Bestemmingsplan Buitengebied, Roepenbeltweg 16-18 Rossum.pdf
Tekst van het document
7.2 Opzet van de regels 7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.
7.2.2
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels. Specifieke gebruiksregels: in dit artikel is het strijdig gebruik geregeld en de voorwaardelijke verplichting opgenomen; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven gebruiksmogelijkheden; bestemmingsplan Buitengebied, Roepenbeltweg 16-18 Rossum 47
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: omgevingsvergunningenstelsel; Wijzigingsbevoegdheden: onder welke voorwaarden mag de bestemming worden gewijzigd. In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. 7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 7) Deze regel is opgenomen om ten aanzien van geluidsgevoelige objecten een bepaalde afstand tot wegen te garanderen. Algemene gebruiksregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn. Algemene afwijkingsregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om onderdelen van het bestemmingsplan te wijzigen. Overige regels (Artikel 11) In dit artikel worden de overige regels beschreven.
Deze regels gaan in op de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen en de geldende parkeerregels. 7.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3 Verantwoording van de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. 'Agrarisch - 1' (Artikel 3) Delen van het plangebied die in de huidige situatie zijn voorzien van een bouwvlak, maar geen onderdeel worden van de woonpercelen, zijn voorzien van de bestemming 'Agrarisch – 1' zonder bouwvlak. Zodoende worden alle agrarische bedrijfsmogelijkheden met voorliggend bestemmingsplan wegbestemd. Gronden met deze bestemming zijn hoofdzakelijk bestemd voor het agrarisch gebruik, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden, en het uitvoeren van ruimtelijke kwaliteitsplannen.
'Wonen' (Artikel 4)
48
bestemmingsplan Buitengebied, Roepenbeltweg 16-18 Rossum
Gronden met deze bestemming zijn hoofdzakelijk bestemd voor woonhuizen en bijbehorende bouwwerken en het uitvoeren van de landschapsmaatregelen gekoppeld aan ruimtelijke kwaliteitsplannen. De sloop van de schuren en landschappelijke inpassingen in het kader van de Rood-voor-Rood regeling zijn gewaarborgd door bij de specifieke gebruiksregels specifieke voorwaardelijke verplichtingen op te nemen middels de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - voorwaardelijke inpassing 1' en de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - sloopopgave'. Verder is een maatvoering opgenomen om het maximaal aantal m2 aan bijgebouwen voor de woning Roepenbeltweg 16 middels de aanduiding 'maximum oppervlakte bijgebouwen (m²)'. De compensatiewoning en een bestaande woning kunnen bij recht 200 m² aan bijgebouwen realiseren middels de binnenplanse ontheffing (36.3 onder lid d) van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" en art. 4.3 onder lid d van voorliggend plan.
'Waarde - Archeologie 2' (Artikel 5) De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de gebieden met hoge en zeer hoge archeologische waarden. Burgemeester en Wethouders toestaan dat de in de andere daar voorkomende bestemming(en) genoemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, mits bij een oppervlakte groter dan 100 m² en/of een bodemingreep dieper dan 40 cm vooraf op basis van een archeologisch onderzoek advies wordt ingewonnen van de provinciaal archeoloog.
bestemmingsplan Buitengebied, Roepenbeltweg 16-18 Rossum 49
50
bestemmingsplan Buitengebied, Roepenbeltweg 16-18 Rossum
Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De vaststelling van een exploitatieplan kan achterwege blijven, vanuit de grondexploitatie zijn namelijk geen te verhalen kosten (artikel 6.2.1a onder b van het Bro). Wel is een planschadeverhaalsovereenkomst afgesloten.
bestemmingsplan Buitengebied, Roepenbeltweg 16-18 Rossum 51
52
bestemmingsplan Buitengebied, Roepenbeltweg 16-18 Rossum
Hoofdstuk 9
Vooroverleg
9.1 Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 9.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat de gewenste ontwikkelingen geen nationale belangen schaden. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Overijssel
In het voorliggende geval is sprake van een bestemmingsplan waarmee agrarische grond omgezet wordt naar een woonbestemming waarbij een compensatiewoning en bijgebouwen worden gerealiseerd. De ontwikkeling past binnen de gebiedskenmerken en versterkt de ruimtelijke kwaliteit. Gezien het vorenstaande wordt het plan in het kader van vooroverleg naar de provincie Overijssel toegezonden. 9.1.3
Waterschap Vechtstromen
In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben geleid tot de 'korte procedure'. Het waterschap geeft een positief wateradvies. De beantwoording van de vragen maakt nader overleg met het waterschap niet noodzakelijk. 9.1.4
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. In deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend. Het plan wordt ongewijzigd vastgesteld.
bestemmingsplan Buitengebied, Roepenbeltweg 16-18 Rossum 53
54
bestemmingsplan Buitengebied, Roepenbeltweg 16-18 Rossum
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Roepenbeltweg 16-18 Rossum 55
Bijlage 1
56
Ruimtelijk kwaliteitsplan
bestemmingsplan Buitengebied, Roepenbeltweg 16-18 Rossum
RU I M T E L I J K K WA L IT E IT S P L A N B U IT E N G E B I E D •
Ro e p e n b e l t we g 16 - Ro s s u m •
Tubbergen, 4 januari 2023 - Versie 1 Definitief
Project: Buitengebied met kwaliteit
2
Afbeelding: Ontwikkeling Roepenbeltweg 16 Rossum (Bron: N+L Landschapsontwerpers)
Ruimtelijk kwaliteitsplan Project:
Buitengebied met kwaliteit
Locatie: Roepenbeltweg 16 - Rossum
Titel rapport
RKP buitengebied met kwaliteit - Roepenbeltweg 16 Rossum
Opgesteld:
29 september 2022, Tubbergen
Gewijzigd:
4 januari 2023
Status:
Versie 1 - Definitief
Auteur:
N+L Landschapsontwerpers Ing. NH Oldenzaalseweg 38 7651 KC Tubbergen 06-83337880 info@nl-landschap.nl www.nl-landschap.nl
3
4
1. Aanleiding
05
2. Huidige situatie
06
3. Beleid
08
4. Nieuwe situatie
14
1. Aanleiding Aan de Roepenbeltweg in Rossum is sprake van een voormalig agrarisch bedrijf. De agrarische activiteiten zijn inmiddels gestaakt. De schuren staan leeg en daarom is het idee opgevat om de schuren te slopen in het kader van de rood voor rood regeling in ruil voor een extra woning.
uiteengezet. Er wordt een beschrijving van het plangebied gegeven, het omliggende landschap en het vigerende beleid. Dat resulteert in een beschrijving van de nieuwe situatie die aan het gestelde beleid voldoet.
