CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening (toelichting en regels).pdf

Gemeenteraad 17 juli 2023, gemeente DinkellandBij agendapunt: 9: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte”26.890 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Daarbij zal worden voldaan aan het standaard beeldkwaliteitsplan dat geldt voor dergelijke ontwikkelingen. Er worden geen belemmeringen verwacht vanuit de Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016.

26

bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten In dit hoofdstuk worden de van toepassing zijnde milieu- en omgevingsaspecten beoordeeld voor dit plan. Uit deze beoordeling blijkt dat het plan geen significant negatieve gevolgen heeft voor de het milieu en de omgeving van de locatie.

4.1 Bodem Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het projectgebied. Aangetoond dient te worden dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Bij een wijziging van de bestemming of van de functie wordt een bodemonderzoek alleen noodzakelijk geacht wanneer deze wijziging tevens een gevoeligere bodemgebruiksvorm inhoudt (bijvoorbeeld van bedrijvigheid naar wonen). Ook is op de verplichting tot het uitvoeren van bodemonderzoek van belang of in de gebouwen voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven, bijvoorbeeld om te werken, onderwijs te geven of te genieten. Uit de toelichting op de Woningwet blijkt dat met bovenstaande omschrijving wordt bedoeld 'enige tijd' oftewel een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk) dag. Het gaat daarbij niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan een dag) verblijven van dezelfde mensen in een gebouw. Toets Door Terra Agribusiness is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform NEN 5740 en 5707 in verband met de bouw van de nieuwe woonzorgaccommodatie op het perceel. Het onderzoek (projectnummer 2021-132, d.d. 9 juli 2021) is opgenomen als Bijlage 2 bij deze toelichting.

Onderstaand volgt een samenvatting van de bevindingen. Het rapport Verkennend Bodemonderzoek Westenveldweg 13 te Tilligte (Terra Agribusiness BV, project: 2021-132, d.d. 9 juli 2021) is door de Omgevingsdienst Twente getoetst aan het beleid dat door de gemeente Dinkelland is vastgelegd in de nota: De bodemkwaliteit onderzocht Ga tot de bodem!. Er zit meer in dan je denkt. De gehele locatie is historisch onderzocht. Het onderzoek is uitgevoerd conform de normen (NEN-5740/NEN-5740) en richtlijnen, en geeft voldoende inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem binnen de onderzoekslocatie. In het onderzoek zijn in de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) en ondergrond (0,5-2,0 mmv) geen overschrijdingen van de achtergrondwaarden aangetoond, behoudens een zeer licht verhoogd gehalte aan asbest. In het grondwater zijn overschrijdingen gemeten van de streefwaarden voor zink, barium en koper. De licht verhoogde gehaltes/concentraties in ondergrond/grondwater zijn geen aanleiding tot nader onderzoek. Er is geen vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging binnen het onderzoeksgebied. Het plangebied is groter dan het onderzoeksgebied van het bodemonderzoek. De herinrichting betreft echter alleen het onderzoeksgebied. Daarom hoeft er geen aanvullend verkennend bodemonderzoek te worden verricht voor de rest van het plangebied.

Toekomstig grondverzet (op of van de locatie) dient te worden gemeld via het meldpunt Bodemkwaliteit. De gemeente Dinkelland heeft op 7 juli 2020 de Bodembeheernota en Bodemkwaliteitskaart Twente vastgesteld. De aanvulling ten aanzien van PFAS is echter nog niet vastgesteld. Bij afvoer van overtollige grond dient deze aanvullend te worden onderzocht op PFAS. Conclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijzing en de nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen).

bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening

27

4.2 Luchtwaliteit De milieukwaliteitseisen omtrent luchtkwaliteit zijn verankerd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarde die voor een aantal verontreinigende stoffen in de wet is gesteld. Als aannemelijk is dat aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormt luchtkwaliteit geen belemmering om een projectplan vast te stellen. Deze voorwaarden zijn: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging; het project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit of binnen een regionaal programma van maatregelen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per m3 (µg/m3 ) voor fijn stof en stikstofoxiden (NO2). Toets Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren.

Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project "niet in betekende mate" bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval is bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan aan de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden. In het voorliggende plan gaat het om de realisatie van een nieuwe woonzorgaccommodatie en het starten van ondergeschikte horeca activiteiten. Deze nieuwe functies zullen een zeer beperkte verkeersaantrekkende werking hebben. En dan alleen voor het lichte verkeer (uitbreiding zorgpersoneel). Er wordt (worst case) uitgegaan van 10 extra verkeersbewegingen per dag. NIBM Een project draagt volgens het NSL "niet in betekenende mate" bij zolang de toename van de concentratie fijnstof of stikstofdioxide maximaal 3% bedraagt van de grenswaarde.

Voor kleinere ruimtelijke- en verkeersplannen, die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit, heeft het toenmalige Ministerie van VROM in samenwerking met InfoMil een rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Worst case in met behulp van de NIBM-tool de bijdrage van 10 extra voertuigbewegingen berekend op de luchtkwaliteit. Hieruit blijkt (zie onderstaande tabel) dat de voorgenomen plannen niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Er is geen nader onderzoek nodig.

