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn: We doen het samen; We geven het goed voorbeeld; We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. We wentelen niet af op volgende generaties.
3.3.1.2 Speerpunten In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend geval zijn gezien de ontwikkeling met name de thema's 'Aantrekkelijk wonen' en 'Ruimte voor ondernemen' van belang. Aantrekkelijk wonen De gemeente wil dat het aantal en de soort woningen in een kern passen bij de vraag. Inwoners moeten voor hun woning zoveel mogelijk in hun eigen gemeente terecht kunnen. Ook is het belangrijk dat woningen voor elke doelgroep bereikbaar en toegankelijk zijn. Vanuit de gemeente bestaat de wens om binnen de grenzen van een kern te bouwen. In de meeste gevallen gaat het om plekken die verbeterd moeten worden of plekken waarvan de bestaande functie vervalt. Denk hierbij aan het verdwijnen van een bedrijf, het sluiten van een kerk of het slopen van oude woningen. Als er binnen de kern geen plekken zijn om te bouwen, kijkt de gemeente naar bouwmogelijkheden aan de rand van een kern. Kernen zijn verschillend in de behoefte aan woningen. Daarom gaat de gemeente samen met kernen in gesprek om te kijken wat bij elk dorp past. Er is verschil in hoeveel en welk soort woningen nu nodig en gewenst zijn en wat de vraag over 15 jaar is. Huidige knelpunten zijn bijvoorbeeld betaalbare woningen voor starters en woningen voor ouderen.
In de gemeentelijke woonvisie kijkt de gemeente op basis van onderzoek en gesprekken met alle betrokkenen vooruit op de vraag naar woningen. De gemeente probeert erop te sturen dat het aanbod van woningen daarop aansluit. Hierbij wordt de behoeften op de lange termijn en de bestaande voorraad in het oog gehouden. Ruimte voor ondernemen De gemeente wil zorgen voor voldoende ontwikkelruimte voor bedrijven en voor plekken waar bedrijven zich kunnen vestigen. Hiermee wordt bijgedragen aan de werkgelegenheid en kunnen verschillende soorten bedrijvigheid ontstaan. Er wordt gestreefd naar levendige compacte kernwinkelgebieden. Voor duurzame, kansrijke initiatieven wordt maatwerk geleverd. Daarbij ligt de nadruk op het behouden en versterken van het lokale bedrijfsleven. bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
21
Samenvattend wordt gegaan voor: Goede vestigings- en ontwikkelingsmogelijkheden voor het bedrijfsleven Het faciliteren van ondernemers met als principe “ja- tenzij”. 3.3.1.3 Toetsing van het voornemen aan MijnOmgevingsvisie Dinkelland De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen bestaande bebouwing en past binnen de functionele structuur van de omgeving. Het uitbreiden van de detailhandelsfunctie met ondergeschikte bedrijfsactiviteiten en het planbologisch inpassen van de buitenopslag zorgt voor een duurzaam toekomstperspectief van het ter plaatse aanwezige bedrijf. Daarnaast voorziet het voornemen in een duurzame vervolgfunctie voor de aanwezige karakteristieke bedrijfswoning en heeft het geen negatieve gevolgen voor de in de omgeving aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Het voornemen is dan ook in overeenstemming met MijnOmgevingsvisie Dinkelland. 3.3.2
Woonvisie Dinkelland 2021+
3.3.2.1 Algemeen Op 5 juli 2021 heeft de gemeenteraad van Dinkelland de Woonvisie 2021+ vastgesteld. De woonvisie vormt de basis voor strategische afwegingen die de gemeente maakt op het gebied van wonen. 3.3.2.2 Meer woningen De komende jaren gaat de gemeente voldoende woningen bouwen om te voorzien in de verwachte vraag. Om dat te bewerkstelligen is het ten eerste zaak om goed inzicht te hebben in die verwachte woningvraag. De afgelopen vijf jaar is het aantal huishoudens in Dinkelland gegroeid met ongeveer +470. Voor de komende jaren gaat de gemeente uit van een woningbehoefte tussen de +225 en +800 woningen voor de periode 2021-2030. Voor deze woonvisie gaat de gemeente uit van de middeling van deze bandbreedte. Dit betekent dat uitgegaan wordt van een woningbehoefte van 515 woningen voor de periode 2020-2030. Daarbij zal het grootste deel van de vraag gericht zijn op het bedienen van de lokale behoefte, maar houdt de gemeente ook rekening met de instroom van zestigers. Gezien de huidige druk op de markt wil de gemeente deze woningbouwopgave zoveel mogelijk de komende vijf jaar realiseren. De gemeente wil een ruimere plancapaciteit aan houden dan enkel koersen op de verwachte woningbehoefte. De ervaring leert dat een deel van de plannen vertraging oploopt of helemaal niet doorgaat.
