Bestemmingsplan gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestraat.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Denekamp, Gasleiding KloppendijkNordhornsestraat
Status: vastgesteld
Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):
vastgesteld NL.IMRO.1774.DENBPGASKLOPPEDIJKVG01
Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestraat
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging van het plangebied 1.3 De bij het plan behorende stukken 1.4 Huidig planologisch regime 1.5 Leeswijzer
7 7 7 9 9 9
Hoofdstuk 2 Beschrijving huidige en gewenste situatie 2.1 Huidige en gewenste situatie
11 11
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
13 13 14 16
Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Geluid (Wet geluidhinder) 4.2 Bodemkwaliteit 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Externe veiligheid 4.5 Milieuzonering
19 19 19 20 20 22
4.6 4.7 4.8 4.9
23 23 24 25
Ecologie Archeologie & Cultuurhistorie Besluit milieueffectrapportage Niet Gesprongen Explosieven (NGE)
Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Vigerend beleid 5.2 Waterparagraaf
27 27 28
Hoofdstuk 6 Juridische aspecten en planverantwoording 6.1 Inleiding 6.2 Opzet van de regels 6.3 Verantwoording van de regels
29 29 29 30
Hoofdstuk 7
33
Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 8 Vooroverleg, inspraak en zienswijzen 8.1 Vooroverleg 8.2 Inspraak 8.3 Zienswijzen
35 35 35 35
Bijlagen bij de toelichting
37
Bijlage 1
Kwantitatieve risico-analyse
38
Bijlage 2
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
63
Bijlage 3
Besluit aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
83
2
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestraat
Bijlage 4
Vooronderzoek conventionele explosieven
Regels
90
171
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
173 173 175
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels Leiding - Gas
177 177
Hoofdstuk 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene aanduidingsregels Overige regels
179 179 180 181
Hoofdstuk 4 Artikel 7 Artikel 8
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
183 183 184
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestr aat
3
4
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestraat
Toelichting
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestr aat
5
6
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestraat
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding De Gasunie beheert en onderhoudt het landelijke netwerk van aardgastransportleidingen en levert gas aan regionale netbeheerders en industrieën. De aardgastransportleidingen die hiervoor worden gebruikt worden beheerd en onderhouden door de Gasunie. De Gasunie is daarbij verplicht het netwerk van de leidingen in stand te houden, levering te waarborgen en risico's te beheersen. In de loop van 2020 stonden enkele leidingen in en om Denekamp op het programma voor onderhoud. Eén van deze leidingen betrof een oude dunwandige leiding, die loopt van het Almelo-Nordhornkanaal naar het gasdruk meet- en regelstation (hierna GOS) Denekamp. In het kader van onderhoud en risicobeheersing was het noodzakelijk om de betreffende leiding te vervangen. Inmiddels is de betreffende leiding reeds vervangen. De nieuwe gasleiding is aangelegd door middel van één horizontaal gestuurde boring. Hiermee is in (zeer) beperkte mate afgeweken van de in het bestemmingsplan "Denekamp, verleggen gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestraat" vastgelegde locatie van de gasleiding. Gebleken is dat de gasleiding nu niet centraal in de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' ligt. Dit is wel gewenst ter bescherming van de leiding.
Het is daarom wenselijk om de juridisch-planologische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie, waarbij de nieuwe leiding centraal binnen de dubbelbestemming 'Leiding Gas' komt te liggen. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin. Hierbij zal worden aangetoond dat er sprake is van 'een goede ruimtelijke ordening'. Daarnaast is in het bestemmingsplan "Denekamp, verleggen gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestraat" ter plaatse van de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' behorend bij de bestaande gasleiding een gebiedsaanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied' opgenomen. De gebiedsaanduiding is gekoppeld aan een wijzigingsbevoegdheid op basis waarvan burgemeester en wethouders het bestemmingsplan kunnen wijzigen door de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' ter plaatse van de gebiedsaanduiding te verwijderen. In het voorliggende bestemmingsplan wordt, naast de verlegging van de dubbelbestemming 'Leiding - Gas', tevens de bestaande dubbelbestemming 'Leiding - Gas' ter plaatse van de oorspronkelijke gasleiding wegbestemd.
