Bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70.pdf
Tekst van het document
Opgemerkt dient te worden dat het maaiveld, vanwege de aanwezigheid van gras, planten, bomen, struiken, puin, klinkers en tegels niet goed geïnspecteerd kon worden. Er is sprake van een indicatieve maaiveldinspectie. Eventuele kleine asbestverdachte fragmenten kunnen hierdoor niet zijn opgemerkt. De weersomstandigheden tijdens de inspectie waren goed (goed zicht, weinig neerslag). De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie is globaal matig fijn tot grof zand. In de ondergrond zijn roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn bodemvreemde materialen waargenomen. Deze zijn in tabel 3 weergegeven. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld, in de puinlagen of in de bodem.
Kruse Milieu BV
Project: 19041010
Pagina 8 van 22
Tabel 2: Weergave bodemvreemde materialen. Boring
Diepte (m-mv) Waarneming
1
0 - 0.3
Grof puin
3
0 - 0.4
Sterk kolen
3
0.4 - 0.8
Zwak kolen
3
0.8 - 1.2
Sporen kolen
4
0 - 0.4
Sporen puin, zwak plastic
4
0.6 - 0.8
Matig baksteen
6
0.25 - 0.6
Zwak puin
7
0 - 0.5
Matig puin, matig plastic, zwak glas, gestaakt op hard voorwerp
8
0.09 - 0.25
Zwak puin
10
0.25 - 0.5
Zwak baksteen
11
0 - 0.5
Sporen puin, sporen glas
13
0 - 0.35
Grof puin
Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de boringen zijn de mengmonsters samengesteld, zoals in tabel 3 staat omschreven. Er is een extra monster genomen van boring 3 (0 - 0.4 m-mv) genomen in verband met de aangetroffen kolen. Vanwege het aantreffen van puin is asbestonderzoek noodzakelijk. Er zijn 2 extra mengmonsters van de fijne fractie genomen. De puinlaag in de toplaag van boring 1 en 13 valt buiten de scope van dit onderzoek, omdat deze laag niet aan de definitie bodem voldoen. In het opgeboorde materiaal zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Tabel 3: Samenstelling mengmonsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m -mv)
Analyse
Overig terreindeel BG I (zintuiglijk schoon)
1 2, 12, 14 en 15 5 9
0.3 - 0.5 0 - 0.5 0 - 0.4 0.25 - 0.6
Standaard pakket
BG II (puinhoudend)
4 6 7 en 11 8 10
0 - 0.4 0.25 - 0.6 0 - 0.5 0.06 - 0.25 0.25 - 0.6
Standaard pakket
Boring 3 (0 - 0.4)
3
0 - 0.4
Standaard pakket
Kruse Milieu BV
Project: 19041010
Pagina 9 van 22
Vervolg tabel 3: Samenstelling mengmonsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m -mv)
Analyse
Overig terreindeel
OG
1 1 1 2 2 3 4
0.5 - 1.0 1.6 - 1.8 1.8 - 2.3 0.6 - 1.1 1.2 - 1.7 1.2 - 1.5 0.8 - 1.3
Standaard pakket
MM FF - Gat 1 en 13 (puin)
1 13
0 - 0.3 0 - 0.35
Asbest
MM FF - Gat 4, 6 en 7
4 6 7
0 - 0.4 0.25 - 0.6 0 - 0.5
Asbest
MM FF - Gat 8, 10 en 11
8 10 11
0.06 - 0.25 0.25 - 0.6 0 - 0.5
Asbest
0 - 0.1
Asbest
Druppelzone A MM FF - Gat A1 t/m A4
Gat A1 t/m A4
Boring 1 is doorgezet tot circa 4.60 m-mv. Wanneer het grondwater werd bereikt, werd een zuigerboor gebruikt om een PVC-peilbuis te kunnen plaatsen. Een peilbuis bestaat uit een filter met een lengte van 1.0 meter, gekoppeld aan een blinde stijgbuis. Ter hoogte van het filter, met een diameter van 28 x 32 mm, is filtergrind in het boorgat gestort. Rondom het filter is een filterkous aangebracht. Er is bentoniet in het boorgat gestort om directe indringing van hemelwater in het filter tegen te gaan. De rest van het boorgat is opgevuld met het oorspronkelijke bodemmateriaal. Vervolgens is de peilbuis doorgepompt. Op 17 juli 2019 is het grondwater uit peilbuis 1 bemonsterd. Het voorpompen en bemonsteren heeft conform NEN 5744 plaatsgevonden met een laag debiet (tussen 100 en 500 ml/min). Er is op toegezien dat de grondwaterstand tijdens het voorpompen niet meer dan 50 cm is gedaald en dat er is bemonsterd met hetzelfde (of lager debiet als waarmee is voorgepompt. De grondwatergegevens staan weergegeven in tabel 4. Tabel 4: Weergave gegevens grondwater. Peilbuis
Filterstelling (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
pH (-)
EC (μS/cm)
Troebelheid (NTU)
Toestroming
1
3.60 - 4.60
2.99
6.3
217
< 0.1
Goed
De waarden voor de pH, EC en troebelheid worden als normaal beschouwd.
