Bestemmingsplan Denekamp, Brandlichterweg Diekmanweg.pdf
Tekst van het document
50
bestemmingsplan Denekamp, Brandlichterweg Diekmanweg
en de bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen. Rondom de woningen zijn bouwvlakken aangegeven. In de systematiek van dit bestemmingsplan hebben vrijstaande woningen een bouwvlak van 10 bij 15 meter toegekend gekregen, in deze bouwvlakken is het dus niet mogelijk om een twee-onder-één-kapwoning te realiseren. Ook de toegestane goot- en bouwhoogtes van de woningen zijn op de verbeelding vastgelegd. Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden bebouwingsbepalingen die betrekking hebben op de oppervlakte (maximaal 85 m²), de situering en de hoogte. Voor wat betreft de situering zijn de bebouwingsbepalingen erop gericht - ter bescherming van het straat- en bebouwingsbeeld - bebouwing aan de voorzijde van de woning te voorkomen. In verband met de bescherming van belangen van buren (privacy, lichttoetreding) gelden ook bij het oprichten van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen achter de (voorgevel van) woningen eisen ten aanzien van oppervlakte, hoogte en situering. Binnen de woonbestemming wordt ruimte geboden voor een aan-huisverbonden-beroep, dan wel (middels een afwijking) kleinschalige bedrijfsmatige activiteit. Het gaat om kleinschalige beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten die in ruimtelijk en functioneel opzicht ondergeschikt zijn aan de woonfunctie en daardoor verantwoord zijn in woongebieden.
Hierbij kan gedacht worden aan klassieke ‘vrije’ beroepen (arts, advocaat, notaris) maar ook aan beroepen als makelaar of accountant of bedrijfsmatige activiteiten als een kapper of een schoonheidsspecialist. Om de ruimtelijke en functionele ondergeschiktheid aan de woonfunctie te waarborgen gelden criteria ten aanzien van de aard en omvang van de activiteiten. De woonbestemming biedt ook ruimte voor mantelzorg bij woningen. Ten eerste in de vorm van inwoning, daarnaast ook, via afwijking, in de vorm van (tijdelijke) bewoning van vrijstaande bijgebouwen. Bestaande bijgebouwen kunnen ook worden vergroot ten behoeve van mantelzorg. Voorwaarde is wel dat de noodzaak van de mantelzorg (op medische gronden) hierbij wordt aangetoond.
bestemmingsplan Denekamp, Brandlichterweg Diekmanweg
51
52
bestemmingsplan Denekamp, Brandlichterweg Diekmanweg
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
bestemmingsplan Denekamp, Brandlichterweg Diekmanweg
53
54
bestemmingsplan Denekamp, Brandlichterweg Diekmanweg
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft op 27 juli 2016 een geactualiseerde uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Door de omvang van voorliggend plan valt deze niet onder de categorieën uit de uitzonderingslijst en is vooroverleg wel gewenst. Het plan is daarom in het kader van vooroverleg verzonden aan de provincie Overijssel.
De provincie heeft in haar reactie aangegeven dat het plan past in het provinciaal ruimtelijk beleid en dat zij, indien het plan in de huidige vorm in procedure wordt gebracht, vanuit het provinciaal belang geen beletselen zien voor het verdere vervolg van de procedure. De reactie van de Provincie Overijssel is opgenomen als Bijlage 9 bij de toelichting van dit plan. Waterschap Vechtstromen In het kader van de planvorming is het proces van de watertoets doorlopen en zijn er afspraken gemaakt met het Waterschap Vechtstromen. Op basis van het watertoetsoverleg is bij het ontwerp van het afval- en hemelwatersysteem uitgegaan van de uitgangspunten zoals deze zijn opgenomen in het waterhuishoudingsplan. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.
7.2 Inspraak De initiatiefnemers hebben middels een informatieavond vooroverleg gevoerd met de directe omwonenden. Hierbij zijn de plannen besproken en zijn de reacties uit de buurt geïnventariseerd. In Bijlage 10 is het verslag van de bijeenkomst opgenomen. Naast het verslag van de informatieavond is ook kort en bondig uiteengezet welke reacties hebben geleid tot een planaanpassing. De afweging om wel of geen medewerking te verlenen aan een project ligt bij de gemeenteraad. De raad neemt een besluit waarin alle relevante belangen worden meegenomen en afgewogen. Hierbij speelt het participatie ook een rol. Door vroegtijdige participatie kunnen de belangen goed in kaart worden gebracht. Daar waar gaandeweg blijkt dat belangen te ver uit elkaar liggen, is het aan de gemeente om de verschillende belangen af te wegen en tot een besluit te komen. Hierbij moeten soms knopen (van tegenstrijdige belangen) worden doorgehakt. De raad kan niet één belang voorop stellen, enkel omdat een belangengroep dit wil, als dit het algemeen belang schaadt. Dit betekent niet dat de meeste stemmen gelden. Ondanks het door appellant veronderstelde ontbreken van draagvlak, is het bestemmingsplan vanuit planologisch oogpunt aanvaardbaar en leidt niet tot een onevenredige inbreuk op het woon- en leefklimaat van reclamanten.