1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied bevindt zich in de kern Denekamp. De beoogde leiding loopt vanaf het Almelo-Nordhornkanaal, ter hoogte van de Kloppendijk, richting het GOS Denekamp (Nordhornsestraat 49 DIST). In afbeelding 1.1 is de ligging van de nieuwe leiding indicatief weergegeven met de rode lijn. De bestaande gasleiding is indicatief weergegeven met de blauwe lijn.
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestr aat
7
Afbeelding 1.1: Ligging plangebied in de omgeving (bron ondergrond: PDOK) De nieuwe gasleiding (rode lijn afbeelding 1.1) die middels één horizontaal gestuurde boring is aangelegd, volgt nagenoeg de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Denekamp, verleggen gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestraat". In afbeelding 1.2 is het verschil tussen de oorspronkelijke beoogde gasleiding (twee horizontaal gestuurde boringen) en de nieuwe beoogde gasleiding (een horizontaal gestuurde boring) indicatief weergegeven. Voor het overige deel van de gasleiding geldt dat de verschillen marginaal en niet noemenswaardig zijn.
Afbeelding 1.2: Verschil twee en één horizontaal gestuurde boring(en) (bron ondergrond: PDOK)
8
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestraat
1.3 De bij het plan behorende stukken Het Bestemmingsplan "Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestraat" bestaat uit de volgende stukken: verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1774.DENBPGASKLOPPEDIJK-VG01) en een renvooi; regels. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
1.4 Huidig planologisch regime 1.4.1
Algemeen
Het plangebied is gelegen binnen de plangrenzen van onderstaande bestemmingsplannen: Bestemmingsplan Vaststelling Bestemmingsplan Buitengebied 2010 18 februari 2010 Bestemmingsplan Denekamp 9 oktober 2012 Bedrijventerrein Denekamp 17 december 2013 Parapluplan Staat van Bedrijfsactiviteiten Dinkelland 19 april 2016 Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland 29 mei 2018 Denekamp, verleggen gasleiding Kloppendijk 26 november 2019 Nordhornstraat Het plangebied heeft op basis van de geldende bestemmingsplannen voor een groot gedeelte een verkeers- en groenbestemming. Tevens ligt het plangebied gedeeltelijk binnen een waterbestemming, woonbestemming en bedrijfsbestemming. Gezien de aard van de ontwikkeling is het niet relevant om uitgebreid stil te staan bij de van toepassing zijnde enkelbestemmingen. Tevens wordt opgemerkt dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de onderliggende (enkel)bestemmingen als gevolg van voorliggend bestemmingsplan niet wijzigen. De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling voorziet uitsluitend in de mogelijkheid tot het aanleggen van een nieuwe leiding. Tevens wordt een bestaande gasleiding opgeheven door de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' gedeeltelijk te verwijderen. 1.4.2
Strijdigheid
Het aanleggen van gasleidingen op gronden zonder de dubbelbestemming 'Leiding – Gas' is niet toegestaan. De nieuwe leiding ligt grotendeels binnen de dubbelbestemming 'Leiding - Gas'. Echter ligt de leiding niet centraal in de betreffende dubbelbestemming, dit is wel gewenst ter bescherming van de leiding. Hierdoor is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Dit bestemmingsplan voorziet in de gewenste juridisch planologische kaders.
1.5 Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en gewenste situatie in het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de Provincie Overijssel en de gemeente Dinkelland beschreven. In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue. Hoofdstuk 5 gaat in op de wateraspecten. In de hoofdstukken 6 en 7 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 8 gaat in op het vooroverleg, inspraak en zienswijzen.
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestr aat
9
10
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestraat
Hoofdstuk 2 Beschrijving huidige en gewenste situatie 2.1 Huidige en gewenste situatie Zoals in de aanleiding is beschreven is de huidige leiding, die loopt vanaf het Almelo-Nordhornkanaal naar gasdruk meet- en regelstation (hierna GOS) Denekamp, een oude dunwandige leiding. In het kader van onderhoud en risicobeheersing is het noodzakelijk om de huidige leiding te vervangen. Inmiddels is de betreffende leiding vervangen voor een nieuwe leiding. De ligging van de nieuwe leiding is weergegeven in afbeelding 2.1 Bij het aanleggen van leidingen middels horizontaal gestuurde boringen kunnen geen scherpe bochten worden gemaakt, daarom wijkt de ligging van de nieuwe leiding beperkt af van de geldende dubbelbestemming. In afbeelding 2.1 is de bestaande en de nieuwe leiding weergegeven.