28

bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening

Op basis hiervan kan worden gesteld dat het plan NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit en is het bestemmingsplan op het gebied van luchtkwaliteit uitvoerbaar. NSL Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is per 1 augustus 2009 in werking getreden. Hiervoor is een digitale monitoringstool beschikbaar gesteld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Volgens de monitoringstool zijn de gemiddelde concentraties fijn stof PM10 en PM2,5 voor het jaar 2019 nabij de planlocatie respectievelijk circa 16 µg/m3 en circa 9 µg/m3 (excl. zeezout correctie). De concentratie aan stikstofdioxide in het genoemde jaar bedraagt circa 12 µg/m3. De grenswaarde van stikstofdioxide ligt vanaf 2015 op 40 µg/m³ en die van fijn stof op 40 µg/m³. De gemeten concentraties aan fijn stof en stikstofdioxide liggen ter plaatse van de planlocatie ver beneden de grenswaarden. Verder is het de verwachting, dat door het schoner worden van de autotechniek, de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst lager wordt. De woonzorgaccommodatie is een gevoelige bestemming voor het aspect luchtkwaliteit. Gebleken is dat ter plaatse van het plangebied de luchtkwaliteit ruim aan de normen voldoet. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.3 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) heeft als belangrijkste doel het bestrijden en voorkomen van geluidhinder. In 2008 is als gemeentelijke uitwerking van de Wgh de Nota geluidbeleid vastgesteld. Het doel van het gemeentelijk geluidsbeleid is het behouden van de goede kwaliteiten en het benutten van kansen om voor de verschillende gebieden binnen de gemeente de geluidskwaliteit te verbeteren. In regionaal verband is gekozen voor de gebiedsindeling volgens de MILO-systematiek (Milieukwaliteit In de LeefOmgeving). De MILO-systematiek houdt bij de gebiedsindeling rekening met het functioneel ruimtegebruik van een gebied. Op basis van het functioneel gebruik van de ruimte is de gemeente onderverdeeld in zeven gebieden: natuur, extensiveringsgebied, buitengebied, woongebied, centrum, gemengd gebied en bedrijventerrein. Voor ieder gebied is het geluidsbeleid voor de thema's 'bedrijven' en 'verkeer' een passende geluidskwaliteit opgenomen. De geluidskwaliteit geeft aan wat de ambitie is voor dat gebied. Naast de Nota geluidsbeleid heeft Dinkelland ook een Nota hogere grenswaarden opgesteld. Deze Nota beschrijft onder welke condities afgeweken mag worden van de opgestelde ambities. Het plangebied wordt aangemerkt als 'buitengebied'. Wegverkeerslawaai Op grond van de Wgh hebben wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur en spoorwegen een geluidszone.

Voor het plangebied geldt de ambitie 'redelijk rustig' en grenswaarde 'onrustig'. Dit betekent dat het streven is om voor verkeer aan de aan voorkeursgrenswaarde 48 dB (redelijk rustig) te voldoen. De woonzorgaccommodatie wordt aangemerkt als geluidsgevoelig object. Dat is niet het geval voor de manege waarin de ondergeschikte horeca wordt ondergebracht. De nieuwe woonzorgaccommodatie ligt op circa 110 meter van de Westenveldweg. Dit is een zandweg (B-weg) waar nagenoeg geen verkeer over heen komt, met uitzondering van bestemmingsverkeer voor oostelijk gelegen percelen. Uit de kaart van het wegveerkeer (Lden) van de Atlas Leefomgeving blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van het plangebied lager is dan 45 dB.

bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening

29

Afbeelding 10: kaart Lden Atlas Leefomgeving Op basis van de verwachting en de kaart Lden van de Atlas Leefomgeving kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de grenswaarde van 48 dB ter plaatse. Nader geluidsonderzoek is in dit kader niet noodzakelijk. Industrielawaai Het toekomstige bedrijf zal een bepaalde geluidsuitstraling hebben naar de omgeving. Zoals aangegeven wordt de omgeving getypeerd als 'buitengebied'. Op basis van het gemeentelijk beleid geldt een ambitie van 45 dB(A) en een grenswaarde van 50 dB(A). De activiteiten en werkzaamheden vinden hoofdzakelijk plaats op het erf en in de gebouwen. Het betreft de volgende activiteiten: het houden en verzorgen van rundvee en paarden; activiteiten met cliënten (dagbesteding / 24-uurszorg) in en om de gebouwen op het erf; de aanvoer van voer (grondstoffen); Het voorliggende plan ziet alleen toe op de uitbreiding van de zorgactiviteiten. De geluidbelasting hiervan op de omgeving is beperkt. De activiteiten en werkzaamheden vinden hoofdzakelijk binnen plaats. Daarnaast is er sprake van afscherming door te realiseren gebouwen en groenstroken. De afstand van de activiteiten tot de omliggende geluidgevoelige objecten bedraagt meer dan 150 meter (burgerwoning Westenveldweg 9). De woningen in de bebouwde kom van Tilligte) liggen op een afstand van meer dan 250 meter.

Gelet op de afstand en de activiteiten zal er naar verwachting kunnen worden voldaan aan de richtwaarde. Conclusie Het aspect geluid staat de uitvoering van het plan niet in de weg aangezien er sprake is van voldoende ruimtelijke scheiding.