7.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 14 juli 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn zes zienswijzen binnengekomen. De zienswijzen hebben geleid tot het doorvoeren van enkele aanpassingen in het plan. De planaanpassingen zijn te vinden op pagina 24 van de Nota zienswijzen welke is opgenomen in Bijlage 11 van de toelichting van dit plan.
bestemmingsplan Denekamp, Brandlichterweg Diekmanweg
55
56
bestemmingsplan Denekamp, Brandlichterweg Diekmanweg
Bijlagen bij toelichting
bestemmingsplan Denekamp, Brandlichterweg Diekmanweg
57
Bijlage 1
58
Aanmeldnotitie m.e.r.
bestemmingsplan Denekamp, Brandlichterweg Diekmanweg
Besluit vormvrije m.e.r beoordeling Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp Zaaknummer Documentnummer
: ZD-2022-001999 : DD-2023-0011144
Burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland beschikken op de aanvraag van
wonende/gevestigd te
:
ontvangen op
:
29 september 2022
om het perceel, kadastraal bekend
:
sectie O nrs. 3319 en 3572
en plaatselijk bekend
:
Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp
het volgende project uit te voeren
:
vormvrije MER beoordeling
bestaande uit de activiteiten
:
het realiseren van 21 woningen
datum besluit
:
19 april 2023
verzenddatum besluit
:
19 april 2023
1
Zaaknummer : ZD-2022-001999 Locatie : Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp
Inhoud 1
BESLUIT.............................................................................................................................................................................................. 3
1.1 1.2 1.3
1.4 2
PROCEDURELE OVERWEGINGEN.............................................................................................................................................. 4
2.1 2.2 2.3 3
Onderwerp................................................................................................................................................................... 3 Besluit........................................................................................................................................................................... 3 Rechtsmiddelen............................................................................................................................................................ 3 Ondertekening en verzending.................................................................................................................................... 3
Besluit milieueffectrapportage................................................................................................................................. 4 Voorgenomen activiteiten......................................................................................................................................... 4 Procedure......................................................................................................................................................................5
INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN.............................................................................................................................................. 6
3.1 3.2 3.3
3.4 3.5
Toetsingskader............................................................................................................................................................ 6 De kenmerken van het project.....................................................................................................................................6 De locatie van het project.......................................................................................................................................... 6 De soort en kenmerken van het potentiële effect....................................................................................................6 Conclusie.......................................................................................................................................................................7
2 Zaaknummer : ZD-2022-001999 Locatie : Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp
1
BESLUIT
1.1
Onderwerp
Burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland hebben het voornemen een bestemmingsplan vast te stellen voor het realiseren van 21 woningen nabij de Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp. Bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan dient een vormvrije m.e.r-beoordeling te worden uitgevoerd. In dit besluit wordt beoordeeld of voor het plan een milieueffectrapport moet worden gemaakt vanwege het mogelijk maken van activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
Besluit
1.2
Burgemeesters en wethouders van de gemeente Dinkelland besluiten: •
•
1. 2. 3. 4.
1.3
dat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 3.1, lid 1 de Wet ruimtelijke ordening, voor het realiseren van 21 woningen nabij de Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp, vanwege het ontbreken van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. dat de volgende documenten deel uitmaken van dit besluit: Bijlage 5 Qs Flora Fauna, Bijlage bij Zaak aanmeldnotitie MER Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek, Bijlage bij Zaak aanmeldnotitie MER Bijlage 6 Aerius, Bijlage bij Zaak aanmeldnotitie MER Bijlage 1 Aanmeldnotitie MER, Bijlage bij Zaak aanmeldnotitie MER
Rechtsmiddelen
Dit besluit moet worden aangemerkt als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht en is niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te breiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft. Wel kan eenieder te zijner tijd gebruik maken van het rechtsmiddel dat geboden wordt in het kader van de procedure voor het vaststellen van het plan ingevolge de Wet ruimtelijke ordening. Dit besluit wordt niet gepubliceerd.
1.4
Ondertekening en verzending
Namens burgemeester en wethouders van gemeente Dinkelland,
G. Kleijssen Teamcoach Fysieke leefomgeving
3 Zaaknummer : ZD-2022-001999 Locatie : Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp
2
PROCEDURELE OVERWEGINGEN
2.1
Besluit milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm). Op grond van artikel 7.2 zijn bij algemene maatregel van bestuur activiteiten aangewezen die belangrijke gevolgen voor het milieu hebben (m.e.r.-plichtige activiteiten) en activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (m.e.r.beoordelingsplichtige activiteiten). M.e.r.-plichtige activiteiten zijn met bijbehorende drempelwaarden opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). M.e.r.beoordelingsplichtige activiteiten en bijbehorende drempelwaarden zijn benoemd in onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. Ook als geen sprake is van overschrijding van de drempelwaarden van (onderdeel D van de bijlage), maar er wel activiteiten plaatsvinden welke worden genoemd in dit onderdeel, moet toch worden beoordeeld of de activiteit mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Dit wordt de vormvrije m.e.r.-beoordeling genoemd.