Het erf maakt van oorsprong onderdeel uit van een kampenlandschap dat is omsloten door een heideontginning. Samen met 2 noordelijk gelegen erven vormde het min of meer een enclave. De ligging van de erven is logisch. De erven lagen nabij een hoger gelegen kamp waarop goed graansoorten verbouwd konden worden. Vanuit de omliggende heidevelden konden de plaggen gebruikt worden in de stallen die vervolgens, vermengd met mest, uit werd gereden op de kampen. In de huidige situatie is een gedeelte van de oorspronkelijke landschapselementen nog aanwezig. Er moet ingezet worden op behoud en/of versterking ervan. De gemeente heeft op 2 mei 2022 aangegeven positief tegenover deze ontwikkeling te staan. De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt via het nieuwe beleid “buitengebied met kwaliteit”. Via deze regeling kan een initiatiefnemer een extra woning tegemoet zien, mits wordt voldaan aan de opgestelde voorwaarden. Landschappelijke inpassing De gemeente Dinkelland eist voor de ontwikkeling een landschappelijke inpassing. In dit document wordt daarom de landschappelijke inpassing
5
2. Huidige situatie Het plangebied is in een gebied gelegen dat onderdeel uitmaakt van een groter stuwwallencomplex waar ook onder meer de Tankenberg onderdeel van uitmaakt. Nabij is er sprake van beekdalgebieden. Er is zonder meer sprake van hoogteverschillen. Het plangebied zelf is aan een kamp gelegen. De hoogteverschillen zijn ontstaan in de laatste ijstijd waar zandruggen en beekdalen na verloop van tijd veelal zijn geërodeerd. De grotere aanwezige stuwwallen en dekzandruggen werden in gebruik genomen als gezamenlijke essen. De kleinere zandkopjes werden gebruikt als de eenmansesjes die het karakteristiek van het essen- en kampenlandschap tot gevolg had. Jonge heideontginning / kampenlandschap Het plangebied behoort volgens de omgevingsvisie van de provincie Overijssel tot de jonge heideontginning. Rondom het plangebied is van oorsprong ook zonder meer sprake van grote uitgestrekte heidegebieden. Het plangebied zelf was echter aan een kamp gelegen en behoorde daarom, samen met een tweetal andere nabij gelegen erven, tot een geïsoleerd stukje kampenlandschap. Een ideale ligging omdat heideplaggen gebruikt werden in de stallen en deze, vermengd met mest, dan weer uit werden gereden op het bouwland. Dit bouwland (kamp) was bovendien hoger gelegen en dus uitermate geschikt voor het verbouwen van graansoorten.
Er was van oorsprong specifiek rondom deze erven sprake van een kleinschalig landschap met een tal van houtsingels en/of houtwallen. Slechts een gedeelte daarvan is behouden gebleven wat nabij het plangebied resulteert in karakteristieke en beeldbepalende bomen. Ondanks dat veel landschapselementen zijn verdwenen zorgen een aantal dragende landschapsstructuren voor de herkenning van het omliggende landschap.
6
Nieuwe elementen Veel landschapselementen zijn verdwenen. Wel zijn een aantal dragende structuren behouden gebleven. Er moet dan ook ingezet worden op behoud en versterking van deze structuren. Daarnaast kan er ingezet worden op het inpassen van het erf al dan niet in combinatie met het herstellen van cultuurhistorische elementen. Huidige indeling Er is sprake van een gebruikelijke opzet qua erf. Voorop is een woning gelegen met daarachter een verzameling van meerdere schuren. Het is echter niet de oorspronkelijke opzet. Van oorsprong heeft de voormalige boerderij aan de westzijde gestaan, landschapsgericht richting het noorden, waar men via een laan bij de boerderij kon komen. In latere instantie is men steeds meer schuren aan de oost- en zuidzijde gaan bouwen inclusief een tweetal woningen.
Planlocatie omstreeks 1910. (Bron: topotijdreis.nl)
Locatie plangebied ten noordoosten van Oldenzaal. (Bron: geo.overijssel.nl)
Plangebied. (Bron: geo.overijssel.nl)
7
3. Beleid 3.1 Omgevingsvisie Overijssel Het provinciaal beleid van Overijssel is verwoord en vastgelegd in meerdere plannen. De belangrijkste is de Omgevingsvisie 2017 welke is vastgesteld op 12 april 2017. Nadien is deze visie meerdere keren geactualiseerd. De laatste actualisatie is betreft maart 2021. In de visie bakent de provincie af wat zij voor de fysieke leefomgeving in Overijssel van provinciaal belang vinden. De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In de visie worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur bekeken in samenhang met een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Het beleid staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel om het toekomstbestendig te houden.
keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Vooral reserveringen voor integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, ruimtegebruik, waterveiligheid, externe veiligheid, LOG gebieden en begrenzingen als Nationale Landschappen, NNN-gebieden (natuurnetwerk Nederland) en de EHS zijn voorbeelden van generieke beleidskeuzes. Daarnaast zijn er gebied specifieke beleidskeuzes. De beleidskeuzes hebben geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling.
Rode draden en beleidsambities De opgaven en kansen zijn vertaald in centrale beleidsambities en negen beleidsthema’s. Deze worden benaderd vanuit de rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit waarvoor thema overstijgende kwaliteitsambities zijn geformuleerd. Vanuit het uitvoeringsmodel (of, waar en hoe) worden generieke beleidskeuzes, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken beschreven.
Ontwikkelingsperspectieven: In de visie zijn drie ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en drie voor de stedelijke omgeving. Deze perspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. Het plangebied is aangemerkt als “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap”. Dat betekent dat diverse functies verweven moeten worden. Het belangrijkste land gebruik blijft melkveehouderij en akkerbouw, maar aan de andere kant is er ruimte voor landschap, natuur, milieubescherming, cultuurhistorie, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. In elk geval staat de ambitie, “voortbouwen op kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen”, voorop. De voorgenomen ontwikkeling past bij de gestelde ambitie indien de kenmerken waar mogelijk behouden blijven.
Generieke beleidskeuzes: Deze keuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of Provincie. Het zijn
Gebiedskenmerken Tenslotte wordt de
8
voorgenomen
ontwikkeling
getoetst
aan
de
Ontwikkelingsperspectief, het plangebied is lichtgroen wat betekent “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)
9
gebiedskenmerken. Er zijn vier lagen te onderscheiden (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving). Er gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er staat omschreven in een catalogus gebiedskenmerken welke kenmerken diverse gebieden en hoe een ontwikkeling invulling dient te krijgen. De gebiedskenmerken zijn richtinggevend op aspecten als landschap, infrastructuur, milieu, bodem en cultuurhistorie. De stedelijke laag en de laag van de beleving zijn niet opgenomen; deze zijn niet relevant wat betreft de voorgenomen ontwikkeling.
intensief gebruikt en bemest met heideplaggen uit het voormalige potstal systeem. Het plangebied is omschreven als jonge heideontginning. Dat is echter onjuist. Het plangebied maakt van oorsprong onderdeel uit van een geïsoleerd gedeelte kampenlandschap. Daarbij was sprake van een bepaalde mate van kleinschaligheid. Daarom heen waren de (grootschalige) heidevelden gelegen. Door de schaalvergroting is de kleinschaligheid sterk afgenomen, maar nog altijd zorgen belangrijke landschappelijke dragers voor de herkenning van het gebied. De ontwikkeling moet bijdragen aan de herkenning van het landschap. In dit geval houdt dat vooral behoud van het bestaande in.
Natuurlijke laag De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. De locatie is gelegen in een stuwwalgebied op de overgang naar een beekdalgebied tussen dekzandvlakten. Er is daarom sprake van reliëf. In de jaren zijn hoogteverschillen gedeeltelijk geërodeerd door de wind, weer versterkt door de wijze van agrarisch gebruik (essen en eenmansesjes) en weer verminderd door de schaalvergroting in de landbouw. Hoogteverschillen zijn in dit gebied nog altijd goed herkenbaar.
3.2 Buitengebied met kwaliteit (ruimtelijk beleid buitengebied)
Laag van cultuurlandschap Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. De eerste nederzettingen in Nederland werden gesticht op de rand van de hogere stuwwallen en/of dekzandruggen naar de overgang met de lagere gronden. De akkers op de hogere gronden werden
Er zijn algemene randvoorwaarden opgesteld voor het toevoegen van een extra woning waaronder:
10
De gemeenten Tubbergen en Dinkelland hebben gezamenlijk de uitwerking van de omgevingsvisie opgepakt. Het beleid is opgesteld ter vervanging van vele andere ruimtelijke regelingen. Volgens de gemeente werd dit onnodig ingewikkeld. De absolute doelstelling van het beleid is om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied.
1. Een extra woning wordt uitsluitend toegestaan indien sprake is van een kwaliteitsimpuls in de vorm van sloop van landschap ontsierende gebouwen.