Afbeelding 2.1: Bestaande en nieuwe leiding (bron ondergrond: PDOK) Zoals reeds aangegeven is het gewenst om de juridisch-planologische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie, waarbij de gasleiding centraal binnen de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' komt te liggen. Tevens wordt in de regels de bestaande dubbelbestemming 'Leiding - Gas' verwijderd. Dit ter voorkoming dat hier twee gasleidingen komen te liggen. De overige geldende (enkel)bestemmingen wijzigen als gevolg van voorliggende bestemmingsplan niet, en worden onverkort van toepassing verklaard.
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestr aat
11
12
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestraat
Hoofdstuk 3
Beleidskader
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
3.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 3.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.
Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.
Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. 3.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestr aat
13
2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties. 3.1.1.4 Toetsing van het initiatief aan de NOVI De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen/ planologische wijzigingen. Het betreft een ontwikkeling waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
3.1.2.1 Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigt en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ 3.1.2.2 Toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking Er is, gelet op de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling, geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in artikel 3.1.6, lid 2 Bro. Gelet op het vorenstaande is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing. 3.1.3
Conclusie toetsing aan het rijksbeleid
Geconcludeerd wordt dat het relevante ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau de in dit wijzigingsplan besloten ontwikkeling niet in de weg staat.
3.2 Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, welke is verankerd in de Omgevingsverordening. 3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit.
14
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestraat
Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaan vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig. Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving. 3.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. 3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, etcetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. In afbeelding 3.1 is het Uitvoeringsmodel weergegeven.
Afbeelding 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) 3.2.4
Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestr aat
15
3.2.4.1 Of - generieke beleidskeuzes Bij de afwegingen in de eerste fase “generieke beleidskeuzes” wordt opgemerkt dat sprake is van werkzaamheden aan ondergrondse infrastructuur. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN of een Natura 2000-gebied. Daarnaast maakt het eveneens geen onderdeel uit van een grondwaterbeschermingsgebied. Tot slot zijn in de omgevingsverordening geen nadere bepalingen opgenomen ten aanzien van het aanleggen van buisleidingen. Geconcludeerd wordt dat de Omgevingsverordening Overijssel zich niet verzet tegen dit bestemmingsplan. 3.2.4.2 Waar - ontwikkelingsperspectieven & Hoe - gebiedskenmerken Normaliter dienen ruimtelijke ontwikkelingen te worden getoetst aan het geldende ontwikkelingsperspectief en de geldende gebiedskenmerken. In voorliggend geval is sprake van aanpassingen aan het bestaande gasleidingnetwerk. In de Omgevingsvisie Overijssel wordt geen visie gegeven over hoe om te gaan bij aanpassingen aan het ondergrondse infrastructuur. Ten aanzien van de ontwikkelingsperspectieven wordt opgemerkt dat de leiding voor een beperkt deel is gelegen binnen het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Het overige deel van de beoogde leiding is gelegen binnen het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'.
Met de voorgenomen ontwikkeling vindt er een kwalitatieve verbetering van het gasleidingnetwerk plaats. Hierdoor kan de energiezekerheid en –veiligheid beter worden gewaarborgd. In voorliggend geval betreft het dan ook een project waarbij sprake is van maatschappelijk belangen. Van negatieve effecten op natuurgebieden of andere waarden is geen sprake. Er worden geen gebouwen opgericht en na de werkzaamheden zullen de gronden op maaiveldniveau weer in overeenstemming worden gebracht met de huidige situatie. Het toetsen van de ontwikkeling aan de geldende gebiedskenmerken wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Daarnaast wordt opgemerkt dat dergelijke ontwikkelingen passen binnen de ter plaatse geldende ontwikkelingsperspectieven. Resumerend wordt gesteld dat de Omgevingsvisie Overijssel zich niet verzet tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 3.2.5
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel, die is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
3.3 Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste beleidsdocumenten die van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling worden hieronder in willekeurige volgorde behandeld. 3.3.1
Structuurvisie Dinkelland
3.3.1.1 Algemeen Op 10 september 2013 is de Structuurvisie Gemeente Dinkelland vastgesteld. De structuurvisie bevat een integrale ruimtelijke en functionele toekomstvisie voor de gemeente Dinkelland voor de periode tot 2020. Het bevat de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid voor het grondgebied van de gemeente Dinkelland. In de structuurvisie spreekt de gemeente Dinkelland de volgende ambitie uit: Dinkelland wil zich profileren als een toeristisch agrarische gemeente. Kenmerken zijn: Kleinschaligheid, Twentslandschap, Ruimte voor de boer, Versterken toeristische sector en Wonen en (be)leven. In de toekomstplannen wordt aangesloten bij de Omgevingsvisie Overijssel. Hierin spelen duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit een belangrijke rol. 3.3.1.2 Externe veiligheid De gemeente Dinkelland wil haar burgers een veilige leefomgeving bieden. In die zin draagt zij een belangrijke verantwoordelijkheid als het gaat om externe veiligheid. Om die verantwoordelijkheid in te vullen heeft de gemeente Dinkelland een externe veiligheidsbeleid geformuleerd. In paragraaf 3.3.2 wordt nader ingegaan op het externe veiligheidsbeleid.