Een bestemmingsplan kan op drie manieren in aanmerking komen voor een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling danwel directe m.e.r.-plicht: er ontstaat een m.e.r.-plicht indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming nodig is; er ontstaat een m.e.r.-plicht voor activiteiten en gevallen benoemd in de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., in die gevallen waar het bestemmingsplan is genoemd in kolom 3 (plannen) van deze bijlage én er voldaan wordt aan de voorwaarden in kolom 2. Wanneer niet voldaan wordt aan de voorwaarden in kolom 2 van onderdeel D van het besluit geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht; er ontstaat een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht voor activiteiten en gevallen benoemd in de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., in die gevallen waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten) van deze bijlage. Deze beoordelingsplicht geldt ongeacht of er voldaan is aan de voorwaarden genoemd in kolom 2 van de bijlage. Wanneer een bestemmingsplan genoemd wordt in kolom 3 én kolom 4 in de onderdelen C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r., moet worden bepaald of er na vaststelling van het plan nog een besluit nodig is om de activiteiten te kunnen realiseren.
Wanneer dit wel het geval is, is sprake van een kaderstellend plan en dus een plan in de zin van kolom 3 van de bijlage van het Besluit mer. Wanneer dit niet het geval is, dan is er sprake van een besluit in de zin van kolom 4 van de bijlage van het Besluit m.e.r.
2.2
Voorgenomen activiteiten
Onderhavig bestemmingsplan heeft betrekking op de activiteiten genoemd in de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r. onderdeel D categorie 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van woningbouw. De in kolom 2 genoemde drempelwaarden worden niet overschreden. Omdat de activiteit voorkomt in de onderdelen C 4 Zaaknummer : ZD-2022-001999 Locatie : Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp
en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r moet beoordeeld worden of de activiteit mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Dit wordt de vormvrije m.e.r.-beoordeling genoemd.
2.3
Procedure
De besluitvormingsprocedure is uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.16 tot en met 7.18 van de Wm. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit wordt tezamen met het definitieve bestemmingsplan ter inzage gelegd. Beroep kan zich dan tegen beide besluiten richten. Met de wijziging van het Besluit m.e.r. op 7 juli 2017 is de procedure voor de formele m.e.r.beoordeling en de vormvrije m.e.r.-beoordeling grotendeels gelijkgetrokken. Van het besluit met betrekking tot de vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft echter geen kennisgeving gedaan te worden.
5 Zaaknummer : ZD-2022-001999 Locatie : Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp
3
INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN
3.1
Toetsingskader
Wij hebben getoetst of voor het project een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Deze toets is overeenkomstig artikel 7.19, lid 1 jo. 7.17 lid 2 t/m 4 van de Wm uitgevoerd op grond van de in bijlage III van de m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria. De toetsing is hieronder uitgewerkt.
3.2
De kenmerken van het project
Bij de kenmerken van het project zijn de volgende criteria in ogenschouw genomen: de omvang en het ontwerp van het gehele project; de cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit; de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder; het risico van ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaatverandering in overeenstemming met wetenschappelijke kennis; de risico’s voor de menselijke gezondheid. Overwegingen De hiervoor genoemde onderdelen bij de kenmerken van het project zijn voldoende beschreven in de aanmeldnotitie. Wij zijn van mening dat er voor wat betreft de kenmerken van het project geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten die noodzaken tot het opstellen van een milieueffectrapport.
3.3
De locatie van het project
Bij de plaats van het project wordt het volgende in overweging genomen: het bestaande grondgebruik; de relatieve rijkdom aan alsmede de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; het opnamevermogen van het natuurlijk milieu, met speciale aandacht voor de typen aangewezen in de m.e.r.-richtlijn. Overwegingen De hiervoor genoemde onderdelen bij de locatie van het project zijn voldoende beschreven in de aanmeldnotitie. Wij zijn van mening dat er voor wat betreft de locatie van het project geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten die noodzaken tot het opstellen van een milieueffectrapport.
3.4
De soort en kenmerken van het potentiële effect
Bij de soort en kenmerken van het potentiële effect moet in aanmerking worden genomen, in samenhang met de onder de punten 1 en 2 uiteengezette criteria en met inachtneming van: - de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten; - de aard van het effect; - het grensoverschrijdend karakter van het effect; - de waarschijnlijkheid van het effect; - de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; - de cumulatie van effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; - de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen. 6 Zaaknummer : ZD-2022-001999 Locatie : Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp
Overwegingen De hiervoor genoemde onderdelen bij soort en kenmerk van het potentiële effect zijn voldoende beschreven in de aanmeldnotitie. Wij zijn van mening dat er voor wat betreft de soort en kenmerken van het potentiële effect geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten die noodzaken tot het opstellen van een milieueffectrapport.
3.5
Conclusie
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het opstellen van een milieueffectrapportage is niet nodig.
