Bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening (toelichting en regels).pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e Herziening
Status: vastgesteld
Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):
vastgesteld 01 juni 2023 NL.IMRO.1774.BUIBPWESTVLDW13HZ1VG01
Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Vigerende bestemmingsplan 1.3 Ligging van het plangebied 1.4 Leeswijzer
7 7 7 7 8
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie 2.2 Nieuwe situatie 2.3 Landschappelijke inpassing en Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
9 9 11 13
Hoofdstuk 3 Beleidskaders en wet- en regelgeving 3.1 Nationaal 3.2 Provinciaal 3.3 Gemeentelijk
17 17 18 24
Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Bodem 4.2 Luchtwaliteit 4.3 Geluid 4.4 Bedrijven en milieuzonering
27 27 28 29 30
4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
Geur en veehouderijen Waterhuishouding en watertoets Externe veiligheid Flora en fauna Archeologie Verkeer en parkeren M.e.r.-beoordeling
31 33 34 35 38 40 40
Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving 5.1 Inleiding 5.2 Algemene uitgangspunten 5.3 Bestemmingskeuze
43 43 43 43
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische Uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
47 47 47
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5
49 50 63 117 121 128
Erf en landschapsplan Verkennend bodemonderzoek Watertoets Aeriusberekening Ecologisch onderzoek
Regels Hoofdstuk 1 2
137 Inleidende regels
bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening
139
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
139 143
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5
Bestemmingsregels Agrarisch - 1 Bedrijf - Paardenhouderij Waarde - Ecologie
145 145 146 149
Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels
151 151 152 153 154
Hoofdstuk 4 Artikel 10 Artikel 11
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
155 155 156
Erfinrichtingsplan Beoordelingscriteria 2e tak
157 158 171
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2
bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening
3
4
bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening
Toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening
5
6
bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding Aan de Westenveldweg 13 te Tilligte ligt Boerderijcampus Erve Meinders. Initiatiefnemers exploiteren hier een zorgboerderij in combinatie met een paardenhouderij. De zorgboerderij biedt twaalf jongeren en volwassen (deelnemers) in de leeftijd van 18 tot 38 jaar – met een indicatie op basis van de Wet langdurige zorg (Wlz) – een woonplek. Daarnaast biedt Erve Meinders deze en externe deelnemers een fijne plek om te werken. Op de locatie zijn verschillende vormen van leer- en werkplekken aanwezig die onderdeel zijn van de concepten binnen de Boerderijcampus: ‘Koekjes van Eigen Deeg, ‘Werk in de Winkel', de tuinderij, de paardenhouderij en manege en vergaderfaciliteiten. De verschillende leer- en werkplekken bieden deelnemers een waardevolle dagbesteding die aansluit bij de eigen interesses en behoeften. De vraag naar woon-werkplekken is groot. Zeer regelmatig komen er aanvragen voor jongeren binnen die op zoek zijn naar een langdurige woonplek, met mogelijkheid voor een leer- en werkplek op hetzelfde terrein. De aanvragers worden op dit moment op de wachtlijst geplaatst. Het betreft jongeren met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking die op zoek zijn naar een plek waar ze zichzelf kunnen zijn. Bij de gemeente is een verzoek ingediend voor de uitbreiding van het aantal woonzorgplaatsen.
Hiertoe zal een nieuwe woonzorgaccommodatie worden gebouwd met ruimte voor 21 deelnemers. Het is niet mogelijk om dit te realiseren binnen de bestaande bebouwing op het erf. Er is nog wel voldoende ruimte op het erf aanwezig om een tweede woonzorgaccommodatie te bouwen. Naast de uitbreiding van het aantal woonzorgplaatsen willen initiatiefnemers de leer-werkplekken graag uitbreiden met ondergeschikte horeca-activiteiten. In de manage zijn faciliteiten aanwezig ten behoeve van dagrecreatie, vergaderingen, bijeenkomsten, kleine feesten en dergelijke. De faciliteiten kunnen nu niet worden benut door het ontbreken van de juiste bestemming en horecavergunning. Door middel van de brief van 30 maart 2020 laat de gemeente weten principe medewerking te verlenen aan het verzoek. De realisatie van de tweede woonzorgaccommodatie is in strijd met de bestemming Bedrijf - Paardenhouderij. Om die reden is een partiële herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. In deze partiële herziening zullen de gewenste horeca-activiteiten als ondergeschikte horeca ook mee worden genomen. Tot slot wordt een deel van de gronden met bestemming 'Bedrijf - Paardenhouderij', die niet als zodanig is gebruik zijn, bestemd in 'Agrarisch -1' en wordt ter plaatse van de nieuwe woonzorgaccommodatie de bestemming 'Bedrijf Paardenhouderij' iets uitgebreid.
Het voorliggende bestemmingsplan licht toe waarom dit plan passend is binnen een goede ruimtelijke ordening.
1.2 Vigerende bestemmingsplan Voor het plangebied is op 2 juni 2013 de partiële herziening 'Buitengebied, Westenveldweg 13 in Tilligte' vastgesteld. Op basis van dit bestemmingsplan heeft het perceel aan de Westenveldweg 13 te Tilligte de bestemming 'Bedrijf-Paardenhouderij'. Deze gronden zijn bestemd bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, ten behoeve van gebruiksgerichte paardenhouderijen, al dan niet in combinatie met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Ter plaatse van de functieaanduiding 'zorgboerderij' zijn de gronden tevens bestemd voor een woonzorgaccommodatie. Deze partiële herziening maakt de uitbreiding van de paardenzorgboerderij mogelijk door het opnemen van de tweede functieaanduiding 'Zorgboerderij'. Binnen deze functieaanduiding wordt de nieuwe woning gebouwd. Het nieuwe plan biedt, binnen de wettelijke randvoorwaarden, ruimte om de zorgfuncties te ontwikkelen. De ruimtelijke consequenties die hiermee samenhangen, zijn in deze toelichting in beeld gebracht.
