Bestemmingsplan Noord Deurningen Hoek Nordhornsestraat-Johanninksweg bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel -)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000 -netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000 -gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: 1. de leefgebieden van vogels; 2. de natuurlijke habitats of habitats van soorten; De provincies stellen voor de Natura 2000 -gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe.
Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000 -gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natur a 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000 -gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000 -gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. 14 Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 2,81 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is Dinkelland. Het plangebied ligt op minimaal 3,11 kilometer afstand van het Natura 2000-gebeid Bergvennen & Brecklenkampse Veld en het ligt op minimaal 5,41 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek.
Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven. Ligging van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de blauwe marker aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de okergele-, en paarse kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl). Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000 -gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000 -gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijk toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aanvoer van bouwmateriaal en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase en de afstand tot het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden op voorhand uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening is niet noodzakelijk.
Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Als gevolg van het bewonen van de nieuwe woningen is er sprake van een verkeersgeneratie van- en naar het plangebied tijdens de gebruiksfase. Gelet op de afstand tussen het plangebied en het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden op voorhand uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening is niet noodzakelijk. Minimaal 2,81 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren. 15 5.5 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000-gebied of leefgebied weidevogels. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase en de afstand tot het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden op voorhand ui tgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening is niet noodzakelijk. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen ook met zekerheid uitgesloten worden.
16 HOOFDSTUK 6 SOORTENBESCHERMING 6.1 Verwachting en bureauonderzoek 6.1.1 Algemeen Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Regionale en landelijke verspreidingsatlassen (waaronder de NDFF); • Een oriënterend veldbezoek, uitgevoerd in de ochtend op 24 november 2025; Tijdens het oriënterende veldbezoek is gecontroleerd of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook is gekeken naar aanwezigheid van (sporen van) beschermde soorten. 6.2 Te toetsen soorten Onderstaande tabel geeft een overzicht van alle beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen (tabel 6.2). Bij het bepalen van de beschermde soorten die mogelijk in het plangebied voorkomen wordt rekening gehouden met de in het onderzoeksgebied aanwezige habitats, inrichting, gevoerde beheer en aspecten zoals afstand tot bebouwing en beplanting in verband met verstoring. In voorliggende studie wordt gekeken naar (mogelijk) voorkomende soorten in de omgeving van het plangebied. Tabel 6.2: overzicht van alle potentieel aanwezige beschermde soorten in (de omgeving van) het plangebied. Soortgroep Mogelijk aanwezige beschermde soorten Flora Geen.
Geschikt habitat ontbreekt Grondgebonden zoogdieren Huisspitsmuis, (gewone) bosmuis, veldmuis, bosspitsmuis, rosse woelmuis, grote bosmuis, egel, steenmarter, bunzing, wezel, hermellijn, eekhoorn, das, vos, ree, haas. Vleermuizen Gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, tweekleurige vleermuis, bosvleermuis, franjestaart, watervleermuis Vogels – jaarrond beschermde nesten Boerenzwaluw, boomvalk, bosuil, buizerd, gierzwaluw, huismus, huiszwaluw, kerkuil, ransuil, roek, sperwer, steenuil en torenvalk Vogels - jaarrond beschermd: afhankelijk van ecologische factoren Bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, glanskop, groene specht, grote bonte specht, grutto, kleine bonte specht, middelste bonte specht, ringmus, spreeuw, veldleeuwerik, wulp, zwarte mees Vogels – in gebruik zijnde nesten Diverse algemene broedvogels. Amfibieën Gewone pad, bruine kikker, kleine watersalamander, bastaardkikker, kamsalamander, knoflookpad en poelkikker Reptielen Ringslang, hazelworm en levendbarende hagedis Vissen Geen. Geschikt habitat ontbreekt. Dag- en nachtvlinders Grote vos, kleine ijsvogelvlinder, teunisbloempijlstaart Libellen Geen. Geschikt habitat ontbreekt. Overige ongewervelden Geen. Geschikt habitat ontbreekt.
17 6.3 Toelichting met zekerheid afwezige soorten op basis van habitat en/of ingreep Sommige van de soorten uit tabel 6.2 kunnen op basis van verspreiding niet op voorhand worden uitgesloten. Op basis van het op 24 november 2025 uitgevoerde veldbezoek blijkt echter dat negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen worden uitgesloten op de volgende soorten groepen: • Flora De meeste beschermde planten stellen bijzondere eisen aan de groeiplaats en bijbehorend beheer. Groeiplaatsen van beschermde planten zijn doorgaans afhankelijk van abiotische factoren die bepalend zijn voor het voorkomen. Groeiplaatsen van beschermde soorten betreffen standplaatsen van voedselarme tot matig voedselrijke, basische (gebufferde) tot zure milieus. Deze standplaatsfactoren zijn aanwezig in Natura 2000-gebieden, andere natuurreservaten, spoorbermen, schrale akkers, kalkgraslanden, oude stadsmuren en vestingwerken. Van zeldzame beschermde planten is de verspreiding doorgaans goed bekend door jaarlijkse monitoring van groeiplaatsen. Binnen een ruim zoekgebied van 1 km rondom het plangebied zijn geen zeldzame beschermde planten opgenomen in de NDFF. Beschermde planten vinden geen negatief effect van voorgenomen activiteiten, geen effect. • Vissen Beschermde vissen worden op basis van de inrichting en het gevoerde beheer in het plangebied niet verwacht.
Beschermde vissen komen voor in veenweidegebieden waar verlanding plaatsvindt, open wateren met stenige oevers en/of een rijke onderwatervegetatie e n zuurstofrijke en heldere snelstromende beken in hoog Nederland. Sommige vissoorten zijn voor hun overleving afhankelijk van estuaria en migreren tussen zee en rivieren. Voorgenoemde habitattypes ontbreken in het plangebied voor deze beschermde vissoorten. • Libellen Beschermde libellen zijn nagenoeg allemaal gebonden aan natuurreservaten zoals Natura 2000-gebieden. Binnen deze natuurgebieden zijn deze libellen afhankelijk van specifieke habitats. Zo komen beschermde libellen voor in laagveengebieden met verladende petgaten en binnen hoogvenen in veenputjes en op bulten veenmos. Daarnaast komen beschermde libellen voor in warme moeraswateren met een laag waterpeil en in heldere, zuurstofrijke stromende beken met zandige substraten. Dergelijke habitattypes ontbreken in het plangebied. Beschermde libellen kunnen dan ook volledig uitgesloten worden in het plangebied. 18 6.4 Toetsing beschermde soorten In de volgende paragrafen zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling op de in tabel 6.2 genoemde soorten beschreven. Grondgebonden zoogdieren Grote bosmuis Het onderzoeksgebied behoort mogelijk tot functioneel leefgebied van de grote bosmuis. De voortplantings- en rustplaatsen liggen ondergronds in wortelstronken van bomen.