Willen we tijdig kunnen inspelen op de behoefte dan is een programma van 130% reëel; zo'n 665 woningen (ervan uitgaande dat 30% van de plannen niet of vertraagd wordt gerealiseerd). 3.3.2.3 Kwaliteitsslag In overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking wil de gemeente de nieuwbouwopgave zoveel mogelijk binnen de bebouwde kom op inbreidingslocaties realiseren. Bouwen op dergelijke plekken zorgt voor meer levendigheid, meer ruimtelijke kwaliteit en meer draagvlak voor voorzieningen. De huidige woningvoorraad bestaat voor een groot deel uit ruime, grondgebonden koopwoningen. Voor de meeste inwoners van Dinkelland is dit ook het ideaalbeeld. Ook starters op de woningmarkt hebben een voorkeur om direct te starten in een ruime grondgebonden koopwoning. Voor een deel van de starters is dit ook haalbaar. Voor alleenstaande starters en starters met een beperkt inkomen zijn de mogelijkheden voor een koopwoning beperkt. Zij kunnen wellicht in aanmerking komen voor een sociale huurwoning, maar veel starters blijven doorzoeken naar een koopwoning. De koopcultuur is diepgeworteld in de gemeente. Toch is het van belang om starters met beperkte mogelijkheden te wijzen op de mogelijkheden binnen de sociale huur. De gemeente voegt de komende jaren meer goedkope koopwoningen toe voor starters met een kleine portemonnee.
Bovenal geldt dat er niet één uniforme woonwens van starters is. Daarom zet de gemeente primair in op het bouwen van meer betaalbare woningen voor starters met beperkte mogelijkheden, maar daarnaast zet de gemeente voor een deel ook in op de bouw van middeldure koopwoningen. Een tweede belangrijke doelgroep zijn de senioren op de woningmarkt. Het aantal huishoudens van 65 jaar en ouder neemt de komende jaren verder toe. Op dit moment vormt de groep 1+2 persoonshuishoudens van 65 jaar en ouder 31% van het totaal aantal huishoudens in Dinkelland. In 2030 is dat gestegen naar 37%. Het voordeel van nieuwbouw voor senioren is dat er ook meer doorstroming op de woningmarkt komt. Als senioren gaan verhuizen, komen er meer bestaande ruime woningen op de markt die geschikt zijn voor gezinnen, waardoor er uiteindelijk ook weer meer woningen voor jonge doorstromers en starters beschikbaar komen. Daarom heeft de gemeente als ambitie om een groot deel van de nieuwbouw de komende jaren levensloopbestendig te realiseren. De grootste groep huishoudens wordt in de gemeente gevormd door gezinnen met kinderen. De verwachting is 22
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
dat deze groep in omvang iets zal afnemen de komende jaren. Toch zijn er enkele redenen waarom de gemeente op beperkte schaal ruimte blijft bieden voor de bouw van (middel)dure grondgebonden koopwoningen. Ten eerste zullen de bestaande grondgebonden koopwoningen niet van vandaag op morgen allemaal beschikbaar komen. De gemeente wil de eerstkomende jaren ruimte blijven bieden aan gezinnen die hier willen (blijven) wonen. Enige mate van nieuwbouw is noodzakelijk. Daarnaast is de gemeente voorstander van gevarieerde nieuwbouwlocaties, met een mix van woningtypen en prijsklassen. 3.3.2.4 Toetsing van het voornemen aan de Woonvisie Dinkelland 2021+ Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de toevoeging van één woning binnen bestaande bebouwing in het buitengebied. In paragraaf 3.2.4.1 wordt geconcludeerd dat het initiatief voldoet aan de principes voor zuinig en zorguldig ruimtegebruik. De woning zal bewoond blijven door één van de twee inwonende huishoudens, waarmee sprake is van concrete behoefte. Het initiatief is dan ook in overeenstemming met de Woonvisie Dinkelland 2021+. 3.3.3
Bestemmingsplan Buitengebied 2010