1.3 Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen aan de Westenveldweg 13 te Tilligte, gemeente Dinkelland. In figuur 1 is de ligging van het plangebied ten noordoosten van Tilligte te zien (linker plaatje) en een luchtfoto van het erf.
bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening
7
Afbeelding 1 – Ligging van het plangebied in de omgeving (links) en het te ontwikkelen erf (rechts)
1.4 Leeswijzer Het bestemmingsplan Westenveldweg 13, Tilligte wordt in de volgende hoofdstukken gemotiveerd en toegelicht. In deze toelichting komen na deze inleiding aan de orde: 1. een beschrijving van de aanleiding, vigerend bestemmingsplan en ligging van het plangebied (hoofdstuk 1); 2. een beschrijving van de bestaande situatie ter plaatse en een schets van nieuwe situatie, met kort aandacht voor de ruimtelijke inpasbaarheid (hoofdstuk 2); 3. een beschrijving van het relevante beleidskader voor het project (hoofdstuk 3); 4. een beschrijving van de omgevingsaspecten die een randvoorwaarde vormen voor de nieuwe ontwikkelingen (hoofdstuk 4); 5. de uitgangspunten voor het bestemmingsplan (hoofdstuk 5); 6. de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan (hoofdstuk 6).
8
bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
2.1 Bestaande situatie Gebruik De locatie aan de Westenveldweg 13 in Tilligte is in gebruik als zorgpaardenhouderij. Erve Meinders creëert voor verschillende doelgroepen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking een goede plek om te wonen en te werken. In de paardenzorgboerderij staat de zorg centraal, het agrarisch productieproces is hier volledig op aangepast. Er is veel tijd en aandacht voor het ontwikkelen van activiteiten die een gevarieerd werkaanbod leveren in combinatie met een goed commercieel product. Het doel van de paardenzorgboerderij is om aan deelnemers een therapeutische dagbesteding te bieden. Op de boerderij voeren de deelnemers (cliënten) activiteiten en werkzaamheden uit die hun welzijn bevorderen. Er worden (voor bepaalde deelnemers) geen eisen gesteld aan werktempo, kwaliteit en productie. Deelnemers krijgen mogelijkheden om tijd te structureren (o.a. herkennen van dagdelen, dagen en seizoenen). Bovendien krijgen ze de kans om motorische of sociale vaardigheden te ontwikkelen. Ook is het mogelijk voor deelnemers om een arbeidsmatige dagbesteding aan te leren. Niet alle werkzaamheden hebben een duidelijke economische waarde voor het bedrijf. De deelnemers halen welbevinden uit het feit dat ze arbeid verrichten.
Het gaat immers om arbeid in een normaal productiegericht bedrijf, met alle extra's die het werken op een agrarisch bedrijf met zich meebrengt. Ze verrichten de taken in een totaalpakket aan werkzaamheden en zien dat wat ze doen daar een wezenlijk onderdeel in vormt. Voor de deelnemers is op het moment van intreden geen perspectief op het doorgroeien naar een reguliere, bestaande arbeidsplaats. Deelnemers ontwikkelen plezier in het werk en de bezigheden, ze krijgen gevoel voor structuur en ritme en leren samenwerken. Als nevendoel kunnen deelnemers zover mogelijk richting reguliere arbeid toe groeien, door middel van een gerichte training zonder daar specifieke uitstroomeisen aan te verbinden. Daarnaast spelen het omgaan met dieren en planten en het werken in de buitenlucht een belangrijke rol. De bedrijfsopzet kent twee hoofdactiviteiten: een kleinschalige woonzorgaccommodatie en een paardenhouderij. Daarnaast zijn er verschillende nevenactiviteiten zoals leer- en werkplekken die onderdeel zijn van de concepten binnen de Boerderijcampus: ‘Koekjes van Eigen Deeg, ‘Werk in de Winkel', de tuinderij, de paardenhouderij en manege en vergaderfaciliteiten. De verschillende leer- en werkplekken (dagbesteding) bieden deelnemers een waardevolle dagbesteding die aansluit bij de eigen interesses en behoeften.
Erve Meinders is een bedrijf met een integrale bedrijfsvoering met verschillende onderdelen. Er is sprake van een combinatie van wonen, leven, dagbesteding, paardenhouderij, rundveehouderij en diverse kleinschalige activiteiten. Alle onderdelen grijpen op verschillende niveaus in elkaar, waardoor het één niet zonder het andere kan. Bebouwing Het bedrijf van initiatiefnemers heeft de beschikking over een viertal bedrijfsgebouwen en een aantal voorzieningen. Op de onderstaande luchtfoto is het erf met de bebouwing en voorzieningen afgebeeld.
bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening
9
Afbeelding 2: bestaande gebouwen / voorzieningen 1. Hal met binnen rijbaan en paardenstallen Het hoofdgebouw op het perceel is de binnenrijbaan met een afmeting van 20 x 40 meter. Aan de noordzijde zijn in 12 paardenboxen, een zadelruimte, een wasruimte voor de paarden aanwezig en een verblijfsruimte en toiletten voor de deelnemers. Daarnaast zijn er faciliteiten aanwezig ten behoeve van dagrecreatie, vergaderingen, bijeenkomsten, kleine feesten en dergelijke: keuken, verschillende ruimten (t.b.v. vergaderen of lunchen), bar, zitruimten en toiletten etc.. 2. Woonzorgaccommodatie De woning die een woonplek biedt voor de twaalf deelnemers is zuidelijk op het perceel gepositioneerd. In de woonzorgaccommodatie zijn appartementen voor de deelnemers gerealiseerd en is een aparte (slaap)ruimte aanwezig voor een begeleider. Onderstaand is de woonzortaccommodatie weergegeven.
Afbeelding 3: woonzorgaccommodatie 3. Werk in de winkel Op het perceel aan de Westenveldweg 13 is een winkel aanwezig. In deze winkel worden eigen gemaakte of
10
bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening
verbouwde producten (streekproducten uit Twente) aangeboden. Deze winkel dient voor de deelnemers al leeren werkplek. Onderstaande afbeelding geeft een impressie van 'Werk aan de Winkel' aan de Westenveldweg 13.