4.4 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier 30

bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening

richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De lijst met richtafstanden gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten, is mede afhankelijk van het omgevingstype. In de VNG-uitgave wordt onderscheid gemaakt tussen rustige woonwijk en gemengd gebied. Het plangebied is in dat kader aan te merken als gemengd gebied. Realisatie woonzorgaccommodatie In het kader van de bedrijven en milieuzonering is onderzocht of de realisatie van de nieuwe woonzorgaccommodatie zal leiden tot belemmeringen voor omliggende bedrijven. Een woonzorgaccommodatie valt niet onder de opgenomen categorieën. Wel zijn er voor zorgfuncties als ziekenhuizen en verpleeghuizen afstanden opgenomen. Voor deze categorie geldt een afstand van ten hoogste 30 meter op basis van het afstand geluid.

Hieraan wordt met dit plan ruimschoots voldaan. Ondergeschikte horeca Ook is onderzocht of de realisatie van de ondersteunende horeca zal leiden tot belemmeringen voor omliggende bedrijven. Ondergeschikte horeca valt niet onder de opgenomen categorieën. Wel is voor horeca een categorie-indeling gemaakt, waarbij deze activiteit valt in de categorieën 1 t/m 3.1. De hoogste categorie (3.1) is alleen van toepassing op kampeerterreinen / vakantiecentra e.d. (met keuken). Hiervoor geldt een richtafstand tot gevoelige functies van 50 m. In de andere gevallen is de richtafstand 10-30 meter. Het maatgevende aspect bij horeca is geluid. Ook aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Reeds aanwezige bedrijven Er ligt een aantal (agrarische) bedrijven in de omgeving van het plangebied. Het betreft agrarische bedrijven aan de Kerkweg en Langkampweg. De afstand tot alle bedrijven is minimaal 200 meter (gemeten vanaf de bedrijfsgebouwen). Voor een grondgebonden agrarisch bedrijf geldt een afstand van 100 meter, voor een intensief bedrijf is dat een afstand 200 meter. Deze afstanden, gemeten vanaf de rand van de bouwvlakken tot aan de nieuwe woonzorgaccommodatie, worden gehaald. De realisatie van de nieuwe woonzorgaccommodatie en de ondergeschikte horeca hebben, vanuit het oogpunt van milieuzonering, geen negatieve invloed op de omgeving en de nabij gelegen agrarische bedrijven.

De voorgenomen plannen vormen daarnaast geen belemmering voor de bestaande (agrarische) bedrijven in de omgeving en de ontwikkeling hiervan. Conclusie Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Het aspect Bedrijven en milieuzonering' staat de uitvoering van het plan daarom niet in de weg.

4.5 Geur en veehouderijen Bij het voorbereiden en opstellen van een ruimtelijk plan dienen voor wat betreft geurhinder van veehouderijen de volgende vragen te worden beantwoord: Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? Woon- en verblijfklimaat Bij veehouderijen komt geur vrij, de geuremissie, die zich verspreidt via de lucht en een geurbelasting veroorzaakt op de woon- en leefomgeving. Onder geurbelasting verstaan we de hoeveelheid geur, uitgedrukt in odour units per volume-eenheid lucht, die op een geurgevoelig object zoals een woning terecht komt. Deze afstand kan worden berekend. In deze situatie is er sprake van de bouw van een nieuwe woonzorgaccommodatie. Dit is een geurgevoelig object in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij. Agrarische bedrijven met vee waarvoor vaste afstanden gelden De afstand vanaf de nieuwe woonzorgaccommodatie tot aan de bouwvlakken van omliggende agrarische bedrijven is meer dan 150 meter. Hiermee wordt ruimschoots aan de minimale afstand voldaan. Hiermee is een goed woon- en leefklimaat ter plaatse gegarandeerd. Agrarische bedrijven met vee waarvoor geurnomen zijn vastgesteld bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening

31

In de directe omgeving zijn twee veehouderijen met varkens gevestigd (Kerkstraat 38 en 48). Voor varkens zijn geurnormen vastgesteld en dient met V-Stacks Vergunning 2020 de geurbelasting worden berekend op het perceel Westenveldweg 13. De berekening heeft plaats gevonden op de hoekpunten van het bouwblok. Zie de onderstaande afbeelding.

Afbeeldign 11: Westerveldweg 13 met de nummering van de berekende punten. In onderstaande tabel is de geurbelasting van beide bedrijven aan de Kerkweg op de punten aan de Westerveldweg 13 weer gegeven. Tabel met overzicht van de geurbelasing van de Kerkweg 38 en 48 op de punten van de Westerveldweg 13