3.3.3.1 Algemeen Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010". In dit bestemmingsplan is een afwijkingsbevoegdheid in de woonbestemming (lid 36.5 onder b) opgenomen voor het splitsen van een woning in twee wooneenheden. Het plangebied heeft geen woonbestemming, maar de bestemming 'Detailhandel', waardoor er geen gebruik gemaakt kan worden van deze afwijkingsbevoegdheid. Om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de gewenste ontwikkeling aan te tonen, wordt echter wel aan de voorwaarden van de afwijkingsbevoegdheid getoetst. 3.3.3.2 Afwijkingsbevoegdheid Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 36.4 onder e (in dit lid wordt het gebruik van een hoofdgebouw voor meer dan één woning als strijdig aangemerkt) en toestaan dat in een hoofdgebouw meer dan één woning mag worden gebouwd, mits: 1. het aantal woningen ten hoogtse twee zal bedragen, in geval de inhoud van het hoofdgebouw ten minste 1.000 m3 bedraagt; 2. het aantal woningen ten hoogtse drie zal bedragen, in geval de inhoud van het hoofdgebouw ten minste 1.500 m3 bedraagt; 3. de bestaande bouwmassa van het hoofdgebouw niet wordt vergroot; 4. er geen sprake is van onevenredige schade voor aangrenzende (agrarische) bedrijven, in dié zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; 5.
geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 3.3.3.3 Toetsing van het initiatief aan de afwijkingsbevoegdheid 1. De inhoud van het hoofdgebouw is ruim meer dan 1.000 m3, waardoor het aantal woningen twee kan bedragen; 2. Niet van toepassing; 3. Er worden geen fysieke ingrepen gepleegd. De bouwmassa blijft gelijk; 4. In de paragrafen 4.5 en 4.6 wordt aangetoond dat omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; 5. Uit Hoofdstuk 4 volgt dat er geen sprake is van een onevenredige afbreuk van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat aan de voorwaarden uit de afwijkingsbevoegdheid wordt voldaan. 3.3.4
Beleidsnotitie Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
3.3.4.1 Algemeen De gemeente Dinkelland heeft op basis van het provinciale beleid een eigen KGO-beleid opgesteld. Op basis van dit beleid kan er ruimte worden geboden voor grootschalige uitbreidingen en nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied. De volgende basisprincipes gelden voor elke ontwikkeling: Elke ontwikkeling dient beoordeeld te worden vanuit het aspect ruimtelijke kwaliteit;
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
23
Bij grootschalige ontwikkelingen (nieuw of uitbreiding van bestaand) wordt naast een investering in de ontwikkeling zelf tegelijkertijd geïnvesteerd in de omgevingskwaliteit; De principes van ruimtelijke kwaliteit gelden voor elk planproces en dienen bij elk initiatief/ontwerp/opgave te worden toegepast. 3.3.4.2 Generiek beleid Het generieke beleid voorziet in een zuinig gebruik van ruimte. In dit onderhavige gemeentelijke beleid wordt vastgesteld dat afwijking van bestaande regels mogelijk is ten behoeve van economische ontwikkelingen die naar aard en omvang passend zijn op de locatie, mits passend binnen het provinciaal- en rijksbeleid (zoals zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), deze passen bij de gebiedskenmerken en bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Is er sprake van een bestaande locatie dan wordt deze als passend aangemerkt. Dit betekent dat de geldende bestemming ter plekke als qua aard passend wordt beschouwd. 3.3.4.3 Evenwicht ontwikkelingsruimte en kwaliteitsprestaties Er is een basis gevonden voor het bereiken en meten van het evenwicht tussen ontwikkelingsruimte en kwaliteitsprestaties. Bij elke ontwikkeling hoort een basisinspanning in de vorm van een goede ruimtelijke (landschappelijke) inpassing: vorm en situering van gebouwen, erfbeplantingen.