Afbeeldig 4: Impressie leer- en werkplekken Erve Meiders, 'Werk aan de Winkel' 4. Kachelruimte Voor het verwarmen van de zorgboerderij is een biomassaverwarmingsketel aangeschaft. Deze staat in een aparte ruimte waar ook de opslag van de biomassa is opgeslagen. 5. Boogkas Ten behoeve van de van de leer- en werkplekken heeft het bedrijf de beschikking over een kleinschalige tuinderij. De boogkas is onderdeel van deze tuinderij. 7. Buitenrijbak Ten zuiden van de binnenrijbaan ligt de niet overdekte piste (buitenrijbaan) met een afmeting van 20 x 40 meter. De buitenrijbaan met een all-weatherbodem, is voorzien van een afrastering (houten landelijk hekwerk) met een hoogte van circa 2,0 meter. 8. Vaste mestopslag De paarden en rundveemest bestaan hoofdzakelijk uit vaste stromest. Deze wordt conform de mestwetgeving voor minimaal een half jaar opgeslagen in de vloeistofdichte vaste mestopslag. 9. Parkeerplaatsen Op het erf zijn 23 parkeerplaatsen aanwezig ten behoeve van het parkeren afgestemd op de huidige bedrijfsomvang.
2.2 Nieuwe situatie Bebouwing Omdat de nieuwe zorgwoonverblijven niet onder kunnen worden gebracht in de bestaande bebouwing, is het de boedoeling om ten noorden van de bestaande woonzorgaccommodatie een nieuwe accommodatie te bouwen dat ruimte biedt aan 21 deelnemers met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking. In de nieuwe woonzorgaccomodatie worden appartementen voor deelnemers gerealiseerd. Daarnaast komt er een appart (slaap)vertrek voor een begeleider in de nieuwe zorgboerderij. In de nieuwe situatie biedt Erve Meinders aan maximaal 33 volwassen bewoners (vanaf 18 jaar) met een lichamelijke en/of verstandelijke handicap een woonzorgverblijf. De bewoners wonen en werken 24 uur per dag op het agrarische bedrijf en runnen in feite de agrarische tak van het bedrijf met hulp van de begeleiders. Voor alle voorkomende werkzaamheden kunnen de bewoners worden ingeschakeld. Qua opzet is de woonzorgaccommodatie vergelijkbaar met de huidige woonzorgaccommodatie. Deelnemers hebben een eigen ruimte met sanitaire voorziening en gedeelde keuken, woonruimte en ontspannings-/recreatieve ruimte. Door de nieuwbouw aan te laten sluiten bij de bestaande bedrijfsgebouwen en zorg te dragen voor een landschappelijke inpassing wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse niet aangetast.
De landschappelijke inpassing en de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) zijn opgenomen in paragraaf 2.3. bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening
11
In de onderstaande uitsnede van het landschapsplan is de positionering van de nieuwe woonzorgaccommodatie aangegeven. Qua nokrichting sluit de nieuwe woning aan bij het gebouw dat hier ten noorden van ligt.
Afbeelding 5: nieuwe inrichting erf Het plan is door het Q-team van de gemeente beoordeeld. Ten aanzien van de nieuwe woonzorgaccommodatie is vanuit het Q-team aangegeven dat een verschil in noklijn/hoogte mogelijk kan bijdragen aan een vermindering van visuele massa en verbetering van het gevoel van openheid op het erf, terwijl wel binding tussen de bebouwing behouden blijft. In de verdere uitwerking/ontwerp van de woonzorgaccommodatie zal hiermee rekening worden gehouden. Aan de noordzijde van het erf wordt ook een nieuwe kapschuur gebouwd. De bouw van deze nieuwe schuur is bij recht toegestaan op grond van het huidige bestemmingsplan. De kapschuur wordt gebruikt voor de huisvesting van rundvee en opslag van machines en werktuigen. Om die reden wordt in dit bestemmingsplan verder geen aandacht geschonken aan deze nieuwbouw. Bestemmingslegging Een deel van bestemming 'Bedrijf - Paardenhouderij' ligt op productiegronden. Bij deze herziening worden deze gronden bestemd als 'Agrarisch -1'. Hierdoor wordt het feitelijk gebruik en de bestemming in overeenstemming met elkaar gebracht. Op de navolgende afbeelding is de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan links weergegeven. De gronden die van 'Bedrijf - Paardenhouderij' worden herbestemd in 'Agrarisch -1 ' zijn in het rechter plaatje weergegeven.
Ter plaatse van de nieuwe woonzorgaccommodatie met de functieaanduiding 'zorgboerderij' wordt de bestemming 'Bedrijf- Paardenhouderij' iets vergroot. Hiertegen over staat dus een verkleining van deze bestemming met een oppervlakte van 4.597 m2. In de nieuwe situatie heeft de bestemming 'Bedrijf Paardenhouderij' een oppervlakte van 14.865 m2.
12
bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening
Afbeelding 6: verbeeding oud (links) en nieuw (rechts) Op de manege en een klein gedeelte van het buitenterrein wordt de functieaanduiding 'Horeca' gelegd ten behoeve van de uitbreiding van de activiteiten met ondergeschikte horeca.
2.3 Landschappelijke inpassing en Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Door Borgerink Groendesign is een ruimtelijke en landschappelijke inpassingsplan gemaakt van de woonzorgaccommodatie op het erf, inclusief de uitwerking van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO). Het complete plan van Borgerink Groendesign is als Bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd. Het erf ligt op de overgang van het Oude hoevenlandschap naar het jonge heide- en broekontginningslandschap. Zie afbeelding 7.
