CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70.pdf

Gemeenteraad 20 april 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 9: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Lattrop, Dorpsstraat 70”29.439 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:  

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:   

Ÿ woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; Ÿ woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; Ÿ kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.’ Het Besluit gevoelige bestemmingen is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Als gevolg van onderhavig plan worden acht woningen gerealiseerd. Als gevolg van deze ontwikkeling komt de detailhandels bestemming gedeeltelijk te vervallen. Gelet op de aard van de voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals hierboven zijn beschreven, kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling kan worden aangemerkt als een project welke "niet in betekenende mate" bijdraagt aan luchtverontreinigingen.

De aspecten ‘verkeer’ en ‘luchtkwaliteit’ vormen derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Geur De woningen vallen aan te merken als geurgevoelige objecten in de zin van artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom. De dichtstbijzijnde veehouderij bevindt zich aan de Bergvennenweg (grondgebonden agrarisch bedrijf, melkveehouderij) -3-

op een afstand van circa 280 meter van het plangebied. Daarmee wordt voldaan aan de afstandsvereiste van minstens 100 meter. Vorenstaande brengt met zich mee dat onderhavig plan in overeenstemming is met de Wet geurhinder en veehouderij. Akoestisch De nieuwe woningen worden op enige afstand van de Dorpsstraat gerealiseerd, volledig binnen de 45 – 50 dB contour, gerealiseerd. Daarmee is het zeer aannemelijk dat voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van de Dorpsstraat en dat er ter plaatse sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bodem Door Kruse Milieu BV is een verkennend en nader bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. De aanleiding van het aanvullend bodemonderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van het terreindeel en de bouw van woningen. In 2019 is op het terreindeel een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport van het bodemonderzoek is beoordeeld door de Omgevingsdienst Twente en op basis hiervan is een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Binnen de onderzoekslocatie zijn enkele verontreinigingen aangetoond. Plaatselijk zijn in de bodem koolresten aangetroffen, waardoor de bodem licht tot sterk verontreinigd is met PAK. In het kader van de voorgenomen herontwikkeling van het terrein is sanering van de sterke PAKverontreiniging ter plaatse van boring E10 noodzakelijk.

De omvang van de verontreiniging wordt geschat op circa 10 m3. Bij het huidige gebruik levert de verontreiniging geen risico’s op voor de volksgezondheid, omdat deze is afgedekt door de klinkerverharding. Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met schone grond. Tevens mag de verontreinigde grond niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van bevoegd gezag (gemeente Dinkelland). Indien de grond gesaneerd wordt, dient dit in overleg met het bevoegd gezag te gebeuren. Ter plaatse van de in 2003 gesloopte kapschuur is de bovengrond kolengruishoudend en licht tot matig verontreinigd met PAK. De omvang van deze kolengruishoudende laag wordt geschat op circa 150 m2 x 0.5 meter = 75 m3. Het is aannemelijk dat het een historische verontreiniging betreft en dat deze voor 1987 is veroorzaakt. Mogelijk zijn in het verre verleden asresten uit de kachel gestort, om dit deel van het terrein te verharden. Aangenomen wordt dat de PAKverontreinigingen ter plaatse van boringen E10 en W10 ook zo zijn ontstaan en eveneens als historische verontreiniging beschouwd kunnen worden. Ter plaatse van boring W10 zijn in de boven- en ondergrond kolengruis aangetroffen. Deze lagen zijn slechts licht verontreinigd en sanering is niet noodzakelijk.

Ter plaatse van de 2 druppelzones is geen sprake van een (sterke) verontreiniging met asbest en er is derhalve geen saneringsnoodzaak. Uit milieukundig oogpunt is er, na sanering van de verontreinigingen met PAK, geen bezwaar tegen de voorgenomen herontwikkeling aangezien de overige vastgestelde (zeer) lichte verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt na sanering geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). Water Op 10 juli 2019 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de normale procedure van de watertoets van toepassing is. Op 17 juli 2019 heeft waterschap laten weten te kunnen instemmen met het plan indien de toename van het verhard oppervlak wordt gecompenseerd en dat het wenselijk is als geen gebruik gemaakt wordt van uitlogende (bouw)materialen. Als gevolg van onderhavig plan neemt het verhard oppervlak toe met circa 500 m2. Hiervoor dienen compenserende maatregelen genomen te worden. Compenserende maatregelen zijn bijvoorbeeld de aanleg van een zaksloot, vijver, wadi's, bodempassage etc. Hiervoor zijn compenserende maatregelen nodig. Het waterschap hanteert hierbij de 55 mm vuistregel. Concreet betekent dit dat 55mm x de toename verhard oppervlak, dit uitgedrukt in kubieke meters, ingericht dient te worden voor waterberging.

Voor dit plan betekent dit dat circa 27.5 kubieke meter water geborgen moet worden. Dit water kan worden geborgen in bijvoorbeeld een zaksloot, wadi's, bodempassage, (vis)vijver, infiltratiekratten etc. In de openbare ruimte wordt een waterberging in de vorm van een wadi van 27.5 m3 gerealiseerd. Archeologie -4-

De gemeente Dinkelland heeft beleid voor archeologie vastgesteld. Op de archeologische verwachtingsen beleidsadvieskaart staan archeologische rijksmonumenten en de kans op archeologische vondsten vermeld. Per gebied zijn criteria opgesteld wanneer een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het plangebied is gelegen binnen de verwachtingszone 'hoge verwachting in zone om historisch element'. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 2.500 m2. Als gevolg van onderhavig plan vinden er bodemingrepen dieper dan 40 cm plaats over een oppervlakte van ten minste 2.500 m2. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Door Laagland Archeologie is in maart 2020 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Dorpsstraat 70 te Lattrop Breklenkamp. Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd. Op basis van het bureauonderzoek kunnen resten uit alle perioden worden verwacht.