7 Zaaknummer : ZD-2022-001999 Locatie : Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp
Bijlage 2
66
Besluit m.e.r.
bestemmingsplan Denekamp, Brandlichterweg Diekmanweg
Besluit vormvrije m.e.r beoordeling Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp Zaaknummer Documentnummer
: ZD-2022-001999 : DD-2023-0011144
Burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland beschikken op de aanvraag van
wonende/gevestigd te
:
ontvangen op
:
29 september 2022
om het perceel, kadastraal bekend
:
sectie O nrs. 3319 en 3572
en plaatselijk bekend
:
Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp
het volgende project uit te voeren
:
vormvrije MER beoordeling
bestaande uit de activiteiten
:
het realiseren van 21 woningen
datum besluit
:
19 april 2023
verzenddatum besluit
:
19 april 2023
Zaaknummer : ZD-2022-001999 Locatie : Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp
Pagina 1 van 7
Inhoud 1
BESLUIT.............................................................................................................................................................................................. 3
1.1 1.2 1.3 1.4
Onderwerp......................................................................................................................................................... 3 Besluit................................................................................................................................................................. 3 Rechtsmiddelen.................................................................................................................................................. 3 Ondertekening en verzending........................................................................................................................... 3 PROCEDURELE OVERWEGINGEN............................................................................................................................................ 4
2
2.1 2.2 2.3
Besluit milieueffectrapportage......................................................................................................................... 4 Voorgenomen activiteiten................................................................................................................................ 4 Procedure......................................................................................................................................................... 5 INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN.............................................................................................................................................6
3
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Toetsingskader.................................................................................................................................................. 6 De kenmerken van het project........................................................................................................................... 6 De locatie van het project.................................................................................................................................. 6 De soort en kenmerken van het potentiële effect.............................................................................................6 Conclusie........................................................................................................................................................... 7
Zaaknummer : ZD-2022-001999 Locatie : Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp
Pagina 2 van 7
1
BESLUIT
1.1
Onderwerp
Burgemeester en wethouders van de gemeente Dinkelland hebben het voornemen een bestemmingsplan vast te stellen voor het realiseren van 21 woningen nabij de Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp. Bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan dient een vormvrije m.e.r-beoordeling te worden uitgevoerd. In dit besluit wordt beoordeeld of voor het plan een milieueffectrapport moet worden gemaakt vanwege het mogelijk maken van activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
Besluit
1.2
Burgemeesters en wethouders van de gemeente Dinkelland besluiten: •
•
1. 2. 3. 4.
1.3
dat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 3.1, lid 1 de Wet ruimtelijke ordening, voor het realiseren van 21 woningen nabij de Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp, vanwege het ontbreken van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. dat de volgende documenten deel uitmaken van dit besluit: Bijlage 5 Qs Flora Fauna, Bijlage bij Zaak aanmeldnotitie MER Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek, Bijlage bij Zaak aanmeldnotitie MER Bijlage 6 Aerius, Bijlage bij Zaak aanmeldnotitie MER Bijlage 1 Aanmeldnotitie MER, Bijlage bij Zaak aanmeldnotitie MER
Rechtsmiddelen
Dit besluit moet worden aangemerkt als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht en is niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te breiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft. Wel kan eenieder te zijner tijd gebruik maken van het rechtsmiddel dat geboden wordt in het kader van de procedure voor het vaststellen van het plan ingevolge de Wet ruimtelijke ordening. Dit besluit wordt niet gepubliceerd.
1.4
Ondertekening en verzending
Namens burgemeester en wethouders van gemeente Dinkelland,
G. Kleijssen Teamcoach Fysieke leefomgeving
Zaaknummer : ZD-2022-001999 Locatie : Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp
Pagina 3 van 7
2
PROCEDURELE OVERWEGINGEN
2.1
Besluit milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm). Op grond van artikel 7.2 zijn bij algemene maatregel van bestuur activiteiten aangewezen die belangrijke gevolgen voor het milieu hebben (m.e.r.-plichtige activiteiten) en activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (m.e.r.beoordelingsplichtige activiteiten). M.e.r.-plichtige activiteiten zijn met bijbehorende drempelwaarden opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). M.e.r.beoordelingsplichtige activiteiten en bijbehorende drempelwaarden zijn benoemd in onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. Ook als geen sprake is van overschrijding van de drempelwaarden van (onderdeel D van de bijlage), maar er wel activiteiten plaatsvinden welke worden genoemd in dit onderdeel, moet toch worden beoordeeld of de activiteit mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Dit wordt de vormvrije m.e.r.-beoordeling genoemd.
Een bestemmingsplan kan op drie manieren in aanmerking komen voor een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling danwel directe m.e.r.-plicht: er ontstaat een m.e.r.-plicht indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming nodig is; er ontstaat een m.e.r.-plicht voor activiteiten en gevallen benoemd in de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., in die gevallen waar het bestemmingsplan is genoemd in kolom 3 (plannen) van deze bijlage én er voldaan wordt aan de voorwaarden in kolom 2. Wanneer niet voldaan wordt aan de voorwaarden in kolom 2 van onderdeel D van het besluit geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht; er ontstaat een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht voor activiteiten en gevallen benoemd in de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., in die gevallen waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten) van deze bijlage. Deze beoordelingsplicht geldt ongeacht of er voldaan is aan de voorwaarden genoemd in kolom 2 van de bijlage. Wanneer een bestemmingsplan genoemd wordt in kolom 3 én kolom 4 in de onderdelen C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r., moet worden bepaald of er na vaststelling van het plan nog een besluit nodig is om de activiteiten te kunnen realiseren.