In de gemeente moet worden getoetst aan de geurnorm uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Buiten de bebouwde kom mag deze maximaal 14,0 odour units per kubieke meter lucht bedragen. Invloed van de Kerkweg 38 Zoals uit de tabel kan worden afgelezen, vindt de hoogste geurbelasting plaats op punt 1. Deze heeft een geurbelasting van 1,6 odour units per kubieke meter lucht. Deze belasting is ruim beneden de norm van 14 odour units per kubieke meter lucht. Invloed van de Kerkweg 48 De hoogste belasting van de Kerkweg 48 vindt plaats op punt 3. De belasting is er 8,0 odour units per kubieke meter lucht. Deze belasting ligt onder de norm van 14,0 odour units per kubieke meter lucht. Daarnaast kan worden opgemerkt dat dit punt op ruime afstand is gelegen van de te realiseren zorgwoning. Punt 7 is gelegen nabij de nieuwe zorgwoning. Hier is de belasting 4,7 odour units per kubieke meter lucht en ligt hier mee ruim onder de geurnorm van 14 odour units kubieke meter lucht. Voorgrondbelasting 32

bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening

Voor de voorgrondbelasting geldt als vuistregel dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In de nabije omgeving zijn, naast de bedrijven aan de Kerkweg 38 en 48, nauwelijks bedrijven te vinden met een (aanzienlijke) omvang van geuremissiefactoren. Daarom kan worden aangenomen dat aan de Westenveldweg 13 de voorgrondbelasting bepalend is en dat de belasting (ruim) onder de wettelijke norm van 14 odour units per kubieke meter lucht ligt. Agrarische belangen De belangen van de veehouderij kunnen worden geschaad als door de bouw van geurgevoelige objecten het bedrijf zijn toekomstplannen niet meer kan uitvoeren. Door te bouwen binnen de geurcirkel van een veehouderij wordt de veehouderij "op slot" gezet. De veehouderij kan niet meer uitbreiden of wijzigingen in de veebezetting realiseren omdat een aanvraag om vergunning op grond van de Wet geurhinder en veehouderij geweigerd zal moeten worden. Zolang de woonzorgaccommodatie (geurgevoelig object) op voldoende afstand ligt van de agrarische bedrijven (gemeten vanaf het bouwvlak) worden zij niet beperkt in hun ontwikkeling. Er moet worden voldaan aan een minimale afstand van 50 meter. De afstand vanaf de nieuwe woonzorgaccommodatie tot aan de bouwvlakken van omliggende agrarische bedrijven is meer dan 150 meter.

Hiermee wordt ruimschoots aan de minimale afstand voldaan. De agrarische belangen in de omgeving worden hiermee gerespecteerd. Conclusie Het aspect geur en veehouderijen staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.6 Waterhuishouding en watertoets Algemeen Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kunnen verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico's van overstromingen e.a.) worden voorkomen en kan de kwaliteit van het water worden verbeterd. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die in ruimtelijke plannen verankerd is. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Voor de periode 2016-2021 heeft Waterschap Vechtstromen een waterbeheerplan opgesteld. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van het waterschap een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd.

Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem.

Vandaar dat het principe 'eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren' een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening

33

Watertoets Het waterschap Vechtstromen is op 15 juni 2021 geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. In Bijlage 3 is een samenvatting en de uitgangspuntennotitie opgenomen. De beantwoording heeft er toe geleid dat de zogenaamde 'normale procedure' van toepassing is. Dit betekent dat het bestemmingsplan in het kader van vooroverleg moet worden voorgelegd aan het waterschap Vechtstromen. Het erf van initiatiefnemers valt voor een deel in een 'beperkingsgebied'. Deze beperking heeft te maken met het feit dat in het betreffende deel van het plangebied mogelijk bij extreme neerslagsituaties (eens per 100 jaar) water op maaiveld optreed. Op de kaart die in de watertoets is opgenomen (zie bijlage 3) is te zien dat de nieuwe woonzorgaccommodatie buiten dit beperkingengebied valt. Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater afkomstig van de woonzorgaccommodatie zal via een pompput en riolering worden afgevoerd naar de RWZI. Hemelwater Het hemelwater afkomstig van het dak en het verhard oppervlakte wordt via regengoten, straatkolken en rioleringsleidingen geloosd op de omliggende greppels en sloten. Vandaar wordt het naar waterschap sloten geleid en afgevoerd naar hoofdwatergangen. Het hemelwater afkomstig van de daken is niet verontreinigd. Er is geen lozing van hemelwater op het vuilwaterriool.

Door afkoppeling wordt het vuile water geconcentreerder, waardoor verwerking in de RWZI beter kan verlopen. Door middel van het infiltreren van het hemelwater in greppels en sloten, is er sprake van het opvangen en vasthouden van gebiedseigen water en wordt het getrapt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Oppervlaktewater Er is in deze situatie geen sprake van de herinrichting van het oppervlaktewatersysteem. De bestaande greppels, sloten en watergangen blijven bestaan, hier worden geen wijzigingen in doorgevoerd. De aanwezige waterinfrastructuur past in deze situatie goed bij de te ontwikkelen bedrijfsopzet. Toename verharding De oppervlakte van de nieuwe woonzorgaccommodatie is ruim kleiner dan 1.500 m2. De ondergeschikte horeca wordt gerealiseerd in de bestaande manege. Er is op grond van de keur van het waterschap geen noodzaak tot het realiseren van vervangend oppervlaktewater. Conclusie Uit de watertoets is gebleken dat voor het plan de normale procedure gevolg moet worden. Het plan raakt geen beperkingsgebieden, waardoor gesteld kan worden dat het aspect water de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4.7 Externe veiligheid Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico's voor de omgeving vanwege gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Besluit externe veiligheid (Bevi) Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die onder het BRZO vallen: LPG tankstations, opslagplaatsen (PGS), ammoniakkoelinstallaties en spoorwegemplacementen. Het besluit bevat eisen voor het plaatsgebonden risico (PR) en regels voor het groepsrisico (GR). Het verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van omgevingsvergunningen en het maken van bestemmingsplannen hiermee rekening te houden. Regeling externe veiligheid (Revi) In de regeling staan regels over de veiligheidsafstanden en berekeningen van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Op grond van het Bevi zijn in het Revi voor een aantal bedrijfscategorieën vaste veiligheidsafstanden opgenomen.

Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen 34

bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening

(Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijnt met het Bevi. Onderzoek Aan de hand van de Risicokaart Overijssel is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Uit de inventarisatie blijk dat het plangebied niet is gelegen binnen de risicocontour van een Bevi- en Brzo-inrichting; binnen de veiligheidscontour voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; binnen de veiligheidscontour van buisleidingen. Zie ook de onderstaande uitsnede van de risikokaart.

Afbeelding 11: uitsnede risicokaart (plangebied bij blauwe stip) Er is geen sprake van een risico voor de toekomstige gebruikers van de woonzorgaccommodatie en/of de gasten die gebruik maken van de ondergeschikte horeca. Er gelden geen beperkingen op basis van het externe veiligheidsbeleid. Andersom kan worden gesteld dat de woonzorgaccommodatie en de ondergeschikte horeca geen risicovolle activiteiten zijn. Conclusie Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.8 Flora en fauna In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de (mogelijke) natuurwaarden. Daartoe wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000- gebieden. Daarnaast is het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), in het kader van de gebiedsbescherming van bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening

35

belang. Op basis van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) zijn zeer kwetsbare gebieden aangewezen. Deze gebieden kunnen nadelige invloed ondervinden als de uitstoot van ammoniak op de gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom de gebieden aangewezen als buffer, om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. Soortenbescherming Sinds 1 januari 2017 regelt Wet natuurbescherming de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. Bekeken moet worden of er beschermde soorten aanwezig zijn in of nabij het plangebied, in hoeverre het plan negatieve gevolgen kan hebben op die beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen moeten worden genomen. Toets Gebiedsbescherming Wat ammoniak en veehouderij (Wav) Het plangebied ligt niet binnen een zone van 250 meter rond een 'zeer kwetsbaar gebied' als bedoeld in de Wav. Op grond van de Wav gelden geen beperkingen ten aanzien van de ammoniakemissie. Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek' ligt op circa 2,4 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Zie onderstaande afbeelding.

De overige gebieden ten noorden van het plangebied (Bergvennen & Brecklenkampse Veld en Springendal & Dal van de Mosbeek) liggen op een afstand van circa 3,6 kilometer afstand.

Afbeelding 12: Natura 2000-gebieden De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied kan in sommige gevallen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied. Zo kunnen als gevolg van sloop- en bouwwerkzaamheden, verstorende effecten in de omgeving waarneembaar zijn, zoals geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 36

bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening

2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het plangebied en het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied zijn negatieve effecten zoals geluid, stof, optische verstoring en trillingen niet waarneembaar. Beoordeling Stikstof Ten behoeve van de ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aanvoer van bouwmaterialen en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen plangebied en het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, kan een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied niet op voorhand uitgesloten worden. Met behulp van Aerius calculator is de stikstofdepositie berekend van de bouwfase van de nieuw woonzorgaccommodatie. Uit deze berekening blijkt dat de bouw van de accommodatie geen stikstofdepositie veroorzaakt op enig natura 2000-gebied hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. De Aeriusberekening is als Bijlage 4 aan deze toelichting toegevoegd. Het plan tast de instandhoudingsdoelstellingen van de gebieden niet aan. NNN De dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland (EHS) ligt in de omgeving van het plangebied. Zie hiervoor de groen gemarkeerde gebieden van de onderstaande afbeelding.

Afbeelding 13: Ligging plangebied ten opzichte van NNN De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking in Overijssel. Vanwege de ligging van het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland. Soortbescherming Sinds 1 januari 2017 regelt de Wet natuurbescherming de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. Het plangebied is bij de herziening van het bestemmingsplan in 2013 onderzocht om vast stellen of er beschermde planten en dieren aanwezig zijn. Er is toen door de ecoloog geconstateerd dat, wanneer wordt gekeken naar de landschappelijke karakteristieken, bouwstijl en gebruikte bouwmaterialen, aard, omvang en gebruik van het plangebied, het onwaarschijnlijk is dat er beschermde soorten worden aangetroffen uit de volgende groepen: bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening

37

Vaatplanten; Libellen; Kevers; Vissen en kreeftachtige; Reptielen; Dagvlinders; Amfibieën Het is niet onwaarschijnlijk om soorten uit de volgende soortgroepen aan te treffen: Vogels; Zoogdieren (vleermuizen en grondgebonden zoogdieren). Omdat de functie en het gebruik van het plangebied sindsdien alleen maar verder is geïntensiveerd, mogen we ervan uitgaan dat ook nu alleen vogels en zoogdieren mogelijk in het plangebied voorkomen. Broedvogels Er broeden waarschijnlijk ieder jaar vogels op het erf van de zorgboerderij. Voornamelijk in de beplanting en de (open)schuren. Het erf vormt een geschikt habitat voor soorten als Merel, Houtduif, Vink, Holenduif, Tjiftjaf, Gaai en mogelijk ook voor Huismussen. Vooral het hoofdgebouw lijkt geschikt als broedplaats voor Huismussen. De open schuur lijkt geschikt als verblijfplaats voor soorten als Steen- en Bos- en Kerkuil. Zoogdieren; vleermuizen Potentieel geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen zijn in op het erf aanwezig, specifiek in de woning. Dit gebouw lijkt te beschikken over een spouw en dakisolatie. Grondgebonden zoogdieren Op het erf zijn in 2013 enkele holen gevonden die oorspronkelijk mogelijk afkomstig kunnen zijn van de das. De das is niet meer aanwezig in het plangebied. De holen zijn ingenomen door konijnen.