Voor de periode laat-Paleolithicum tot en met vroeg-Neolithicum en de periode IJzertijd – Nieuwe Tijd geldt een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Voor de periode midden-Neolithicum –Bronstijd is sprake van een middelhoge verwachting. Op de kadastrale kaart van 1832 is een boerderij aangegeven. Het boerenerf is vermoedelijk terug te voeren tot de 17e of 18e eeuw. De bebouwing lag waarschijnlijk in het zuidelijke deel van het plangebied, dat tot op heden aldoor bebouwd is geweest. De conservatie van voorgangers van de boerderij is daarom mogelijk slecht of matig. Voor het noordelijke deel van het plangebied waar aldoor een plaggendek is geweest, is waarschijnlijk sprake van goede conserveringsomstandigheden. Dit verwachtingsmodel is getoetst en aangevuld door middel van verkennend booronderzoek. Het verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zo nodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de bodem in de te bebouwen delen tot in de C-horizont is verstoord. De kans dat het gebied nog archeologische resten met een intacte archeologische context bevat wordt daarom laag geacht. In het noordelijke deel is sprake van een nagenoeg intact plaggendek.

Dit deel ligt landschappelijk ongeveer 1 m hoger dan de rest van het plangebied. Hier zijn geen bodemingrepen gepland. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt geadviseerd geen archeologisch vervolgonderzoek in het plangebied uit te voeren en het grootste deel van het plangebied vrij te geven voor het aspect archeologie. Indien ook in het meest noordelijke deel bodemverstoring is gepland, adviseren we hier eerst een aantal karterende boringen te zetten, gericht op het opsporen van eventuele vindplaatsen. De implementatie van dit advies is overgenomen door de bevoegde overheid, de gemeente Dinkelland. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, de heer A. Vissinga

-5-

Externe veiligheid Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 1,35 km van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid. Kabels en leidingen In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen zoals rioolpersleidingen of waterleidingen gelegen. Er bevinden zich ook geen hoogspanningsverbindingen in de omgeving van het plangebied. Derhalve vormt het aspect kabels en leiding geen belemmering voor onderhavig plan. Parkeren Als gevolg van de ontwikkeling van acht woningen zal er parkeerbehoefte ontstaan. Binnen het plangebied zal worden voorzien in de hoeveelheid parkeerplaatsen voor de acht toe te voegen woningen. Daarbij wordt conform de notitie ‘bouwen en parkeren 2018 van Noaberkracht Dinkelland/Tubbergen’ de hoeveelheid parkeerplaatsen bepaald. In het plan is een flexibiliteit ingebouwd voor wat betreft de soort woningen en de hoeveelheid. Voor de berekening van de hoeveelheid parkeerplaatsen wordt uitgegaan van de situatie waarbij de meeste parkeerplaatsen nodig zijn.

Het noordelijke bouwvlak staat maximaal 5 woningen toe waarbij zowel vrijstaande als twee-aaneen gebouwd kan worden. Een vrijstaande woning heeft de hoogste parkeerbehoefte. Voor het noordelijke bouwvlak geldt een parkeerbehoefte van (2.3 * 5) 11.5 parkeerplaatsen. Het zuidoostelijke bouwvlak staat maximaal 3 rijwoningen toe of 2 vrijstaand/twee-aan-een. De parkeerbehoefte is dan voor rijwoningen (3 * 2) 6 parkeerplaatsen en voor vrijstaand (2 * 2.3) 4.6. In de situatie waarbij de meeste parkeerplaatsen nodig zijn, zijn er conform het beleid 11.5 + 6 = 17.5 parkeerplaatsen nodig. 7 van de 8 woningen zullen een oprit hebben waarbij er conform het beleid dus 7 * 0.8 = 5.6 parkeerplaatsen aanwezig zullen zijn. In de openbare ruimte zullen er 17.5 – 5.6 = 11.9 afgerond 12 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Het plan voorziet in de hoeveelheid parkeerplaatsen op eigen terrein en derhalve vormt het aspect parkeren geen belemmering voor onderhavig plan. Voor het overige zorgt de inbreiding ter plaatse van de Dorpsstraat 70 te Lattrop niet voor significante negatieve milieueffecten. De milieueffecten van de ontwikkeling zijn beperkt te noemen. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de voorgenomen ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen en dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten.

Derhalve wordt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland voorgesteld om geen milieueffectrapportage op te laten stellen. Wij vertrouwen erop u hiermee van dienst te zijn geweest. Hoogachtend, Ad Fontem BV, A. Veenendaal

-6-

Bijlage 3

Besluit aanmeldnotitie

bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70

61

Gemeente Dinkelland T.a.v. de heer N. van Bethem Postbus 11 7590 AA DENEKAMP Brief per e-mail: n.vanbenthem@noaberkracht.nl Almelo, 4 september 2020 Betreft: Besluit aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling Referentie: Z2020-ODT-010730 Extern zaaknummer: ZD-2020-001335 Geachte heer Van Benthem, Op 29 juni 2020 hebben wij uw aanmeldingsnotitie ontvangen voor een vormvrije m.e.r. beoordeling t.b.v. de Dorpsstraat 70 te Lattrop. Uw aanmeldingsnotitie is geregistreerd onder zaaknummer Z2020-ODT-010730. Besluit Ons besluit dat er geen milieueffectrapport nodig is, vindt u als bijlage bij deze brief. Als u het niet eens bent met ons besluit, dan kunt u daar nu geen bewaar tegen maken. Dat kan pas later bij het (ontwerp)besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning. Vragen? Neem dan contact op met de heer H. Klein Velderman van de Omgevingsdienst Twente. U kunt de heer H. Klein Velderman bereiken via 0546-749 500 of per e-mail info@odtwente.nl. U dient het referentienummer te vermelden als u reageert. Met vriendelijke groet, namens Burgemeester en wethouders van Gemeente Dinkelland,