Wanneer dit wel het geval is, is sprake van een kaderstellend plan en dus een plan in de zin van kolom 3 van de bijlage van het Besluit mer. Wanneer dit niet het geval is, dan is er sprake van een besluit in de zin van kolom 4 van de bijlage van het Besluit m.e.r.
2.2
Voorgenomen activiteiten
Onderhavig bestemmingsplan heeft betrekking op de activiteiten genoemd in de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r. onderdeel D categorie 11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een aannemersbedrijf. De in kolom 2 genoemde drempelwaarden worden niet overschreden. Omdat de activiteit voorkomt in de
Zaaknummer : ZD-2022-001999 Locatie : Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp
Pagina 4 van 7
onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r moet beoordeeld worden of de activiteit mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Dit wordt de vormvrije m.e.r.-beoordeling genoemd.
2.3
Procedure
De besluitvormingsprocedure is uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.16 tot en met 7.18 van de Wm. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit wordt tezamen met het definitieve bestemmingsplan ter inzage gelegd. Beroep kan zich dan tegen beide besluiten richten. Met de wijziging van het Besluit m.e.r. op 7 juli 2017 is de procedure voor de formele m.e.r.beoordeling en de vormvrije m.e.r.-beoordeling grotendeels gelijkgetrokken. Van het besluit met betrekking tot de vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft echter geen kennisgeving gedaan te worden.
Zaaknummer : ZD-2022-001999 Locatie : Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp
Pagina 5 van 7
3
INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN
3.1
Toetsingskader
Wij hebben getoetst of voor het project een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Deze toets is overeenkomstig artikel 7.19, lid 1 jo. 7.17 lid 2 t/m 4 van de Wm uitgevoerd op grond van de in bijlage III van de m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria. De toetsing is hieronder uitgewerkt.
3.2
De kenmerken van het project
Bij de kenmerken van het project zijn de volgende criteria in ogenschouw genomen: de omvang en het ontWerp van het gehele project; de cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit; de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder; het risico van ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaatverandering in overeenstemming met wetenschappelijke kennis; de risico’s voor de menselijke gezondheid. Overwegingen De hiervoor genoemde onderdelen bij de kenmerken van het project zijn voldoende beschreven in de aanmeldnotitie. Wij zijn van mening dat er voor wat betreft de kenmerken van het project geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten die noodzaken tot het opstellen van een milieueffectrapport.
3.3
De locatie van het project
Bij de plaats van het project wordt het volgende in overweging genomen: het bestaande grondgebruik; de relatieve rijkdom aan alsmede de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; het opnamevermogen van het natuurlijk milieu, met speciale aandacht voor de typen aangewezen in de m.e.r.-richtlijn. Overwegingen De hiervoor genoemde onderdelen bij de locatie van het project zijn voldoende beschreven in de aanmeldnotitie. Wij zijn van mening dat er voor wat betreft de locatie van het project geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten die noodzaken tot het opstellen van een milieueffectrapport.
3.4
De soort en kenmerken van het potentiële effect
Bij de soort en kenmerken van het potentiële effect moet in aanmerking worden genomen, in samenhang met de onder de punten 1 en 2 uiteengezette criteria en met inachtneming van: - de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten; - de aard van het effect; - het grensoverschrijdend karakter van het effect; - de waarschijnlijkheid van het effect; - de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; - de cumulatie van effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; - de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.
Zaaknummer : ZD-2022-001999 Locatie : Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp
Pagina 6 van 7
Overwegingen De hiervoor genoemde onderdelen bij soort en kenmerk van het potentiële effect zijn voldoende beschreven in de aanmeldnotitie. Wij zijn van mening dat er voor wat betreft de soort en kenmerken van het potentiële effect geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten die noodzaken tot het opstellen van een milieueffectrapport.
3.5
Conclusie
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het opstellen van een milieueffectrapportage is niet nodig.
Zaaknummer : ZD-2022-001999 Locatie : Brandlichterweg, Diekmanweg in Denekamp
Pagina 7 van 7
Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek
74
bestemmingsplan Denekamp, Brandlichterweg Diekmanweg
RAPPORT VERKENNEND BODEMONDERZOEK conform NEN5740 Brandlichterweg/Diekmanweg - Denekamp
Opdrachtgever Ad Fontem Locatie: Brandlichterweg/Diekmanweg 7591 AT Denekamp April 2024 (versie 3)
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
Tel: 0546 - 63 96 63 KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01
Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739
Rapport Verkennend Bodemonderzoek conform NEN5740 Brandlichterweg/Diekmanweg - Denekamp
Opdrachtgever Ad Fontem Stationsstraat 37 7622 LW Borne Locatie: Brandlichterweg/Diekmanweg 7591 AT Denekamp Projectcode: 22025310 Rapportagedatum: 12 april 2024 (versie 3) Projectleider: de heer ir. P. Haverkort Auteur: mevrouw E. Koppelman
Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
Inleiding
1
2
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie
3 3 3 5
3
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
6 6 7 7 8 9
4
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses
11 11 11 13 13
5
Aanvullend bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Analyses Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses
15 15 15 15 17 17
6
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
18
7
Literatuur en bronvermelding
20
5.4 5.5
Bijlagen I
Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, mei 2022 Boorplan aanvullend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, april 2024 II Boorstaten Legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses Toetsing chemische analyses IV Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 22025310
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend en aanvullend bodemonderzoek, dat in opdracht van Ad Fontem op een terrein aan de Brandlichterweg en Diekmanweg in Denekamp door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. In versie 2 van het rapport is in het vooronderzoek aanvullende informatie over het historisch gebruik van de locatie opgenomen. Versie 2 van het rapport vervangt versie 1 van 24 mei 2022. De aanvullende informatie is opgenomen in paragraaf 2.2. In versie 3 van het rapport is het aanvullend bodemonderzoek ter plekke van de voormalige bebouwing op het zuidoostelijke deel van de onderzoekslocatie beschreven. Versie 3 vervangt versie 2 van 12 mei 2023. Het aanvullend bodemonderzoek wordt beschreven in hoofdstuk 5. De aanleiding van dit onderzoek is een bestemmingsplanwijziging en de bouw van nieuwe woningen. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de bouwplannen. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er zich binnen de onderzoekslocatie een gedempte sloot bevindt.