Kruse Milieu BV
Project: 19041010
Pagina 10 van 22
4.3
Resultaten en toetsing van de chemische analyses
In algemene zin dient opgemerkt te worden dat indien de analyses van de grondmonsters zijn uitgevoerd op mengmonsters, dit kan betekenen dat de gehaltes hoger kunnen zijn in de individuele monsters. De analyseresultaten en de toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. In de bovengrond (BG II en boring 3) en in het grondwatermonster zijn enkele van de onderzochte stoffen in verhoogde concentraties ten opzichte van de betreffende achtergronden streefwaarden aangetoond. Deze zijn weergegeven in tabel 5. In de bovengrond (BG I) en in de ondergrond zijn geen verhoogde concentraties ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten van de onderzochte stoffen. Tabel 5: Verhoogde concentraties (mg/kg droge stof of μg/l). Monster
1
Component
Gemeten concentratie
GSSD
Achtergrondwaarde1 of Streefwaarde
Interventiewaarde
BG II (puinhoudend)
PAK
8.9
8.905 *
1.5
40
Boring 3 (0 - 0.4)
PAK
50
31.66 **
1.5
40
Peilbuis 1
Barium Zink
130 69
130 * 69 *
50 65
625 800
AW2000
In de vierde kolom van tabel 5 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I. 4.4
Bespreking resultaten chemische analyses
Zoals in de vorige paragraaf is weergegeven, zijn er enkele verontreinigingen aangetoond. In deze paragraaf worden mogelijke verklaringen gegeven voor de analyseresultaten. Bovengrond (BG II en boring 3 (0 - 0.4)) - PAK In de bovengrond is een licht en matig verhoogd PAK-gehalte aangetroffen. Zoals reeds beschreven in paragraaf 3.1, zijn verontreinigingen in de grond met PAK niet ongebruikelijk op locaties, waar al tientallen jaren sprake is geweest van bebouwing (en bewoning). Oorzaak voor het licht en matig verhoogde PAK-gehalte wordt gezocht in de waargenomen bodemvreemde materialen (sporen puin en sterk kolenhoudend). Aangezien de tussenwaarde wordt overschreden, is een nader onderzoek noodzakelijk om vast te stellen of er mogelijk sprake is van een sterke bodemverontreiniging. Het nader onderzoek ter plaatse van boring 3 is weergegeven in hoofdstuk 5. Kruse Milieu BV
Project: 19041010
Pagina 11 van 22
Grondwater - Barium en zink De (zeer) licht verhoogde gehalten aan barium en zink in het grondwater zijn mogelijk te wijten aan een plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarde. In de ondergrond zijn roesthoudende lagen waargenomen, wat duidt op de natuurlijke aanwezigheid van metalen in de bodem. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. 4.5
Resultaten van de asbestanalyses
In bijlage IV zijn de analyserapporten van het asbestonderzoek opgenomen. In enkele mengmonsters van de fijne fractie is asbest aangetoond. De gewogen asbestgehalten zijn in tabel 6 weergegeven. Tabel 6: Gewogen asbestconcentratie (mg/kg droge stof). Component
Gewogen asbestconcentratie
Achtergrondwaarde
Interventiewaarde
MM FF - Gat 1 en 13 (puin)
Asbest
5.5
-
100
MM FF - Gat 4, 6 en 7
Asbest
n.a.