Ir. Jan Willem Strebus Directeur Omgevingsdienst Twente Overzicht Overzicht van bijlagen behorend bij dit vormvrije m.e.r.-beoordelingsbesluit: - Aanmeldingsnotitie MER d.d. 16 juni 2020 (19AF089) OD Twente Haven Zuidzijde 30 7607 EW Almelo Postbus 499 7600 AL Almelo KVK 71101241 BTW NL858579509B01 IBAN NL48 BNGH 028 5175 416 BIC BNGHNL2G

Besluit op m.e.r-plicht (vormvrije m.e.r.beoordelingbesluit) ALS BEDOELD IN ARTIKEL 7.16, EERSTE LID VAN DE WET MILIEUBEHEER

Naam bedrijf: gemeente Dinkelland Adres locatie: Dorpsstraat 70 te Lattrop Datum besluit: 4 september 2020 Referentienummer: Z2020-ODT-010730

Z2020-ODT-010730 / ZD-2020-001335 /

Omgevingsdienst Twente

Pagina 2 van 14

Inhoud 1.

Besluit m.e.r-plicht (vormvrije m.e.r.-beoordelingbesluit) ................................. 4 Onderwerp ................................................................................................................... 4 Besluit op m.e.r-plicht (vormvrije m.e.r.-beoordelingsbesluit) ............................. 4 Bezwaar ........................................................................................................................ 4 Ondertekening ............................................................................................................. 4

2.

Procedurele aspecten ............................................................................................. 5 Gegevens aanvrager .................................................................................................. 5 Projectbeschrijving..................................................................................................... 5 Wettelijke grondslag ................................................................................................... 5 Ontvankelijkheid ......................................................................................................... 5

3.

Conclusie ............................................................................................................... 13

Bijlage 1 Bezwarenbijlage ........................................................................................... 14

Z2020-ODT-010730 / ZD-2020-001335 /

Omgevingsdienst Twente

Pagina 3 van 14

1. Besluit m.e.r-plicht (vormvrije m.e.r.beoordelingbesluit) Onderwerp Op 29 juni 2020 is een aanmeldingsnotitie voor de beoordeling van de m.e.r.-plicht (vormvrij) ingediend. Dit ter voorbereiding op het voornemen tot een bestemmingsplanherziening in verband met de realisatie van 8 woningen op de locatie aan de Dorpsstraat 70 te Lattrop. De aanmeldingsnotitie is geregistreerd onder zaaknummer Z2020-ODT-010730. Besluit op m.e.r-plicht (vormvrije m.e.r.-beoordelingsbesluit) Wij hebben besloten, ter voorbereiding op het besluit op grond van artikel 2.1, onder 2 van de Wabo, voor de gewenste activiteit geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld nu belangrijke nadelige gevolgen als bedoeld in artikel 7.2 Wet milieubeheer (Wm) kunnen worden uitgesloten. Bezwaar Op grond van artikel 6.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt deze beoordeling beschouwd als een handeling ter voorbereiding op het moederbesluit. Tegen onderhavig besluit staat geen direct bezwaar of beroep open, tenzij deze beslissing een belanghebbende rechtstreeks in zijn belang treft. U kunt als direct belanghebbende gedurende een periode van zes weken nadat dit besluit aan u is bekendgemaakt, een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland. Meer informatie over het indienen van bezwaar is terug te vinden in bijlage 1 van dit besluit.

Ondertekening Almelo, 4 september 2020, namens burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland,

Ir. Jan Willem Strebus Directeur Omgevingsdienst Twente

Z2020-ODT-010730 / ZD-2020-001335 /

Omgevingsdienst Twente

Pagina 4 van 14

2. Procedurele aspecten Gegevens aanvrager Op 29 juni 2020 hebben wij een aanmeldingsnotitie m.e.r. beoordelingsplicht ontvangen, als bedoeld in artikel 7.16, eerste lid van de Wet milieubeheer (Wm), van de gemeente Dinkelland, voor de locatie gelegen aan de Dorpsstraat 70 te Lattrop. In en bij de aanmeldingsnotitie zijn een beschrijving en bijlagen gevoegd om belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden of te voorkomen. Projectbeschrijving De voorgenomen activiteit heeft betrekking op het voornemen tot een bestemmingsplanherziening in verband met de realisatie van 8 woningen. Voor dit project is een Omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanwijziging benodigd. Wettelijke grondslag De milieueffectrapportage (m.e.r.) is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wm. Ingevolge artikel 7.17, eerste lid, van de Wm moet het bevoegd gezag bij voorgenomen activiteiten genoemd in onderdeel D van het Besluit m.e.r. besluiten of voor het project, gelet op de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die het project mogelijk heeft, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Het gaat om de gevolgen voor het milieu als bedoeld in artikel 7.1 van de Wm. Het initiatief heeft betrekking op de activiteiten genoemd in de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r.

onderdeel D11.2, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De voorgenomen activiteit ziet toe op het voornemen tot een bestemmingsplanherziening in verband met de realisatie van 8 woningen, maar overschrijdt één of meerdere D11.2-drempelwaarden niet. Op grond het Besluit m.e.r. moet het bevoegd gezag, voor alle activiteiten die ook onder de m.e.r.beoordelingsdrempel liggen, bepalen of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Dit dient te gebeuren op grond van de criteria genoemd in bijlage III bij de EG-richtlijn milieueffectbeoordeling (2011/92/EU en 2014/52/EU). De criteria van bijlage III van de richtlijn omvatten: de kenmerken van het project (onder andere omvang en cumulatie); de locatie van het project (de kenmerken van het plangebied in relatie met kwetsbaarheid omgeving); soort en kenmerken van het potentiële effect (mogelijke effecten van de activiteit, onder andere bereik, waarschijnlijkheid en omkeerbaarheid). Hieronder volgt onze afweging. Ontvankelijkheid Na ontvangst van de aanmeldingsnotitie is deze getoetst op ontvankelijkheid. Gebleken is dat de aanmeldingsnotitie voldoende gegevens bevatte om een besluit te kunnen nemen.