Deze sloot wordt beschouwd als verdachte deellocatie (deellocatie A). Het overige deel van de onderzoekslocatie kan als onverdacht worden beschouwd. Op basis van nieuwe informatie (april 2024) is gebleken dat zich in het verleden een loods van een werktuigendienst/mechanisatiebedrijf op het zuidoostelijke deel van de onderzoekslocatie bevond en is dit deel van de onderzoekslocatie als verdacht beschouwd. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5725, Bodem. Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, oktober 2023.
De doelstelling van het onderzoek op een verdachte (deel)locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskernen ook daadwerkelijk op de vermoede plaatsen aanwezig zijn en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond de achtergrondwaarden overschrijden. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. Het veldwerk is uitgevoerd in mei 2022 en april 2024 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd.
Kruse Milieu BV
Project: 22025310
Pagina 1 van 20
Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden eventuele resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.
Kruse Milieu BV
Project: 22025310
Pagina 2 van 20
2
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Brandlichterweg/Diekmanweg in de bebouwde kom van Denekamp. Het centrale punt van het te onderzoeken terreindeel heeft de RD-coördinaten x = 265.927 en y = 488.982 en is kadastraal bekend als: gemeente Denekamp, sectie O, nummers 3319 en 3572. De Brandlichterweg is ten zuiden en de Diekmanweg is ten oosten van de onderzoekslocatie gelegen. Bebouwing en verharding De onderzoekslocatie is onbebouwd en onverhard. Het terrein is in gebruik als weiland. In het verleden bevond zich een loods van een werktuigendienst/mechanisatiebedrijf op het zuidoostelijke deel van de onderzoekslocatie. Onderzoekslocatie In het kader van de van een bestemmingsplanwijzinging en de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de nieuwbouwplannen is een bodemonderzoek noodzakelijk. De onderzoekslocatie omvat circa 11.660 m². In bijlage I is de regionale ligging van de locatie weergegeven en zijn de boorplannen van het verkennend bodemonderzoek (mei 2022) en het aanvullend bodemonderzoek (april 2024) opgenomen. Vooronderzoek In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn.
De geraadpleegde bronnen zijn weergegeven in tabel 1. De volgende informatie is verzameld: - de onderzoekslocatie heeft momenteel een agrarische bestemming. De onderzoekslocatie is altijd in gebruik geweest als landbouwgrond; - op historische topografische kaarten (bron: Topotijdreis.nl) is te zien dat op het zuidoostelijke deel van het perceel bebouwing aanwezig is geweest. De bebouwing is op de topografische kaarten vanaf 1995 weergegeven tot circa 1988. Er is navraag gedaan bij de eigenaar en de gemeente Dinkelland. Voor zover bekend is het terrein volgens de eigenaar niet bebouwd geweest en bij de gemeente Dinkelland was in mei 2022 (voorafgaand aan onderhavig bodemonderzoek) geen informatie bekend; - uit aanvullende informatie van de gemeente (mei 2023) blijkt dat op de locatie de Coöperatie Werktuig & Bouwdienst Denekamp gevestigd was. Op foto’s uit 1970 (bron: werktuigenbouwdienst.nl) is te zien dat er een schuur stond voor het stallen van tractoren en werktuigen (coöperatief gebruik door leden). Er zijn bij de gemeente Dinkelland geen vervallen Hinderwet- of milieuvergunningen bekend. Tijdens het veldwerk zal gelet worden op puin op het maaiveld of in de bodem; - uit informatie van de Omgevingsdienst Twente is gebleken dat aanvullend bodemonderzoek (volgens de strategie VED-HE) op het zuidoostelijke deel (waar de loods was gebouwd) van de onderzoekslocatie vereist is.