Links: natuurlijke laag. Plangebied is omschreven als: “stuwwallen”. Rechts: laag van Cultuurlandschap. Plangebied is omschreven als: “jonge heideontginning”. (Bron: overijssel. tercera-ro.nl)
11
Hierbij geldt dat voor elke 1.200 m2 te slopen landschap ontsierende bebouwing, één bouwkavel voor een woning kan worden toegekend. 2. Alleen (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen kunnen worden ingezet. 3. Alleen gebouwen die tenminste 5 jaar geleden zijn opgericht kunnen worden ingezet. 4. Alleen legale bebouwing telt mee, mits aangetoond dat zij voor 1998 aanwezig waren. 5. Alleen volledige gebouwen mogen ingezet worden. 6. Karakteristieke gebouwen tellen niet mee. 7. Sloop- en bouwlocaties mogen gecombineerd worden. 8. Tenminste 75% van de vereiste sloopoppervlakte komt uit de gemeente. 9. Er wordt minimaal 300 m2 gesloopt. 10. Alle landschap ontsierende bebouwing wordt gesloopt. 11. Bouwwerken zoals sleufsilo’s, mestplaten, mestbassins, (mest)kelders, kassen en overtollige verharding moet verwijderd worden zonder mee te tellen aan de sloopoppervlakte. Toren- en mestsilo’s tellen wel mee. 12. De extra woning wordt teruggebouwd op een slooplocatie waar sprake is van een erf. 13. De woning en bijbehorende bouwwerken vormen één erfensemble. 14. Alleen als een slooplocatie niet geschikt is, mag een bouwrecht verplaatst worden. 15. Eventueel overtollige sloopmeters mogen ingezet worden voor een groter bijgebouw. De voorgenomen aanvraag voldoet aan het gestelde beleid. In totaliteit
12
wordt er 1.337 m2 aan landschap ontsierende bebouwing gesloopt. Ter compensatie kan daarom een woning worden gebouwd in ruil voor 1.200 m2 aan sloopmeters. Alle landschap ontsierende bebouwing wordt gesloopt en tot slot worden de overige sloopmeters (137 m2) ingezet voor een grotere oppervlakte aan bijgebouwen bij de bestaande woning. Dit mag door 1:2 van de overgebleven sloopmeters boven de 1.200 m2 bij het totaal op te tellen. Dat betekent: 137 m2 : 2 = 68,5 m2. 3.3 Casco benadering Noordoost Twente De gemeente Tubbergen hanteert, vooral ter bescherming van het bestaande landschap, het casco beleid. Door het casco beleid is het mogelijk om via een kaart te achterhalen of een ontwikkeling wel of niet in strijd is met elementen welke tot de casco behoren. Elementen als onderdeel uitmakend van de Casco zijn in principe niet te verwijderen (groen lijnen/vlakken op de kaart). De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de bestaande casco elementen. Geen van de elementen wordt verplaatst en/of aangetast. De ontwikkeling heeft daarom geen consequenties voor het cascobeleid en/of het cascobeleid heeft geen consequenties voor de ontwikkeling.
Fragment van de cascokaart behorende bij de casco benadering. (Bron: geo.overijssel.nl)
13
4. Nieuwe situatie Aan de Roepenbeltweg wordt alle landschap ontsierende bebouwing gesloopt (E op tekening). De bestaande woningen (A en B) blijven behouden. Voor de te slopen meters wordt een extra woning gebouwd (C). De woning wordt gebouwd zoals een traditionele, karakteristieke boerderij. Een voorbeeld van de voorgevel is opgenomen op de situatietekening. Het idee voor de woning op deze locatie komt weg vanuit het oorspronkelijke erf. De oude boerderij heeft namelijk daar vlak naast gestaan (D op tekening). In de nieuwe opzet (met sloop van schuren) zou het echter merkwaardig staan dat de boerderij eenzelfde oriëntatie kent. Het gebouw zou zich dan te veel afsluiten van de rest van de bebouwing dat samen één erfensemble zou moeten vormen. De nieuwe (woon)boerderij is daarom ten opzichte van de oorspronkelijke situatie iets verdraaid om een goede aansluiting te vinden bij de rest van het erf. Diverse bijgebouwen bij de diverse woningen zorgen voor nog wat meer verbinding. Alle woningen worden ontsloten via één hoofdweg richting de Roepenbeltweg. Woning A en B zijn reeds bestaand, maar richting de nieuwe (woon)boerderij wordt een nieuwe weg gelegd. De aanleg wordt uitgevoerd met een gebakken steen. Met de aanleg van deze weg wordt ingezet op herstel van een cultuurhistorische laanbeplanting met aan weerszijden laanbomen (I).
Aan het einde van de laan staat de (woon)boerderij die ten opzichte van de laan onder een kleine hoekverdraaiing staat. Deze verdraaiing geeft net voldoende effect om enigszins verrassend over te komen waardoor het geheel niet te strak lijkt. Er is nu meer sprake van een situatie die toevalligerwijs is ontstaan. De laan wordt aan de zuidzijde verder aangezet met een bomengroep waarmee min of meer een erfbos ontstaat. Dat gaat bij bomen in een
14
volwassen stadium zorgen voor een zeer karakteristiek beeld. Tot slot worden nog enkele bomen aangeplant om de dragende landschapsstructuren verder te versterken. Het erf blijft richting de westkant open voor een optimale verbinding met het achterliggende landschap. Maatregelen ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit: - Bouw van (woon)boerderij op nagenoeg de oorspronkelijke plek; - Bouw van (woon)boerderij in kenmerkende stijl; - Herstel van cultuurhistorische laan met gebakken klinkers; - Aanplant van laanbeplanting c.q. erfbos. - Aanplant van enkele bomen ter versterking van landschapsstructuren. - Bestaande solitaire boom inrasteren. Met het voorgenoemde wordt voldaan aan het gestelde beleid.
A:
Best aande, te behouden woning .
B:
Best aande, te behouden woning .
C:
Nieuw te bouwen compensatiewoning via de rood voor rood regeling door sloop diverse opst allen. De nieuwe woning vertegenwoordigd de oorspronkelijke boerderij die eerder is gesloopt. De voormalige boerderij is met “D” aangegeven. De boerderij wordt gerealiseerd met een woning met daaraan vastgekoppeld een bijgebouw. Zie daar voor de impressie van Er win Meinders Bouwkundig Buro. De (woon)boerderij st aat aan het eind van een rechte laan en draait daar iets vanaf wat de optimale verbinding met het omliggende landschap geeft.
K Fragment uit 1910 (topotijdreis.nl)
A
N E
E
H
C
F
Te slopen opst allen.
F:
Nieuwe verharding rondom de boerderij.
G:
Best aande verharding.
H:
Bijgebouwen, best aand en nieuw.
I:
Herstellen cultuurhistorische opzet oprijlaan. Aanplant met zomereik of zomerlinde in de maat 14-16 (st amomtrek in centimeters). Tot aal 10 stuks, elk voor zien van twee boompalen en gietrand in de eerste 3 jaren.
N
J:
Eenzijdig wordt de laan versterkt en opgewaardeerd tot een erfbos. Aanplant met zomereik of zomerlinde in de
M
D H
Oorspronkelijke locatie boerderij.
E:
G
I J
M
K
H
N
O
L
D:
maat 14-16 (st amomtrek in centimeters). Tot aal 4 stuks, elk voorzien van twee boompalen en gietrand in
B
de eerste 3 jaren.
E
K:
Best aande houtopst anden rondom plangebied.
L:
Gazon/gras.
M:
Weiland.
N:
Aanplant van enkele solitairen. Aanplant met zomereik, walnoot, fladderiep of zomerlinde in de maat 14-16 (st amomtrek in centimeters). Tot aal 4 stuks, elk voor zien van twee boompalen en gietrand in de eerste 3 jaren.
O:
Inrasteren van solitiare boom. omtrek van raster: 4 zijden á 4 meter.
