Bestemmingsplan Noord Deurningen Hoek Nordhornsestraat-Johanninksweg toelichting
Tekst van het document
Het akoestisch onderzoek is als Bijlage 4 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Hieronder worden de resultaten weergegeven. Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getroffen: De voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de Nordhornsestraat (N342) wordt overschreden op de gevels van woning 1, 2 en 3; De geluidbelasting van de woningen 1 en 2 vallen binnen de geluidsklasse ‘zeer onrustig’. Woning 3 valt binnen de geluidsklasse ‘onrustig’. Daarmee voldoet de geluidbelasting op de woningen aan de gestelde bovengrens uit het gemeentelijk geluidbeleid (‘zeer onrustig’); Maatregelen om de geluidbelasting terug te dringen stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en financiële aard; Er is een hogere waarde benodigd van 57 dB voor woning 1, 57 dB voor woning 2 en 51 dB voor woning 3. De voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de Johanninksweg (50 km/u) wordt ruimschoots onderschreden; Uit de berekeningen van de gecumuleerde geluidbelasting, exclusief aftrek blijkt dat de maximale waarde van 53 dB ten aanzien van het binnenniveau wordt overschreden op woning 1, 2 en 3. Voor deze gevels zijn extra geluidwerende voorzieningen noodzakelijk. Dit zal in een gevelweringsonderzoek moeten worden aangetoond. De geluidbelasting op de woningen 4 t/m 6 voldoen aan de binnenwaarde uit het Bouwbesluit.
Conform het geluidbeleid van de gemeente Dinkelland wordt bij het dimensioneren van de gevelisolatie met de gecumuleerde geluidbelasting rekening gehouden. Gebruik als geluidgevoelige bestemming is alleen toegestaan wanneer aangetoond is dat de geluidwering voldoende is om de plafondwaarde (33 dB) voor het binnenniveau te waarborgen. Dit zal worden getoetst ten tijde van de aanvraag van een omgevingsvergunning. 28 bestemmingsplan Noord Deurningen, Hoek Nordhornsestraat - Johanninksweg De hogere grenswaardeprocedure loopt gelijktijdig met de bestemmingsplanprocedure. Wanneer er een hogere grenswaarde wordt aangevraagd voor de woningen, vormt het aspect 'wegverkeerslawaai' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. Daarnaast vormen de aspecten 'railverkeerslawaai' en 'industrielawaai', vanwege het ontbreken van een spoorweg en een geluidgezoneerd industrieterrein in de omgeving van het plangebied, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Het aspect geluid vormt, mits een hogere waarde wordt verleend, geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 4.5 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer.
Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Met de NIBM-tool van het kenniscentrum InfoMil kan eenvoudig en snel bij kleinere ruimtelijke plannen worden bepaald of deze in betekende mate bijdragen aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Onderhavig plan betreft de realisatie van zes woningen. Het betreft vier geschakelde woningen en twee vrijstaande woningen. Het betreffen woningen in de koopsector die zijn gelegen in niet stedelijk gebied, rest bebouwde kom.
Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het totaal aantal verkeersbewegingen op grond van de CROW-publicatie 381, naar boven afgerond, op 48 per dag gesteld worden. Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0% gezet kan worden. In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven met 48 voertuigbewegingen. bestemmingsplan Noord Deurningen, Hoek Nordhornsestraat - Joha nninksweg 29 Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. 4.6 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid.
Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart 30 bestemmingsplan Noord Deurningen, Hoek Nordhornsestraat - Johanninksweg Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.
Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets Figuur 4.3: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl). Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 340 meter van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid. 4.7 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.
Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het bestemmingsplan Noord Deurningen, Hoek Nordhornsestraat - Joha nninksweg 31 Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren.
Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt.
Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Watertoetsproces Door Geofoxx is een waterhuishoudkundig plan opgesteld voor de realisatie van zes kavels aan de Johanninksweg in Noord-Deurningen. Het onderzoek heeft het projectnummer 20220215_b1RAP d.d. 22 november 2024. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 5. De samenvatting en conclusie van het onderzoek zijn als volgt: Aanleiding en doel De aanleiding voor het laten uitvoeren van het onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen nieuwbouw op de locatie en de daarvoor benodigde bestemmingsplanwijziging en omgevingsvergunning van de locatie. In verband met de bestemmingsplanwijziging en de geplande woningbouw is het nodig om de lokale waterhuishouding en de gevolgen van de herontwikkeling op de huidige waterhuishoudkundige situatie in kaart te brengen. Resultaten Binnen het plangebied zal het hemelwater en vuilwater (droogweerafvoer) gescheiden worden afgevoerd. Hierbij is gekozen om het hemelwater over het maaiveld en via natuurlijk afschot te laten afstromen naar een wadi aan de zuidzijde van het plangebied. 32 bestemmingsplan Noord Deurningen, Hoek Nordhornsestraat - Johanninksweg Door de ontwikkeling is in het openbaar gebied straks circa 2.970 m2 verharding aanwezig. In lijn met de bergingseis (37 mm) is binnen het plangebied 110 m3 bergingscapaciteit benodigd.
In tabel 6.1 van het waterhuishoudkundig plan zijn de vloerpeilen opgenomen. Op basis van de toekomstige inrichting van het plangebied zijn er voldoende ruimte aanwezig om deze te sluiten op de bestaande peilen op aangrenzende percelen. Er zijn voldoende mogelijkheden voor het creëren van een wadi op het zuidelijke deel van het perceel. Op basis van de ontwerpeisen dient deze een (bodem)oppervlakte van circa 360 m2 te hebben. Aanbevolen wordt om de wadi te voorzien van een slokop / overstort naar het omliggend hemelwatersysteem. Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan. 4.8 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden van Natuurbank Overijssel [kenmerk: 8220 versie 1.0], zie ook Bijlage 6. Uit de quickscan natuurwaarden zijn de volgende resultaten naar voren gekomen.
Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000-gebied of leefgebied weidevogels. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase en de afstand tot het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen ook met zekerheid uitgesloten worden. Soortenbescherming De voorgenomen ontwikkeling heeft negatieve gevolgen voor verschillende beschermde diersoorten. Als gevolg van het verwijderen van beplanting en het uitvoeren van grondverzet worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren, vogels en amfibieën gedood en gaan voortplantings-, nest- en rustplaatsen verloren. Er geldt geen vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van de voortplantings- en rustplaats van grote bosmuis, egel, bunzing, wezel, hermelijn. Geadviseerd wordt om voor deze soorten (grote bosmuis, egel, bunzing, wezel en hermelijn) direct een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aan te vragen.
Allerlaatst wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten de voortplantingsperiode van vogels uit te voeren en overige grondgebonden zoogdieren en amfibieën weg te vangen of te verjagen, zodat opzettelijk doden voorkomen wordt. Samenvatting De volgende conclusies zijn van toepassing voor het plangebied: Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aanvragen grote bosmuis, egel, bunzing, wezel en hermelijn; Geen grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk doden (zorgvuldig werken); Werkzaamheden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van vogels. Nadere onderbouwing stikstof Voor voorliggend plan is een stikstofberekening (AERIUS-berekening) opgesteld. Deze is opgenomen in Bijlage 7. De conclusie van de stikstofberekening is als volgt: Aanlegfase De totale NOx-emissie in de aanlegfase bedraagt in totaal 27,7 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 1,1 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. G ebruiksfase De totale NOx-emissie in de gebruiksfase bedraagt in totaal 14,1 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 1,0 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Conclusie Stikstof bestemmingsplan Noord Deurningen, Hoek Nordhornsestraat - Joha nninksweg 33 Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling komt er zowel NOx als NH3 vrij.
Door uitvoering van de voorliggende AERIUS-berekening is aangetoond dat dit zowel in de aanlegfase van de ontwikkeling als in de gebruiksfase niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de aanleg- en gebruiksfase is er dan ook geen sprake van een meetbare depositie. Gelet op het vorenstaande wordt een nader onderzoek derhalve niet noodzakelijk geacht. De AERIUS Calculator 2025 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura-2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator 2025 zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. Conclusie Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan. 4.9 Archeologie en Cultuurhistorie Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet.
Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie Figuur 4.4: uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: gemeente Dinkelland) Toets Het plangebied ligt in het dekzandlandschap met de geomorfologie 'dekzandwelvingen en -vlakten' en 'beekdalen en overige laagten': Het beleidsadvies voor 'dekzandwelvingen en -vlakten' is dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is voor plangebieden groter dan 5000 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5000m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek.