Z2020-ODT-010730 / ZD-2020-001335 /

Omgevingsdienst Twente

Pagina 5 van 14

In de aanmeldingsnotitie is voldoende informatie gegeven over de te ondernemen activiteit en de milieugevolgen die deze activiteit met zich mee zal brengen. Inzicht in de omvang van het project wordt verkregen door inzicht in de milieugevolgen, welke in hoofdzaak bestaan uit verkeer, lucht, geur, geluid, bodem, externe veiligheid en stofverspreiding.

Z2020-ODT-010730 / ZD-2020-001335 /

Omgevingsdienst Twente

Pagina 6 van 14

Overwegingen De voorgenomen situatie De aanmeldingsnotitie betreft ziet toe op het voornemen tot een bestemmingsplanherziening in verband met de realisatie van 8 woningen. Hiertoe dient er een aanvraag Omgevingsvergunning, voor een bestemmingsplanwijziging, te worden ingediend. Die aanvraag dient vergezeld te gaan van een m.e.r.beoordelingsbesluit, waarvoor de onderhavige m.e.r. aanmeldnotitie is ingediend. De activiteiten vallen onder onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. De aangevraagde activiteiten liggen onder de drempelwaarde genoemd in deze lijst. Op grond van het Besluit m.e.r. moet het bevoegd gezag, voor alle activiteiten die ook onder de m.e.r.-beoordelingsdrempel liggen, bepalen of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Dit dient te gebeuren op grond van de criteria genoemd in bijlage III bij de EG-richtlijn milieueffectbeoordeling (2011/92/EU en 2014/52/EU). Op grond van artikel 7.17, lid 3 van de Wm houden wij bij de beslissing rekening met de in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn aangegeven criteria. De criteria van bijlage III van de m.e.r.-richtlijn omvatten: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. kenmerken van de potentiële effecten. Deze drie punten hoeven niet samen aanwezig te zijn, wil er sprake zijn van de noodzaak voor het opstellen van een milieueffectrapport.

Dit betekent dat alleen al door de ligging van een voorgenomen activiteit in een gevoelig gebied (bijv. in een grondwaterbeschermingsgebied) er sprake kan zijn van mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

Z2020-ODT-010730 / ZD-2020-001335 /

Omgevingsdienst Twente

Pagina 7 van 14

1. De kenmerken van het project Bij de kenmerken van het project dient in het bijzonder in overweging genomen te worden: - de omvang van het project; - de cumulatie met andere projecten; - gebruik van natuurlijke hulpbronnen; - de productie van afvalstoffen; - verontreiniging en hinder; - het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering, - risico's voor de menselijke gezondheid. De omvang van het project Voor de omschrijving van de omvang van het project verwijzen wij naar de hiervoor opgenomen beschrijving van de voorgenomen situatie. De milieugevolgen bestaan hoofdzakelijk uit verkeer, lucht, geur, geluid, bodem en externe veiligheid. Verkeer en Lucht Als gevolg van onderhavig plan worden 8 woningen gerealiseerd. Gelet op de aard van de voorliggende ontwikkeling zoals omschreven in de aanmeldnotitie, kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling kan worden aangemerkt als een project welke "niet in betekenende mate" bijdraagt aan luchtverontreinigingen. De aspecten ontwikkeling. Geur De woningen vallen aan te merken als geurgevoelige objecten in de zin van artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom. De dichtstbijzijnde veehouderij bevindt zich aan de Bergvennenweg (grondgebonden agrarisch bedrijf, melkveehouderij) op een afstand van circa 280 meter van het plangebied.

Daarmee wordt voldaan aan de afstandsvereiste van minstens 100 meter. Vorenstaande brengt met zich mee dat onderhavig plan in overeenstemming is met de Wet geurhinder en veehouderij. Geluid De nieuwe woningen worden op enige afstand van de Dorpsstraat gerealiseerd, volledig binnen de 45 – 50 dB(A) contour. Daarmee is het zeer aannemelijk dat voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van de Dorpsstraat en dat er ter plaatse sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bodem

Z2020-ODT-010730 / ZD-2020-001335 /

Omgevingsdienst Twente

Pagina 8 van 14

Door Kruse Milieu BV is een verkennend en nader bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. De aanleiding van het aanvullend bodemonderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van het terreindeel en de bouw van woningen. In 2019 is op het terreindeel een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport van het bodemonderzoek is beoordeeld door de Omgevingsdienst Twente en op basis hiervan is een aanvullend onderzoek uitgevoerd. In het kader van de voorgenomen herontwikkeling van het terrein is sanering van de sterke PAK-verontreiniging ter plaatse van boring E10 noodzakelijk. De omvang van de verontreiniging wordt geschat op circa 10 m3. Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met schone grond. Tevens mag de verontreinigde grond niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van bevoegd gezag (gemeente Dinkelland). Indien de grond gesaneerd wordt, dient dit in overleg met het bevoegd gezag te gebeuren. Uit milieukundig oogpunt is er, na sanering van de verontreinigingen met PAK, geen bezwaar tegen de voorgenomen herontwikkeling aangezien de overige vastgestelde (zeer) lichte verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt na sanering geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).