Impressie voorgevel + bijgebouw. Bron: Er win Meinders Bouwkundig Buro
Nieuwe situatie, niet op schaal. (Bron: N+L Landschapsontwerpers) Project:
Rood voor rood
Getekend:
NH
St atus:
DO
Adres:
Roepenbeltweg 16
Datum:
04-01-2023
Aant al pag .:
1
Woonplaats:
Rossum
Gecontroleerd:
-
Formaat:
A3
Schaal:
1:10 0 0
Noord:
Tekening is noordgericht
nl-landschap.nl
15
l a n d s c h a p s o n t w e r p e r s
Oldenzaalseweg 38 • 7651 KC Tubbergen • info@nl-landschaps.nl • www.nl-landschap.nl
Bijlage 2 Beeldkwaliteitsplan Rood voor Rood
bestemmingsplan Buitengebied, Roepenbeltweg 16-18 Rossum 73
jong
landschap
landschap
Landschapstype
oud
Kampen
Essen
Maten/Flier
Veen
Heide
Erftype
Criterium: één hoofdgebouw per erf; de overige gebouwen zijn (vormgegeven als) bijgebouwen en ondergeschikt gepositioneerd; veldschuren zijn landschapsgerelateerd en staan vrij van de bebouwing op het erf
oud erf
(weggekeerd)
oud erf
(landschapsgekeerd)
aan de weg
van de weg
aan de weg
(dwars)
(weggericht)
aan de weg
van de weg
(haaks)
(weggericht)
van de weg
(landschapgericht)
Kies een erftype dat aansluit op het landschapstype en de specifieke kenmerken van de omgeving (V. = voorhuis; A. = achterhuis). Erfinrichting en beplanting versterken de erfopzet.
Ambitie
In dit gebied wordt geadviseerd een iets conservatievere insteek te kiezen dan in de jongere landschapstypes. Dit heeft betrekking op situering, volume, kapvorm, detaillering en kleurgebruik. In dit gebied zijn de grote pannen gedekte zadelkappen (met name rood) en rechte topgevel (eventueel bekleed met hout) kenmerkend. Woningen hebben een duidelijke voor- en achterzijde. Waarbij de achterzijde grenst aan het erf, en de voorzijde naar het landschap gericht is. Bij de oudere erven komt incidenteel een gevelbeëindiging door middel van een wolfseind voor. In dit gebied wordt aandacht besteed aan de detaillering, waarbij daken vaak beëindigd worden met een windveer. Nieuwe type bouwvormen en retro-types zoals notariswoning verdragen zich slecht met de kenmerken van dit gebied.
Er kunnen zowel traditionele als meer moderne architectonische types gerealiseerd worden. De bebouwing is vooral heel eenvoudig van vorm. Het belangrijkste kenmerk is de grote, met pannen gedekte zadelkap in antraciet of (oud) rood, met rechte topgevelbeëindiging. Woningen hebben een duidelijke voor- en achterzijde, waarbij de achterzijde grenst aan het erf, en de voorzijde naar de weg of het landschap gericht is. De detaillering is met name heel sober en strak, waarbij in het veenontgingenlandschap van oudsher meer aandacht voor gevelindeling en detail is.
Criterium: eenduidige hoofdvorm met zadeldak
woning
bijgebouw
bijgebouw
woning
Aan- en uitbouw aan woningen
Hoofdvorm
Criterium: eenduidige hoofdvorm met zadeldak incidenteel wolfseind
Criterium: aan- en uitbouwen aan woningen ondergeschikt aan de hoofdvorm en/of in lijn met de architectuur van het geheel vormgegeven
dwars
gekoppeld
gesleept uit de kap
geschakeld
afwijkende helling
erker
uitgebouwde kamer
Transformatie
Criterium: hoofdvorm als uitgangspunt nemen en transformaties ondergeschikt
snedes
loggia en onderschoer
hoog voorhuis
Gevelopbouw en Detail
Criterium: evenwichtige gevelopbouw die gebaseerd is op de karakteristieken van de locatie (landschapstype en erf), een sobere detaillering en onderscheid tussen de uitstraling van hoofd- en (vrijstaand) bijgebouw.
Traditionele uitwerking: principe rijke detaillering (alleen in oud landschap)
principe sobere detaillering (in oud- en jong landschap)
Eigentijdse uitwerking: inspiratie gevelopeningen
Materialen
principe: voor- en achterhuis (in oud- en jong landschap)
eigentijdse architectuur (gebaseerd op traditie) is altijd mogelijk
Criterium: toepassen van natuurlijke materialen (uitgezonderd riet) in een gedekte kleurstelling, passend bij de gekozen architectuur en de karakteristieken van het buitengebied
gevelmaterialen (voor woningen en bijgebouwen): diverse aardtinten metselwerk (uitgezonderd lichte tinten), hout (naturel of een donkere kleur); zink (mat)
glas kan op diverse manieren worden toegepast
dakbedekking: alleen matte dakbedekking; gebakken pannen en zink voor woningen; gebakken pannen, zink en golfplaten voor bijgebouwen
De afbeeldingen zijn ter inspiratie en kunnen als bouwstenen genomen worden voor een ontwerp. Ze geven ook principes weer waarbinnen de oplossingsrichting dient te worden gezocht. 7 februari 2014
Inspiratiefolder als handvat voor ontwikkeling in het kader van de Rood voor Roodregeling
Hoe kunt u deze inspiratiefolder gebruiken?
U wilt uw erf veranderen met behulp van de rood voor rood regeling. Hiervoor sluit u met de gemeente een privaatrechtelijke overeenkomst af. Daarin staan de afspraken om ‘hoogwaardige ruimtelijke kwaliteit’ op uw erf en in de directe omgeving te krijgen. Na sloop en nieuwbouw moet de omgeving er nog beter uitzien!
In het buitengebied van de gemeentes Dinkelland en Tubbergen komen verschillende landschapstypen en erftypen voor. De gemeentes maken bij de nieuwe ontwikkelingen die gebruik maken van de rood voor rood regeling onderscheid tussen:
Voor uw nieuwe plan moeten het welstandbeleid en bestemmingsplan tegelijk worden aangepast. Waarom moet het welstandsbeleid worden aangepast voor uw plan? De ‘gebiedsgerichte criteria’ in de welstandsnota van de gemeente gaan uit van de bestaande toestand. Met nieuwe ontwikkelingen wordt geen rekening gehouden. En als wel sprake is van een nieuwe ontwikkeling wordt ervan uitgegaan dat deze moeten samenhangen met de bestaande (bedrijfs-)bebouwing op het erf. In het geval van Rood voor rood verdwijnt die bebouwing juist! De gebiedsgerichte criteria zijn bovendien onvoldoende geschikt om de gewenste hoogwaardige kwaliteit te bereiken, die in de privaatrechtelijke overeenkomst is vastgelegd. Daarom zal zowel dit welstandsbeleid als het bestemmingsplan voor uw perceel door de gemeenteraad moeten worden vastgesteld. In deze folder vindt u inspiratie: hoe ziet dat er dan uit? De gemeente drukt de mogelijkheden van nieuwbouw op een erf in criteria uit. Deze criteria zijn op ontwikkeling gericht. De welstandstoets vindt plaats op grond van deze criteria. Als uw bouw- en erfinrichtingsplan voldoen aan de gewenste hoogwaardige ruimtelijke kwaliteit wordt de vergunning verleend. In uitzonderlijke gevallen kan het college van Burgemeester en Wethouders afwijken van het advies van de stadsbouwmeester door de toepassing van de hardheidsclausule in de welstandsnota van de gemeente.
Veel succes met uw plannen!