Het plangebied biedt door de aanwezigheid van struweel deels geschikt leefgebied aan deze soort waardoor voortplantings - en rustplaatsen van grote bosmuis niet op voorhand uitgesloten kunnen worden Door uitvoering van voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een voortplantings- en rustplaats van grote bosmuis beschadigd of vernield en wordt mogelijk een grote bosmuis gedood. Egel Het onderzoeksgebied behoort tot functioneel leefgebied van egels. Egels kunnen het plangebied benutten als foerageergebied en bezetten er mogelijk een voortplantings - en rustplaats. Voortplantings - en rustplaatsen kunnen aanwezig zijn onder dichte beplanting. Door uitvoering van voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een voortplantings- en rustplaats van egel beschadigd of vernield en wordt mogelijk een egel gedood. Steenmarter Steenmarters zijn cultuurvolgers en komen voor in allerlei biotopen. Deze soort kan voortplantings - en rustplaatsen bezetten o.a. in zolders van schuren en stallen, in spouwmuren en tussen dakbedekking en dakpannen, maar oo k onder takkenbossen. In het onderzoeksgebied zijn geen holenbomen en ook geen dikke takken aanwezig waar mogelijk een steenmarter een voortplantings - en rustplaats onder takkenbossen. Bovendien zijn er in het plangebied geen aanwijzingen gevonden die duiden op een territorium van steenmarter in het plangebied zoals; prooiresten en uitwerpselen.
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen voortplantings- en rustplaats beschadigd en vernield en wordt geen steenmarter gedood. Eekhoorn De eekhoorn komt voor in bosrijke landschappen, parken en tuinen. Nesten van eekhoorns kunnen aanwezig zijn in bomen. Mogelijk behoort het plangebied tot functioneel leefgebied van de eekhoorn. Er zijn geen (blader)nesten van eekhoorns in het onderzoeskgebied vastgesteld. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen (blader)nesten van eekhoorn beschadigd en vernield en wordt geen eekhoorn gedood. Das Dassen komen voor in verschillende biotopen maar preferen kleinschalig cultuurlandschap met bos, houtwallen, heggen, akkers en grasland. Mogelijk behoort het onderzoeksgebied tot functioneel leefgebied van de das. De das gebruikt het onderzoeksgebied uitsluitend als foerageergebied, voortplantings - en rustplaatsen zoals vluchtpijpen en burchten ontbreken binnen het onderzoeksgebied. Het plangebied is omgeven door voldoende alternatief (intensief beheerd) agrarisch cultuurland, waar het stapelvoedsel voor dassen aanwezig is. Het plangebied betreft daarom geen essentieel foerageergebied voor dassen. Bovendien is er in een ruim zoekgebied van 1 kilometer rondom het plangebied geen waarneming van das opgenomen in de NDFF (NDFF, 2026).
Door uitvoering van voorgenomen activiteiten wordt geen voortplantings - en rustplaats van de das beschadigd of vernield en wordt geen das gedood. 19 Kleine marterachtigen Het plangebied valt binnen het verspreidingsgebied van wezel, hermelijn en bunzing. Deze soorten komen voor in landschappen met voldoende dekkin gbiedende elementen. Mogelijk behoren delen van het onderzoeksgebied tot het functioneel leefgebied van wezel, hermelijn en bunzing. In het onderzoesgebied zijn voldoende dekkingbiedende elementen aanwezig in de aanwezige beplanitng. Deze soorten kunnen niet worden uitgesloten in het plangebied. Binnen het plangebied zijn voldoende voortplantings- en rustplaatsen voor kleine marterachtigen aanwezig. Door uitvoering van voorgenomen activiteiten wordt mogelijk e en voortplantings - en rustplaats van bunzing, wezel en hermelijn beschadigd of vernield en wordt mogelijk een bunzing, hermelijn en wezel gedood. Algemene soorten Naast voorgenoemde soorten, behoort het plangebied tot functioneel leefgebied van soorten als huisspitsmuis, (gewone) bosmuis , veldmuis, bosspitsmuis, rosse woelmuis, haas, vos en ree. Van voorgenoemde soorten bezetten mogelijk huisspitsmuis, (gewone) bosmuis, veldmuis, bosspitsmuis, rosse woelmuis en haas een voortplantings - en rustplaats in het plangebied.
Hazen kunnen mogelijk in het grasland jongen werpen, maar reeën en vossen benutten het plangebied uitsluitend als foerageeergebied. Binnen het plangebied, waar de werkzaamheden plaatsvinden zullen de bovengenoemde muissoorten mogelijk een voortplantings- en rustplaats kunnen bezetten in holen en gaten in de grond. Als gevolg van het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een voortplantings- en rustplaats van deze soorten beschadigd en vernield.
20 Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden, namelijk: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Deze worden hieronder per type leefgebied beschreven. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn te allen tijde wettelijk beschermd. Indien foerageergebied en/of vliegroutes een essentieel onderdeel van het leefgebied van vleermuizen vormen, zijn deze functies eveneens wett elijk beschermd. Er wordt daarom onderscheid gemaakt in essentiële foerageergebieden en vliegroutes en niet- essentiële foerageergebieden en vliegroutes. Verblijfplaatsen Binnen het onderzoeksgebied bezetten mogelijk verschillende vleermuissoorten in de bebouwing, een verblijfplaats. Deze verblijfplaatsen worden door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet negatief beïnvloed. Holen, scheuren en holtes in bomen binne n het onderzoeksgebied zijn niet waargenomen waardoor potentiële verblijfplaatsen in bomen uit te sluiten zijn. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen verblijfplaats beschadigd en vernield. Foerageergebied Mogelijk foerageren vleermuizen rond bebouwing en beplanting binnen het onderzoeksgebied.
Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied niet af. Vliegroutes Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig element en vormt daarom geen onderdeel van een vliegroute van vleermuizen. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden wordt de vliegroute van vleermuizen niet aangetast. Vogels Vogels - jaarrond beschermde nesten De nesten van deze vogelsoorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Uit de literatuurstudie blijkt dat er nesten van boerenzwaluw, boomvalk, bosuil, buizerd, gierzwaluw, huismus, huiszwaluw, kerkuil, ransuil, roek, sperwer, steenuil en torenvalk. Deze soorten broeden in bebouwing, houtsingels, bosjes en hoogspanningsmasten waardoor nesten van deze vogels in potentie aanwezig kunnen zijn in het onderzoeksgebied. Hieronder wordt per soort de geschiktheid van het onderzoeksgebied als nestplaats beoordeeld. Boerenzwaluw De boerenzwaluw is een plattelandsvogel. Nesten van deze soort vind je vaak in boerenschuren, stallen en loodsen waar ze in en uit kunnen vliegen. Ze bouwen hun nesten vaak op randen en richels van gebouwen en is goed te herkennen. Binnen het plangebied, waar de werkzaamheden plaatsvinden, is geen bebouwing aanwezig (er vinden geen sloopwerkzaamheden plaats).
De gebouwen in het onderzoeksgebied zijn mogelijk geschikt voor nestplaatsen van boerenzwaluw. Deze potentieel aanwezige nestplaatsen blijven behouden. Boomvalk Boomvalken komen voor in allerlei type landschappen variërend van parklandschappen, hoogvenen, duinen, heide en agrarisch cultuurland. Boomvalken broeden in oude nesten van eksters en kraaien. In het onderzoeksgebied zijn geen oude ekster en kraaiennesten waargenomen waardoor nesten van boomvalk op voorhand uitgesloten kunnen worden 21 Bosuil Bosuilen hebben een voorkeur voor bossen en parken. Deze uilensoort komt ook voor in open landschappen met boomgroepen of houtsingels en in halfopen duinen. Bosuil nestelt in holle bomen en in nestkasten. Ook nesten van kraaiachtigen of roofvogels worden als nestplaats gebruikt. Binnen het onderzoeksgebied zijn geen nesten van kraaiachtigen of roofvogels vastgesteld. Tevens zijn er ook geen aanwijzingen gevonden die duiden op de aanwezigheid van bosuil zoals; schijtsporen, ruiveren en braakballen. Buizerd De buizerd broedt in allerlei type houtopstanden variërend van oud bos tot houtsingels. Binnen het onderzoeksgebied zijn loof- en naaldbomen aanwezig, maar hier zijn gedurende het veldbezoek geen nesten van buizerd waargenomen. Nesten van buizerd zijn in het najaar en in de winter goed zichtbaar door het grotendeels ontbreken van blad in de kruinen van bomen.
Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden in Nederland in historische stadscentra en in woonwijken en gebruiken de holle ruimte achter kieren en gaten in gevels, kierende gevel - en nokpannen en losliggende dakpannen als nestplaats. Binnen het plangebied, waar de werkzaamheden plaatsvinden, is geen bebouwing aanwezig (er vinden geen sloopwerkzaamheden plaats). De woningen in het onderzoeksgebied zijn mogelijk geschikt voor nestplaatsen van gierzwaluw. Deze potentieel aanwezige nestplaatsen blijven behouden. Huismus Huismussen komen voor in dorpen en steden. Deze vogelsoort broedt in een los kolonieverband en maakt nesten onder dakpannen, in mussenkasten, in kieren van muren en in klimop die langs gemetselde gevels groeit. Binnen het plangebied, waar de werkzaamheden plaatsvinden, is geen bebouwing aanwezig (er vinden geen sloopwerkzaamheden plaats). De woningen in het onderzoeksgebied zijn mogelijk geschikt voor nestplaatsen van huismus. Deze potentieel aanwezige nestplaatsen blijven behouden. Huiszwaluw Huiszwaluwen broeden in kolonieverband tegen gevels van woningen, bruggen of stallen/schuren. De (restanten) van deze nesten zijn vaak zichtbaar door klei wat aan (lichte) delen van overstekken en gevels is geplaatst. Binnen het plangebied, waar de werkzaamheden plaatsvinden, is geen bebouwing aanwezig (er vinden geen sloopwerkzaamheden plaats).
De woningen in het onderzoeksgebied zijn mogelijk geschikt voor nestplaatsen van huiszwaluw. Deze potentieel aanwezige nestplaatsen blijven behouden. Kerkuil Kerkkuilen broeden in holle ruimtes achter isolatie van bebouwing en in speciale nestkasten. Binnen het plangebied zijn geen nestkasten voor kerkuil aanwezig en is ook geen bebouwing aanwezig. Kerkuil benut het onderzoeksgebied uitsluitend als foerageergebied. Het plangebied wordt niet beschouwd als essentieel foerageergebied voor kerkuil. Binnen het zoekgebied, 1 kilometer rondom het plangebied, is één waarneming van kerkuil opgenomen in de NDFF (NDFF, 2026). Ransuil Ransuilen broeden in ekster - en kraaiennesten in houtsingels, parken en bosjes. Binnen het onderzoeksgebied zijn bomen aanwezig. Nesten van ekster en zwarte kraai ontbreken in het onderzoeksgebied waardoor nesten van ransuil ook uitgesloten kunnen worden in het onderzoeksgebied. Roek Roeken broeden in bomen, dicht bij menselijke activiteit zoals: spoorwegen, snelwegen, kanalen en in dorpen. Binnen het onderzoeksgebied zijn geen nesten van roeken waargenomen. Nesten van roeken zijn in het najaar en in de winter goed zichtbaar door het ontbreken van blad in de kruinen van bomen. 22 Sperwer Sperwers broeden in (halfopen) landschappen met opgaande bossen en beboste tuinen.