16
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestraat
3.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de structuurvisie Dinkelland In de Structuurvisie Dinkelland wordt voor wat betreft de externe veiligheid verwezen naar het externe veiligheidsbeleid Dinkelland. Voor het overige wordt opgemerkt dat de 'Structuurvisie Dinkelland' zich niet verzet tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 3.3.2
Externe veiligheidsbeleid
3.3.2.1 Algemeen Invulling geven aan de wettelijke verplichtingen vormt een belangrijk onderdeel van het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. De gemeente Dinkelland streeft naar een verantwoord evenwicht tussen risico's en de behoefte aan de activiteiten die de risico's veroorzaken. Daartoe conformeert de gemeente Dinkelland zich aan haar wettelijke verplichtingen. Daar waar de gemeente als bevoegd gezag een beoordelingsvrijheid heeft, maakt zij keuzes op het gebied van externe veiligheid. Die keuzes bestaan deels uit algemene uitgangspunten en deels uit gebiedsgerichte ambities. Bij externe veiligheid gaat het om de risico’s op de omgeving die samenhangen met het produceren, verwerken, opslaan, werken met en het vervoeren van gevaarlijke stoffen. Deze risico’s doen zich zowel voor bij risicovolle inrichtingen als rondom transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in landelijke wet- en regelgeving en beleidsnota’s, onder andere in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Invulling geven aan deze wettelijke verplichtingen vormt een belangrijk onderdeel van het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. Doel van het externe veiligheidsbeleid is om duidelijk te maken welke externe veiligheidsrisico’s er in Dinkelland aanwezig zijn.
Daarnaast maakt het beleid duidelijk hoe met deze en toekomstige risico’s om moet worden gegaan. Dit betekent dat onder meer invulling wordt gegeven aan de wettelijke verplichting om het groepsrisico en plaatsgebonden risico te overwegen. 3.3.2.2 Gebiedsgerichte ambities Op basis van de beschrijving en ligging van de risicobronnen, bedrijventerreinen, woongebieden, etc. is, vanuit het perspectief van externe veiligheid, een indeling gemaakt in gebieden waarvoor het wenselijk is om een verschillend ambitieniveau na te streven. Het plangebied is gelegen in een woongebied. Woongebieden In woongebieden worden geen nieuwe risicobronnen toegelaten. Kwetsbare objecten mogen (ook in nieuwe situaties) niet binnen de PR 10-6 contour van een risicobron liggen (wettelijke eis). Aanvullend hierop mogen ook beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties niet binnen de PR 10-6 contour van een risicobron liggen. Toename van het groepsrisico door risicobronnen is niet toegestaan. Toename van groepsrisico door een structurele toename van het aantal personen in het invloedsgebied is onder voorwaarden wel toegestaan, mits invulling wordt gegeven aan de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico zoals opgenomen in het BEVI. De oriënterende waarde voor het groepsrisico wordt in nieuwe situaties als grenswaarde beschouwd.