Oud landschap: kampenlandschap, essenlandschap en maten- en flierenlandschap; Jong landschap: heide- en veenontginningenlandschap. In welk gebied uw woning wordt gebouwd, kunt u in onderstaande kaart bepalen. Deze folder geeft zowel voor het oude als het jonge landschap weer welke erftypen daar voorkomen, wat de bedoeling (ambitie) van de gemeente is en hoe de bebouwing eruit mag zien. Om een volledig overzicht krijgen van uw mogelijkheden is het verstandig de volgende stappen te doorlopen: 1. Bekijk op de kaart in welk landschapstype uw ontwikkeling zich bevindt. 2. Bekijk het schema en bepaal welk erftype u kiest voor uw ontwikkeling. 3. Neem kennis van de ambitie van de gemeente voor het landschapstype waarin uw erf zich bevindt. 4. Stem het uiterlijk van uw woning af op de afbeeldingen bij de onderwerpen hoofdvorm, aan- en uitbouwen, transformatie, gevelopbouw en detail. 5. Gebruik materialen die worden getoond bij het onderwerp materialen. Opgemerkt wordt dat elke locatie en elke opgave anders is waardoor maatwerk per locatie van groot belang is. Deze folder is toepasbaar wanneer één woning wordt toegevoegd. Bij twee of meer woningen is aanvullend locatiespecifiek welstandsbeleid denkbaar.
Het verdient aanbeveling om in een zo vroeg mogelijk stadium, voordat u een aanvraag om omgevingsvergunning indient, gebruik te maken van het spreekuur van de stadsbouwmeester bij de gemeente. Dit kan al met een eerste schets van het gekozen erftype en hoofdvorm van de gebouwen aan de hand van de inspiratiebeelden in deze folder. U kunt hiervoor een afspraak maken bij de publieksbalie van de gemeente.
OUDlandschap JONGlandschap
Voor zonnepanelen en/of -collectoren op daken, voor zover vergunningplichtig, gelden in het hele gebied de onderstaande criteria. Als geen vergunning nodig is zijn dit aanbevelingen. De panelen- of collectoren: - liggen plat op het dakvlak; - worden evenwichtig geplaatst in een regelmatig patroon; - hebben rondom (ook ter plaatse van elementen op het dak) nog een ruime strook dakvlak; - zijn qua kleur, inclusief de randen, zoveel mogelijk afgestemd op het dakvlak. Wanneer een groot oppervlak van het dak wordt voorzien van zonnepanelen- of collectoren verdient het de voorkeur om het dakvlak in zijn geheel uit te voeren als (een dakvlak gelijkend type) zonnepaneel- of collector.
7 februari 2014
Bijlage 3 Verkennend- en Nader bodemonderzoek
76
bestemmingsplan Buitengebied, Roepenbeltweg 16-18 Rossum
Verkennend- en Nader Bodemonderzoek
Project:
2022-185
Locatie:
Roepenbeltweg 16-18 te Rossum
Opdrachtgever:
N+L Landschapsontwerpers Oldenzaalseweg 38 7651 KC Tubbergen
Datum:
7 februari 2023
Verkennend- en Nader bodemonderzoek Roepenbeltweg 16-18 te Rossum
Verkennend- en Nader Bodemonderzoek Roepenbeltweg 16-18 te Rossum
Opdrachtgever:
N+L Landschapsontwerpers Oldenzaalseweg 38 7651 KC Tubbergen
Adviesbureau:
Dumea Milieu Bornsestraat 24 7597 NE Saasveld
Status: Versie: Datum versie: Projectnummer:
Definitief 2 7 februari 2023 2022-185
Auteur:
Joost Stevelink*
Paraaf:
Kwaliteitscontrole:
Niek Hesselink*
Paraaf:
Veldwerkers:
Joost Stevelink, Mark Morsink, Jacco de Graaf (in opleiding)*
*De vermelde personen zijn akkoord met de openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.
2022-185
7-2-2023
Pagina 2 van 29
Verkennend- en Nader bodemonderzoek Roepenbeltweg 16-18 te Rossum
Inhoudsopgave Pagina 1
Inleiding
4
2
Vooronderzoek
5
3
4
5
6
2.1 Locatie gegevens
5
2.2 Algemene informatie locatie
5
2.3 Directe omgeving locatie
6
2.4 Eerder uitgevoerd (bodem)onderzoek
6
2.5 Regionale bodemopbouw en geohydrologie
6
2.6 Vooronderzoek PFAS
7
2.7 Vooronderzoek 5707 Asbest
7
2.8 Visuele inspectie bodemoppervlak op asbest
7
Onderzoeksprogramma verkennend bodemonderzoek
8
3.1 Hypothesestelling
8
3.2 Onderzoeksopzet
9
3.3 Analysestrategie
10
Onderzoeksresultaten verkennend bodemonderzoek 4.1 Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen
12
4.2 Analyseresultaten
13
4.3 Toetsing van de hypothese
15
4.4 Toetsing aan de noodzaak tot vervolgonderzoek
15
Nader bodemonderzoek
16
5.1 Conceptueel model NTA 5755
16
5.2 Onderzoeksopzet
17
5.3 Analysestrategie
18
5.4 Zintuiglijke waarnemingen en analyseresultaten
19
5.5 Toetsing conceptueel model
20
Samenvatting en conclusie
BIJLAGE I: BIJLAGE II: BIJLAGE III: BIJLAGE IV: BIJLAGE V: BIJLAGE VI:
2022-185
12
22
Situering van de locatie Situering van de locatie (schaal 1: 2800) Overzichtstekening boorpunten Boorstaten Analysecertificaten en Overschrijdingstabellen Foto's
7-2-2023
Pagina 3 van 29
Verkennend- en Nader bodemonderzoek Roepenbeltweg 16-18 te Rossum
1 Inleiding In opdracht van N+L Landschapsontwerpers heeft Dumea Milieu een verkennend- en nader bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Roepenbeltweg 16-18 te Rossum. De regionale ligging van de locatie is weergegeven in bijlage I. In onderhavig onderzoek is het verkennend bodemonderzoek uitgebreid met een asbest in grondonderzoek. Aanleiding van het onderzoek is in het kader van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen. Doel van het onderzoek is het door middel van een steekproef conform het soort bodemonderzoek, nagaan van de huidige kwaliteit van de grond op de locatie. Het doel van het nader onderzoek is om een zo goed mogelijk beeld te verkrijgen van de aangetroffen verontreinigingen uit het verkennend onderzoek. Het verkennend onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen: - NEN 5725 Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek (NEN5725:2017); - NEN 5740 Bodem - Landbodem - strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond (NEN5740:2009+A1:2016); - NTA 5755:2010 Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek – Onderzoek naar de aard en omvang van de bodemverontreiniging - NEN 5707 Bodem – Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem.
(NEN 5707+C2:2017) - VKB Protocol 2001 “Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen” - VKB Protocol 2002 “Het nemen van grondwatermonsters” - VKB Protocol 2018 “Locatie inspectie en monsterneming van asbest in bodem"
Dumea Milieu is een handelsnaam van Terra Agribusiness. Het procescertificaat van Terra Agribusiness en het hierbij behorende keurmerk (BRL SIKB 2000) zijn van toepassing op de activiteiten inzake het milieukundig veldwerk, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, en de overdracht van de monsters aan een erkend laboratorium. Om de onafhankelijkheid van het onderzoek te waarborgen, verklaart Terra Agribusiness op geen enkele wijze gelieerd te zijn aan de te onderzoeken projectlocatie, zowel in juridische, financiële of personele sfeer. De opbouw van dit rapport wordt als volgt weergegeven: - vooronderzoek naar historie en bodemgesteldheid; - opstellen van een hypothese; - opstellen van een onderzoeksstrategie; - resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek; - conclusies, aanbevelingen en samenvatting. In geval van klachten kan de opdrachtgever zich wenden tot Dumea Milieu en zo nodig tot de certificerende-instelling (Normec).