Mogelijk is er in de voormalige loods sprake geweest van de opslag van bestrijdingsmiddelen en dient het analysepakket bij het aanvullend bodemonderzoek te worden uitgebreid met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). (bron: brief ODT met zaaknummer Z2024-ODT-000890, d.d. 20 februari 2024). Het aanvullend bodemonderzoek wordt in hoofdstuk 5 beschreven; - voor zover bekend is er op de onderzoekslocatie nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel; Kruse Milieu BV
Project: 22025310
Pagina 3 van 20
- de onderzoekslocatie is voor zover bekend verder nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten, die verontreinigend kunnen zijn; - op circa 75 meter ten noordwesten van de onderzoekslocatie is een voormalige vuilstort aanwezig. Deze vuilstort is gesaneerd/afgedekt met een leeflaag; - voor zover bekend is het te onderzoeken terrein in het verleden niet opgehoogd. Er is op basis van historische informatie een (sloot)demping aanwezig. De gedempte sloot wordt beschouwd als verdachte deellocatie (deellocatie A, zie boorplan); - voor zover bekend bevindt zich geen asbest op of in de bodem op de onderzoekslocatie. Er bevinden zich geen asbesthoudende dakplaten, beschoeiingen of sloopafval direct naast of op de onderzoekslocatie. Tevens is de locatie niet gelegen aan een asbestweg; - volgens de Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente (Witteveen+Bos, maart 2018) valt de bovengrond in functieklasse Wonen en de ondergrond in functieklasse AW2000. Volgens de Nota bodembeheer Regio Twente (Twens beleid veur oale groond) wordt geen correctie toegepast voor minerale olie tot maximaal 100 mg/kg d.s; - voor zover bekend hebben er niet eerder bodemonderzoeken op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie plaatsgevonden. Tabel 1: Geraadpleegde bronnen vooronderzoek. Relevante informatie
Bron
Specificatie
Opdrachtgever
Huidig en historisch gebruik van de locatie
Ja
Gemeente Dinkelland
Bodeminformatie
Ja
Omgevingsdienst Twente
Aanvullende informatie historisch gebruik van de locatie
Ja
Omgevingsrapportage
https://overijssel.omgevingsrapportage.nl/
Ja
Archief Kruse Milieu BV
Eerdere bodemonderzoeken
Nee
Google Maps
https://www.google.nl/maps
Ja
Topotijdreis
https://www.topotijdreis.nl/
Ja
BAG-viewer
https://bagviewer.kadaster.nl/
Ja
Perceelloep
https://perceelloep.nl/
Ja
Ruimtelijke plannen
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/viewer/
Ja
Grondwatertools
https://www.grondwatertools.nl/gwsinbeeld/
Ja
DINOloket
https://www.dinoloket.nl/
Ja
AHN-viewer
https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/
Ja
Bodemkwaliteitskaart
Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente, Witteveen + Bos, d.d. 23 maart 2018, Twente Bodemkwaliteitskaart PFAS, Tauw bv, d.d. 28 mei 2020
Ja
Kruse Milieu BV
Project: 22025310
Pagina 4 van 20
Bodemsamenstelling en geohydrologie Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - het maaiveld bevindt zich ongeveer 24 meter boven NAP; - de locatie is gelegen in het bekken van Lattrop, ten oosten van de stuwwal bij Ootmarsum en ten noorden van de stuwwal bij Oldenzaal - de bodem bestaat tot circa 18 meter minus maaiveld (m-mv) uit zandige eenheden van de Formatie van Boxtel. De doorlaatwaarde bedraagt circa 25 tot 100 m2/dag. Daaronder bevindt zich een kleiige eenheid van de Formatie van Boxtel met een dikte van circa 1.6 meter. Vanaf circa 21 m-mv bevinden zich zandige en kleiige eenheden van de Formaties van Drente en Dongen; - de grondwaterspiegel bevindt zich op circa 2.0 meter minus maaiveld. De grondwaterstromingsrichting is noordwestelijk gericht; - de onderzoekslocatie ligt niet in of nabij een grondwaterbeschermings- of waterwingebied; - op circa 2.5 kilometer ten westen van de onderzoekslocatie stroomt de Dinkel, op circa 1.3 kilometer ten noorden het Kanaal Almelo-Nordhorn en op circa 1.4 kilometer ten oosten stroomt het Omleidingskanaal; - de invloed van deze watergangen op de freatische grondwaterstromingsrichting en -stand is bij ons bureau niet bekend.
Kruse Milieu BV
Project: 22025310
Pagina 5 van 20
3
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. In dit hoofdstuk wordt de strategie van het verkennend bodemonderzoek (mei 2022) beschreven. Het aanvullend bodemonderzoek dat in april 2024 op het zuidoostelijke deel van de onderzoekslocatie is uitgevoerd wordt in hoofdstuk 5 beschreven. In de norm NEN5740 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. Op basis van de beschikbare informatie omtrent het historisch en huidig gebruik van de locatie, kan het grootste deel van de onderzoekslocatie als niet verdacht worden beschouwd. De hypothese "onverdachte locatie" uit NEN5740 wordt voor de locatie gebruikt. Deze hypothese gaat ervan uit dat op een locatie geen of slechts licht verhoogde gehalten worden gemeten.