Verder is het niet uitgesloten dat minder zeldzame soorten als mol, haas, steenmarter en egel incidenteel op het erf voorkomen. Op 27 oktober 2021 is de locatie opnieuw bezocht door de ecoloog. De bevindingen zijn opgenomen in een briefnotitie welke als Bijlage 5 aan deze toelichting is toegevoegd. De ecoloog constateert dat de inrichting en het gevoerde beheer het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten maken, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde vogels, amfibieën, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied en gebruiken het uitsluitend als foerageergebied. De plastic boogkas en de enkele jonge loofbomen vormen geen geschikte nestplaats voor vogels. Het gazon vormt voor grondgebonden zoogdieren en amfibieën geen geschikte rust- en voortplantingsplaats en er ontbreken holenbomen waar vleermuizen een verblijfplaats in kunnen bezetten. Als gevolg van het verwijderen van beplanting en het bebouwen en verharden van het plangebied neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten af. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige beschermde dieren is niet beschermd. Een aantasting van het foerageergebied leidt derhalve niet tot wettelijke consequenties.

Conclusie Uitvoering van het plan leidt niet tot wettelijke consequenties m.b.t. gebieds- en soortbescherming. Het aspect flora en fauna staat de uitvoering van het plan derhalve niet in de weg.

4.9 Archeologie Op basis van het Verdrag van Malta en de Wet op de archeologische monumentenzorg is het verplicht om de archeologische waarden bij ruimtelijke planvorming te betrekken, in het bijzonder bij plannen waarbij bodemwerkzaamheden worden uitgevoerd. Uitgangspunt hierbij is dat de archeologische waarden zoveel mogelijk behouden blijven en niet worden aangetast. Het gemeentelijk archeologiebeleid regelt hoe moet worden omgegaan met archeologie bij ruimtelijke plannen. De archeologische verwachtings- en advieskaart maakt voor het gehele grondgebied van de gemeente inzichtelijk waar zich archeologische resten (kunnen) bevinden. Op basis van de archeologische verwachtingswaarde voor een gebied is beschreven hoe moet worden omgegaan met archeologie en/of archeologisch onderzoek. Een detail van de archeologische verwachtings- en advieskaart is hierna ingevoerd.

38

bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening

Afbeelding 14: Archeologische verwachtings- en advieskaart – Detail Tilligte De nieuwe woonzorgaccommodatie wordt gebouwd op de dekzandhoogten en –ruggen met een plaggendek. Voor deze gronden geldt een vrijstelling voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 2.500 m2. De oppervlakte van het gebouw is kleiner dan deze oppervlakte. Voor het realiseren van de ondergeschikte horeca vinden geen ingrepen in de bodem plaats. Conclusie Het aspect archeologie staat de uitvoering va het plan niet in de weg.

bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening

39

4.10

Verkeer en parkeren

Bij het opstellen van bestemmingsplannen/wijzigingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317 (oktober 2012)' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie, 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' opgesteld. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van onder andere de verkeergeneratie. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde gehanteerd. Parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en ontsluiting Voorliggend geval voorziet in een kleine toename van de parkeerbehoefte. De vloeit voort uit het feit dat er meer zorgpersoneel nodig zal zijn in verband met de uitbreiding van het aantal woonzorgplaatsen. De ondergeschikte horeca zal naar verwachting niet resulteren in een toename de parkeerbehoefte.

De ondergeschikte horeca is slechts bedoeld als aanvulling op de werk-leerplekken. De ondergeschikte horeca heeft zeker niet als doel om mensen naar de locatie te trekken, maar is een aanvulling op de reeds bestaande activiteiten. Op het erf (zie ook de afbeelding in paragraaf 2.2) is voldoende verharding aanwezig om parkeren op het eigen terrein mogelijk te maken. Tevens is geen sprake van een voornemen wat de capaciteit van de aansluitende wegen, de omliggende wegenstructuur en de verkeersveiligheid op onevenredige wijze belast. De omliggende wegenstructuur is berekend op het afwikkelen van de huidige en toekomstige verkeersbewegingen. Het initiatief vormt geen aanleiding tot infrastructurele wijzigingen. Het perceel blijft tot slot door middel van de bestaande in- en uitrit(ten) ontsloten op de Westenveldweg. Conclusie Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen voorliggende ontwikkeling.

4.11

M.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om een nieuwe woonzorgaccommodatie te realiseren. Het plan is bescherven in paragraaf 2.2. van deze toelichting. Het huidige gebruik is een zorgboerderij in combinatie met een paardenhouderij.