Externe veiligheid Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 1,35 km van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid. De cumulatie met andere projecten De omgeving van het project betreft een dorp. Het voornemen om 8 woningen te bouwen in de dorpskern, heeft weinig tot geen effecten voor het milieu en leidt dus niet tot noemenswaardige cumulatie van effecten met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Vanuit het Bouwbesluit dienen de 8 nieuw te bouwen woningen zo energieneutraal mogelijk te worden gebouwd. Door de toepassing van energiebesparende en duurzame maatregelen wordt zo spaarzaam mogelijk omgegaan met het gas- en elektraverbruik. Deze activiteit zal niet leiden tot een toename van het overige gebruik van natuurlijke hulpbronnen als water, land, bodem en biodiversiteit. Voor dit onderwerp is er geen aanleiding tot het verlangen van een milieueffectrapport. De productie van afvalstoffen

Z2020-ODT-010730 / ZD-2020-001335 /

Omgevingsdienst Twente

Pagina 9 van 14

Tijdens de bouw van de 8 woningen komen afvalstoffen vrij. Het kan daarbij gaan om hout, steen, ijzer, kunststoffen, groenafval, papier, restafval, gevaarlijk afval, etc. Deze afvalstromen zijn tijdelijk in de totale activiteiten die binnen het project worden uitgevoerd en het betreft dan ook geen grote hoeveelheden in opslag. Grotendeels worden deze opnieuw ingezet als recycling elders. Voor alle zaken die uit deze activiteiten vrijkomen geldt dat deze afgevoerd worden naar een erkende eindverwerker. Er is hier geen aanleiding tot het verlangen van een milieueffectrapport. Verontreiniging en hinder De gevraagde activiteiten kunnen gevolgen hebben voor milieuaspecten. Deze zijn Omvang van het Project al uitvoerig beschreven. Het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering Bij de bouw van 8 woningen behoeft er niet te worden gevreesd voor extra risico's op ongevallen. De voorschriften die aan de Omgevingsvergunning worden verbonden zijn voldoende om de kans op calamiteiten te beperken. Risico's voor de menselijke gezondheid Indien door het in werking zijn van dit project z , z 1.1, ,W , het milieu bij deze m.e.r.-beoordeling, als ook later bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, worden betrokken. Niet is gebleken dat deze toetsingskaders niet toereikend zijn om onaanvaardbare z .

Conclusie Gelet op de in de aanmeldingsnotitie opgenomen voorzieningen en maatregelen zien wij geen aanleiding om voor de gevraagde wijziging een milieueffectrapportage te eisen. Gelet hierop overwegen wij dat naar aanleiding van de kenmerken van het project kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. 2. De plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteiten van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen: - het bestaande grondgebruik; - relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; - het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden:  wetlands  kustgebieden

Z2020-ODT-010730 / ZD-2020-001335 /

Omgevingsdienst Twente

Pagina 10 van 14

  

  

berg- en bosgebieden reservaten en natuurparken gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszone door de lidstaten aangewezen volgens Richtlijn 79/409/EEG (Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) gebieden waar de milieukwaliteitsnormen al niet worden nagekomen gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Het bestaand grondgebruik Het betreft een voormalige agrarisch erf welke momenteel de bestemming detailhandel heeft. In het hoofdgebouw wordt een fietsenwinkel geëxploiteerd. De inrichting ligt minimaal op 1.400m van een Natura2000-gebied. Relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied. De activiteit heeft tot doel om 8 woningen te realiseren. Deze activiteit zal niet leiden tot een toename van het overige gebruik van natuurlijke hulpbronnen als water, land, bodem en biodiversiteit. Voor dit onderwerp is er geen aanleiding tot het verlangen van een milieueffectrapport. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige typen gebieden Er is geen sprake van een bijzonder type gebied zoals wetlands, kustgebied, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken. Het project is gelegen in de dorpskern van Lattrop. Ook is er geen sprake van een landschap van historisch, cultureel of archeologisch belang. Natura 2000 gebieden De Wnb beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Op grond van de Wnb bepalen de provincies voor hun gebied wat wel en niet mag in de natuur. Zij zijn verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. Het project ligt op 1.400 meter afstand van een Natura 2000 gebied.

Beschermde dier- en plantensoorten Er zijn geen aanwijzingen dat op of in de omgeving van het plangebied beschermde soorten voorkomen waarop de aangevraagde activiteiten negatief van invloed kan zijn. De activiteit is derhalve niet aan te merken als handelingen die leiden tot het overtreden van de verbodsbepalingen van beschermde dier- en plantensoorten. Conclusie De plaats waar het project plaatsvindt, geeft geen aanleiding om een milieueffectrapportage te eisen. Gelet hierop overwegen wij dat naar aanleiding van de

Z2020-ODT-010730 / ZD-2020-001335 /

Omgevingsdienst Twente

Pagina 11 van 14

locatie van het project kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. 3. Kenmerken van de potentiële effecten Bij potentiële aanzienlijke effecten van de activiteit moeten in het bijzonder het bereik van het effect in overweging genomen worden. Hierbij spelen de volgende factoren een rol: het bereik van het effect; het grensoverschrijdende karakter van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect. Gezien de ligging van het project is er geen sprake van een grensoverschrijdend effect als bedoeld in overschrijding van de landgrenzen aangezien er op de Nederlandse gebieden al geen emissietoename is. De effecten van het gewenste project zijn aan de orde geweest in deze onderbouwing. Het effect van de uit te voeren activiteiten is niet omkeerbaar tenzij de geplande woonactiviteiten op de locatie worden beëindigd.

Z2020-ODT-010730 / ZD-2020-001335 /

Omgevingsdienst Twente

Pagina 12 van 14

Conclusie De kenmerken van het potentiële effect van het project geven geen aanleiding om een milieueffectrapportage te eisen. Gelet hierop overwegen wij dat naar aanleiding van de soort en de kenmerken van het potentiële effect kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben waarvoor een MER noodzakelijk is.