Afbeelding 7: Landschapstypenkaart - oude hoevenlandschap / jonge heide- en broekontginningslandschap Het oude hoevenlandschap is een kleinschalig afwisselend landschap waarbij sprake is van een duidelijke samenhang met de beekdalen en de heidegronden in de omgeving. Door de schaalvergroting in de landbouw is veel beplanting die de kleine escomplexen omzoomde verdwenen. Hierdoor is een opener landschap ontstaan. De steilranden en het reliëf zijn hierdoor wel duidelijker beleefbaar. De erven liggen meer in het zicht en zijn niet bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening
13
meer als vanzelfsprekend opgenomen in de dichte beplantingsstructuur rondom de escomplexen. In dit landschapstype staat het versterken van de kleinschalige en fijnmazige structuur van beplanting, wegen, paden en erven voorop. In tegenstelling tot het oude hoevenlandschap is de belangrijkste eigenschap van het jonge heide- en broekontginningslandschap de openheid én rechtlijnige verkavelingsstructuren. Streefbeeld Aangezien de kwaliteitsimpuls grotendeels plaats vind in het oude hoevenlandschap ligt de focus van de inpassing en de KGO investering binnen dit landschapstype. Uitgangspunt is dat het oude hoevenlandschap een continue kwaliteit zal moeten zijn voor het Twentse landschap. Ten aanzien van het streefbeeld betekent dat: Het behouden en versterken van de open kleinschalige akkercomplexen en de groene omzoming; Het versterken van het netwerk van beplantingen tussen de verspreid liggende erven; Realiseren van een informeel, fijnmazig, recreatief netwerk; Toegankelijk maken van erven en erfroutes; Versterken van de herkenbaarheid van cultuurhistorische elementen; Het versterken van een natuurlijke waterhuishouding door het vasthouden van water in het gebied en water vertraagd af te voeren door het landschap.
Voor het plangebied is het belangrijk dat de herkenbaarheid van het kleinschalige landschap wordt hersteld, denkende aan de typische bollingen, kampen, steilranden, houtwallen en laagtes van beekdalen. De investeringen die worden gedaan zijn in de onderstaande afbeelding weergegeven. Het gaat daarbij om basisinvesteringen (aangegeven met hoofdletters) en investering in groen gericht op een kwaliteitsverbetering (aangegeven met cijfers). De gemaatvoerde tekening is als bijlage opgenomen in het plan van Borgerink Groendesign (zie pagina 12 Bijlage 1 van deze toelichting). Op de tekening zijn ook de soorten aangeven die worden aangeplant en de aantallen.
Afbeelding 8: Landschappelijke inpassing en KGO Op grond van het KGO beleid dienen initiatiefnemers 25% van de totale waardevermeerdering te investeren in het landschap, waarbij de advieskosten en de kosten van het kwaliteitsteam in mindering gebracht mogen worden. Het investeringsbedrag is vastgesteld op € 18.625.
14
bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening
De realisatiekosten van het landschapsontwerp exclusief de basisinspanning komen uit op € 19.034,00 (ex. BTW). Vastgesteld kan worden dat voldaan wordt aan het KGO beleid. De gronden waarop de landschappelijke inpassing en de KGO investeringen plaatsvinen hebben op de verbeelding de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch -1 landschappelijke inpassing' gekregen.
bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening
15
16
bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening
Hoofdstuk 3 regelgeving
Beleidskaders en wet- en
3.1 Nationaal Dit hoofdstuk behandelt het beleid dat betrekking heeft op de ruimtelijke ordening. Er wordt ingegaan op het Nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid dat een relatie heeft met de genoemde ontwikkelingen en/of de planlocatie. 3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo'n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI, valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3.
sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Ten aanzien van het toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied is het uitgangspunt dat ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste gaan van de landschappelijke kwaliteiten. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing en de groeninvesteringen draagt het plan juist bij aan de landschappelijke kwaliteiten. Het onderhavige plan omvat geen ontwikkelingen die in strijd zijn met de nationale belangen en waar de NOVI op van invloed is. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijk ordening (Barro), ook wel AMvB Ruimte genoemd, is op 22 augustus 2011 door de minister vastgesteld, op 27 augustus 2011 gepubliceerd in het Staatsblad en op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd. In het Barro zijn de onderwerpen mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken reeds opgenomen. Het plangebied valt niet onder een thema van het Barro. bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening
17
3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
Artikel 3.1.6 lid 2 Bro luidt als volgt: "de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien". De toetsing aan de ladder schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. Toetsing initiatief aan de Ladder De Ladder voor duurzame verstedelijking moet worden gevolgd wanneer planologisch nieuwe “stedelijke ontwikkelingen” mogelijk worden gemaakt. Nieuwe planologische bouwmogelijkheden van enige omvang kwalificeren als zodanig en zijn ‘Ladderplichtig’. Het al dan niet toenemen van het ruimtebeslag is een belangrijk criterium voor het aanmerken van een ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er wel sprake is van een (geringe) toename van bouwmogelijkheden, dan is doorgaans sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er in het geheel geen sprake is van toename van het ruimtebeslag (bijv.
bij functiewijziging), dan is de Afdelingslijn dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Zo overweegt de Afdeling in haar uitspraak van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) dat een bestemmingsplan, dat bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt -maar ten opzichte van het voorgaande planologische regime geen nieuw planologisch ruimtebeslag mogelijk maakt- maar alleen een planologische functiewijziging, in beginsel niet in voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken indien die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (uitspraak van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1075 (Amersfoort)). Hierbij komt betekenis toe aan de ruimtelijke uitstraling van de in het nieuwe plan voorziene functie en die van hetgeen onder het vorige plan mogelijk was (uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1503 (Zundert)). Onbenutte planologische mogelijkheden die in het voorgaande bestemmingsplan bij recht waren voorzien dienen in de hiervoor bedoelde vergelijking te worden betrokken.
Dit betekent dat deze onbenutte planologische mogelijkheden in een nieuw plan mogen worden opgenomen, zonder dat hoeft te worden voldaan aan de in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro genoemde eisen (uitspraak van 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2062 (Amsterdam)). In het bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte heeft het bedrijf van initiatiefnemers de beschikking over een bouwvlak van 16.809 m2. Binnen dit bouwvlak mogen bedrijfsgebouwen worden opgericht ten behoeve van de geldende bestemming. In de nieuwe situatie is de omvang van het bouwvlak verkleind naar 14.865 m2. Een afname van de bouwmogelijheden van circa 11,6%. Het staat vast dat ten opzichte van het voorgaande planologische regime het nieuwe plan een vermindering van het planologisch ruimtebeslag tot gevolg heeft. Gelet op de ruimtelijke uitstraling van de in het nieuwe plan voorziene functie en die onder het vorige plan mogelijk was, is de planologische ingreep van zodanige aard en omvang dat gesteld kan worden dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 3.1.4
Conclusie
Omdat de planologische bouwmogelijkheden door het verkleinen van het bouwvlak met circa 11,6 % sterk afnemen, kan worden gesteld dat het onderhavig plan niet aangemerkt dient te worden als een stedelijke ontwikkeling.