Een woonzorgaccommodatie (woningbouw) wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. De m.e.r.- plicht geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden. Het ruimtebeslag van het onderhavige plan ligt ruimschoots beneden de drempelwaarde. Conclusie die op grond hiervan getrokken kan worden is dat het onderhavige project niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. In de nota van toelichting op het Besluit mer wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Wat 'stedelijke ontwikkeling' inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake 40

bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening

kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.” Uit voorgaande volgt dat de bouw van de woonzorgaccommodatie in algemene zin niet te kwalificeren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. De kwalificatie is wel afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld. Vast is geseld dat met het voorliggende bestemmingsplan een afname van de bouwmogelijheden optreddt van circa 11,6%. Het plan wordt daarbij op passende wijze in het landschap opgenomen. De ruimtelijke uitstraling/de verandering die de ontwikkeling per saldo op de omgeving heeft is daardoor beperkt. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als in de zin van het Besluit m.e.r. Uit paragraaf 4.8 Ecolgie blijkt bovendien dat het plan geen significant negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebieden. Ook op grond van de Natuurbeschermingswet is het plan niet m.e.r.- plichtig. Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen. Gelet op de kenmerken van het onderhavige project (zoals het feit dat de omvang ruimschoots beneden de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.

ligt), de plaats van het onderhavige project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Alternatieven hoeven dan ook niet te worden afgewogen. Het onderhavige project is niet m.e.r.-plichtig. Bij de beoordeling is rekening gehouden met de in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling aangegeven criteria.

bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening

41

42

bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening

Hoofdstuk 5

Juridische vormgeving

5.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische achtergronden. Er wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functie en bebouwing worden toegestaan.

5.2 Algemene uitgangspunten Het bestemmingsplan is conform de regels van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgezet volgens de wettelijk verplichte Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2008). De benaming van de bestemmingen, de kleuren en de tekens op de digitale verbeelding, hierna verbeelding genoemd, zijn volgens de verplichte standaard opgezet. Het bestemmingsplan voldoet aan de wettelijke eisen van digitale uitwisselbaarheid zoals dit verplicht is sinds 1 januari 2010. Voor het bestemmingsplan is zowel een analoge als digitale versie opgesteld. Het analoge plan wordt vastgesteld en is tevens digitaal beschikbaar. Beide plannen zijn overigens identiek, het analoge plan is een 'uitdraai' van het digitale plan. In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliserings- verplichting geldt vanaf 1 januari 2010. Ook de Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2008 (SVBP2008) is vanaf deze datum verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld.

Met de SVBP2008 is in dit plan rekening gehouden, evenals met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) die op 1 oktober 2010 in werking is getreden. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

5.3 Bestemmingskeuze Deze partiële herziening ziet toe op het toekennen van een tweede functieaanduiding zorgboerderij, het toekennen van de functieaanduiding 'horeca' op de bestaande manege en het verkleinen van de bestemming 'Bedrijf- Paardenhouderij' ten gunste van de bestemming 'Agrarisch-1'. Het betreft een buitenplanse wijziging waarna door goedkeuring het college van Burgemeester en wethouders (ontwerpbestemmingsplan), de gemeenteraad het plan moet vaststellen. De regels uit het bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13 in Tilligte zijn uitgangspunt voor de regels in het onderhavige plan. De regels zijn onder te verdelen in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels (o.a. afwijkingsregels) 4. Overgangs- en slotregels Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: begrippen (artikel 1) In de artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd; wijze van meten (artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen met betrekking tot de maatvoering begrepen moeten worden. Bestemmingsregels bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening

43

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in: bestemmingsomschrijving omschrijving van activiteiten die zijn toegestaan bouwregels eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, dakhelling etc.) gebruiksregels welke activiteiten zijn toegestaan binnen het bestemmingsplan afwijkingen van de gebruiks- en bouwregels onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels Algemene regels In hoofdstuk 3 zijn de algemene regels opgenomen. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit Anti-dubbeltelregel (artikel 5) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene gebruiksregels (artikel 6) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn. Algemene afwijkingsregels (artikel 7) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven.

Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Overige regels (artikel 8) In dit artikel worden de overige regels beschreven ten aanzien van de aanvullende werking Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan (artikel 9). In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd (artikel 10). De Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving hanteert als uitgangspunt 'toelatingsplanologie'. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd.

Er wordt concreet ingegaan op de bestemming 'Bedrijf - Paardenhouderij', de functieaanduiding 'zorgboerderij' (zbo) en de bouwregels. Bedrijf – Paardenhouderij (artikel 3) De bestemming 'Bedrijf – Paardenhouderij' doet het meest recht aan het plan. Zowel ruimtelijk als functioneel bepaalt de paardenhouderij in de toekomstige bedrijfsopzet voor een groot deel het erf en het bedrijf. Bovendien biedt deze bestemming de mogelijkheid dit te combineren met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van het houden van rundvee. Binnen de bestemming is het uitoefenen van een paardenhouderij in combinatie met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering (het houden van rundvee) mogelijk. Er is sprake van een bouwvlak van circa 14.865 m2, waar binnen de gebouwen moeten worden gerealiseerd. In eerste aanleg is de uitwerking van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving bepalend. Dit is als voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen. Voor toekomstige wensen is er flexibiliteit en ontwikkelingsruimte. In de regels is opgenomen dat productiegebonden detailhandel en ondergeschikte horeca is toegestaan. Daarnaast zijn er afwijkingsmogelijkheden voor wat betreft de uitoefening van nevenactiviteiten, mits deze ondergeschikt zijn. Functieaanduiding 'specifieke vorm van Bedrijf - Paardenhouderij – zorgboerderij' 44

bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening

Om de woonzorgaccommodatie te kunnen realiseren is er een tweede functieaanduiding 'specifieke vorm van Bedrijf - Paardenhouderij - zorgboerderij' opgenomen. Op deze plek mogen appartementen ten behoeve van zorg in combinatie met wonen worden gerealiseerd voor mensen met lichamelijke en/of verstandelijke beperkingen en/of ouderenzorg, met de daarbij behorende voorzieningen. Bouwregels De bouwregels zijn zodanig geformuleerd dat het beoogde plan kan worden gerealiseerd. Het plan bestaat onder meer uit de realisatie van het volgende gebouw: woonzorgaccommodatie. Voor wat betreft de maximale nok- en goothoogtes is aansluiting gezocht bij de eerste schetsen van de woonzorgaccommodatie en bedrijfsgebouwen. Aangezien de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse een impuls krijgt, kan een afwijkende maatvoering worden gehanteerd.

bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening

45

46

bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

6.1 Economische Uitvoerbaarheid Ten aanzien van de economische uitvoerbaarheid kan worden geconstateerd dat het een bestemmingsplan betreft voor de realisatie van een tweede woonzorgaccommodatie op een bestaande erf. De ontwikkeling hiervan is een particulier initiatief. De gemeente heeft hier in feite geen financiële bemoeienis mee, er zijn geen verhaalbare kosten voor de gemeente. Zij verleent medewerking door middel van het voeren van de benodigde procedure. De kosten die verbonden zijn aan deze procedure zijn voor rekening van initiatiefnemer. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een planschadeovereenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Dinkelland. Hierin wordt het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd.

Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1

Vooroverleg

Ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening plegen burgemeester en wethouders, waar nodig, overleg met de nader in dit artikel genoemde instanties en functionarissen. Dit artikel regelt het verplichte vooroverleg met ‘betrokken gemeenten en waterschappen’ en met ‘die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn’. In het kader van dit plan heeft vooroverleg plaatsgevonden met de partners van de gemeente. 6.2.2

Zienswijzen

De procedure om te komen tot een in werking getreden bestemmingsplan is vastgelegd in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze procedure biedt in de verschillende planstadia voor belangstellenden, belanghebbenden en betrokken instanties de mogelijkheid om kennis te nemen van het bestemmingsplan en hierover hun mening te geven. Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor 6 weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode zijn twee zienswijzen ingediend. Naar aanleiding hiervan is het erfinrichtingsplan aangepast. Het aangepaste erfinrichtingsplan is opgenomen als bijlage bij het erf en landschapsplan (bijlage 1 van de toelichting). In verband met de voorwaardelijke verplichting van de landschappelijke inpassing is het erfinrichtingsplan tevens als bijlage 1 opgenomen bij de regels. De aanpassing van het erfinrichtingsplan heeft ertoe geleid dat de twee zienwijzen zijn ingetrokken. 6.2.3

Ambtelijke wijziging

Parallel aan de bestemmingsplanprocedure is initiatiefnemer begonnen met het ontwerpen van de tweede woonzorgaccommodatie. Tijdens deze exercitie werd ontdekt dat de ligging van het vlak met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - paardenhouderij - zorgboerderij - 2', waarbinnen de woonzorgaccommodatie gebouwd moet worden, niet overeenkwam met de positionering van het gebouw zoals deze is ingetekend in het 'Erf en landschapsplan'. Om die reden is bij de vaststelling van het bestemmingsplan het vlak met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - paardenhouderij - zorgboerderij - 2' iets gedraaid en in westelijke richting iets verlengd. Er is hierbij een afstand van 9 meter aangehouden ten opzichte van de perceelsgrens van het erf. Op die manier blijft er voldoende ruimte over voor de landschappelijke inpassing en beweegruimte rondom het gebouw. Om de oppervlakte van de bestemming 'Bedrijf - Paardenhouderij' gelijk te houden is de begrenzing hiervan aan de noordzijde is aangepast (teruggelegd). Bij het ontwerpen van de tweede woonzorgaccommodatie bleek verder dat in het gebouw ruimte is voor 21 appartementen (21 personen) in plaats van 20 appartementen. In de reeds bestaande accommodatie zijn 12 bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening

47

appartementen aanwezig, waardoor het totaal aantal appartementen in de nieuwe situatie uitkomt op 33 stuks (33 personen). De toelichting en de regels zijn hierop aangepast. De laatste wijziging betreft de Aeriusberekening. In verband met de release van de nieuwe Aerius Calculator op 26 januari 2023 is de Aeriusberekening geactualiseerd. De uitkomst van de Aeriusberekening blijft gelijk, namelijk dat er geen stikstofdepositie optreedt op Natura 2000. De geactualiseerde Aeriusberekening is opgenomen als bijlage 4 bij de toelichting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/714/documents/19834