-
100
MM FF - Gat 8, 10 en 11
Asbest
n.a.
-
100
MM FF - Gat A1 t/m A4
Asbest
67
-
100
Inspectiegat
In de derde kolom van tabel 6 wordt de volgende codering toegepast: n.a. : Geen asbest aangetoond. Normaal : Het gehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Onderstreept : Overschrijding van de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Vet : Overschrijding van de interventiewaarde. 4.6
Bespreking resultaten asbestanalyses
Zoals in paragraaf 4.5 is weergegeven, is in het mengmonster van de fijne fractie van MM FF - Gat 1 en 13 (puin) asbest aangetoond; maar is het gewogen asbestgehalte ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. In de mengmonsters van de fijne fractie van MM FF - Gat 4, 6 en 7 en MM FF - Gat 8, 10 en 11 is geen asbest aangetoond. In het mengmonster van de fijne fractie van druppelzone A is het gewogen asbestgehalte hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. De resultaten van het nader onderzoek bij druppelzone A zijn weergegeven in hoofdstuk 6.
Kruse Milieu BV
Project: 19041010
Pagina 12 van 22
5
Nader bodemonderzoek boring 3
Naar aanleiding van het matig verhoogde gehalte aan PAK in boring 3 is een nader onderzoek uitgevoerd om vast te stellen of er mogelijk sprake is van een sterke verontreiniging. 5.1
Conceptueel model en onderzoeksopzet
Op basis van de beschikbare gegevens uit het vooronderzoek, is conform NTA 5755 een conceptueel model opgesteld, waarbij aandacht vooral uit gaat naar de omvang van de verontreiniging. Op dit conceptueel model wordt de onderzoeksopzet gebaseerd. Tabel 11: Conceptueel model in tabelvorm. Oorzaak van de Ter plaatse van boring 3 is de bovengrond sterk kolenhoudend. De verontreiniging matige verontreiniging met PAK is waarschijnlijk veroorzaakt door de aangetroffen kolen. Het is niet bekend hoe de kolen in de bovengrond terecht zijn gekomen. Bodemgebruik Boring 3 bevindt zich ten noordwesten van de voormalige boerderij. Het terreindeel is momenteel braakliggend. Tot circa 2003 bevond zich hier een machineberging. Bodemopbouw Er wordt niet verwacht dat de verontreiniging met PAK zich heeft verplaatst naar de ondergrond en het grondwater (immobiel). Omvang van de De omvang lijkt op basis van de beschikbare gegevens beperkt verontreiniging van omvang te zijn. Op één spot (boring 3) is sprake van een matige verontreiniging met PAK. Ernst van de Vanwege de vermoedelijke beperkte omvang van de verontreiniging verontreiniging, wordt verwacht dat er geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging.
5.2
Onderzoeksstrategie
Ten behoeve van de verticale afperking wordt ter plaatse van boring 3 een boring verricht tot 2.0 meter diepte (boring 3A). Ten behoeve van de horizontale afperking worden rondom boring 3A in totaal 4 boringen verricht tot 1.0 meter diepte. Deze boringen worden gecodeerd als boring 3B t/m 3E. Ten behoeve van de horizontale en verticale afperking worden in totaal 5 grondmonsters geanalyseerd op PAK. 5.3
Veldwerkzaamheden
De veldwerkzaamheden zijn op 11 september 2019 uitgevoerd door de heer J. Hartman, een veldwerker conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/08), en de heer N. Pepping. Er zijn in totaal 4 boringen verricht tot 1.0 meter diepte en 1 boring tot 2.0 meter diepte. De locaties van de aanvullende boringen zijn weergegeven op de situatieschets in bijlage I. De bodem ter plaatse van de aanvullende boringen bestaat tot 1.0 m-mv uit zeer fijn tot matig fijn, zwak siltig en zwak humeus zand. In de aanvullende boringen zijn bodemvreemde materialen waargenomen, deze zijn weergegeven in tabel 12.