3.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan het externe veiligheidsbeleid De nieuwe gasleiding ligt grotendeels binnen een woongebied. Voor deze gebieden wordt het algemene uitgangspunt gehanteerd dat geen nieuwe risicobronnen worden toegelaten. Bij bestaande situaties is het niet altijd mogelijk om de uitgangspunten en ambities toe te passen. Voor bestaande situaties geldt dat deze worden geaccepteerd indien ze voldoen aan de wettelijke grenswaarden (PR 10-6). Het vervangen van de bestaande dunwandige gasleiding was gewenst door het feit dat door de aanwezigheid van deze leiding sprake is van een plaatsgebonden risico. Dit is opgelost door de betreffende leiding te vervangen. Met de vervanging van de leiding is een bestaand plaatsgebonden risico opgelost. In het kader van voorgenomen ontwikkeling is er een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) uitgevoerd. Kortheidshalve wordt verwezen naar paragraaf 4.4. Hier wordt geconcludeerd dat voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake het aspect externe veiligheid.
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestr aat
17
3.3.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de gemeentelijke beleidskaders zich niet verzetten tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
18
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestraat
Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, Besluit milieueffectrapportage en niet gesprongen explosieven (NGE).
4.1 Geluid (Wet geluidhinder) 4.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 4.1.2
Situatie plangebied
De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten of geluidsbronnen. Het toetsen van de voorgenomen ontwikkeling aan de aspecten industrielawaai, wegverkeers- en railverkeerslawaai is dan ook niet noodzakelijk. 4.1.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor het plan.
4.2 Bodemkwaliteit 4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht. 4.2.2
Onderzoeksresultaten
Met voorliggend bestemmingsplan wordt de juridisch-planologische situatie in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. Er vinden als gevolg van dit bestemmingsplan in beginsel geen fysieke ingrepen plaats. Het uitvoeren van een bodemonderzoek in het kader van dit bestemmingsplan wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 4.2.3
Conclusie
De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestr aat
19
4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). 4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip "niet in betekenende mate" is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.3.2
Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.4 Externe veiligheid 4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen en moet worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; 20
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestraat
het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Beoordeling
4.4.2.1 Algemeen Ondergrondse gasleidingen zijn niet aan te merken als (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, scholen etc.). In voorliggend geval brengt de aanpassing van het bestaande gasleidingtracé wel wijzigingen met zich mee voor wat betreft het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Op grond van artikel 8 van het Bevb is de Gasunie, als exploitant zijnde, verplicht om bij wijziging of aanleg gasleidingen een onderzoek uit te voeren naar de invloed van die wijziging op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Een dergelijk onderzoek is tevens noodzakelijk op basis van artikel 11 van het Bevb, aangezien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van de geldende bestemmingsplannen ten behoeve van de aanleg van een buisleiding en verplaatsing van een afsluiterschema. Voor de locatie is een onderzoek uitgevoerd waarin de wijziging van het plaatsgebonden- en groepsrisico inzichtelijk is gemaakt. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 1 bij deze toelichting.
4.4.2.2 Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is in het Besluit externe veiligheid buisleidingen gedefinieerd als “het risico op een plaats nabij een buisleiding, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die bepaalde plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval met die buisleiding”. Plaatsen met een gelijk PR worden op een kaart door middel van een PRcontour weergegeven. Binnen de PR 10-6 contour bedraagt de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen maximaal één op de één miljoen per jaar. De grenswaarde voor kwetsbare objecten is 10-6 per jaar en de richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten is 10-6 per jaar. Zowel voor de leiding exclusief de verlegging (de huidige situatie) als voor de leiding inclusief de verlegging (de toekomstige situatie) is een plaatsgebonden risicoberekening uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de resultaten van deze berekeningen. Situatie plangebied Zowel leiding N-531-12 exclusief de verlegging als leiding N-531-12 inclusief de verlegging heeft geen PR 10-6 contour. Zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie kunnen er hierdoor geen kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten binnen de PR 10 -6 contour van de leiding liggen. De verlegging van de leiding voldoet aan de Revb.
Het plaatsgebonden risico op een afstand van 4 meter, gemeten vanuit het hart van de verlegging van de leiding, is niet hoger dan 10-6 per jaar.