Het beleidsadvies voor 'beekdalen en overige laagten' is vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij 34 bestemmingsplan Noord Deurningen, Hoek Nordhornsestraat - Johanninksweg bodemingrepen dieper dan 40 cm m.u.v. gebieden met een lage verwachting binnen plangebieden met meerdere verwachtingszones, en plangebieden met een lage verwachting die grenzen aan terreinen met waardevolle archeologische resten. Het deel van het plangebied dat ligt in 'dekzandwelveringen en -vlakten' is kleiner dan 5000 m². Voor het overige deel van het plangebied geldt vrijstelling van archeologisch onderzoek. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het aspect 'archeologie' geen belemmering vormt voor de uitvoering van het plan. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.
Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat binnen het plangebied van dit bestemmingsplan geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'. 4.10 Verkeer / parkeren Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Johanninksweg en vervolgens de Nordhornsestraat, een provinciale weg tussen Nordhorn en Denekamp. Onderhavig plan betreft de realisatie van zes woningen. Het plan bestaat uit vier geschakelde woningen en twee vrije kavels. Het betreffen woningen in de koopsector die zijn gelegen in niet-stedelijk gebied, rest bebouwde kom. Het totaal aantal verkeersbewegingen kan op grond van de CROW-publicatie 381, afgerond op 48 verkeersbewegingen per dag gesteld worden. De huidige infrastructuur kan eenvoudig de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van zes woningen afwikkelen. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. Parkeren Voor parkeren zijn de parkeernormen van de gemeente Dinkelland-Tubbergen aangehouden. Voor de verschillende woningbouwtypen gelden de volgende parkeernormen (rest bebouwde kom): Vrijstaand: 2,3 parkeerplaatsen per woning; Twee-onder-een-kapwoning: 2,2 parkeerplaatsen per woning.
Dit komt neer op het volgende: bestemmingsplan Noord Deurningen, Hoek Nordhornsestraat - Joha nninksweg 35 Figuur 4.5: parkeersituatie ter plaatse van het plangebied (bron: Smit Civiel) Uitgaande van bovenstaande aantallen komt dat neer op 13,4 parkeerplaatsen (afgerond 14 parkeerplaatsen). De parkeerbehoefte is vervolgens berekend op basis van bijlage IV (bepalen parkeercapaciteit op het eigen erf) van de beleidsnotitie 'Bouwen en Parkeren' van de gemeente Dinkelland en Tubbergen. In voorliggend plan krijgen de twee vrijstaande kavels een dubbele oprit met garage. Dit resulteert in een parkeerbehoefte van 1,8 parkeerplaatsen per woning. Dat komt neer op 3,6 parkeerplaatsen op eigen terrein. De vier twee-onder-een-kapwoningen krijgen een lange oprit met garage waarvoor een parkeercapaciteit geldt van 1,3 parkeerplaatsen per woning. Dat komt neer op 5,2 parkeerplaatsen op eigen terrein. De totale parkeerbehoefte bedraagt daarmee 8,8 parkeerplaatsen op eigen terrein en zes parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Daarmee voldoet het plan aan de parkeernormen van de gemeente Dinkelland. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. 4.11 Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen Om gewassen te beschermen, worden (chemische) bestrijdingsmiddelen gebruikt.
Deze middelen worden door middel van spuitbomen aangebracht op gewassen en een deel hiervan kan verwaaien naar de naastliggende omgeving. Dit wordt ook wel drift genoemd. Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de openlucht worden geteeld in de buurt van gevoelige functies, zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die hierin worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlakte water. Het Besluit activiteiten leefomgeving is daarom evenmin bruikbaar. De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State doet met enige regelmaat uitspraak over zogenoemde spuitvrije zones. De rechtspraak over spuitvrije zones ziet op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en agrarische bedrijvigheid.
Uit deze rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen 'niet onredelijk wordt geacht'. Deze afstand mag wel worden verkleind, maar dan moet de overheid dit wel goed motiveren aan de hand een zorgvuldig op de locatie 36 bestemmingsplan Noord Deurningen, Hoek Nordhornsestraat - Johanninksweg toegesneden onderzoek. Echter, het gebruik van reken modellen is volgens de rechtspraak nog weinig succesvol. In eerste instantie betroffen de uitspraken van de Afdeling kwesties over hoogstamteelt. De spuithoogte bij deze teelt is hoger dan bij andere teelten. De grotere hoogte van spuiten leidt tot een ruimere verspreiding van het middel door de lucht naar de omgeving. Deze drift is mede afhankelijk van de windrichting en windkracht. Uit recente rechtspraak volgt dat het niet alleen gaat om gewasbescherming bij hoogstamteelt, maar om agrarische bedrijvigheid waarbij agrarische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Toets Het voorliggende plan maakt een nieuwe gevoelige functies (wonen) mogelijk. Rond de nieuwe woonfuncties zijn agrarische gronden aanwezig. Om te voorkomen dat op deze gronden gewasbeschermingsmiddelen gebruikt mogen worden, wordt ter plaatse van de agrarische gronden rond de nieuwe woonfunctie een spuitvrije zone opgenomen van 50 m.