Op basis van het oppervlak van circa 11660 m² kan op basis van norm NEN5740, strategie onverdachte locatie, worden afgeleid dat er 21 boringen dienen te worden verricht, waarvan 15 tot 0.5 meter en 6 tot 2.0 meter diepte of tot de grondwaterspiegel. Er worden, ten behoeve van het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters, 2 diepe boringen overeenkomstig NEN5766 afgewerkt met een peilbuis. Deellocatie A: gedempte sloot Ter plekke van de gedempte sloot worden 9 boringen (3 raaien van 3 boringen met een onderlinge afstand van 2.0 meter) verricht tot de ongeroerde bodemlaag met een minimum van 1.0 m-mv. Ter plekke van boring 6, op het zuidoostelijke deel van de onderzoekslocatie zal worden gelet op de aanwezigheid van puin om vast te kunnen stellen of de locatie eerder bebouwd is geweest. Indien er rondom boring 6 geen puin aanwezig is, wordt aangenomen dat er nooit bebouwing aanwezig is geweest. Uit het vooronderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie niet verdacht is met betrekking tot asbest. Derhalve is geen asbestonderzoek op de locatie noodzakelijk. Tijdens het veldwerk zal visueel worden gelet op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op en in de bodem. Als tijdens het veldwerk blijkt dat de bodem puinhoudend is, worden puinhoudende boringen tot 0.5 m-mv conform NEN5707 vervangen door inspectiegaten.
Omdat puinhoudende grond per definitie asbestverdacht is dient in voorkomende gevallen asbestonderzoek plaats te vinden. Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Eventuele funderingslagen (asfalt- en puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN5897+C2 van toepassing: “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017.
Kruse Milieu BV
Project: 22025310
Pagina 6 van 20
Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem; - in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen. Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40). Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden; - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan.
Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. Veldwerkzaamheden Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPR-voorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Van elk monsterpunt wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN5104. Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur. Analyses De chemische analyses worden uitgevoerd door Eurofins Analytico BV te Barneveld, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. Eventuele asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins Omegam in Amsterdam, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. Voor het uitvoeren van deze analyses worden in dit verkennend onderzoek 6 grondmengmonsters samengesteld en er worden 2 grondwatermonsters genomen. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 3. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN5740 onderzocht. In tabel 2 is weergegeven welke chemische analyses worden uitgevoerd.
Kruse Milieu BV
Project: 22025310
Pagina 7 van 20
Tabel 2: Analysepakket per (meng)monster verkennend bodemonderzoek (mei 2022). Monster
Analysepakket
Bovengrond (3x) Ondergrond (2x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organisch stof, lutum en droge stof
Grondwater (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting Deellocatie A: gedempte sloot
Ondergrond (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting
Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats. Toetsing chemische analyses De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu.
Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging; tussenwaarde (T): Gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, dus (A+I)/2 (grond) of (S+I)/2 (grondwater). Wanneer bij een verkennend onderzoek een component met concentratie boven deze waarde wordt gevonden is in principe een nader onderzoek nodig.
Kruse Milieu BV
Project: 22025310
Pagina 8 van 20
Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de Interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. Het toetsingsresultaat is overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I. *** concentratie groter dan I. Een locatie wordt als verontreinigd beschouwd als de GSSD groter is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde. De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde.
De resultaten van eventuele PFAS-analyses worden getoetst aan de achtergrondwaarden in de landbodem genoemd in het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” (versie december 2021) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, alsmede aan de sinds 15 januari 2020 door het RIVM afgeleide INEV’s (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreinigingen) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX in grond en grondwater. Toetsing asbestanalyses De resultaten van eventuele asbestanalyses worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. De gewogen concentratie asbest is gelijk aan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met 10 maal de concentratie amfiboolasbest. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS).
Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Bij boringen < 0.35 meter diameter: indien in het opgeboorde materiaal uit minimaal één boring binnen een (deel)locatie asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek verplicht. Indien in de boringen binnen een (deel)locatie geen asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek niet verplicht. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Bij een nader asbestonderzoek wordt getoetst aan de interventiewaarde. Alleen indien in het verkennend bodemonderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerde grond in de gaten en het aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als het nader asbestonderzoek, dan is een directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk.
Kruse Milieu BV
Project: 22025310
Pagina 9 van 20
Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities. Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding.
Kruse Milieu BV
Project: 22025310
Pagina 10 van 20
4
Resultaten Algemeen
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten van het verkennend bodemonderzoek (mei 2022). De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen, de samenstelling van de mengmonsters en de grondwatergegevens worden beschreven in paragraaf 4.2. De resultaten van de chemische analyses worden weergegeven en besproken in paragraaf 4.3 en 4.4. Veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn in mei 2022 uitgevoerd door de heren J. Hartman en N. Pepping. Deze veldwerkers zijn conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/09). De veldwerkers werden geassisteerd door de heer L. Haverkort. Op 2 mei 2022 zijn er in totaal 22 boringen met behulp van een Edelmanboor verricht, waarvan er 7 zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Met behulp van een Edelmanboor en zuigerboor zijn er 2 diepe boringen afgewerkt met een peilbuis (PB 1 en PB 2). Deellocatie A: gedempte sloot Op 10 mei 2022 zijn er, met behulp van een Edelmanboor, 9 boringen (3 raaien van elk 3 boringen) ter plekke van de gedempte sloot verricht. De boringen zijn doorgezet tot minimaal 1.0 m-mv en maximaal 1.15 m-mv. De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen.