CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30.pdf

Gemeenteraad 19 januari 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 12.: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 3027.985 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het binnenniveau bedraagt ter plaatse van de woningen dan ook maximaal 28 dB, waarmee ruim aan de uiterste binnenwaarde van 33 dB, zoals opgenomen in het Bouwbesluit, wordt voldaan. Er is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai. Ten aanzien van railverkeers- en industrielawaai wordt opgemerkt dat deze aspecten niet relevant zijn, aangezien zich in de omgeving geen spoorweg en gezoneerd industrieterrein bevinden. De individuele (bedrijfs)functies in de directe nabijheid van het plangebied worden nader beoordeeld in paragraaf 4.5 van deze toelichting (milieuzonering). 4.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

27

4.2 Bodem 4.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is doorgaans een bodemonderzoek conform de richtlijnen NEN 5740 noodzakelijk. 4.2.2

Situatie plangebied

Onderzoeken verleden In het verleden zijn door NIBAG Milieu Advies, Thero BV en Kruse Groep ter plaatse van het plangebied meerdere onderzoeken in het kader van bodem en asbest uitgevoerd. In onderstaande tekst worden de resultaten van deze onderzoeken kort beschreven, voor de gehele onderzoeken wordt verwezen naar bijlage 2 bij deze toelichting). Het gaat om de volgende onderzoeken: een nulsituatie-bodemonderzoek in 2007, ter plaatse van het bedrijfsperceel (NIBAG Milieu Advies): 1. uit de resultaten kan worden geconcludeerd dat de eindsituatie is gesteld en dat er milieuhygiënisch gezien, geen belemmeringen zijn voor terug ingebruikname door de gemeente Dinkelland (waarvoor het onderzoek is uitgevoerd); 2. de opzet van het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie. Nader onderzoek wordt op basis van de aangetoonde lichte verhogingen niet noodzakelijk geacht; een gecombineerd verkennend bodem- en asbestonderzoek in 2009, ter plaatse van het bedrijfsperceel (NIBAG Milieu Advies): 1. uit de resultaten kan worden geconcludeerd dat er milieuhygiënisch gezien, geen belemmeringen zijn voor grondoverdracht (waarvoor het onderzoek is uitgevoerd); 2. mocht bij herinrichting grond vrijkomen dan wordt aanbevolen grond op eigen locatie her te gebruiken; 3.

de opzet van het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie. De gestelde hypothese als 'niet-verdacht' is juist gebleken, nader onderzoek wordt ten aanzien van de aangetoonde verhogingen niet noodzakelijk geacht; een asbestinventarisatie in 2015, inzake de bebouwing (Thero BV): 1. uit de resultaten kan worden geconcludeerd dat op een aantal locaties asbesthoudende en asbestverdachte materialen zijn aangetroffen; 2. de aangetroffen restanten dienden op korte termijn gesaneerd te worden, de overige bronnen kunnen ten tijde van de sloop c.q. vervangen worden gesaneerd; 3. er is geen aanleiding voor de uitvoering van een aanvullend destructief onderzoek type B; een verkennend en nader bodemonderzoek in 2015, ter plaatse van het bedrijfsperceel (Kruse Groep): 1. de hypothese 'onverdachte locatie' dient te worden verworpen, aangezien enkele overschrijdingen van de achtergrond-, streef-, tussen- en interventiewaarden zijn aangetoond; 2. de sterk verhoogde oliegehalten in boring 12 en 14 gaven aanleiding om een nader bodemonderzoek uit te voeren; 3. op basis van het historisch vooronderzoek kan gesteld worden dat de onderzoekslocatie niet asbestverdacht is. Door de veldwerker zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen; 4.

uit de resultaten van de chemische analyses van het nader onderzoek (vaste bodem) blijkt dat de aangetoonde verontreiniging in de vaste bodem in horizontale als verticale richting in voldoende mate is afgeperkt. De totale omvang van de grondverontreiniging met minerale oliecomponenten en PAK wordt geschat op 90 m³. Hiervan is circa 60 m³ sterk verontreinigd. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, omdat het omvangcriterium van meer dan 25 m³ sterk verontreinigde grond wordt overschreden. Van boring 28 en 29 zijn aanvullende analyses verricht vanwege de aanwezigheid van sintels en kolengruis. Uit de resultaten bleek dat deze bodemlagen licht verontreinigd is met kwik. Soortgelijke lagen in boring 31, 32, 33 en 34 zijn niet verontreinigd; 5. uit de analyseresultaten van het grondwater uit peilbuis 12A blijkt dat het grondwater matig tot sterk verontreinigd is met brandstofcomponenten. De matig en sterk verhoogde gehalten gaven aanleiding om een nader grondwateronderzoek uit te voeren; 6. uit de resultaten van de chemische analyses van het nader onderzoek (grondwater) blijkt dat de aangetoonde verontreiniging in het grondwater in horizontale als in verticale richting in voldoende mate is afgeperkt, aangezien geen gehalten hoger dan de interventiewaarden zijn aangetoond.

De totale omvang van de grondwaterverontreiniging wordt geschat op 100 m³, waarvan circa 60 m³ sterk verontreinigd is met minerale olie. Er is geen sprake van een geval van ernstige 28

bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

grondwaterverontreiniging, omdat het volumecriterium van 100 m³ sterk verontreinigd grondwater niet wordt overschreden. De naftaleenverontreiniging en de verontreiniging met xylenen lijkt zich te beperken in de omgeving van peilbuis 12A. Verder nader grondwateronderzoek geeft beter inzicht in de totale omvang van de grondwaterverontreiniging, maar wordt niet noodzakelijk geacht omdat de bron en de omvang van de sterke olieverontreiniging in het grondwater bekend is; 7. voorafgaand aan een sanering dient een saneringsplan of BUS-melding te worden opgesteld, dat door het bevoegd gezag (provincie Overijssel) dient te worden goedgekeurd; 8. uit milieukundig oogpunt is geen bezwaar tegen de voorgenomen transactie en herontwikkeling, na sanering van de olieverontreiniging, aangezien de overige vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt, na sanering, geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik; een aanvullend en actualiserend bodemonderzoek in 2018, ter plaatse van het bedrijfsperceel en aangrenzend groenperceel (Kruse Groep): 1. gebleken is dat de bodem voornamelijk bestaat uit zand. Zintuiglijk zijn plaatselijk bodemvreemde materialen waargenomen. Visueel zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem. Het freatische grondwater is aangetroffen op gemiddeld 0.99 meter min maaiveld; 2.

bodemonderzoek ter plekke van de huidige bebouwing: De onderzochte bodemlagen zijn niet verontreinigd. De matige puinhoudende bodemlaag in inspectiegat 52 is niet asbesthoudend; 3. in het mengmonster van de fijne fractie van de puinhoudende inspectiegaten 62 en 63 is geen asbest aangetoond; 4. de concentraties in de kern van de grondwaterverontreiniging (peilbuis 12A) zijn niet significant gewijzigd ten opzichte van juni 2015. Het oliegehalte in peilbuis 45 is licht toegenomen. Het grondwater in peilbuis 44 was in 2015 niet verontreinigd, nu is deze licht verontreinigd met xylenen. Gesteld kan worden dat de omvang van de grondwaterverontreiniging niet significant is toegenomen. De omvang de grondwaterverontreiniging wordt net zoals in 2015 geschat op 100 m³ sterk verontreinigd is met minerale olie. Er is geen sprake van een geval van ernstige grondwaterverontreiniging, omdat het volumecriterium van 100 m³ sterk verontreinigd grondwater niet wordt overschreden. De totale omvang van de grondverontreiniging met minerale oliecomponenten en PAK wordt geschat op 90 m³, waarvan circa 60 m³ sterk is verontreinigd. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, omdat het omvangcriterium van meer dan 25 m³ sterk verontreinigde grond wordt overschreden; 5.

aanvullend bodemonderzoek kolengruis- en sintelhoudende lagen: Er is geen duidelijke relatie tussen de zintuiglijke waarnemingen en de aangetoonde verontreinigingen. De kolengruis- en sintelhoudende lagen zijn heterogeen verontreinigd met zware metalen, minerale olie en/of PAK; 6. de resultaten van het aanvullend onderzoek (fase 2) op het speelterrein tonen wederom aan dat er geen eenduidige relatie is tussen de aanwezigheid van bodemvreemd materiaal en de gemeten gehalten. De lichte verontreinigingen in het aanvullend bodemonderzoek op het speelterrein zijn aangetoond in de donkerbruine/zwarte ondergrond al dan niet met bodemvreemd materiaal. De licht verhoogde gehalten geven geen aanleiding voor nader bodemonderzoek. De sterke bodemverontreiniging in boring 76 beperkt zich tot de kolengruishoudende laag van 0.5 tot 1.0 m-mv. De laag onder de sterk verontreinigde laag en de bovengrond zijn niet verontreinigd. Er zijn, bij het huidig gebruik, geen blootstellingsrisico's met betrekking tot de sterke loodverontreiniging in de ondergrond van boring 76, aangezien de bovengrond niet verontreinigd is. De sterke loodverontreiniging betreft waarschijnlijk een puntbron van zeer beperkte omvang. De omvang van de sterke loodverontreiniging wordt geschat op circa 1 tot 2 m³. Er is geen saneringsnoodzaak; 7.

uit milieukundig oogpunt is geen bezwaar tegen de voorgenomen transactie, bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling, na sanering van de olieverontreiniging, aangezien de overige vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem op de locatie Hopmanstraat 30 wordt, na sanering, geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. In de huidige situatie zijn er geen saneringsmaatregelen noodzakelijk ter plekke van de speelplaats. Tot slot wordt vermeld dat ter plaatse van het deel van het plangebied dat reeds over een verkeersbestemming beschikt geen onderzoek in het kader van bodem noodzakelijk wordt geacht, aangezien hier geen (nieuwe) functies voor langdurig verblijf zijn beoogd (dit deel is in zowel de huidige als de gewenste situatie bedoeld voor parkeren, ontsluiting, groenvoorzieningen etc.). Het toegestane gebruik komt ter plaatse dan ook reeds overeen met het gewenste gebruik. 4.2.3

Conclusie

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling, na sanering van de aangetroffen saneringsplichtige verontreinigingen.

bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

29

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder andere grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.3.2

Situatie plangebied

Binnen het voornemen worden zes woningen mogelijk gemaakt. In paragraaf 4.3.1.1 zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, wordt geconcludeerd dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat de woningen niet worden aangemerkt als gevoelige bestemmingen in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 4.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

30

bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

4.4 Externe veiligheid 4.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen en moet worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Voor buisleidingen geldt het Besluit buisleidingen externe veiligheid (Bevb) die op 1 januari 2011 in werking is getreden.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2

Situatie plangebied

Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven, waarin het plangebied indicatief is aangegeven met de rode onderbroken omlijning.

Afbeelding 4.1 Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart) bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

31

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 4.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.

4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 4.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een 'gemengd gebied'. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

Het plangebied ligt in de kern Denekamp, waar in de omgeving direct naast woningen ook andere functies aanwezig zijn (zoals bedrijf (plangebied), detailhandel, kantoor en maatschappelijk). Vanwege deze verschillende functies in de omgeving is sprake van een matige functiemenging, waardoor kan worden uitgegaan van het omgevingstype "gemengd gebied".

32

bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

4.5.3

Situatie plangebied

4.5.3.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In dit geval worden woningen toegevoegd. De hierbij behorende functie 'wonen' betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving, waardoor geen sprake is van het aantasten van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving, en omgekeerd of bestaande functies in de omgeving door de ontwikkeling worden belemmerd in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden. Nabij het plangebied bevinden zich, zoals vermeld, meerdere (milieubelastende) functies. Het gaat om de functies detailhandel, kantoor en maatschappelijk.

Detailhandel Onder meer ten oosten van het plangebied bevinden zich locaties met de bestemming 'Detailhandel'. Deze locaties zijn hoofdzakelijk bestemd voor gebouwen ten behoeve van detailhandel, niet zijnde perifere detailhandel, grootschalige detailhandel en/of supermarkten. Ter plaatse is onder meer een kapperszaak gevestigd. Detailhandel ('detailhandel voor zover n.e.g.') valt, op basis van de VNG-publicatie, onder milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Ook de kapperszaak ('kappersbedrijven en schoonheidsinstituten') valt, op basis van de VNG-publicatie, onder milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Hieraan wordt in voorliggend geval dan ook voldaan. Kantoor Onder meer ten noordwesten- en oosten van het plangebied bevinden zich locaties met de bestemming 'Kantoor'. Deze locaties zijn hoofdzakelijk bestemd voor gebouwen ten behoeve van kantoren. Kantoren ('overige zakelijke dienstverlening: kantoren') vallen, op basis van de VNG-publicatie, onder milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Hieraan wordt in voorliggend geval dan ook voldaan. Maatschappelijk Op ruimere afstand, ten noordoosten van het plangebied, ligt een locatie met de bestemming 'Maatschappelijk'. De locatie is uitsluitend bestemd voor één huisartsenpraktijk. bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

33

Een huisartsenpraktijk ('artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven') valt, op basis van de VNG-publicatie, onder milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Hieraan wordt in voorliggend geval dan ook voldaan. De woningen zullen dan ook geen hinder ondervinden van detailhandel, kantoren en maatschappelijke functies in de omgeving en omgekeerd zullen deze niet worden belemmerd in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden. 4.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.6 Ecologie Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. 4.6.1

Gebiedsbescherming

In afbeelding 4.2 is de ligging van het plangebied (rode ster) ten opzichte van de dichtstbijzijnde gebieden die onderdeel zijn Natura 2000-gebied en/of Natuur Netwerk Nederland weergegeven.

Afbeelding 4.2 Plangebied ten opzichte van N2000- en NNN- gebieden (Bron: Provincie Overijssel) 4.6.1.1 Natura 2000 Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op ruim 2,2 34

bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

kilometer van het plangebied. In voorliggend geval wordt met behulp van werktuigen de aanwezige (bedrijfs)bebouwing en verharding verwijderd en zullen vervolgens zes woningen met de hierbij behorende voorzieningen worden gerealiseerd. Het gebruik maken van werktuigen voor de realisatie van het voornemen kan, afhankelijk van het type werktuig, stikstofuitstoot tot gevolg hebben (aanlegfase). De te realiseren woningen zullen daarnaast gasloos zijn, waardoor voor het verwarmen van de woning geen stikstofuitstoot noodzakelijk is. Wel zal het gebruik van auto's door toekomstige bewoners leiden tot stikstofuitstoot (gebruiksfase). Door middel van een AERIUS-berekening voor de aanleg- en/of gebruiksfase kan worden bepaald of het voornemen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden heeft. Het betreft in voorliggend geval echter een kleinschalige ontwikkeling in de kern Denekamp, het plangebied is op relatief grote afstand van het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is gelegen. Op basis van eerdere AERIUS-berekeningen voor deze kern kan worden aangenomen dat als gevolg van een dergelijke kleinschalige ontwikkeling (realisatie 6 rijwoningen), in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase, geen sprake zal zijn van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.

Hierbij wordt tevens opgemerkt dat als gevolg van het voornemen de bestaande bedrijfsmogelijkheden (inclusief gasverbruik en verkeersbewegingen) permanent komen te vervallen. Vorenstaande betekent dat aangenomen kan worden dat de ontwikkeling in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig is. 4.6.1.2 Natuur Netwerk Nederland Het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt op circa 600 meter afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. 4.6.2

Soortenbescherming

Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In voorliggend geval is ten behoeve van het voornemen door Natuurbank Overijssel in juli 2020 een quickscan flora en fauna uitgevoerd ter plaatse van het plangebied (incl. het aangrenzende groenperceel ten zuidoosten hiervan), voor deze quickscan wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze toelichting. De volgende tekst betreft een samenvatting van dit onderzoek. De onderzochte locatie bestaat uit bebouwing, beplanting, open zand en erfverharding en wordt omgeven door stedelijk gebied. De inrichting en het gevoerde beheer maken de locatie niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Er nestelen vogels in de beplanting en amfibieën en grondgebonden zoogdieren bezetten er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten, kan een negatief effect op vogels, amfibieën en grondgebonden zoogdieren niet uitgesloten worden.

Omdat bezette vogelnesten beschermd zijn, dient bij de uitvoering van de voorgenomen activiteiten, rekening gehouden te worden met bezette vogelnesten. Omdat de aanwezigheid van een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van de egel niet uitgesloten kan worden op basis van het uitgevoerde onderzoek, dient daar rekening mee gehouden te worden. Omdat de egel en de vaste rust- en/of voortplantingsplaats van de egel beschermd is, dient een ontheffing aangevraagd te worden (na aanvullend onderzoek), of dient gewerkt te worden met een toepasbare gedragscode. Wettelijke consequenties samengevat: Werkzaamheden afstemmen op voortplantingsperiode van vogels; Nader onderzoek naar egel uitvoeren of werken volgens gedragscode.

bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

35

4.6.3

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan, indien ontheffing wordt aangevraagd (na aanvullend onderzoek) of wordt gewerkt met een toepasbare gedragscode in verband met de egel.

4.7 Archeologie en cultuurhistorie 4.7.1

Archeologie

4.7.1.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.7.1.2 Situatie plangebied De gemeente Dinkelland beschikt over een archeologische verwachtings- en advieskaart. Hiervan is in afbeelding 4.3 een uitsnede ter hoogte van het plangebied (rode onderbroken omlijning) opgenomen. Het plangebied ligt in het gebiedstype “Beekdalen en overige laagten” en "Historische kern". Tevens is sprake van een "erf": het plangebied is onderdeel van een "bufferzone rond erf, adellijk huis of watermolen" die een deel van de kern Denekamp beslaat.

Afbeelding 4.3 Uitsnede van archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: Gemeente Dinkelland)

Voor het gebiedstype “Beekdalen en overige laagten” geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm, met uitzondering van gebieden met een lage verwachting binnen plangebieden met meerdere verwachtingszones, en plangebieden met een lage verwachting die grenzen aan terreinen met waardevolle archeologische resten. Voor het gebiedstype "Historische kern" is een archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebieden groter dan 100 m² en bij bodemingrepen dieper dan 50 cm. Voor het "erf" wordt verwezen naar de"bufferzone rond erf, adellijk huis of watermolen", hier is archeologisch onderzoek noodzakelijk in plangebieden groter dan 2500 m² en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 2.500 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. Enkel ter plaatse van het gebiedstype "Historische kern" is een dubbelbestemming opgenomen in het geldende bestemmingsplan. Omdat het bestemmingsplan het meest actueel is wordt hiervan uitgegaan. Op basis hiervan 36

bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

moet voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² en een diepte van meer dan 0,50 m in het noordoosten (ter plaatse van de dubbelbestemming) alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overlegd (zie ook paragraaf 1.4 van deze toelichting). In voorliggend geval worden ter plaatse van dit deel geen nieuwe gebouwen gerealiseerd (deze gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor verkeer- en parkeervoorzieningen). De oppervlakte van 100 m² die hier geldt wordt dan ook niet overschreden. Voor het overige deel van de gronden wordt daarnaast opgemerkt dat in voorliggend geval sprake van het benutten van een gebied waar de gronden grotendeels reeds geroerd zijn. Archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Ter waarborging van eventuele archeologische waarden blijft de geldende dubbelbestemming ook in voorliggend bestemmingsplan behouden. 4.7.2

Cultuurhistorie

4.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.7.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied en in de directe omgeving hiervan geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten, waarvan de cultuurhistorische waarden door voorliggend plan negatief zouden kunnen worden beïnvloed. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. Voor de molen die zich op relatief ruime afstand van het plangebied bevindt wordt verwezen naar paragraaf 4.8 van deze toelichting. 4.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.

4.8 Molenbiotoop 4.8.1

Algemeen

Het begrip molenbiotoop wordt gebruikt om de omgeving waarin een molen functioneert aan te duiden. Een molenbiotoop kent een aantal elementen, waarbij de open ruimte en de vrije toegankelijkheid een grote rol spelen. Het plangebied ligt op circa 148 meter afstand van de Sint Nicolaasmolen of Nieuwe Molen: een korenmolen die in 1859 werd gebouwd in de kern Denekamp. Tot 1922 bleef de molen op windkracht in bedrijf, daarna volgde een lange periode van verval. In 1976 volgde een omvangrijke restauratie, waarna de molen weer op vrijwillige basis in bedrijf is gekomen. De molen is vandaag de dagingericht met twee koppels maalstenen die op windkracht worden aangedreven, een derde kleiner exemplaar heeft motoraandrijving. De roeden van de molen zijn 22 meter lang en zijn voorzien van het fokwieksysteem met remkleppen en zeilen. 4.8.2