Voor de agrarische gronden aan de overzijde van de Nordhornsestraat wordt geen spuitvrije zone opgenomen. Tussen de nieuwe woonfuncties en deze agrarische gronden bevindt zich een bestaande groenstrook, die grotendeels behouden blijft en wordt versterkt. Daarnaast ligt er nog een brede weg tussen de nieuwe woonfuncties en de agrarische gronden. Door een spuitvrije zone van 50 m op te nemen worden de nieuwe woonfuncties niet belemmerd. Het aspect 'Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen' vormt daarmee geen belemmeringen. bestemmingsplan Noord Deurningen, Hoek Nordhornsestraat - Joha nninksweg 37 38 bestemmingsplan Noord Deurningen, Hoek Nordhornsestraat - Johanninksweg Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.
De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. 5.2 Toelichting op de regels 5.2.1 Opbouw In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan.
Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is.
Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels bestemmingsplan Noord Deurningen, Hoek Nordhornsestraat - Joha nninksweg 39 In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.
De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
5.2.2 Bestemmingen Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen Agrarisch De gronden met de bestemming 'Agrarisch' zijn bestemd voor het agrarisch gebruik met daaraan ondergeschikt het behoud en het herstel en de ontwikkeling van natuurlijke waarden, agrarisch natuurbeheer, cultuurgrond, openbare nutsvoorzieningen, extensief dagrecreatief medegebruik, wegen en paden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, evenementen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen, erven en terreinen. Gebouwen zijn niet toegestaan. G roen De gronden met de bestemming 'Groen' zijn bestemd voor groenvoorzieningen, voet- en fietspaden, speelvoorzieningen, in- en uitritten, parkeervoorzieningen, beeldende kunstwerken, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, evenementen en verkeersvoorzieningen. Er mogen geen gebouwen gebouwd worden. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt een bouwhoogte van 40 bestemmingsplan Noord Deurningen, Hoek Nordhornsestraat - Johanninksweg 2 meter voor erf- en terreinafscheidingen, 5 meter voor kunstwerken en speeltoestellen en 2 meter voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Verkeer De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten en paden, parkeervoorzieningen, straatmeubilair, evenementen, beeldende kunstwerken, terrassen, g. speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, maatschappelijke voorzieningen, verkeersvoorzieningen, markten en standplaatsen voor ambulante handel, tuinen, erven en terreinen. Wonen De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen met daaraan ondergeschikt de uitoefening van een aan huis verbonden beroep- of bedrijfsactiviteit, speelvoorzieningen, wegen en paden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, groen voorzieningen, parkeervoorzieningen en tuinen, erven en terreinen. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. Op het bouwvlak is tevens een maximum goot- en bouwhoogte opgenomen. Bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd. In totaal worden maximaal zes woningen mogelijk gemaakt.
bestemmingsplan Noord Deurningen, Hoek Nordhornsestraat - Joha nninksweg 41 42 bestemmingsplan Noord Deurningen, Hoek Nordhornsestraat - Johanninksweg Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiervoor wordt een overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
bestemmingsplan Noord Deurningen, Hoek Nordhornsestraat - Joha nninksweg 43 44 bestemmingsplan Noord Deurningen, Hoek Nordhornsestraat - Johanninksweg Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie A onder 1, waardoor vooroverleg niet nodig is. Waterschap Vechtstromen In het waterhuishoudkundigplan (opgenomen in Bijlage 5) is de digitale watertoets ingevuld.
Via de digitale watertoets is het plan kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg. 7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 29 december 2023 tot 9 februari 2024 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging is één zienswijze binnengekomen. De reactienota zienswijze is opgenomen als Bijlage 10. bestemmingsplan Noord Deurningen, Hoek Nordhornsestraat - Joha nninksweg 45