Voor het bepalen van de hoogte van de aanvullende kwaliteitsprestaties zijn drie variabelen te hanteren: 1. is de ontwikkeling gebiedseigen of gebiedsvreemd; 2. wat is de schaal van de impact op de omgeving; Als er sprake is van een niet functioneel aan het buitengebied gebonden grootschalige ontwikkeling, dient 100% van de waardevermeerdering (van de gronden als gevolg van aanpassing van de bestemming) te worden geïnvesteerd (naast de basisinspanning). Van het voorgenoemde percentage van 100% kan in bepaalde omstandigheden worden afgeweken. Dit is de maatwerkclausule. Als er sprake is van specifieke omstandigheden die een verlaging van het toe te passen percentage rechtvaardigen, dan kan het college hiertoe een besluit nemen. Alsdan gelden aspecten als sociale kwaliteit, werkgelegenheid, veiligheid, ruimtegebrek en logistiek als items ter onderbouwing om (per item) het percentage te verlagen met 5 (met een maximum van 25%). Als er sprake is van een functioneel aan het buitengebied gebonden grootschalige ontwikkeling zal er naast de basisinspanning 25% moeten worden geïnvesteerd in ruimtelijke kwaliteit. Indien er geen mogelijkheid is om het gehele bedrag te investeren, zal het bedrag gestort worden in het KGO-fonds.
De percentages zijn ingegeven door het feit dat bij een niet aan het buitengebied gebonden activiteit de impact groot is, omdat deze functies feitelijk in de kernen thuishoren. Gelet hierop dient er een volledige tegenprestatie geleverd te worden. Het zogenoemde weegschaalmodel komt in evenwicht door de waardevermeerdering volledig te compenseren in ruimtelijke kwaliteit. Kernrandzone Is er sprake van een niet aan het buitengebied gebonden ontwikkeling in een kernrandzone, dan dient niet 100% maar 50% van de waardevermeerdering geïnvesteerd te worden. Gaat het om een aan het buitengebied gebonden ontwikkeling in een kernrandzone, dan dient niet 25% maar 12,5% van de waardevermeerdering te worden geïnvesteerd. De kernrandzone is niet een vast afgebakend gebied (in bijvoorbeeld het bestemmingsplan), maar zal van geval tot geval gemotiveerd moeten worden. Een kernrandzone is een gebied aansluitend aan de kern waar sprake is van een menging van functies; waar “de kern het buitengebied treft”. Vindt een ontwikkeling plaats in de kernrandzone, dan kan dus het percentage van de waardevermeerdering die geïnvesteerd moet worden, worden gehalveerd.