Kruse Milieu BV
Project: 19041010
Pagina 13 van 22
Tabel 12: Weergave bodemvreemde materialen. Boring
Diepte (m-mv) Waarneming
3B
0 - 0.4
Sporen kolen, resten grind
3C
0 - 0.2
Resten baksteen, sporen slakken
3E
0 - 0.5
Sporen puin
Op basis van de zintuiglijke waarnemingen is besloten de onderstaande monsters te analyseren op minerale olie. Tabel 13: Weergave geanalyseerde monsters. Boring (m-mv)
Aanleiding
3A (0.2 - 0.7)
Verticale afperking
3B (0 - 0.4)
Horizontale afperking
3C (0 - 0.2)
Horizontale afperking
3D (0 - 0.5
Horizontale afperking
3E (0 - 0.5)
Horizontale afperking
5.4
Resultaten chemische analyses
De analyseresultaten en de toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. In de bovengrond (BG - 3B, BG - 3C en BG - 3D) zijn verhoogde gehalten ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden aangetoond. Deze zijn weergegeven in tabel 14. In de bovengrond (BG - 3E) en in de ondergrond (OG - 3A) zijn geen verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten van de onderzochte stoffen. Tabel 14: Verhoogde concentraties (mg/kg droge stof of μg/l). Monster
1
Component
Gemeten concentratie
GSSD
Achtergrondwaarde1 of Streefwaarde
Interventiewaarde
BG - 3B
PAK
11
10.73 *
1.5
40
BG - 3C
PAK
9.4
9.385 *
1.5
40
BG - 3D
PAK
2.1
2.133 *
1.5
40
AW2000
In de vierde kolom van tabel 14 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW; * concentratie groter dan AW en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I. Kruse Milieu BV
Project: 19041010
Pagina 14 van 22
5.5
Bespreking resultaten chemische analyses
Uit de resultaten van de chemische analyses blijkt dat de verontreiniging in zowel horizontale als verticale richting in voldoende mate is afgeperkt. Er zijn geen sterk verhoogde gehalten aan PAK aangetoond in en rondom boring 3. Zodoende is er geen sprake van een sterke verontreiniging en is er geen saneringsnoodzaak.
Kruse Milieu BV
Project: 19041010
Pagina 15 van 22
6
Nader asbestonderzoek druppelzone A 6.1
Onderzoeksstrategie
De onderzoeksopzet gaat uit van de NEN 5707+ C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. Het gewogen asbestgehalte in druppelzone A is hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek, waardoor nader asbestonderzoek noodzakelijk is. De asbestverontreiniging ter plaatse van druppelzone A beperkt zich vermoedelijk tot de toplaag van de onverharde strook langs de zuidoost en noordwestzijde van de schuur. In het nader onderzoek asbest wordt standaard uitgegaan van het graven van proefsleuven. In plaats van inspectiesleuven worden in dit nader asbestonderzoek inspectiegaten gegraven. Vanwege de verwachte kleinschaligheid (oppervlakte van circa 14 m2) van de asbestverontreiniging is de gekozen onderzoeksstrategie voldoende om inzicht te krijgen in de omvang de van de aangetoonde asbestverontreinigingen. De gekozen onderzoeksstrategie heeft geen (aantoonbare) negatieve invloed op de betrouwbaarheid van het onderzoeksresultaat. De norm NEN 5707 (paragraaf 7.1) staat toe om in dit soort gevallen af te wijken van de richtlijnen. Ten behoeve van de verticale afperking, worden ter plaatse van druppelzone A bij de inspectiegaten A1, A2, A3 en A4 nieuwe gaten gegraven (gecodeerd als gat A1A, A2A, A3A en A4A).