2022-185
7-2-2023
Pagina 4 van 29
Verkennend- en Nader bodemonderzoek Roepenbeltweg 16-18 te Rossum
2 Vooronderzoek Conform het onderzoeksprotocol NEN 5725 is ten behoeve van de onderzoeksstrategie op de locatie een vooronderzoek uitgevoerd. De onderstaande informatie is afkomstig uit:
Tabel 1 Bronnen vooronderzoek Bron
Omschrijving
www.ahn.nl
AHN (Algemeen Hoogtebestand Nederland)
www.bodemloket.nl
Bodemloket van Nederland
www.topotijdreis.nl
Historische kaarten
www.dinoloket.nl
Ondergrond gegevens van Nederland
BAG viewer
Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG)
Gemeente Dinkelland
Historische informatie van de locatie
Bodematlas Provincie Overijssel
Bodem gerelateerde informatie van de Provincie Overijssel
Informatie Opdrachtgever
N+L Landschapsontwerpers
Inspectie onderzoekslocatie
Visueel inspectie van de locatie
2.1 Locatie gegevens Gegevens over de locatie zijn weergegeven in onderstaande tabel
Tabel 2 Locatiegegevens Kadastrale gemeente
Roepenbeltweg 16-18 te Rossum Weerselo
Sectie
E
Percelen
996, 1184, 1202, 1203 (ged)
Oppervlakte van de onderzoekslocatie
<11000 m2
Eigenaar/ gebruiker
-
Korte beschrijving van de onderzoekslocatie
De onderzoekslocatie bestaat uit een erf met opstallen
Bebouwing
Op de onderzoekslocatie staan meerdere opstallen
Verharding
De onderzoekslocatie is grotendeels verhard met klinkers en asfalt
Adres onderzoekslocatie
2.2 Algemene informatie locatie De locatie aan Roepenbeltweg 16-18 te Rossum betreft een voormalig agrarisch bedrijf. Op de locatie zijn twee woningen met een drietal schuren aanwezig. Initiatiefnemer is voornemens om de bestemming te wijzigen, enkele schuren te slopen en een compensatiewoning te realiseren. Op historische kaarten is vanaf 1906 bebouwing op de locatie te zien. Volgens het BAG-register zijn de woningen gebouwd in 1978 en 2001. Een overkapping nabij de woning is eveneens gebouwd in 2001. De schuren zijn gebouwd in 1961, 1965 en 1975. Op historische kaarten is op te maken dat vanaf de jaren ’50 tot heden wisselende bebouwing op de onderzoekslocatie heeft gestaan. Op luchtfoto’s is te zien dat tussen 2015 en 2016 drie schuren aan de westzijde van de locatie zijn gesloopt. Onderhavige onderzoekslocatie bestaat uit het huidige erf en de locatie van de voormalige bebouwing (zie bijlage III). Uit historische informatie is gebleken dat er een bovengrondse dieseltank met een inhoud van 1200 liter op de locatie aanwezig is geweest. Deze heeft op twee plaatsen gestaan op de onderzoekslocatie (zie bijlage III). Op 14 november 1995 is een vergunning aangevraagd voor het oprichten en in werking hebben van een rundvee, varkens en pluimveebedrijf.
De inrichting bestaat uit maximaal 35 kraamzeugen, 70 guste zeugen, 231 biggen, 2 beren, 25 opfokzeugen, 100 vleesvarkens, 2000 ouderdieren, 40 melkkoeien en 32 stuks jongvee. 2022-185
7-2-2023
Pagina 5 van 29
Verkennend- en Nader bodemonderzoek Roepenbeltweg 16-18 te Rossum
In 1997 en 2000 is een melding verandering inrichting gedaan voor het houden van minder vee. Er is verder geen bodemrelevante informatie van de onderzoekslocatie bekend bij de geraadpleegde bronnen. 2.3 Directe omgeving locatie De onderzoekslocatie is gelegen in het buitengebied van Rossum. De omgeving bestaat voornamelijk uit agrarische bedrijven, landbouwpercelen en woonhuizen. De directe omgeving wordt op historische kaarten aangeduid als "Mariahoeve" en “Roepenbult”. Er is geen bodemrelevante informatie van de directe omgeving van de onderzoekslocatie bekend welke mogelijk invloed heeft gehad op de bodemkwaliteit ter plaatse van onderzoekslocatie. 2.4 Eerder uitgevoerd (bodem)onderzoek Voor zover bekend zijn er in het verleden op de locatie geen bodemonderzoeken uitgevoerd. 2.5 Regionale bodemopbouw en geohydrologie De regionale geohydrologische bodemopbouw is weergegeven in onderstaande figuur.
Figuur 1 Geologisch opbouw landelijk model DGM v2.2
De boorlocatie bevindt zich circa 40 meter boven NAP. De regionale grondwaterstroming is noordwestelijk.
2022-185
7-2-2023
Pagina 6 van 29
Verkennend- en Nader bodemonderzoek Roepenbeltweg 16-18 te Rossum
2.6 Vooronderzoek PFAS PFAS komt op verschillende manieren in het grond- en grondwatersysteem in Nederland terecht. Bij lokaal gebruik en calamiteiten leidt dit tot het 'klassieke' bron-grondwaterpluim beeld. Het meest verdacht voor PFAS in het milieu zijn die locaties waar PFAS worden geproduceerd. Ook brandweer-oefen-plaatsen waar met grote regelmaat brandblusschuim is toegepast, zijn verdacht. Er zijn echter ook vele andere toepassingen van PFAS die kunnen leiden tot een grondof grondwaterverontreiniging. In het handelingskader van het Expertisecentrum PFAS zijn alle bedrijfsactiviteiten en toepassingen beschreven waar PFAS wordt gebruikt en de kans dat daarbij PFAS in het milieu vrijkomt. Uit historisch onderzoek van onderhavig onderzoekslocatie blijkt dat geen van de beschreven toepassingen uit het handelingskader plaats heeft gevonden op of nabij de onderzoekslocatie. Op basis van de verkregen informatie kan gesteld worden dat de onderzoekslocatie als onverdacht gedefinieerd kan worden met betrekking tot PFAS in de bodem. 2.7 Vooronderzoek 5707 Asbest Uit de verkregen historische informatie blijkt dat vanaf circa 1906 bebouwing op de locatie aanwezig is. Het is mogelijk dat tijdens (ver)bouwwerkzaamheden asbest in de gebouwen verwerkt is. De daken van de schuren bevatten (in het verleden) asbesthoudende dakbedekking.
Er is één druppelzone waar het lekwater van de asbesthoudende dakbedekking rechtstreeks in de onbeschermde bodem terechtkomt. Door het (jarenlange) gebruik als agrarisch erf wordt de locatie als verdacht beschouwd met betrekking tot de aanwezigheid van asbest in de bodem. 2.8 Visuele inspectie bodemoppervlak op asbest Op 5-10-2022 is de locatie visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest. De maaiveldinspectie is uitgevoerd conform de NEN 5707. Het maaiveld van de onderzoekslocatie is verdeeld in stroken van ongeveer 1m breed en is strook voor strook in 2 richtingen haaks op elkaar geïnspecteerd. In onderstaande tabel zijn de resultaten van de maaiveldinspectie beknopt weergegeven.
Tabel 3 Maaiveldinspectie NEN 5707 Aandachtsgebied
Opmerking
Oppervlakte geïnspecteerde locatie
<11000
Conditie toplaag
Droog
Beperkingen van de inspectie
Neerslag: geen, >25% vegetatie, >25% verharding
Weersomstandigheden
Zicht: > 50m
Asbestverdacht materiaal op maaiveld aangetroffen?
Nee
Opmerking
De maaiveldinspectie werd beperkt door de vegetatie en de verharding.
Resultaat maaiveld inspectie Ter plaatse van de onderzoekslocatie is geen asbestverdacht materiaal op het maaiveld aangetroffen.