Binnen het onderzoeksgebied zijn loof- en naaldbomen aanwezig, maar hier zijn gedurende het veldbezoek geen nesten van sperwer waargenomen. Nesten van sperwer zijn in het najaar en in de winter goed zichtbaar door het grotendeels ontbreken van blad in de kruinen van bomen. Steenuil Steenuilen broeden op erven in speciale nestkasten of in nisjes en gaten van (agrarische) bebouwing. Binnen het plangebied zijn geen nestkasten van steenuil aanwezig en is ook geen bebouwing aanwezig. Op ongeveer 500 meter ten noorden van het plangebied is territoria van steenuil opgenomen in de NDFF (NDFF, 2026). Gelet op de grote oppervlakten aan agrarisch cultuurland rond om het plangebied en deze waarnemingen is voldoende foerageergebied van steenuil in de omgeving aanwezig. Steenuilen vangen het voedsel voor meer dan 95% binnen 300 meter van de nestplaats (zie onderstaande kaart). De waarnemingen van steenuil bij Nordhornsestraat 206 en 208 en Rodenmorsweg 6 en 9 te Denekamp. Waarschijnlijk is er in de tuinen van een van deze woningen een bezette nestkast aanwezig. Aangezien er in de directe omgeving van het plangebied geen nesten van steenuil aanwezig zijn, gaat er door de voorgenomen ontwikkeling geen essentieel foerageergebi ed van steenuil verloren. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten gaat de functionaliteit van een nestplaats van steenuil niet verloren.
Waarnemingen steenuil (groene stippen), 300 meter foerageergebied (rode cirkels) met plangebied (blauwe marker). Torenvalk De torenvalk is territoriaal en komt voor in open en halfopen land zoals boerenland met veel (kort) grasland, akkers, heide, hoogveen, open duin, duinvalleien en soms in de stad. Torenvalk bouwt zelf geen nest. Deze soort maakt gebruik van oude kraaiennest en of speciale torenvalkkasten om te broeden. Binnen het onderzoeksgebied ontbreken nesten van zwarte kraai of nestkasten waardoor nesten van torenvalk ook uitgesloten kunnen worden in het onderzoeksgebied.
23 Vogels – jaarrond beschermd; afhankelijk van ecologische factoren Bij vogelsoorten uit deze categorie gaat het om vogels die vaak elk jaar terugkeren naar de omgeving waar ze gebroed hebben, maar die wel flexibel zijn om een nieuw nest te maken of zich elders te vestigen. Het gaat dus om de bescherming van het functionele leefgebied en dit is alleen aan de orde als de betreffende soort voor zijn voortplanting uitsluitend afhankelijk is van dat functionele leefgebied en er geen alternatieven of uitwijkmogelijkheden in de omgeving zijn. Uit de literatuurstudie blijkt dat er nesten van bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, glanskop, groene specht, grote bonte specht, grutto, kleine bonte specht, middelste bonte specht, ringmus, spreeuw, veldleeuwerik, wulp en zwarte mees aanwezig kunnen zijn in het plangebied. Deze soorten kunnen nestelen in boomholten en nestkasten, maar maken daarnaast ook nesten in bebouwing, agrarisch cultuurland, bomen en struiken. Rondom de ontwikkellocatie zijn woningen met tuinen, bomen, bos en agrarisch cultuurland aanwezig. Dat betekent dat er in de directe omgeving voldoende alternatieve nestplaatsen beschikbaar zijn. Er zijn geen ecologische factoren waardoor de nestplaatsen als ‘jaarrond beschermde nestplaatsen’ beschouwd worden.
Er wordt echter wel geadviseerd om de werkzaamheden binnen het plangebied uit te voeren buiten de voortplantingsperiode van vogels uit te voeren, zodat de geplande werkzaamheden geen verstorend effect hebben op eventuele broedende weidevogels binnen het onderzoeksgebied. Vogels – in gebruik zijnde nesten De nesten van alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd wanneer ze als broedlocatie in gebruik zijn. Het plangebied vormt een potentiële nestplaats van verschillende algemene vogelsoorten zoals: houtduif, Turkse tortel, merel, zanglijster, roodborst, winterkoning, vink, waterhoen, meerkoet. Deze vogels kunnen nestelen in de bebouwing en beplanting (incl. rietvegetatie bij de watergang) en sommige soorten kunnen in agrarisch cultuurland een nestplaats bezetten zoals; kievit. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden wordt mogelijk een nestplaats verstoord, beschadigd en vernield. Als deze werkzaamheden uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, wordt mogelijk een vogel gedood en eieren beschadigd en vernield. 24 Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten beschouwd.
Kamsalamander Kamsalamanders komen voor in kleinschalig, bosrijk landschap, maar ook in beek- en rivierdalen en bezetten voortplantingsplaatsen in visvrije en matig voedselrijke poelen, vijvers en vennen. Het plangebied ligt binnen het verspreidingsgebied van de kamsalamander en de meest dichtstbijzijnde waarneming van deze soort ligt op circa één kilometer afstand van het o nderzoeksgebied ten zuid oosten van het plangebied. Binnen het onderzoeksgebied is geen geschikt oppervlaktewater aanwezig dat door kamsalamander gebruikt kan worden als voortplantingswater. Door het ontbreken van potentiële voortplantingswateren rondom het onderzoeksgebied kunnen (winter)rustplaatsen van kamsalamander redelijkerwijs uitgesloten worden in het onderzoeksgebied. Als gevolg van het uitvoeren van voorgenomen werkzaamheden wordt geen voortplantings- en rustplaats van kamsalamander beschadigd en vernield en wordt geen kamsalamander gedood. Knoflookpad De knoflookpad is gebonden aan de stroomdalen van beken en rivieren in het oosten en zuidoosten van Nederland. Het voortplantingsbiotoop bestaat vaak uit vrij grote en diepe poelen met een weelderige onderwater- en oevervegetatie en een voedselrijk karakter. Knoflookpadden missen het vermogen om zich over grote afstanden te verplaatsen ongeveer 300 meter.