3.2 Provinciaal Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie en bijbehorende omgevingsverordening Overijssel. Op 12 april 2017 zijn de nieuwe omgevingsvisie en verordening door Provinciale Staten vastgesteld en op 1 mei 2017 in werking getreden.
18
bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening
3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie is opgesteld in het licht van diverse ontwikkelingen die in de provincie Overijssel gaande zijn. Deze ontwikkelingen spelen op het gebied van de fysieke leefomgeving. De provincie wil de kwaliteit van de leefomgeving verbeteren, met het oog op een goed vestigingsklimaat, een veilige en aantrekkelijke woonomgeving en een fraai buitengebied. De leefomgeving moet geschikt zijn voor de grote diversiteit aan activiteiten die mensen in de provincie Overijssel willen ondernemen. Uitgangspunten van de Omgevingsvisie Overijssel, Beken Kleur De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomst vaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Enkele belangrijke beleidskeuze waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn: goed en plezierig wonen, nu en in de toekomst door een passend en flexibel aanbod van woonmilieus (typen woningen en woonomgeving) die voorzien in de vraag (kwantitatief en kwalitatief); versterken complementariteit van bruisende steden en vitaal platteland als ruimtelijke, cultureel, sociaal en economisch samenhangend geheel. Dit door behoud en versterking van leefbaarheid en diversiteit van het landelijk gebied, stedelijke nerwerken versterken, behoud en versterken van cultureel erfgoed als drager van identiteit.
investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan; beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur door multifunctioneel en complementair ruimtegebruik (zowel boven- als ondergronds), hergebruik en herbestemming van vrijkomend vastgoed (in stedelijk en landelijk gebied) en het concentreren van ontwikkelingen rond bestaande infrastructuurknooppunten; ruimtelijke plannen ontwikkelen aan de hand van gebiedskenmerken en keuzes voor duurzaamheid. Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de provinciale ambities wordt gebruik gemaakt van het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel'. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, etcetera kan aan de hand van deze drie stappen bepaalt worden of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid.
Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. De onderstaande figuur geeft dit schematisch weer.
bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening
19
Afbeelding 9: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) Hierna worden de lagen nader toegelicht. Of - generieke beleidskeuzes Maatschappelijke opgaven zijn leidend in ons handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuze om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuze om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoren locaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening. Een deel van deze beleidskeuzes geldt voor heel Overijssel, een deel voor specifieke gebieden in Overijssel. Waar - ontwikkelingsperspectieven Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheid de provincie zes ontwikkelingsperspectieven.
Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voordat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging t.a.v. functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen. Hoe - gebiedskenmerken Tenslotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype.
Voor alle gebiedstypen in Overijssel is de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden. De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn dan ook in de omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken, mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet. Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Als het concrete initiatief wordt getoetst aan de Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening Overijssel 2017.
In de paragraaf 3.3.2 Omgevingsverordening' wordt nader op deze beleidskeuzes ingegaan. Dit bestemmingsplan maakt geen extra ruimtebeslag op de groene omgeving aangezien de planologische bouwmogelijkheden met circa 20% worden verkleind. Verder wordt verwezen naar de inhoud van paragraaf 3.1.2, waarin aangegeven wordt dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling draagt bij aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Hiervoor wordt verwezen naar het erfen landschapsplan (zie Bijlage 1 van de toelichting). Daarnaast is de ontwikkeling getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel, waar het ontwikkelingsperspectief en de vierlagenbenadering 20
bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening
onderdeel van uitmaken. Dit alles maakt dat de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd en daar waar kan versterkt wordt, overeenkomstig artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit van de Omgevingsverordening (zie voor de nadere toetsing aan de relevante regels van de vordering ook paragraaf 3.2.2). De Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) (art. 2.1.6) is daarnaast een belangrijk instrument van de verordening. Met de KGO wordt aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate worden gecompenseerd door investeringen ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. In het beleid wordt onderscheid gemaakt tussen een basisinspanning (landschappelijke inpassing) en de kwaliteitsimpuls (KGO). Bij uitbreiding van het bouwvlak of toevoeging van meer oppervlakte bebouwing dan de uitbreidingsmogelijkheden binnen het bestemmingsplan, is KGO van toepassing. Bij KGO moet er én landschappelijk worden ingepast én dient een KGO-investering in de groene omgeving plaats te vinden. Hoewel er sprake is van een relatief kleinschalige ontwikkeling, is er sprake van uitbreiding van een niet aan het buitengebied gebonden functie, waardoor de KGO van toepassing is. Naast de basisinspanning is dus een extra investering nodig in de ruimtelijke kwaliteit. In paragraaf 3.2.2. wordt ook nader ingegaan op de KGO.
Gebiedskenmerken De gebiedskenmerken zijn beschreven in de Catalogus Gebiedskenmerken (juli 2009). Gebiedskenmerken zijn de ruimtelijke kenmerken van een gebied of een gebiedstype, die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit ervan en die van provinciaal belang worden geacht. Onderscheid wordt gemaakt in vier lagen: natuurlijke laag (in en op de bodem), agrarisch cultuurlandschap (grootschalig gebruik en inrichting van de bodem), stedelijke laag (bebouwing en infrastructuur) en lust & leisure (beleving, toerisme, cultuurhistorie en landgoederen). Per laag zijn de volgende gebiedskenmerken van toepassing voor het plangebied: natuurlijke laag: ligging in dekzandvlakte met wasbordpatroon van dekzandruggen en beekdalen, relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat, natuurlijke vegetatiegradiënt van wintereikenbeukenbos op de hoogste delen tot berken-zomereiken-bos en elzen-eikenbos in de lagere delen; agrarisch cultuurlandschap: ligging in het essenlandschap. Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk. stedelijke laag: Verspreide bebouwing.