2022-185
7-2-2023
Pagina 7 van 29
Verkennend- en Nader bodemonderzoek Roepenbeltweg 16-18 te Rossum
3
Onderzoeksprogramma verkennend bodemonderzoek
3.1
Hypothesestelling
Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn voor de locatie één of meer hypotheses geformuleerd ten aanzien van grond en grondwaterverontreiniging. Op basis van het historisch vooronderzoek blijkt dat de locatie een (voormalige) agrarische bedrijfslocatie betreft. Naar aanleiding van de bevindingen van het historisch vooronderzoek wordt de locatie als verdacht beschouwd en wordt als best passende strategie VED-HE gehanteerd. De bovengrond van de onderzoekslocatie kan als verdacht worden beschouwd met betrekking tot de chemische parameters alsmede asbest. In het kader van de NEN5740 en NEN5707 dient de bovengrond onderzocht te worden conform onderzoeksstrategie VED-HE. De ondergrond kan als onverdacht beschouwd worden. De voormalige dieseltank op beide plaatsen worden onderzocht conform de strategie VEP. Het inrit van het erf bestaat uit duurzame asfaltverharding en blijft, voor zover bekend, behouden. Dit gedeelte valt buiten het scope van het onderzoek. Centraal op het erf zullen enkele boringen schuin geplaatst worden naast de asfaltverharding om te beoordelen of er een fundatie en/of een eventuele verontreiniging zich onder de duurzame asfaltverharding bevindt. De volgende deellocaties en hypotheses worden aangehouden:
Tabel 4 Deellocaties en hypothese NEN5740 Locatie Gehele locatie Vml. dieseltank 1 Vml. dieseltank 2
Hypothese
Verdachte stoffen
Opmerking
Verdacht (VED-HE) Verdacht (VEP) Verdacht (VEP)
Zware metalen, PAK Minerale olie + BTEXN Minerale olie + BTEXN
-
Verkennend bodemonderzoek NEN 5707 Het asbest in grondonderzoek heeft tot doel het globaal vaststellen van het gemiddelde asbestgehalte van de deellocatie (ruimtelijke eenheid) en het vaststellen van de globale omvang van een eventueel aanwezige asbestverontreiniging.
Tabel 5 Deellocaties en hypothese NEN5707 Locatie Gehele locatie Druppelzone
Hypothese
Verdachte stoffen
Opmerking
Verdacht (VED-HE) Verdacht (VED-HE)
Asbest in grond Asbest in grond
-
De druppelzone wordt onderzocht conform de strategie VED-HE.
2022-185
7-2-2023
Pagina 8 van 29
Verkennend- en Nader bodemonderzoek Roepenbeltweg 16-18 te Rossum
3.2 Onderzoeksopzet De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 5 oktober 2022 (plaatsing peilbuizen en monstername grond), 14 oktober 2022 (monstername grondwater). De positie van de boorlocaties zijn weergegeven in bijlage III.
Tabel 6 Onderzoeksopzet NEN 5740
1 2
Locatie
Ondiepe boringen1
Gehele locatie Vml. dieseltank 1 Vml. dieseltank 2
19 2 2
Diepe boringen2
Peilbuizen
4 -
2 1 1
Analyses grond
Analyses water
4x st. grond AS3000 1x Minerale olie 1x Minerale olie
2x st. grondwater AS3000 1x Min. Olie + BTEXN 1x Min. Olie + BTEXN
Ondiepe boringen standaard tot 0,5 m-mv. Diepe boringen tot de grondwaterstand met een minimum van1,0 m-mv en een maximum van 2,0 m-mv.
Tabel 7 Onderzoeksopzet NEN 5707 Locatie Gehele locatie Druppelzone
Proefgaten ondiep1
Proefgaten met diepe boring2
Analyses asbest in grond3
4 -
4 1
19 2*
1
Ondiep proefgat standaard 0,3m x 0,3m x 0,5m (lxbxh). Standaard proefgat van 0,3m x 0,3m x 0,5m (lxbxh) diep doorgeboord met edelmanboor Ø 12cm. 3 Analyse conform NEN5898; aantal analyses asbest in materiaal op basis van zintuiglijke waarnemingen in het veld. * Druppelzones standaard 2,0m x 0,30m x 0,10 (lxbxh). 2
2022-185
7-2-2023
Pagina 9 van 29
Verkennend- en Nader bodemonderzoek Roepenbeltweg 16-18 te Rossum
3.3 Analysestrategie Ten behoeve van het analytisch onderzoek zijn op het laboratorium mengmonsters samengesteld. In de onderstaande tabel is de samenstelling van de monsters verwerkt. De aangetroffen situatie ten tijde van de uitvoering van de veldwerkzaamheden gaf geen aanleiding tot het aanpassen van de onderzoeksstrategie.
Tabel 8 Analyse onderzochte monsters NEN 5740 BM1
Traject (m-mv) 0,00 - 0,50
BM2
0,00 - 0,50
BM-3
0,00 - 0,50
19-1 20-1 28-1 29-1 BM4
0,00 - 0,50 0,08 - 0,50 0,05 - 0,50 0,05 - 0,50 0,00 - 0,50
BM5
0,05 - 0,50
BM6
0,00 - 0,50
4-1 5-1 6-1 OM1
0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,50 - 2,00
OM2
0,50 - 2,00
Analyse monster
Deelmonsters
Analyse
10 (0,00 - 0,50) 11 (0,00 - 0,50) 12 (0,00 - 0,50) 9 (0,00 - 0,50) 13 (0,08 - 0,50) 14 (0,08 - 0,50) 15 (0,08 - 0,50) 16 (0,00 - 0,50) 19 (0,00 - 0,50) 20 (0,08 - 0,50) 28 (0,05 - 0,50) 29 (0,05 - 0,50) 19 (0,00 - 0,50) 20 (0,08 - 0,50) 28 (0,05 - 0,50) 29 (0,05 - 0,50) 22 (0,00 - 0,50) 23 (0,00 - 0,50) 24 (0,00 - 0,50) 26 (0,00 - 0,50) 1 (0,05 - 0,50) 2 (0,05 - 0,50) 3 (0,05 - 0,50) 4 (0,00 - 0,50) 5 (0,00 - 0,50) 6 (0,00 - 0,50) 4 (0,00 - 0,50) 5 (0,00 - 0,50) 6 (0,00 - 0,50) 15 (0,50 - 1,00) 15 (1,00 - 1,50) 15 (1,50 - 2,00) 8 (0,50 - 1,00) 8 (1,00 - 1,50) 8 (1,50 - 2,00) 9 (0,50 - 1,00) 9 (1,00 - 1,50) 9 (1,50 - 2,00) 30 (0,50 - 1,00) 30 (1,00 - 1,50) 30 (1,50 - 2,00) 32 (0,50 - 1,00) 32 (1,00 - 1,50) 32 (1,50 - 2,00) 7 (0,50 - 1,00) 7 (1,00 - 1,50) 7 (1,50 - 2,00)
AS3000 NEN 5740 Standaard incl struct excl voorb
AS3000 NEN 5740 Standaard incl struct excl voorb
AS3000 NEN 5740 Standaard incl struct excl voorb
PAK 10 VROM (AS3000) PAK 10 VROM (AS3000) PAK 10 VROM (AS3000) PAK 10 VROM (AS3000) AS3000 NEN 5740 Standaard incl struct excl voorb
Minerale Olie GC (AS3000) Minerale Olie GC (AS3000) Minerale Olie GC (AS3000) Minerale Olie GC (AS3000) Minerale Olie GC (AS3000) AS3000 NEN 5740 Standaard incl struct excl voorb
AS3000 NEN 5740 Standaard incl struct excl voorb
Analyse monster
Traject (m-mv)
Analyse
Pb1wm1 Pb4wm1 Pb7wm1 Pb8wm1
2,90 - 3,90 2,50 - 3,50 2,50 - 3,50 2,50 - 3,50
Tankstation-pakket (BTEXN + Olie) (AS3000) Tankstation-pakket (BTEXN + Olie) (AS3000) NEN 5740gw standaardpakket (AS3000) NEN 5740gw standaardpakket (AS3000)
Alle monsters ten behoeve van de NEN 5740 zijn geanalyseerd door AL-West Agrolab BV. Alle analyses zijn AS3000 erkende verrichtingen.