Een absolute voorwaarde voor deze (grotendeels ondergronds levende) soort is de aanwezigheid van open zandplekken omringd door vegetatie. Het zand moet een zodanige structuur hebben, dat het goed vergraafbaar is. Ook extensief bewerkte akkers (bijv. asperge, aardappelen en extensieve graanakkers) en volks- en moestuinen voldoen hieraan. Op ruim een kilometer ten zuidoosten van het plangebied zijn enkele waarnemingen van knoflookpad opgenomen in de NDFF (NDFF, 2026). Het voortplantingsbiotoop ligt te ver verwijderd van het plangebied, (winter)rustplaatsen van knoflookpad kunnen uitgesloten worden. Als gevolg van het uitvoeren van voorgenomen werkzaamheden wordt geen voortplantings- en rustplaats van knoflookpad beschadigd en vernield en wordt geen knoflookpad gedood. Vrijgestelde soorten Amfibieën als bruine kikker, bastaardkikker , kleine watersalamander en gewone pad benutten het plangebied mogelijk als foerageergebied en bezetten er mogelijk een (winter)rustplaats. Deze soorten bezetten mogelijk een (winter)rustplaats in holen en gaten in de grond . Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied. Als gevolg van het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd of vernield en wordt mogelijk een beschermd amfibie gedood.
25 Reptielen Ringslang Ringslangen zijn gebonden aan waterrijke habitats die veelal op zandgronden en op overgangen van zandgrond naar veen- en kleigrond liggen. Deze soort zont vaak op dijkjes en in wegbermen in de buurt van water. Voor de voortplanting is ringslang afhankelijk van hopen organisch materiaal zoals composthopen, bladhopen en ingerotte boomstobben. Nabij de ‘’Dinkel’’ zijn geen waarnemingen van ringslang opgenomen in de NDFF (NDFF, 2026). De meest nabij gelegen waarneming ligt op minimaal 3,5 kilometer ten noorden van het plangebied (gelegen bij Bergvennen) (NDFF, 2026). Bovendien ligt het plangebied geïsoleerd omgeven door agrarisch cultuurland en vormt de Dinkel geen geschikt voortplantingsbiotoop , hierdoor wordt ringslang uitgesloten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen ringslang gedood en wordt geen voortplantings- en rustplaats van ringslang beschadigd of vernield. Hazelworm Het plangebied ligt binnen het verspreidingsgebied van de hazelworm. Deze soort komt onder andere voor in open bossen, heide, houtwallen, struwelen en spoor - en wegbermen. De meest nabij gelegen waarneming van hazelworm ligt > 5 kilometer verwijderd van het plangebied. Bovendien ligt het plangebied geïsoleerd omgeven door agrarisch cultuurland, hierdoor wordt hazelworm uitgesloten.
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen hazelworm gedood en wordt geen voortplantings- en rustplaats van hazelworm beschadigd of vernield. Levendbarende hagedis Levendbarende hagedissen komen voor in redelijk dichtbegroeide gebieden, zoals veen, (vochtige) heide, schraal grasland, rijk begroeide bosranden en open plekken in bossen. Heide en hoogveen hebben de voorkeur, maar deze soort kan ook in bermen van (spoor)wegen, dijktaluds, hagen en houtwallen voorkomen. Het is een vochtminnende soort die veel wordt aangetroffen in structuurrijke overgangen van vochtige naar droge terreindelen. Levendbarende hagedis is afhankelijk van een structuurrijke habitat. Er moeten snel opwarmende plekken aanwezig zijn met in de nabijheid dekkingsmogelijkheden om zich te kunnen beschermen tegen predatie en uitdroging. Op circa 3,5 kilometer ten oosten van het plangebied zijn 4 waarnemingen van levendbarende hagedis in de NDFF, maar het plangebied sluit echter niet aan op specifieke eisen die levenbarende hagedis stelt aan het functioneel leefgebied. Levendbarende hagedissen gebruiken hun gedrag om op te warmen en af te koelen. Vanwege thermoregulatie is deze soort is daarom afhankelijk van structuurrijke overgangen zoals bosranden met heide. Het plangebie d vormt grotendeels agrarisch cultuurland en heidevelden ontbreken.
Deze soort wordt op voorhand uitgesloten in het plangebied. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen voortplantings- en rustplaats van levendbarende hagedis beschadigd of vernield en wordt geen levendbarende hagedis gedood. 26 Dag- en nachtvlinders Het voorkomen van beschermde vlinders is sterk gekoppeld aan bestaande populaties en hun verspreiding en de aanwezigheid van waardplanten. Trekvlinders of vlinders die makkelijk grote afstanden afleggen kunnen ook opduiken buiten het normale verspreidingsgebied, zoals de grote vos. Grote vos De grote vos benut als waardplant vooral iep, maar ook zoete kers, populier en sommige wilgensoorten. Binnen het onderzoeksgebied ontbreken deze waardplanten waardoor de aanwezigheid van eitjes, rupsen en poppen van de grote vos uitgesloten wordt. Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart is voor zijn levenscyclus afhankelijk van diverse soorten waardplanten. Eitjes worden afgezet op teunisbloem, wilgenroosje, grote kattenstaart en basterdwederik. Deze soorten zijn in het najaar en winter in vegetatief en uitgebloei d stadium nog steeds goed herkenbaar. Binnen het onderzoeksgebied ontbreken deze waardplanten waardoor de aanwezigheid van eitjes, rupsen en poppen van de teunisbloempijlstaart uitgesloten wordt.
Kleine ijsvogelvlinders Kleine ijsvogelvlinders gebruiken wilde kamperfoelie en sneeuwbes als waardplant. Binnen het onderzoeksgebied ontbreken deze waardplanten waardoor de aanwezigheid van eitjes, rupsen en poppen van de kleine ijsvogelvlinder uitgesloten wordt. Rode-lijstsoorten Het plangebied vormt functioneel leefgebied van verschillende soorten die vermeld worden op de Rode - lijst. Voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de populatie van rode lijstsoorten gezien de voorgenomen ingreep en de aanwezigheid van alternatief leefgebied in de nabijheid van het plangebied. 27 6.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden gaan mogelijk nestplaatsen van vogels verloren en indien de werkzaamheden uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een vogel gedood en eieren beschadigd en vernield. Van de vogelsoorten die (mogelijk) in het plangebied nestelen is alleen het bezette nest beschermd. Bezette nesten mogen niet beschadigd/vernield of dusdanig verstoord worden dat de voedseloverdracht gehinderd wordt en jonge vogels gedood worden. De voorgenomen werkzaamheden dienen buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is doorgaans augustus-februari.