Als ontwikkelingen plaats vinden op erven, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de kenmerkende erfstructuur en volumematen, blijft er een duidelijk onderscheid voorkant- achterkant en vindt koppeling van het erf aan landschap plaats. Toegankelijkheid wordt erdoor verbeterd. De ontwikkeling van nieuwe erven draagt bij aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit overeenkomstig de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. lust & leisure laag: geen specifieke aandachtspunten voor het plangebied. Natuurlijke laag Met behulp van de gebiedskenmerken, de 'Natuurlijke laag', de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap', de 'Stedelijke laag' en de 'Laag van de beleving', wordt de doorwerking van het provinciaal ruimtelijk kwaliteitsbeleid van de Omgevingsvisie op gebieds- en uitvoeringsniveau geborgd. Bij ieder nieuw ruimtelijk initiatief moet getoetst worden aan deze gebiedskenmerken. Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze landschappen vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer beeldbepalend worden. Dit is ook het geval in steden en dorpen, zoals nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp.
Het plangebied ligt in de natuurlijke laag "Dekzandvlakte en ruggen". De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. De ambitie van de provincie is om de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem en door beplanting met ‘natuurlijke’ soorten. En door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen. De nieuwbouw zal op zorgvuldige wijze worden ingepast in het landschap. Aankleding en inrichting van het erf vindt plaats op basis van het landschaps- en erfinrinchtingsplan waarbij het versterken van de waardevolle landschappelijke structuren en kwaliteiten de basis van het ontwerp zullen zijn. Laag van het agrarische cultuurlandschap bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening
21
Het plangebied ligt in het Oude Hoevenlandschap op de overgang naar het jonge heide- en broekontginningslandschap. Het Oude Hoevenlandschap betreft een landschap met verspreide erven. Op de smallere hogere ruggen en vlaktes tussen de beekdalen in de dekzandvlakte en randen van de stuwwallen, werd op een individuele wijze de grond in cultuur gebracht. Kleine eenmansesjes omzoomd door beplanting en een solitair gelegen erf bepalen het beeld van dit landschapstype. Het is een kleinschalig afwisselend landschap waarbij eveneens sprake is van een duidelijke samenhang met de beekdalen en de heidegronden in de omgeving. Door de schaalvergroting in de landbouw is veel beplanting die de kleine escomplexen omzoomde verdwenen. Hierdoor is een opener landschap ontstaan. De steilranden en het reliëf zijn hierdoor wel duidelijker beleefbaar. De erven liggen meer in het zicht en zijn niet meer als vanzelfsprekend opgenomen in de dichte beplantingsstructuur rondom de escomplexen. In dit landschapstype staat het versterken van de kleinschalige en fijnmazige structuur van beplanting, wegen, paden en erven voorop. In tegenstelling tot het oude hoevenlandschap is de belangrijkste eigenschap van het jonge heide- en broekontginningslandschap de openheid én rechtlijnige verkavelingsstructuren.
De ontwikkeling die door middel van het voorliggende bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt vindt plaats op een bestaand agrarisch erf. De karakteristieken van het erf worden met het plan niet aangetast. Met uitwerking van het erf- en landschapsplan is uitdrukkelijk rekening gehouden met de landschapstypes. Stedelijke laag Het plangebied is in deze laag aangewezen als 'Verspreide bebouwing'. De agrarische erven hebben van oudsher een hele sterke binden met het landschap. Door eenheid in handelen van boeren ontstonden er samenhangende landschappen, die nu nog steeds herkenbaar zijn. Bijzonder is dat elk landschap zijn eigen erftype heeft: de opbouw van erf, erfbebouwing, erfbeplantingen en relaties met de omliggende gronden zijn specifiek voor het betreffende landschapstype. Naast erven kent het buitengebied losliggende ‘gewone’ burgerwoningen met veelal een eigen, individueel karakter en eigen verhaal van ontstaan. Door transformatie van erven kan de samenhang tussen erf en landschap vervallen. De erven gaan binnen de landsschappelijke eenheid steeds meer verschillen. De ambitie is om erven opnieuw te verbinden met het landschap en te verkennen als alternatief woon/werkmilieu. De erven die vrijkomen worden steeds groter. Soms is sloop een goede optie, maar hierdoor worden erven zo klein dat ze kunnen verdwijnen. Deze erven kunnen ook een anders gebruikt worden.
Door voort te bouwen op de karakteristieken en kwaliteiten van de vaak eeuwenoude erven, ligt hier een kans om unieke, echt Overijsselse woon/werk-, recreatie- en zorgmilieus te ontwikkelen: sterk verbonden met de historie, het omliggende landschap en met veel ruimte voor individuele invulling. De norm is dat ontwikkeling van nieuwe erven bijdraagt aan het behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit overeenkomstig de KGO. In de richtinggevende uitspraken staat dat ontwikkelingen die op erven plaatsvinden, bijdragen aan behoud en versterking van de kenmerkende erfstructuur en volumematen. Daarnaast blijft er een duidelijk onderscheid tussen voorkant en achterkant en vindt koppeling van het erf aan het landschap plaats. Het Q-team van de gemeente heeft geadviseerd over de nieuwe woonzorgaccommodatie, waarbij is aangegeven dat het aanhouden van een verschil in noklijn/hoogte ten opzichte van de bestaande accommodatie mogelijk kan bijdragen aan een vermindering van visuele massa en verbetering van het gevoel van openheid op het erf, terwijl wel binding tussen de bebouwing behouden blijft. Verder is in het plan van Borgerink Groendesign de basisinspanning en de KGO investering uitgewerkt.