Situatie plangebied

In de regels van het geldende bestemmingsplan is in het kader van de molen rondom een gebiedsaanduiding opgenomen. Ook het plangebied is voorzien van deze aanduiding (zie paragraaf 1.4 van deze toelichting). Op grond van de regels van het bestemmingsplan mag op of in de gronden met deze aanduiding niet hoger worden gebouwd dan: a. de bouwhoogte die gelijk is aan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen (binnen een afstand van 100 m van de molen); of b. de bouwhoogte genoemd onder a vermeerderd met 1/30 van de afstand tussen het bouwwerk en de molen bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

37

(buiten een afstand van 100 m van de molen). In voorliggend geval is, zoals reeds vermeld, sprake van circa 148 meter afstand. Met de bouwhoogte van de woningen (maximaal 10 meter) wordt voldaan aan de ter plaatse geldende maximale bouwhoogte, zoals genoemd onder b. Om dit te waarborgen is ook in voorliggend geval de geldende gebiedsaanduiding opgenomen. 4.8.3

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling vormt geen belemmering voor het functioneren van de Sint Nicolaasmolen/Nieuwe Molen.

4.9 Besluit milieueffectrapportage 4.9.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in de integrale ruimtelijke afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met een milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan): Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3): Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4): Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 4.9.2

Situatie plangebied

Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op ruim 2,2 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied (zie ook paragraaf 4.6.1.1 van deze toelichting). Een passende beoordeling op basis van Afdeling 2.3 van de Wet natuurbescherming wordt in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk geacht. Derhalve is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen, waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.

38

bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, is of met de ontwikkeling van 6 woningen op de locatie Hopmanstraat 30 in Denekamp sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (o.a. ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.

Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van zes grondgebonden woningen binnen de bebouwde kom van de kern Denekamp. Op de schaal van Denekamp is hiermee qua aard en omvang sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Daarbij neemt het aantal verkeersbewegingen als gevolg van deze ontwikkeling niet onevenredig toe en voegt de bebouwing zich qua aard en functie in het stedenbouwkundig beeld van de Hopmanstraat. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. 4.9.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.10

Water

4.10.1 Vigerend beleid 4.10.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 4.10.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.

De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).

bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

39

4.10.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 4.10.1.4 Beleid waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater.

Deze zijn gericht op het: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem. het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. 4.10.2 Waterparagraaf 4.10.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

4.10.2.2 Watertoetsproces Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenaamde 'korte procedure' van toepassing is. Dit houdt in dat direct door kan worden gegaan met de planvorming van het plan onder de voorwaarde dat de standaard waterparagraaf uit dit document wordt toegepast (zie hiervoor bijlage 4 bij deze toelichting en onderstaande kort samenvatting hiervan). Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500 m². Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via een gescheiden stelsel (hemelwater via infiltratie en/of verbeterd gescheiden stelsel).

Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om 40

bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen.

bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

41

42

bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten en planverantwoording 5.1 Inleiding De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

5.2 Opbouw van de regels 5.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.

5.2.2

Inleidende regels

5.2.2.1 Begrippen In Artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 5.2.2.2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (Artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse meetvoorschriften wordt verstaan.

bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

43

5.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. In de bestemmingen is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 5.2.4

Algemene regels

De volgende algemene regels zijn opgenomen: Anti-dubbeltelregel (Artikel 6): deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels (Artikel 7): in deze regels wordt geregeld dat ondergeschikte bouwdelen buiten beschouwing worden gelaten en dat een overschrijding van een hoofdgebouw van het bouwvlak is togestaan, indien dit noodzakelijk is in het kader van duurzaamheid. Algemene gebruiksregels (Artikel 8): in deze regels is aangegeven wat onder verboden gebruik wordt verstaan. Algemene aanduidingsregels (Artikel 9): hier zijn regels in het kader van de nabij gelegen molen opgenomen. Algemene afwijkingsregels (Artikel 10): in deze regels is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene wijzigingsregels (Artikel 11): in deze regels is voor burgemeester en wethouders de mogelijkheid om de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' verwijderen opgenomen.