Wanneer gewerkt wordt tijdens de voortplantingsperiode van vogels dient een broedvogelscan voor aanvang van de werkzaamheden uitgevoerd te worden. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Werkzaamheden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van vogels; Grondgebonden zoogdieren Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden en dat voortplantings- en rustplaatsen opzettelijk beschadigd of vernield worden. Voor beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantings - en rustplaatsen negatief beïnvloed wordt geldt, op de grote bosmuis, egel, wezel, bunzing en hermelijn na, een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist.
Voortplantings- en rustplaatsen van grote bosmuis, egel, wezel, hermelijn en bunzing zijn beschermd en mogen niet zonder Omgevingsvergunning flora - en fauna-activiteit beschadigd/vernield worden. Er dient nader onderzoek plaats te vinden om vast te stellen of voortplantings- en rustplaatsen van grote bosmuis, egel, wezel, hermelijn en bunzing aanwezig zijn. Er kan ook gekozen worden om direct een Omgevingsvergunning flora-en fauna-activiteit aan te vragen. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten voor deze grondgebonden zoogdieren niet tot wettelijke consequenties. Om zorgvuldigheid tijdens de uitvoering van de werkzaamheden te garanderen kan initiatiefnemer overwegen een Ecologisch werkprotocol op laten stellen. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen grondgebonden zoogdieren opzettelijk doden (zorgvuldig werken); - Direct een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aanvragen (grote bosmuis, egel, wezel, bunzing en hermelijn) of nader onderzoek uitvoeren naar voortplantings - en rustplaatsen grote bosmuis, egel, wezel, hermelijn en bunzing; 28 Vleermuizen • Verblijfplaatsen Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot een overtreding van een verbodsbepaling.
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna- activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen overtreding van een verbodsbepaling; • Essentieel foerageergebied Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora - en fauna -activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen overtreding van een verbodsbepaling; • Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes1 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora - en fauna -activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.
Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen overtreding van een verbodsbepaling; Amfibieën Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een amfibie gedood en een rustplaats beschadigd en vernield. Beschermde soorten mogen niet opzettelijk gedood worden. Beschermde soorten mogen weggevangen worden of verjaagd worden. Om zorgvuldigheid tijdens de uitvoering van de werkzaamheden te garanderen kan initiatiefnemer overwegen een Ecologisch werkprotocol op laten stellen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties mits zorgvuldig gewerkt wordt . Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen amfibieën opzettelijk doden (zorgvuldig werken); 1 Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 29 Reptielen Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot een overtreding van een verbodsbepaling.
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna- activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen overtreding van een verbodsbepaling; Dag- en nachtvlinders Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot een overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna- activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen overtreding van een verbodsbepaling; 30 HOOFDSTUK 7 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 7.1 aanleiding en doel Er zijn concrete plannen voor het realiseren van ze nieuwe seniorenwoningen te Noord -Deurningen, gemeente Dinkelland. De nieuwe woningen worden gerealiseerd tussen de Johanninksweg, Nordhornsestraat en het Omleidingskanaal. Om deze nieuwbouw te realiseren dient er een deel van de aanwezige beplanting verwijderd te worden.
Relevante natuurwet- en regelgeving Voor de toetsing van het voornemen is de volgende natuurwet- en regelgeving van toepassing: Omgevingswet: - Gebiedsbescherming - Natura 2000 - Soortenbescherming Provinciaal beschermde gebieden: • Natuurnetwerk Nederland • Leefgebied weidevogels 7.2 Conclusies toetsing Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000-gebied of leefgebied weidevogels. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase en de afstand tot het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden op voorhand ui tgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening is niet noodzakelijk. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen ook met zekerheid uitgesloten worden. Soortenbescherming De voorgenomen ontwikkeling heeft negatieve gevolgen voor verschillende beschermde diersoorten. Als gevolg van het verwijderen van beplanting en het uitvoeren van grondverzet worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren, vogels en amfibieën gedood en gaan voortplantings -, nest- en rustplaatsen verloren.
Er geldt geen vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van de voortplantings - en rustplaats van grote bosmuis, egel, bunzing, wezel, hermelijn . Geadviseerd wordt om voor deze soorten ( grote bosmuis, egel, bunzing, wezel en hermelijn) direct een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aan te vragen. Allerlaatst wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten de voortplantingsperiode van vogels uit te voeren en overige grondgebo nden zoogdieren en amfibieën weg te vangen of te verjagen, zodat opzettelijk doden voorkomen wordt. Samenvatting De volgende conclusies zijn van toepassing voor het plangebied: • Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aanvragen grote bosmuis, egel, bunzing, wezel en hermelijn; • Geen grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk doden (zorgvuldig werken); • Werkzaamheden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van vogels; 31 De ecologen van Natuurbank Overijssel kijken verder dan de aanwezigheid van strikt beschermde soorten. Vanuit het motto ‘meer biodiversiteit achterlaten dan je aantreft’ signaleren we kansen voor dit project om bij te dragen aan het herstel van biodiversit eit. Hieronder geven we op beknopte wijze enkele kansen aan. Wij bespreken deze voorstellen graag met u en werken desgewenst de praktische aspecten verder uit. Voor dit project liggen er mogelijkheden voor biodiversiteitsherstel door: 1.
Ecologisch werkprotocol Het opstellen van een ecologisch werkprotocol. In deze notitie wordt concreet aangegeven op welke wijze de voorgenomen werkzaamheden uitgevoerd dienen te worden om overtreding van een verbodsbepaling te voorkomen. Kennis van de ecologie van soorten is cruc iaal om de juiste maatregelen, in de juiste tijd van het jaar uit te voeren. 2. Het opstellen van een concreet ecologisch beheer- en/of inrichtingsplan Een concreet ecologisch beheer - en/of inrichtingsplan bijvoorbeeld kan opgesteld worden gericht op verhoging van de bloemrijkdom voor bijen. Hierbij sluiten we zo veel mogelijk aan op de (toekomstige) situatie in uw projectgebied, gemeentelijk natuurbeleid en regionale doelsoorten en potenties. Biodiversiteit vraagt om maatwerk en ieder project is anders. In een plan nemen we de best passende maatregelen op. Voorbeelden van potentiële maatregelen zijn: • Het vergroten van de diversiteit aan leefgebied voor planten en dieren door via aanplant of beheer te zorgen voor verschillende biotooptypen (water, oevers, kruidenvegetatie, struweel, bomen, bos) en geleidelijke overgangen hiertussen. • Het versterken van populaties door te voorzien in nestkasten en/of verblijfplaatsen (bijvoorbeeld vogels en vleermuizen), wanneer blijkt dat nestgelegenheid een beperkende factor is.