3.3.4.4 Waardevermeerdering en waardevermindering Waardevermeerdering Bij het bepalen van de hoogte van de kwaliteitsimpuls voor de groene omgeving wordt uitgegaan van de waardevermeerdering van de gronden die door de planologische verandering zal ontstaan. Er wordt uitgegaan van basisbedragen. Dit zijn in overleg met erkende taxateurs bepaalde waarden. Het gemeentelijk KGO-beleid bevat een tabel waarin deze bedragen zijn opgenomen. Daar waar dat lastiger is vanwege de invloed van de mogelijkheden binnen een specifieke bestemming (bijvoorbeeld indien veel meer bouwmogelijkheden worden geboden binnen een bestemming), zal een taxatie nodig zijn. Opgemerkt wordt hier dat bij ontwikkelingen waarbij sprake is van een negatieve waardeontwikkeling, geen verrekening plaats vindt. Waardevermindering Waardevermindering als gevolg van de herziening van het bestemmingsplan, zoals bijvoorbeeld van agrarische grond naar bos en natuur of landschap dan wel van bedrijfsterreingrond naar bos en natuur of landschap, 24
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
mogen worden meegenomen in de berekening, voor zover het gaat om het veranderen van de bestemming ten behoeve van de basisinspanning. Ten aanzien van de investering van de berekende KGO bijdrage, mogen reële, werkelijke kosten voor het opstellen van het KGO-landschapsplan tot een percentage van 10% van het berekende KGO bedrag met een absoluut maximum van €15.000,-, worden meegenomen, in die zin, dat deze mogen worden toegerekend aan de investering in ruimtelijke kwaliteit (voorwaarde is hierbij wel dat niet op een andere wijze een bijdrage mag zijn ontvangen voor het opstellen van het landschapsplan). Ook de kosten voor de inzet van de kwaliteitsgroep landelijk gebied kunnen hierbij worden betrokken. 3.3.4.5 Toetsing van het initiatief aan de beleidsnotitie Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Ad 1: Is de ontwikkeling gebiedseigen of gebiedsvreemd? Een gebiedseigen functie past in de beleidsdoelstellingen ofwel het ontwikkelingsperspectief van een gebied. In dit geval betreft de ontwikkeling die aan het gemeentelijke KGO beleid getoetst dient te worden het planologisch inpassen van de buitenopslag en het inpassen van de bewerkingsactiviteiten. Deze activiteiten zijn passend binnen het geldende ontwikkelingsperspectief en daarmee gebiedseigen. Ad 2: Wat is de schaal en impact op de omgeving? In dit geval is sprake van een ontwikkeling met een kleinschalige impact op de omgeving.
Per saldo neemt de oppervlakte aan detailhandelsbestemming niet toe en is zelfs sprake van een afname aan bouwmogelijkheden. Er wordt namelijk per saldo een stuk detailhandelsbestemming met bouwmogelijkheden ingeruild voor een net zo groot stuk detailhandelsbestemming zonder bouwmogelijkheden. Daarnaast kan de omgeving worden aangemerkt als kernrandzone gezien de ligging aansluitend aan de kern Ootmarsum. Conclusie Er is sprake van een kleinschalige aan het buitengebied gebonden ontwikkeling in de kernrandzone. Er is geen sprake van waardevermeerering aangezien circa 395 m2 van detailhandelsbestemming wordt omgezet naar een groenbestemming. Daarnaast wordt eveneens circa 395 m2 van agrarische bestemming naar een detailhandelsbestemming zonder bouwmogelijkheden omgezet. Per saldo is er daarmee sprake van het omzetten van circa 395 m2 met bouwmogelijkheden naar 395 m2 aan detailhandelsbestemming zonder bouwmogelijkheden. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van waardevermeerdering als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Het voornemen is daarmee in overeenstemming met de beleidsnotitie Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. 3.3.5
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling goed past binnen de gemeentelijke beleidskaders.
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
25
26
bestemmingsplan Bestemmingsplan Rossumerstraat 2, Agelo
Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bedrijven en milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en water.
4.1 Geluid 4.1.1
Wettelijk kader
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. 4.1.2
Situatie plangebied
4.1.2.1 Wegverkeerslawaai Het plan voorziet in het splitsen van een bestaande woning. De hoofdvorm van de woning blijft ongewijzigd, de afgesplitse woning wordt daarom niet (opnieuw) getoetst. Dit is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 76 van de Wgh waarin bepaald is dat de geluidsbelasting van een aanwezige weg op bestaande woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen, niet opnieuw getoetst hoeven te worden aan de grenswaarden. 4.1.2.2 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de woningen wordt verwezen naar paragraaf 4.5 (milieuzonering). 4.1.2.3 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op zeer ruime afstand van het plangebied ligt. 4.1.3