Overige regels (Artikel 12): in dit artikel zijn regels in verband met nadere eisen en parkeren opgenomen. 5.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel is aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

5.3 Bestemmingen Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Zij zijn het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Artikel 3 Verkeer Daar waar binnen het plangebied parkeer- en verkeersvoorzieningen zijn beoogd is de bestemming 'Verkeer' opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor onder meer wegen, straten en (fiets)paden en parkeervoorzieningen. Op de voor 'Verkeer' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met de bestemmingsomschrijving. Artikel 4 Wonen Ter plaatse van de nieuwe woningen is de bestemming 'Wonen' opgenomen. Deze gronden zijn hoofdzakelijk 44

bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

bestemd voor woningen en bijbehorende bouwwerken bij woningen. Op de voor 'Wonen' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met de bestemmingsomschrijving. Als hoofdgebouw mag uitsluitend één woning worden gebouwd, deze dient binnen een bouwvlak te worden gebouwd. Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan het op de verbeelding aangegeven aantal woningen ter plaatse van aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' (in totaal 6 woningen) en de aangegeven aanduidingen ten aanzien van de toegestane goot- en bouwhoogte dienen in acht genomen te worden (respectievelijk 6 en 10 meter). Een hoofdgebouw wordt vrijstaand, dan wel twee hoofdgebouwen aaneen gebouwd, tenzij de gronden ter plaatse zijn voorzien van de aanduiding 'maximum aantal aaneen te bouwen wooneenheden', in welk geval het ter plaatse van de aanduiding genoemde aantal hoofdgebouwen ten hoogste aaneengebouwd zal worden. In voorliggend geval zijn twee keer drie aaneengebouwde woningen toegestaan. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij hoofdgebouwen geldt onder meer dat de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per hoofdgebouw ten hoogste 50% van het bouwperceel mag bedragen, met een maximum van 250 m².

De goothoogte hiervan mag daarnaast ten hoogste 3 m bedragen, met dien verstande dat bij een dakhelling van 0 graden tot 10 graden (platte dakconstructie) de hoogte ten hoogste 0,3 m boven de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer mag bedragen, en de bouwhoogte dient ten minste 1 m lager te zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw. Artikel 5 Waarde - Archeologie De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² en een diepte van meer dan 0,50 m, is een archeologisch onderzoek noodzakelijk.

bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

45

46

bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds aangetoond door de financiële haalbaarheid en anderzijds via de grondexploitatieregeling vanuit de wetgeving. Dit betreft een gemeentelijk woningbouwplan. De vaststelling van een exploitatieplan is bij dit bestemmingsplan niet van toepassing

bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

47

48

bestemmingsplan Denekamp, Hopmanstraat 30

Hoofdstuk 7 zienswijzen

Vooroverleg, inspraak en

7.1 Vooroverleg 7.1.1

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 7.1.2

Provincie Overijssel

Voorliggend bestemmingsplan wordt in het kader van vooroverleg voorgelegd aan de provincie Overijssel. 7.1.3

Waterschap Vechtstromen

De watertoets heeft plaats gevonden op de website www.dewatertoets.nl. Deze toets resulteerde in de zogenaamde 'korte procedure’ (zie ook bijlage 4 bij deze toelichting). Verder vooroverleg met het waterschap wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

7.2 Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In dit geval wordt geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.

7.3 Zienswijzen Na voorafgaande publicatie op 1 oktober 2020 in de Staatscourant en het huis-aan-huis blad heeft het ontwerpbestemmingsplan “Denekamp, Hopmanstraat 30” een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn kon een ieder mondeling dan wel schriftelijk zienswijzen kenbaar maken. Op het bestemmingsplan is één zienswijze ingediend. In bijlage 5 bij deze toelichting wordt de ingekomen zienswijze samengevat en vervolgens van een gemeentelijk standpunt voorzien. Naar aanleiding van de ingebrachte zienswijze zijn, ten opzichte van het ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan, geen wijzigingen doorgevoerd in voorliggend bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/462/documents/14598