Voor de horizontale afperking worden, op circa 1 meter afstand bij druppelzone A, 4 nieuwe gaten gegraven (gecodeerd als gat A11, A12, A13 en A14). De minimale afmeting van een inspectiegat bedraagt 0.3x0.3 meter. Elk inspectiegat wordt gegraven of doorgeboord tot de ongeroerde bodemlaag. Het opgegraven materiaal wordt gezeefd over 20 mm. 6.2
Asbestanalyses
De asbestanalyses worden verricht door Eurofins ACMAA Testing te Deurningen, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. Tabel 7: Analyse per monster. Monster
Analyse
Verticale afperking (1x)
Asbest en droge stof
Horizontale afperking (1x)
Asbest en droge stof
6.3
Veldwerkzaamheden nader asbestonderzoek
De veldwerkzaamheden zijn op 11 september 2019 uitgevoerd door de heer J. Hartman, een veldwerker conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/08), en de heer N. Pepping. Ter plaatse van druppelzone A zijn in totaal 8 inspectiegaten gegraven. Visueel zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem. In tabel 8 is een overzicht weergegeven van de visueel aangetroffen bodemvreemde materialen.
Kruse Milieu BV
Project: 19041010
Pagina 16 van 22
Tabel 8: Visuele waarnemingen. Inspectiegat
Diepte (m-mv)
Waarneming
A1A
0 - 0.15
Resten baksteen
A1A
0.15 - 0.2
Erfverharding, volledig beton
A1A
0.2 - 0.5
Resten puin
A2A
0 - 0.2
Sporen baksteen
A3A
0 - 0.5
Resten puin
A11
0 - 0.15
Sporen baksteen
A12, A13 en A14
0 - 0.1
A13
0.1 - 0.4
Resten puin
A14
0.1 - 0.5
Resten puin en sporen glas
Sporen baksteen
Om de visuele waarnemingen te onderbouwen worden de grondmengmonsters van de fijne fractie geanalyseerd op asbest, zoals in tabel 9 staan omschreven. Tabel 9: Geanalyseerde asbestmonsters. Inspectiegat
Traject (m-mv)
Motivatie
MM FF - Gat A1A, A2A, A3A en A4A
A1A A2A A3A A4A
0.2 - 0.5 0.2 - 0.7 0.5 - 0.7 0.2 - 0.5
Verticale afperking
MM FF - Gat A11, A12, A13 en A14
A11 t/m A14
0 - 0.10
Horizontale afperking
Monster
6.4
Resultaten asbestanalyse nader asbestonderzoek
In bijlage IV zijn de analyserapporten van het nader asbestonderzoek opgenomen. In het mengmonster van de fijne fractie van de horizontale afperking MM FF - A11 t/m A14 van druppelzone A is asbest aangetoond. Het gewogen asbestgehalte is in tabel 10 weergegeven. Tabel 10: Gewogen asbestconcentratie (mg/kg droge stof). Component
Gewogen asbestconcentratie
Achtergrondwaarde
Interventiewaarde
MM FF - A1A t/m A4A
Asbest
n.a.
-
100
MM FF - A11 t/m A14
Asbest
13
-
100
Inspectiegat
In de derde kolom van tabel 10 wordt de volgende codering toegepast: n.a. : Geen asbest aangetoond. Normaal : Het gehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Onderstreept : Overschrijding van de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Vet : Overschrijding van de interventiewaarde.
Kruse Milieu BV
Project: 19041010
Pagina 17 van 22
6.5
Bespreking asbestanalyses nader asbestonderzoek
De omvang van de asbestverontreiniging ter plaatse van druppelzone A is in voldoende mate afgeperkt. In het asbestmonster ten behoeve van de verticale afperking is geen asbest aangetoond. In het asbestmonster ten behoeve van de horizontale afperking is asbest aangetoond, maar is het gewogen gehalten ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader onderzoek. Het asbestgehalte in de druppelzone is kleiner dan de interventiewaarde. Aangezien er geen sprake is van een (sterke) verontreiniging met asbest, is er geen saneringsnoodzaak.
Kruse Milieu BV
Project: 19041010
Pagina 18 van 22