• Het vergroten en versterken van leefgebieden voor planten en dieren door ecologisch beheer van (openbaar) groen, bijvoorbeeld door het beheer van grasvegetaties af te stemmen op bloemrijkdom en insecten. • Het verbinden van leefgebieden door het aanbrengen of herstellen van lijnvormige landschapselementen (houtwallen, singels, hagen, sloten) of het realiseren van andere ontsnipperingsmaatregelen (bijvoorbeeld faunapassage). • Het versterken van leefgebied en migratiezones door het aanbrengen van natuurlijke elementen als takkenrillen, dood hout, of stenige elementen. • Het beperken van verstoring door bijvoorbeeld verlichting of geluid • Het terugdringen van overwoekerende en/of invasieve plantensoorten met negatieve effecten op biodiversiteit en de mens (bijvoorbeeld Japanse duizendknoop, reuzenberenklauw). In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep | Functie | Beschermde | Verbodsbepalingen | Aandachtspunt soorten planlocatie Grondgebonden | Foerageergebied | Diverse soorten | Niet van toepassing; functie is niet | Geen zoogdieren | beschermd Grondgebonden | Voortplantings- en | Diverse soorten | Niet van toepassing; vrijstelling van | Geen zoogdieren | rustplaats | (m.u.v.
grote | verbodsbepaling bosmuis, egel en kleine marterachtigen) Grondgebonden | Voortplantings- en | Mogelijk grote | Art 11.54 lid 1b Bal | Nader onderzoek uitvoeren of zoogdieren | rustplaats | bosmuis, egel en | direct Omgevingsvergunning kleine | flora- en fauna-activiteit marterachtigen | aanvragen. Grondgebonden | Doden van dieren | Diverse soorten | Art 11.54 lid 1a Bal | Geen dieren opzettelijk doden zoogdieren Vogels | Foerageergebied | Diverse soorten | Niet van toepassing; functie is niet | Geen beschermd Vogels | Bezette nesten (niet | Diverse soorten | Art. 11.37 lid 1b Bal | Geen bezette nesten jaarrond beschermd) | opzettelijk negatief beïnvloeden Vogels | Jaarrond beschermde | Mogelijk huismus en | Niet van toepassing; worden niet | Geen nest- en rustplaats | gierzwaluw | aangetast Vogels | Doden van dieren | Diverse soorten | Art.
11.37 lid 1b Bal | Geen vogels opzettelijk doden Vleermuizen | Verblijfplaats | Mogelijk diverse | Niet van toepassing; worden niet | Geen soorten | aangetast Vleermuizen | Foerageergebied | Diverse soorten | Niet van toepassing; er wordt geen | Geen essentieel foerageergebied aangetast Vleermuizen | Vliegroute | Niet aanwezig | Niet van toepassing | Geen Vleermuizen | Doden van dieren | Niet van toepassing | Niet van toepassing | Geen Amfibieën | Foerageergebied | Diverse soorten | Niet van toepassing; functie is niet | Geen beschermd Amfibieën | Rustplaats | Diverse soorten | Niet van toepassing; vrijstelling van | Geen verbodsbepaling Amfibieën | Voortplantingsplaats | Niet aanwezig | Niet van toepassing | Geen Amfibieën | Doden van dieren | Diverse soorten | Art 11.54 lid 1a Bal | Geen amfibieën opzettelijk doden Overige soorten | Dieren en overige | Niet aanwezig | Niet van toepassing | Geen functies Samenvatting van de wettelijke consequenties. Soortgroep | Rustplaats | Voortplan- | Vliegroute | Essentieel | Wettelijke | Nader | Omgevingsvergunning tingsplaats | (vleermuizen) | foerageer- | consequenties | onderzoek | flora- en fauna- gebied | vereist | activiteit vereist Grondgebonden | Ja | Ja | n.v.t. | Nee | Ja | Je | Mogelijk grote zoogdieren | bosmuis, egel, bunzing, wezel en hermelijn.
Voor overige soorten geldt: nee tenzij grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden Vogels | Ja | Ja | n.v.t. | Nee | Ja | Nee | Nee, tenzij vogels opzettelijk gedood worden of (bezette) nesten beschadigd/vernield worden Vleermuizen | Mogelijk | Mogelijk | Nee | Nee | Nee | Nee | Nee Amfibieën | Ja | Nee | n.v.t. | Nee | Ja | Nee | Nee, tenzij amfibieën opzettelijk gedood worden 32 33 Bijlagen Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Omgevingswet Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen: Bijlage 5. Jaarrond beschermde nesten in Overijssel 34
35 Bijlage 2 Toelichting Omgevingswet flora- en fauna-activiteit Drie beschermingsregimes De Omgevingswet kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of Omgevingsvergunning. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een Omgevingsvergunning moet aan drie criteria zijn voldaan: 1. Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. 2. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. 3. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit worden verleend.
Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Omgevingswet sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. In het Besluit activiteit leefomgeving is het als volgt verwoord: Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a.
voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1°.van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2°.van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3°.dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vierde lid, onder a, onder 4°, van de wet; en 4°.voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; 36 c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d.
alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen. Vrijstelling regelgeving Onder de Omgevingswet is niet altijd een Omgevingsvergunning flora - en fauna -activiteit nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. Ook zijn voor beschermde soorten andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk. Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening.
Welke soorten zijn beschermd? De Omgevingswet kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Ten tweede worden soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. 3. Tenslotte is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ (Nationaal beschermde soorten) waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Verbodsbepalingen omgevingswet Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Art. 11.37 Bal Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Art. 11.46. Bal Beschermingsregime andere soorten. Art. 11.54 Bal Art. 11.37 lid 1a. Het is verboden opzettelijk in het wild levende vogels te doden en vangen. art. 11.46 lid 1a. Het verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Art. 11.54 lid 1a. Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen art. 11.37 lid 1b. Het is verboden opzettelijk nesten en eieren te vernielen en te beschadigen Art. 11.46 lid 1d. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen. Art. 11.54 lid 1b. Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen art. 11.37 lid 1b.