Door in de verdere uitwerking/ontwerp van de woonzorgaccommodatie de adviezen van het Q-team op te volgen en de inpassing uit te voeren conform het landschappelijk inpassingsplan wordt een bijdrage geleverd aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Laag van de beleving In de laag van de beleving wordt het plangebied aangemerkt als "Donkerte". Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige ‘donkere’ gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze ‘s nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de ‘lichte’ gebieden. De woonzorgaccommodatie zal niet een zodanige lichtuitstraling veroorzaken dat hiermee de donkerte van het gebied wordt aangetast. Door de verkleining van het bestemmingsvlak zijn juist ook de planologische bouwmogelijkheden verkleind waarmee er minder verlichting toegepast hoeft te worden. 22
bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskeuzes en uitgangspunten van de provincie Overijssel welke zijn vertaald in de omgevingsvisie. De adviezen worden betrokken bij de verdere uitwerking / invulling van het plan. Ten behoeve van de uitvoering van de landschappelijke inpassing en de KGO investeringen is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. In deze voorwaardelijke verplichting is opgenomen dat de landschappelijke inpassing en de KGO investeringen uitgevoerd en in stand gehouden moeten worden. 3.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor de onderwerpen waarvoor de provincie hecht aan de juridische borging van de doorwerking van het Omgevingsvisiebeleid. In dit geval zijn bij de afweging onder andere de artikelen 2.1.3 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) en 2.1.5 (Ruimtelijke kwaliteit) van de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Dit wordt in onderstaande tekst nader toegelicht. 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: I.
dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; II. dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Toetsing Zoals in paragraaf 3.1 is geconcludeerd betreft het plan geen nieuwe stedelijke ontwikkeling, waardoor de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. Met het voorgenomen plan vindt geen extra ruimtebeslag op de groene omgeving plaats. Het plan voorziet juist in een afname van de planologische bouwmogelijkheden met circa 20%. Het initiatief is dan ook in overeenstemming met de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zoals verwoord artikel 2.1.3. uit de Omgevingsverordening Overijssel. 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit Lid 1 In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Lid 2 In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd.
Lid 3 In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. Lid 5 In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening
23
Toetsing Ten behoeve van de inpassing van de nieuwe bebouwing is een landschaps- en erfinrinchtingsplan uitgewerkt. Hiermee wordt de ruimtelijke kwaliteit op het erf versterkt en past binnen het ontwikkelingsperspectief. Daarnaast is beschreven hoe invulling is gegeven aan het Uitvoeringsmodel en de gebiedskenmerken. Het initiatief is in overeenstemming met het artikel van de Provincie Overijssel. 3.2.3
Conclusie
De ruimtelijke ontwikkeling in dit bestemmingsplan, is in overeenstemming met het provinciaal beleid uit de Omgevingsvisie en -verordening Overijssel.
3.3 Gemeentelijk 3.3.1
MijnOmgevingsvisie
In de gemeente Dinkelland werken inwoners en gemeente binnen Mijn Dinkelland 2030(!) al een aantal jaren samen aan het leefbaar houden van de kernen. Deze manier van werken past goed in de werkwijze die met de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2022 voor de fysieke leefomgeving steeds belangrijker wordt. De eerste stap hierbij is het opstellen van de Omgevingsvisie. Vanaf 2019 is de gemeente hierover op diverse manieren in gesprek geweest met de samenleving. De uitkomsten van die gesprekken zijn vertaald in MijnOmgevingsvisie. Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. De vier kernprincipes zijn: 1. We doen het samen; de gemeente met haar inwoners, instellingen en ondernemers; 2. We geven het goede voorbeeld; wat we belangrijk vinden laten we zien in de praktijk; 3. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruik; 4. We wentelen geen problemen af op volgende generaties. Op de waardenkaart ligt het grootste deel van het plangebied in het lichtgroene landschap. Dat geldt ook voor de plek waar de nieuwe woonzorgaccommodatie wordt gebouwd. MijnOmgevingsvisie geeft aan dat in dit landschap ruimte is voor veel ontwikkelmogelijkheden. Het lichtgroen landschap is landschappelijk minder waardevol.
Het zijn landschappen waar in de afgelopen 80 tot 100 jaar veel veranderd is en waar de lagere landschapswaarde ruimte voor ontwikkeling biedt. Dit zijn bijvoorbeeld de heide- of veenontginningen met een hoge dynamiek. Met voorliggend plan wordt een bestaande paardenhouderijzorgboerderij uitgebreid met een nieuwe woonzorgaccommodatie. In het lichtgroen landschap is ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Gesteld kan worden dat het beleid uit MijnOmgevingsvisie zich niet tegen het plan verzet. 3.3.2
Beleidsnotitie "Bouwen en Parkeren 2018"
Door middel van de Beleidsnotitie "Bouwen en Parkeren 2018" is een eenduidig beleid en zijn duidelijke parkeernormen vastgesteld. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' de leidraad. De parkeernormen die in de notitie zijn opgenomen betreffen alleen de normen voor de aangewezen centrumgebieden en de rest van de bebouwde kom. Voor gebruiksfuncties in het buitengebied en voor andere functies wordt verwezen naar normen deze publicatie verwezen naar de normen in publicatie 317 CROW. In deze publicatie is voor een verpleeg- en verzoringshuis, waarmee de woonzorgaccommodatie vergelijkbaar is, een parkeernorm opgenomen van minimaal 0,6 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo in het buitengebied. De functieaanduiding, waarbinnen de nieuwe woonzorgaccommodatie wordt gerealiseerd, heeft een oppervlakte van 868 m2. Uitgaande van deze oppervlakte, dan neemt de parkeerbehoefte conform dat parkeernormen toe met (afgerond) 6 plaatsen. Het parkeren vindt op het eigen erf plaats. In de huidige situatie zijn er 23 parkeerplaatsen aanwezig. Dit is voor de huidige situatie ruim voldoende gebleken voor het personeel, de vrijwilligers en het halen en brengen van cliënten.