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestr aat
21
4.4.2.3 Groepsrisico Het groepsrisico is in het Besluit externe veiligheid buisleidingen gedefinieerd als “de cumulatieve kansen per jaar per kilometer buisleiding dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een buisleiding en een ongewoon voorval met die buisleiding”. De waarde van het GR wordt in een grafiek weergegeven met een fN-curve. In de grafiek wordt het aantal slachtoffers op de horizontale as uitgezet tegen de cumulatieve frequentie per jaar op de verticale as. Voor het groepsrisico geldt geen grens- of richtwaarde, maar een oriëntatiewaarde. In de grafiek wordt ook de oriëntatiewaarde weergegeven. Dit is de waarde voor het GR weergegeven door de lijn die de punten met elkaar verbindt waarbij de kans op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers 10 per jaar, de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers 10-6 per jaar en de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers 10-8 per jaar is. Om in één oogopslag een indruk te krijgen van het groepsrisico, wordt het groepsrisico gescreend alvorens voor specifieke segmenten fN-curves te visualiseren. Voor elk van de leidingen wordt per stationing de overschrijdingsfactor van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico weergegeven.
Deze is berekend door rondom elk punt op de leiding één kilometer segment te kiezen die gecentreerd ligt ten opzichte van dit punt. Voor deze kilometer leiding is een fN-curve berekend en voor deze fN-curve de overschrijdingsfactor. De overschrijdingsfactor is de verhouding tussen de fN-curve en de oriëntatiewaarde. Daarmee is de overschrijdingsfactor een maat die aangeeft in hoeverre de oriëntatiewaarde wordt genaderd of overschreden. Een overschrijdingsfactor kleiner dan 1 geeft aan dat de fN-curve onder de oriëntatiewaarde blijft. Bij een waarde van 1 zal de fN-curve de oriëntatiewaarde raken. Bij een waarde groter dan 1 wordt de oriëntatiewaarde overschreden. Zowel voor de leiding exclusief de verlegging (de huidige situatie) als voor de leiding inclusief de verlegging (de toekomstige situatie) is een groepsrisicoberekening uitgevoerd . Hierna wordt ingegaan op de resultaten van deze berekeningen. Situatie plangebied Zowel de maximale overschrijdingsfactor voor de bestaande leiding leiding (N-531-12) als de maximale overschrijdingsfactor voor de nieuwe leiding (N-531-12) is kleiner dan 1. Zowel de fN-curve voor de oude leiding als de fN-curve voor de nieuwe leiding blijft onder de oriëntatiewaarde. De maximale overschrijdingsfactor voor de nieuwe leiding is lager dan de oorspronkelijke leiding. Door de verlegging van het gasleiding is het groepsrisico afgenomen.
Opgemerkt wordt dat dit tevens aansluit op de uitgangspunten van het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid, zoals verwoord in paragraaf 3.3.2. 4.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het voornemen in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
4.5 Milieuzonering 4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of 22
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestraat
wijzigingsplan mogelijk is. 4.5.2
Situatie plangebied
Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). In voorliggend geval is een gasleidingen niet aan te merken als milieugevoelige of milieubelastende functie. Voor gasleidingen gelden de bepalingen uit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen. Gasleidingen zijn niet relevant in het kader van milieuzonering. 4.5.3
Conclusie milieuzonering
Het aspect milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.6 Ecologie 4.6.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 4.6.2
Situatie plangebied
Met voorliggend bestemmingsplan wordt de juridisch-planologische situatie in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. Er vinden als gevolg van dit bestemmingsplan in beginsel geen fysieke ingrepen plaats waarbij sprake is van aantasting van beschermde dier- en plantensoorten. Tevens zorgt voorliggende planologische wijziging niet voor negatieve effecten op Natura 2000-gebieden en/of aantasting van het Natuurnetwerk Nederland. Immers gaat het is voorliggend geval uitsluitend om een planologische wijziging. 4.6.3
Conclusie
De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor dit plan.
4.7 Archeologie & Cultuurhistorie 4.7.1
Archeologie
4.7.1.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze (naar verwachting) in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.7.1.2 Situatie plangebied Met voorliggend bestemmingsplan wordt de juridisch-planologische situatie in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. Er vinden als gevolg van dit bestemmingsplan in beginsel geen fysieke ingrepen plaats waarbij sprake is van aantasting van eventuele archeologische waarden.