3. Conclusie Wij hebben de aanmeldnotitie getoetst en geconcludeerd dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals vastgelegd in bijlage III van de Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. Nu uitgesloten kan worden dat het project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, is er geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapport.

Z2020-ODT-010730 / ZD-2020-001335 /

Omgevingsdienst Twente

Pagina 13 van 14

Bijlage 1 Bezwarenbijlage Reguliere voorbereidingsprocedure Tegen dit besluit kan door belanghebbenden (dat zijn degenen wiens belangen rechtstreeks bij dit besluit zijn betrokken) bezwaar worden gemaakt op grond van de Algemene wet bestuursrecht (artikel 7:1). Een bezwaarschrift moet binnen zes weken na de verzenddatum van het besluit schriftelijk worden ingediend. Het is niet mogelijk om een bezwaarschrift per e-mail of per fax in te dienen. Het bezwaarschrift moet worden ondertekend en bevat ten minste: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht; de gronden van het bezwaar. Het bezwaarschrift moet worden ingediend bij het orgaan, waarvan het besluit afkomstig is. Indien het besluit afkomstig is van het college van burgemeester en wethouders, dan moet het bezwaarschrift ook bij dat college worden ingediend. Een besluit kan echter ook afkomstig zijn van de gemeenteraad of van de burgemeester. In dat geval moet het bezwaarschrift worden ingediend bij de gemeenteraad of bij de burgemeester. Tevens bestaat de mogelijkheid om gelijktijdig met het indienen van het bezwaarschrift of daarna, een voorlopige voorziening te vragen bij de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zwolle. Een verzoek om een voorlopige voorziening dient aan dezelfde eisen te voldoen als het bezwaarschrift (zie hierboven).

Tevens dient een afschrift van het bezwaarschrift te worden meegezonden. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden gericht aan de voorzieningenrechter van de rechtbank, Postbus 10067, 8000 GB Zwolle. Voor het vragen van een voorlopige voorziening is griffierecht verschuldigd. Over de hoogte daarvan en de wijze van betalen ontvangt u bericht van de rechtbank. Als het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, betaalt de gemeente het griffierecht terug.

Z2020-ODT-010730 / ZD-2020-001335 /

Omgevingsdienst Twente

Pagina 14 van 14

Bijlage 4 Bodemonderzoek Dorpsstraat 70

76

bestemmingsplan Lattrop, Dorpsstraat 70

RAPPORT VERKENNEND EN NADER BODEM- EN ASBESTONDERZOEK conform NEN 5740 en NEN 5707 Dorpsstraat 70 - Lattrop-Breklenkamp

Opdrachtgever: Ad Fontem Locatie: Dorpsstraat 70 7635 ND Lattrop-Breklenkamp September 2019

Kruse Milieu BV Bezoekadres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren

Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl

Postadres: Postbus 51 7650 AB Tubbergen

Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739

Tel: 0546 - 63 96 63

KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01

Rapport Verkennend en nader bodem- en asbestonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 Dorpsstraat 70 - Lattrop-Breklenkamp

Opdrachtgever: Ad Fontem Stationsstraat 37 7622 LW Borne Locatie: Dorpstraat 70 7622 LW Borne Projectcode: 19041010 Rapportagedatum: 23 september 2019 Auteur: ing. H. Stevelink Kruse Milieu BV

INHOUD Pagina 1

Inleiding

1

2.1 2.2 2.3

Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie

2 2 2 3

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses

4 4 5 5 6 7

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten van de asbestanalyses Bespreking resultaten asbestanalyses

8 8 8 11 11 12 12

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5

Nader bodemonderzoek boring 3 Conceptueel model en onderzoeksopzet Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Resultaten chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses

13 13 13 13 14 15

6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

Nader asbestonderzoek druppelzone A Onderzoeksstrategie Asbestanalyses Veldwerkzaamheden nader asbestonderzoek Resultaten asbestanalyse nader asbestonderzoek Bespreking asbestanalyses nader asbestonderzoek

16 16 16 16 17 18

7

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen

19

8

Literatuur en bronvermelding

22

2

3

4

5

6

Bijlagen I Regionale ligging locatie Boorplan verkennend en nader bodemonderzoek II Boorstaten en legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses en toetsing chemische analyses IV Resultaten asbestanalyses V Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen Kruse Milieu BV

Project: 19041010

1

Inleiding

Dit rapport beschrijft het verkennend en nader bodem- en asbestonderzoek, dat in opdracht van Ad Fontem op een terrein aan de Dorpsstraat 70 in Lattrop-Breklenkamp door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de geplande nieuwbouw van negen woningen. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning en de bestemmingsplanwijziging. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie als onverdacht kan worden beschouwd. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” - NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN 5707+C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017; - NTA 5755, "Bodem - Landbodem. Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging", NNI Delft, juli 2010.

De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. Het veldwerk is uitgevoerd in juli en september 2019 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.

Kruse Milieu BV

Project: 19041010

Pagina 1 van 22

2

Locatiegegevens 2.1

Beschrijving huidige situatie

Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Dorpsstraat 70, in het noordelijke deel van de bebouwde kom van Lattrop. Het terrein heeft de coördinaten x = 263.139 en y = 494.564 en is kadastraal bekend als: gemeente Denekamp, sectie L, nummer 707 (ged.). De Dorpsstraat bevindt zich ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. Bebouwing en verharding Momenteel staat op de onderzoekslocatie een voormalige boerderij. Het gebouw met huisnummer 70 is in gebruik door een fietsenmaker en behoort niet tot de onderzoekslocatie. Ten noorden van nummer 70 is een voormalige mestkelder aanwezig. Het meest noordelijke gebouw is een kapschuur, welke gedeeltelijk onderkelderd is. Ten oosten hiervan staan 2 schuurtjes, waarvan één met asbestverdachte golfplaten. Op het zuidwestelijke deel van de onderzoekslocatie heeft in het verleden een machineberging gestaan, deze is rond 2003 gesloopt. Tot 2012 bevond zich op het noordoostelijke deel van de locatie een tijdelijke loods. De onderzoekslocatie is deels verhard met klinkers en deels onverhard (gras, weiland en bos). Onderzoekslocatie In het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning en de bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de nieuw te bouwen woningen dient onderzoek te worden uitgevoerd naar de bodemkwaliteit op het terreindeel. De onderzoekslocatie is deels bebouwd en deels verhard. De onderzoekslocatie omvat circa 4500 m².

In bijlage I zijn de regionale ligging van de locatie weergegeven en is het boorplan van Kruse Milieu BV van september 2019 opgenomen. 2.2

Vooronderzoek

In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. Er is navraag gedaan bij de opdrachtgever (mevrouw A. Veenendaal van Ad Fontem), de initiatiefnemer (de heer M. Niehof) en de gemeente Dinkelland. De heer P. Haverkort van Kruse Milieu bv heeft op 2 juli 2019 archiefonderzoek bij gemeente Dinkelland uitgevoerd. De volgende informatie is verzameld: - De onderzoekslocatie heeft al jaren de huidige bestemming. - Het te onderzoeken deel van het terrein is voor zover bekend nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten, die verontreinigend kunnen zijn. - Voor zover bekend is het te onderzoeken terreindeel in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden. - Voor zover bekend is er op het te bebouwen terreindeel nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel. - Er bevinden zich asbesthoudende dakplaten op de middelste schuur. Voor zover bekend bevinden zich geen asbesthoudende beschoeiingen of sloopafval direct naast of op de onderzoekslocatie.

Tevens is de locatie niet gelegen aan een asbestweg. - Er hebben in de directe omgeving eerder bodemonderzoeken plaatsgevonden. Deze worden hierna kort besproken.

Kruse Milieu BV

Project: 19041010

Pagina 2 van 22

Kruse Milieu BV, Verkennend bodemonderzoek en aanvullend asbestonderzoek naast Dorpsstraat 85 te Lattrop, d.d. december 2015, projectnummer 15049010 De aanleiding van dit onderzoek was de geplande nieuwbouw woning. In de bovengrond is een lichte verontreiniging met PAK aangetroffen. In de ondergrond is een lichte verontreiniging met barium, cadmium, kwik, lood, zink, minerale olie, PCB en PAK aangetroffen. In het grondwater is een matig verhoogd bariumgehalte gemeten. In de inspectiesleufen S11 en S14 is asbest aangetroffen, maar is het gewogen asbestgehalten lager dan de interventie-waarde. De geschatte omvang van de (puin)stort en demping bedraagt circa 240 m3. Omdat er geen interventiewaarde overschrijdingen zijn aangetoond, is een bodemsanering niet noodzakelijk. Het boorplan is weergegeven in bijlage I. Kruse Milieu BV, Verkennend bodemonderzoek, Dorpsstraat 85 te Lattrop, projectnummer 13038210, d.d. oktober 2013 Uit de resultaten van dit onderzoek bleek het volgende: Bovengrond: lood, zink en PAK > achtergrondwaarden Ondergrond: niet verontreinigd Grondwater: barium > streefwaarde Kruse Milieu BV, Verkennend bodemonderzoek Dorpsstraat (tussen nummer 75 en 83) te Lattrop-Breklenkamp, d.d. 23 augustus 2019, projectnummer 19046310 De aanleiding van dit onderzoek is de geplande nieuwbouw van twee woningen.

Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in de boven- en ondergrond en in het grondwater geen verontreinigingen zijn aangetroffen. 2.3

Bodemsamenstelling en geohydrologie

Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - Het maaiveld bevindt zich circa 22 meter boven NAP. - De locatie is gelegen in het bekken van Lattrop, ten oosten van de stuwwal bij Ootmarsum en ten noorden van de stuwwal bij Oldenzaal. - De dikte van de kwartaire afzettingen bedraagt ter plekke 50 meter. De basis van het bekken wordt gevormd door kleiige tertiaire afzettingen. Het bekken bestaat voornamelijk uit fluvioglaciale afzettingen, die veelal fijnzandig en slibhoudend zijn. In vrijwel het gehele gebied komen waarschijnlijk afdekkende lagen voor, die uit slibhoudende zanden en kleien van de Eemformatie bestaan. De dikte van deze afdekkende lagen varieert. - Het doorlatend vermogen van het bekken van Lattrop is ter plekke van de onderzoekslocatie naar schatting 500 m²/dag. De k-waarde bedraagt 10 m/dag. - De grondwaterspiegel bevindt zich ongeveer 3.0 meter onder het maaiveld. Het freatische grondwater stroomt in noordoostelijke richting met een gering verhang. - Er bevindt zich geen waterwingebied in de directe omgeving van het terrein. De locatie ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. De Dinkel stroomt op circa 1500 meter ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. Op circa 250 meter ten noordwesten van de locatie is de Rammelbeek gelegen.

Kruse Milieu BV

Project: 19041010

Pagina 3 van 22

3

Uitvoering bodemonderzoek 3.1

Onderzoeksstrategie

De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” - NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. - NEN 5707+C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. Onderhavig onderzoek richt zich op de volgende terreindelen: - Druppelzone A (14 m2, 2 x 7 meter x 1.0 meter); - Overig terreindeel (circa 4500 m2). De druppelzone wordt beschouwd als verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest. De hypothese “verdachte locatie" uit NEN 5707 wordt voor de druppelzone gebruikt. De onderzoeksstrategie op deze deellocatie is gebaseerd op de NEN 5707, paragraaf 6.4.4: verdachte locatie met plaatselijke bodembelasting met duidelijke verontreinigingskern (VEP). De druppelzone ter plekke van deellocatie A bestaat uit 2 korte druppelzones (circa 7 en 7 meter), die gezamenlijk worden onderzocht. Op basis van de beschikbare informatie omtrent het historisch en huidig gebruik van de locatie, kan de onderzoekslocatie als niet verdacht worden beschouwd.