In de nieuwe situatie zal het aantal parkeerplaatsen met 6 worden uitgebreid. Op het eigen erf is hiervoor meer dan voldoende ruimte. 24
bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e herziening
3.3.3
Gemeentelijk beleidskader Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO)
Op 10 oktober 2013 is het gemeentelijk beleidskader Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) vastgesteld. Op 5 april 2016 heeft er vervolgens een gedeeltelijke aanpassing van het beleidskader plaatsgevonden. Het beleidskader dient als toetsingskader voor de gemeente om nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied te kunnen beoordelen op basis van de kwaliteitsimpuls. Dit beleid biedt ruimte voor grootschalige uitbreidingen en nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied, onder de voorwaarde dat er tegelijkertijd wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Het KGO dient toegepast te worden op het moment dat een ontwikkeling niet past binnen het vigerende bestemmingsplan. De tweede woonzorgaccommodatie past niet binnen het huidige bestemmingsplan. Voor de beoogde ontwikkeling van initiatiefnemers is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. De aanleiding voor de herziening is echter relatief beperkt: het gaat enkel om het mogelijk maken van een nieuwe woonzorgaccommodatie. De bestemming kan gelijk blijven. Wél wordt er een functieaanduiding opgenomen om de ondergeschikte horeca-activiteiten mogelijk te maken. Bij de voorgaande ontwikkelingen binnen het plangebied, waarbij de woonzorgaccommodatie en paardenhouderij zijn gerealiseerd, is reeds een landschappelijke inpassing opgesteld.
Deze inpassing is deels uitgevoerd in verband met gewijzigde inzichten en onvoldoende aandacht voor de uitvoering. Met de wens voor een nieuwe woonzorgaccommodatie is de bestaande landschappelijke inpassing aangepast waar rekening is gehouden met een basisinspanning en een kwaliteitsimpuls voor de omgeving. Zie hiervoor Bijlage 1 van de toelichting. 3.3.4
Nieuwe woonzorgaccommodaties in het buitengebied
In maart 2010 heeft de gemeente Dinkelland de beleidsnota 'Nieuwe woonzorgaccommodaties in het buitengebied' vastgesteld. De beleidsnota geeft aan onder welke voorwaarden 'nieuwe' woonzorglocaties in het buitengebied mogen worden opgericht. De komende jaren is er een toename te verwachten van de ruimtevraag van zorgdoelgroepen. Een groot deel van deze vraag zal worden opgevangen in de stedelijke gebieden, maar ook de vraag naar kleinschalige woonvoorzieningen in het landelijk gebied neemt toe. De beleidsnota ‘woonzorgaccommodaties in het buitengebied’ vormt de basis om dergelijke aanvragen te toetsen vanuit het ruimtelijke spoor. Bebouwing en zorg dienen onder meer aan de volgende randvoorwaarden te voldoen. Alleen aan kleinschalige woonzorginitiatieven wordt medewerking verleend. De bestaande bebouwing blijft daarbij leidend. Uitbreiding van bebouwing is niet aan de orde. Het moet gaan om groepswonen en niet om zelfstandige wooneenheden. De zorg moet geleverd worden door een Wlz erkende zorginstelling en de doelgroepen die ter plekke gehuisvest worden moeten onder de Wlz zorg vallen. Zoals al eerder is aangegeven is het niet mogelijk om de woonplekken binnen de bestaande woning en/of gebouwen te realiseren. Qua opzet is de woonzorgaccommodatie vergelijkbaar met de huidige woonzorgaccommodatie.
Deelnemers hebben een eigen ruimte met sanitaire voorziening en gedeelde keuken, woonruimte en ontspannings-/recreatieve ruimte. Door de nieuwbouw aan te laten sluiten bij de bestaande bedrijfsgebouwen en zorg te dragen voor een landschappelijke inpassing wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse niet aangetast. 3.3.5
Nota Omgevingskwaliteit
De Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen 2016 bevat het welstandsbeleid voor de gemeente Dinkelland. In de nota is het grondgebied opgedeeld in deelgebieden voor de kernen en het buitengebied. Voor elk deelgebied is een waarderingsblad en een ambitiekaart gemaakt. Ieder blad bestaat uit een kaartje van het gebied, een toelichting, en een weergave van de beoogde omgevingskwaliteit dat bij de welstandstoets voor de omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) van toepassing is. Het welstandsbeleid van de gemeentes bestaan uit drie niveau’s van omgevingskwaliteit: 1. Basis omgeving 2. Midden omgeving 3. Bijzondere omgeving Het niveau dat van toepassing is geldt voor de algemeen heersende karakteristiek van een gebied. De waarde is dus door de bestaande omgeving bepaald. Het komt voor dat binnen een gebied een gebouw of complex ligt dat zich door de bijzondere kwaliteit onderscheidt. Deze wordt apart genoemd. De welstandsbeoordeling in deze gebieden is gericht op het behouden en versterken van de basiskwaliteiten van de gebieden. Bij de welstandsbeoordeling wordt vooral gekeken of het bouwplan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de bestemmingsplan Buitengebied, Westenveldweg 13, Tilligte, 1e her ziening
25
omgeving (van hoofdvorm tot materiaal en detail). Afhankelijk van het soortbouwwerk komen de volgende beoordelingsmodellen voor: ‘Ambtelijk’: alleen kleine bouwwerken van- en voor de voorgevel worden getoetst. Deze toets vindt ambtelijk plaats. Bouwplannen achter de voorgevel zijn toetsvrij. 'Stadsbouwmeester’: de stadsbouwmeester toetst. ‘Q-team’: het Q-team beoordeelt en kan daarbij in overleg treden met de initiatiefnemer en/of ontwerper. Het plangebied ligt in een gebied dat het niveau 'Buitengebied - Niveau Midden' toegekend heeft gekregen. De welstandsbeoordeling in deze gebieden is gericht op het behouden en versterken van de basiskwaliteiten van de gebieden. Bij de welstandsbeoordeling wordt vooral gekeken of het bouwplan bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving (van hoofdvorm tot materiaal en detail). Afhankelijk van het soort bouwwerk komen de volgende beoordelingsmodellen voor: ‘Ambtelijk’: alleen kleine bouwwerken van- en voor de voorgevel worden getoetst. Deze toets vindt ambtelijk plaats. Bouwplannen achter de voorgevel zijn toetsvrij. 'Stadsbouwmeester’: de stadsbouwmeester toetst. ‘Q-team’: het Q-team beoordeelt en kan daarbij in overleg treden met de initiatiefnemer en/of ontwerper. Toetsing op welstand vindt uiteindelijk plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de woningzorgaccommodatie.