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestr aat
23
4.7.2
Cultuurhistorie
4.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan "een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden" dient te bevatten. 4.7.2.2 Situatie plangebied Het kanaal Almelo - Nordhorn is op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart Overijssel aangeduid als 'kanaal of vaart'. De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de cultuurhistorische waarde van dit kanaal. Daarnaast bevinden zich in en rondom het plangebied geen rijksdanwel gemeentelijke monumenten. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 4.7.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
4.8 Besluit milieueffectrapportage 4.8.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 4.8.2
Situatie plangebied
Het aanleggen, wijzigen of uitbreiden van een gasleiding is niet als activiteit opgenomen in de C-lijst van het Besluit MER. In de D-lijst is echter in relatie met aardgastransportleidingen zoals in de voorgenomen ontwikkeling wel de volgende activiteit opgenomen: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van gas, olie, of CO2-stromen ten behoeve van geologische opslag of de wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van chemicaliën' (categorie D 8.1). 24
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestraat
Volgens het Besluit milieueffectrapportage dient voor activiteiten van onderdeel D te worden bepaald of ten gevolge van de voorgenomen activiteit sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Afhankelijk van waarschijnlijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu is een milieueffectrapportage benodigd. Er is in voorliggend geval sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling, omdat de drempelwaarden van deze categorie D 8.1 uit het Besluit milieueffectrapportage niet worden overschreden. De voorgenomen wijziging heeft namelijk geen betrekking op een buisleiding geprojecteerd in gevoelig gebied zoals bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage (zoals natuurgebieden). Echter dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe is in het kader van het bestemmingsplan "Denekamp, verleggen gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestraat" een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r-beoordeling opgesteld, deze is opgenomen in bijlage 2 bij deze toelichting. De gemeente Dinkelland heeft op 2 juli 2019 besloten dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die het uitvoeren van een milieueffectrapportage nodig maken. Het besluit is opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting.
Het voorliggende bestemmingsplan gaat uit van de (zeer) beperkte verschuiving van de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' teneinde de nieuwe gasleiding centraal binnen de dubbelbestemming te laten liggen. Gelet op het feit dat het gaat om een (zeer) beperkte planologische wijziging waarbij de feitelijke situatie wordt vastgelegd, behoeft de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling (bijlage 2) geen aanpassing. Immers is van toename van milieueffecten op de omgeving geen sprake. Het bijbehorende besluit (bijlage 3) behoeft daarom niet opnieuw te worden genomen. 4.8.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.9 Niet Gesprongen Explosieven (NGE) 4.9.1
Algemeen
In het kader van voorgenomen ontwikkeling heeft RPS advies- en ingenieursbureau bv een historisch vooronderzoek conventionele explosieven (hierna CE) uitgevoerd. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze toelichting. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. 4.9.2
Beoordeling
Op basis van het historisch vooronderzoek is gebleken dat het plangebied onverdacht is op de aanwezigheid van CE. De geplande werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder aanvullende OCE maatregelen. Nabij het plangebied is op luchtfoto's wel een krater aangetroffen, maar deze kan niet met een andere bron worden bevestigd en hier is dus ook geen specifieke datum en/of gebeurtenis aan te koppelen. Gezien de uitvoerige naoorlogse ontwikkeling van het gebied en de afwezigheid van andere indicaties die op oorlogshandelingen duiden is besloten het gebied niet verdacht te verklaren. 4.9.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat geen sprake is van negatieve effecten wat betreft Niet Gesprongen Explosieven.
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestr aat
25
26
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestraat
Hoofdstuk 5
Wateraspecten
5.1 Vigerend beleid 5.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.1.4
Waterschap Vechtstromen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestr aat
27
5.2 Waterparagraaf 5.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.2.2
Watertoetsproces
Dit bestemmingsplan voorziet in de aanleg van een gastransportleidingen in de kern Denekamp. De planontwikkeling voorziet niet in het realiseren van bebouwing en van een toename van verharding is niet tot nauwelijks sprake. Na de werkzaamheden wordt alles weer conform de huidige situatie ingericht. Van blijvende invloeden op de waterhuishouding, als gevolg van de ontwikkeling, is dan ook geen sprake.
28
bestemmingsplan Denekamp, gasleiding Kloppendijk-Nordhornsestraat
Hoofdstuk 6 Juridische aspecten en planverantwoording 6.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.