De hypothese "onverdachte locatie" uit NEN 5740 niet lijn-vormige locatie (ONV-NL) wordt voor de locatie gebruikt. Deze hypothese gaat ervan uit dat op een locatie geen of slechts licht verhoogde gehalten worden gemeten. In de norm NEN 5740 zijn voor onverdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en de uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van een omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. Tevens blijkt uit het vooronderzoek dat de onderzoekslocatie niet verdacht is met betrekking tot asbest. Derhalve is geen asbestonderzoek op de locatie noodzakelijk. Tijdens het veldwerk zal visueel worden gelet op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op en in de bodem. Indien tijdens het veldwerk blijkt dat de bodem puinhoudend is, worden de boringen die puinhoudend zijn, tot 0.5 meter diepte, conform NEN 5707 vervangen door inspectiegaten. Aangezien puinhoudende grond per definitie asbestverdacht is dient in voorkomende gevallen asbestonderzoek plaats te vinden. Eventuele funderingslagen vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen.

In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN 5897+C2 van toepassing, “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, augustus 2015.

Kruse Milieu BV

Project: 19041010

Pagina 4 van 22

Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem - in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen. Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40). Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan.

Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. 3.2

Veldwerkzaamheden

Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPRvoorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Overig terreindeel Op een terreindeel met een oppervlakte van circa 4500 m² worden 15 boringen verricht, waarvan 11 tot 0.50 meter en 4 tot 2.0 meter diepte of tot de grondwaterspiegel. Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters wordt één diepe boring overeenkomstig NEN 5766 afgewerkt tot peilbuis. Druppelzone A Ter plaatse van de druppelzone, met een oppervlakte van 14 m2, worden in totaal 4 gaten gegraven; 2 gaten aan de zuidoostzijde (A1 en A2) en 2 gaten aan de noordwestzijde van de schuur (A3 en A4). De gaten hebben een lengte en breedte van minimaal 0.3 meter. Het opgegraven materiaal wordt uitgezeefd over 20 mm en visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest. Alleen de toplaag wordt bemonsterd. Van elk monsterpunt wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN 5104. Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur. 3.3

Analyses

De chemische analyses worden uitgevoerd door Eurofins Analytico BV te Barneveld, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. Eventuele asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins ACMAA Testing, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. Voor het uitvoeren van deze analyses worden in een verkennend onderzoek van deze omvang 3 mengmonsters samengesteld en er wordt 1 grondwatermonster genomen. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 3. Kruse Milieu BV

Project: 19041010

Pagina 5 van 22

De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN 5740 onderzocht. In tabel 1 is weergegeven welke analyses worden uitgevoerd. Tabel 1: Analysepakket per (meng) monster. Monster

Analysepakket Overig terreindeel

Bovengrond (2x) Ondergrond (1x)

Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organische stof, lutum en droge stof

Grondwater (1x)

Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting Druppelzone A

Bovengrond (1x)

Asbest en droge stof

Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats. 3.4

Toetsing chemische analyses

De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 mei 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu. Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging.

tussenwaarde (T): Gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, dus (A+I)/2 (grond) of (S+I)/2 (grondwater). Wanneer bij een verkennend onderzoek een component met concentratie boven deze waarde wordt gevonden is in principe een nader onderzoek nodig. Kruse Milieu BV

Project: 19041010

Pagina 6 van 22

Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. Het toetsingsresultaat is overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: * ** ***

concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I. concentratie groter dan I.

Een locatie wordt als verontreinigd beschouwd als de GSSD groter is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde. De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. 3.5

Toetsing asbestanalyses

De eventuele resultaten van de asbestanalyses worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. De gewogen concentratie asbest is gelijk aan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met 10 maal de concentratie amfiboolasbest. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities.

Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding.

Kruse Milieu BV

Project: 19041010

Pagina 7 van 22

4

Resultaten 4.1

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten. De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen, de samenstelling van de mengmonsters en de grondwatergegevens worden beschreven in paragraaf 4.2. De resultaten van de chemische analyses worden weergegeven in paragraaf 4.3. De resultaten van de chemische analyses worden besproken in paragraaf 4.4. De resultaten van de asbestanalyses worden weergegeven in paragraaf 4.5 en worden besproken in paragraaf 4.6. 4.2

Veldwerkzaamheden

De veldwerkzaamheden zijn in juli 2019 uitgevoerd door de heren J. Hartman en R. Veltmaat, beide zijn veldwerkers conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/08). Overig terreindeel Er zijn op 8 juli 2019 in totaal 7 grondboringen en 8 inspectiegaten gegraven met een schop. De boringen 1, 4, 6, 7, 8, 10, 11 en 13 zijn bij het aantreffen van puin in de bovengrond tot een diepte van 0.5 meter vervangen door inspectiegaten met een lengte en breedte van minimaal 0.3 meter. Vier boringen zijn verdiept met een Edelmanboor, waarvan één boring is doorgezet tot 4.60 meter diepte, ten behoeve van het plaatsen van de peilbuis. Druppelzone A Op 17 juli 2019 zijn 4 inspectiegaten gegraven in de druppelzones aan beide zijden van de schuur met asbestverdachte golfplaten. De inspectiegaten zijn tot 0.1 m-mv gegraven en doorgeboord tot 0.5 meter diepte. De gaten hebben een lengte en breedte van minimaal 0.3 meter. Het opgegraven materiaal is uitgezeefd over 20 mm en visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest. De situering van de monsterpunten is weergegeven in het boorplan (zie bijlage I). Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/472/documents/15213