Het is verboden opzettelijk eieren te rapen of bij zich te hebben art. 11.46 lid 1 Bal. Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen niet van toepassing Art. 11.37 lid d. Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort Art. 11.46 lid 1b. Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren. niet van toepassing niet van toepassing Art. 11.46 lid e. Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen Art. 11.54 lid c. Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen 37 Vrijgestelde soorten In afwijking van de verboden is het toegestaan om van de onderstaande soorten de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het opzettelijk ‘doden’ van onderstaande soorten is in sommige provincies eveneens toegestaan. De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met de volgende activiteiten: 1.
de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer. 38
39 Legenda ‘Overzicht algemene vrijstelling soorten per provincie’, bron: Natuurinclusief. 40 Bijlage 3. Fotobijlage
41
42
43 Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen: Internet: https://www.verspreidingsatlas.nl https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ https://calculator.aerius.nl http://www.ruimtelijkeplannen.nl https://pdokviewer.pdok.nl/ https://www.ndff.nl/ https://vogelbescherming.nl https://sovon.nl https://ravon.nl 44 Bijlage 5 Jaarrond beschermde nesten in Overijssel Vogels met jaarrond beschermde nesten Overijssel (Bron: Natuurinclusief).
Bijlage 7 Stikstofberekening bestemmingsplan Noord Deurningen, Hoek Nordhornsestraat - Joha nninksweg 329 AD FONTEM RUIMTELIJK ADVIES AERIUS BEREKENING JOHANNINKSWEG ONG. NOORD-DEURNINGEN 01 AERIUS Calculator 2025 stikstofberekening 6 WONINGEN JOHANNINKSWEG ONG. NOORD-DEURNINGEN AD FONTEM RUIMTELIJK ADVIES AERIUS BEREKENING JOHANNINKSWEG ONG. NOORD-DEURNINGEN 02 Plangegevens Naam AERIUS-berekening Plantype AERIUS Calculator 2025 Status Definitief Datum 23 februari 2026 Projectnummer 20AF227 Opsteller Ad Fontem Ruimtelijk Advies Stationsstraat 37 7622 LW BORNE Contactpersoon Y. Yildirim LLB 074 255 7020 info@ad-fontem.nl www.ad-fontem.nl
AERIUS BEREKENING JOHANNINKSWEG ONG. NOORD-DEURNINGEN Inhoud 01 | INLEIDING | 4 01.1 Inleiding en voornemen | 4 02 | AERIUS CALCULATOR 2025 | 6 03 | TOETSING ONTWIKKELING | 7 03.1 Ligging projectlocatie t.o.v. Natura 2000-gebied | 7 03.2 Methode | 8 03.2.1 | Beoogde situatie | 8 03.2.2 | Uitgangspunten | 9 03.3 Uitkomsten AERIUS Calculator 2025 | 15 03.3.1 | Rekenresultaten | 15 03.3.2 | Conclusie | 16 03 AD FONTEM RUIMTELIJK ADVIES AERIUS BEREKENING JOHANNINKSWEG ONG. NOORD-DEURNINGEN 04 01 I N L E I D I N G 01.1 Inleiding en voornemen Voor de locatie op de hoek van de Johanninksweg en Nordhornsestraat in Noord Deurningen is een plan ontwikkeld. De initiatiefnemers willen de voormalige slipbaan herontwikkelen tot een locatie voor woningbouw in Noord Deurningen. In totaal gaat het om 6 woningen. Er wordt uitgegaan van 4 geschakelde (levensloopbestendige) woningen en 2 vrije kavels. De toekomstige woningen zullen niet op het gasnetwerk worden aangesloten. Voor de doorlooptijd van het bouwproject wordt uitgegaan van maximaal 1 jaar. Figuur 1 toont de gewenste ontwikkeling. Figuur 1: toekomstige ontwikkeling (bron: Ad Fontem) Het plangebied ligt in de zuidelijke hoek van Noord Deurningen en staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie N, nummer 1623. In figuur 2 is de ligging van het plangebied weergegeven.
AD FONTEM RUIMTELIJK ADVIES AERIUS BEREKENING JOHANNINKSWEG ONG. NOORD-DEURNINGEN 05 Figuur 2: ligging plangebied (bron: PDOK) De begrenzing van het plangebied is in figuur 3 weergegeven (rood omkaderd). De noordkant van het plangebied wordt begrensd door (toekomstige) bebouwing en de Johanninksweg, de westkant wordt begrensd door bestaande bebouwing en agrarische percelen, de zuidkant wordt begrensd door de Dinkel en de oostkant wordt begrensd door de Nordhornsestraat. Figuur 3: begrenzing plangebied (bron: PDOK)
AD FONTEM RUIMTELIJK ADVIES AERIUS BEREKENING JOHANNINKSWEG ONG. NOORD-DEURNINGEN 06 02 A E R I U S C A L C U L A T O R 2 0 2 5 Als een bouwproject afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is daarvoor, naast een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen (artikel 5.1 lid 1 sub a Omgevingswet) en een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit zelf, een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Degene die bouw- en sloopwerkzaamheden verricht, moet altijd adequate maatregelen treffen (zoals werkvoertuigen minder stationair laten draaien) om de stikstofemissie te beperken (artikel 7.19a, Bbl). Dat geldt alleen voor een van de volgende gevallen: • Voor het bouwen is een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit nodig. • Voor het bouwen is een bouwmelding nodig. • Voor het slopen is een melding nodig omdat er meer dan 10 m³ aan afval vrijkomt. • Informatie over maatregelen die de stikstofemissie beperken, moet naar het bevoegd gezag toegestuurd worden met: o de bouwmelding of sloopmelding (artikel 7.5c Bbl); o de vergunningaanvraag voor de technische bouwactiviteit (artikel 7.12a Omgevingsregeling). Om te onderzoeken of een plan/project leidt tot een toename van stikstofdepositie is gebruik gemaakt van de AERIUS Calculator 2025.