2022-185
7-2-2023
Pagina 10 van 29
Verkennend- en Nader bodemonderzoek Roepenbeltweg 16-18 te Rossum
Motivatie analysestrategie Conform de NEN5740 strategie VED-HE-NL, dienen er 4 grondmonsters in de verdachte laag geanalyseerd te worden. Op basis van het historische gebruik van de locatie is de bovengrond de meest verdachte laag. Op basis van zintuiglijke waarnemingen en het beoogde gebruik van de onderzoekslocatie is besloten om 4 mengmonsters van de bovengrond (BM1, BM2, BM3 en BM4) en tevens 2 mengmonsters van de ondergrond (OM1 en OM2) te analyseren.
Tabel 9 Analyse onderzochte monsters NEN 5707 Analyse monster MM1
Traject (m-mv) 0,00 - 0,50
MM2
0,00 - 0,50
MM3
0,00 - 0,50
MM4
0,00 - 0,50
DZ1
0,00 - 0,10
Deelmonster
Analyse
10 (0,00 - 0,50) 11 (0,00 - 0,50) 12 (0,00 - 0,50) 9 (0,00 - 0,50) 13 (0,08 - 0,50) 14 (0,08 - 0,50) 15 (0,08 - 0,50) 16 (0,00 - 0,50) 19 (0,00 - 0,50) 20 (0,08 - 0,50) 28 (0,05 - 0,50) 29 (0,05 - 0,50) 22 (0,00 - 0,50) 23 (0,00 - 0,50) 24 (0,00 - 0,50) 26 (0,00 - 0,50) 35 (0,00 - 0,10) 36 (0,00 - 0,10)
Asbest NEN5898 (10 kg)
Asbest NEN5898 (10 kg)
Asbest NEN5898 (10 kg)
Asbest NEN5898 (10 kg)
Asbest NEN5898 (10 kg)
Alle monsters ten behoeve van de NEN 5707 zijn geanalyseerd door ACMAA Laboratorium te Deurningen.
Gezien de zintuiglijke waarnemingen kan gesteld worden dat de homogeniteit van de verschillende inspectiegaten voldoende aanwezig is.
2022-185
7-2-2023
Pagina 11 van 29
Verkennend- en Nader bodemonderzoek Roepenbeltweg 16-18 te Rossum
4
Onderzoeksresultaten verkennend bodemonderzoek
4.1 Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen In bijlage V zijn de visuele waarnemingen in de vorm van boorprofielen weergegeven. Veldwaarnemingen De bovengrond bestaat uit matig fijn zand, plaatselijk zwak humeus. De ondergrond bestaat plaatselijk uit matig fijn zand en plaatselijk uit matig zandig leem. De diepere ondergrond bestaat uit matig tot sterk zandig leem. In de onderstaande tabel zijn de zintuiglijk waargenomen bijzonderheden weergegeven:
Tabel 10 Zintuiglijk waargenomen bijzonderheden Boring/Gat 1
2 3 4
5 6 22 23 24 25 26 27 35 36
Diepte boring (m -mv) 3,90
0,50 0,50 3,50
0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 0,10 0,10
Traject (m -mv) 0,05 - 0,50 0,50 - 1,00
Grondsoort
Waargenomen bijzonderheden
Zand Zand
geen olie-water reactie geen olie-water reactie
1,00 - 1,50
Zand
geen olie-water reactie
1,50 - 2,00
Zand
geen olie-water reactie
0,05 - 0,50 0,05 - 0,50 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00
Zand Zand Zand Zand
geen olie-water reactie geen olie-water reactie geen olie-water reactie geen olie-water reactie
1,00 - 1,50
Zand
geen olie-water reactie
1,50 - 2,00
Zand
geen olie-water reactie
0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,10 0,00 - 0,10
Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand
geen olie-water reactie geen olie-water reactie zwak puinhoudend zwak puinhoudend zwak puinhoudend zwak puinhoudend zwak puinhoudend zwak puinhoudend matig wortelhoudend matig wortelhoudend
Er is geen asbestverdacht materiaal aan het oppervlak of in de boringen aangetroffen. Plaatselijk zijn in enkele inspectiegaten laagjes straatzand aangetroffen. Deze laagjes zijn dusdanig gering van omvang en in zwakke mate aanwezig dat hier geen separate laag van onderscheiden kan worden. In de schuin geplaatste boringen naast de duurzame asfaltverharding zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. De woningen zijn nog bewoond waardoor inpandig onderzoek hier niet wenselijk is. De twee noordelijke veeschuren zijn voorzien van een mestkelder. De kwaliteit van de bodem onder de woning wordt niet slechter verwacht dan de bodemkwaliteit naast de woning. De mengmonsters BM1 en MM1 zijn samengesteld uit de individuele grondmonsters van de bovengrond, ter plaatse van de oostelijk gelegen woning en tuin. De mengmonsters BM2 en MM2 zijn samengesteld uit de individuele grondmonsters van de bovengrond, centraal gelegen van de onderzoekslocatie. De mengmonsters BM3 en MM3 zijn samengesteld uit de individuele grondmonsters van de bovengrond, inpandig en centraal gelegen van de onderzoekslocatie. De mengmonsters BM4 en MM4 zijn samengesteld uit de individuele licht puinhoudende grondmonsters van de bovengrond, ter plaatse van de voormalige bebouwing. Het mengmonster BM5 is samengesteld uit de individuele grondmonsters van de bovengrond ter plaatste van de voormalige dieseltank (1).
Het mengmonster BM6 is samengesteld uit de individuele grondmonsters van de bovengrond ter plaatste van de voormalige dieseltank (2).
2022-185
7-2-2023
Pagina 12 van 29
Verkennend- en Nader bodemonderzoek Roepenbeltweg 16-18 te Rossum
De mengmonsters OM1 en OM2 zijn samengesteld uit de individuele grondmonsters van de ondergrond van de onderzoekslocatie. Het mengmonster DZ1 betreft de druppelzone aan de noordelijke schuur, noordzijde. Grondwater De filterbuis wordt minimaal een halve meter beneden de grondwaterspiegel geplaatst, waarna de dichte buis tot iets boven maaiveld wordt gemonteerd en afgedicht met bentoniet om instroom van oppervlaktewater te voorkomen. In onderstaande tabel zijn de gegevens betreffende de grondwaterbemonstering opgenomen:
Tabel 11 Metingen grondwater Peilbuis Pb1wm1 Pb4wm1 Pb7wm1 Pb8wm1
Filterdiepte (m -mv) 2,90 - 3,90 2,50 - 3,50 2,50 - 3,50 2,50 - 3,50
Grondwaterstand (m -mv) 2,35 1,98 1,97 2,00
pH (-) 6,4 6,9 6,5 6,3
EC (µS/cm) 611 803 775 632
Troebelheid (NTU) 12,4 9,6 33,2 66,7
Geen van de gemeten waarden wijkt duidelijk af van de waarde, welke gezien de natuurlijke omstandigheden verwacht kan worden.
4.2 Analyseresultaten De resultaten van de chemische analyses zijn weergegeven in bijlage V. Alle monsters ten behoeve van de NEN 5740 zijn geanalyseerd door AL-West Agrolab. Deze analyses zijn allen AS3000 erkende verrichtingen. Alle monsters ten behoeve van de NEN 5707 zijn geanalyseerd door ACMAA Laboratorium te Deurningen.