Bestemmingsplan buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10.pdf
Tekst van het document
in de gemeente Dinkelland of Tubbergen, in het buitengebied. Sloop van een deel van het erf is mogelijk. Schuren moeten in het geheel worden ingezet in de Schuur voor schuur-regeling. Enkel schuren waarvoor vergunning voor bouwen is verleend en welke daadwerkelijk aanwezig zijn, komen in aanmerking voor deelname aan de schuur voor schuur-regeling. In afwijking van het vorige komen ook schuren zonder bouwvergunning in aanmerking indien aangetoond is dat deze op 31 december 1997 reeds aanwezig waren. Schuren met een cultuurhistorische waarde komen niet in aanmerking voor deelname aan de schuur voor schuur-regeling. De planologische bouwmogelijkheden op alle betrokken locaties worden aangepast aan de nieuwe situatie. Gedeeltelijke/gefaseerde beëindiging van het (agrarisch) bedrijf is mogelijk. In afwijking van het VAB+-beleid geldt de voorwaarde dat bebouwing minimaal 5 jaar moet zijn opgericht en zoals vergund in gebruik zijn, niet voor schuren die middels de schuur voor schuur-regeling worden opgericht. In afwijking van het VAB+-beleid geldt het VAB+-beleid ook voor locaties (o.a. met een woonbestemming) die nooit agrarisch zijn geweest. Op deze locaties kan derhalve ook functieverandering plaatsvinden zoals beoogd met het VAB+-beleid, ook wanneer extra bebouwingsmogelijkheden zijn gecreëerd door middel van 32
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
het schuur voor schuur-beleid. Toets Onderhavig plan voldoet aan de uitgangspunten van het schuur voor schuur beleid. Het perceel Peddemorsweg 6 te Saasveld waar de extra bebouwing gewenst wordt, het perceel Frensdorferweg 41 te Lattrop-Breklenkamp (slooplocatie) en de Bellinckhofweg 10 te Weerselo (slooplocatie) liggen in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Frensdorferweg 41 te Lattrop-Breklenkamp
Figuur 3.12: bebouwing op het erf Frensdorferweg 41 Lattrop Breklenkamp (bron: Building Design Architectuur) De sloopopgave aan de Frensdorferweg betreft in totaal 1.664,21 m2, waarvan 1.149,90 m2 asbest is. In onderstaand schema is een overzicht van de te slopen bebouwing ten behoeve van de schuur voor schuur regeling weergegeven: Gebouwnummer
Sloopoppervlakte
Nr. 2
283,87 m2
Nr. 3
74,45 m2 (asbest)
Nr. 5
131,07 m2 (64,83 m2 asbest)
Nr. 6
331, 99 m2 (asbest)
Nr. 7
369,92 m2 (asbest)
Nr. 11
251,98 m2 (87,78 m2 asbest)
Nr. 12
156,02 m2 (asbest)
Nr. 13
64, 91 m2 (asbest)
In het onderhavige plan gaat het om twee erven waar één of meerdere schuren zullen worden gesloopt. Voor de eerste 100 m² van het te bouwen oppervlakte wordt de verhouding van de eerste trede toegepast: 1:1 (bij asbest). Voor de volgende 400 m2 wordt de tweede trede toegepast, met een verhouding van 1:2 (bij asbest). Voor de overige m2 asbest en geen asbest wordt de derde trede toegepast. Dan ontstaat het volgende beeld voor de Frensdorferweg.
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferwe g 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
33
De totale hoeveelheid terug te bouwen meters die voortkomen uit de slooplocatie aan de Frensdorferweg betreft 686.16 m². Er is sprake van gehele sloop (i.c.m. het Rood voor rood beleid zoals in het volgende lid wordt besproken) van de voormalige agrarische bebouwing op het erf aan de Frensdorferweg 41 te Lattrop-Breklenkamp. Daarnaast zorgt dit bestemmingsplan er tevens voor dat op het perceel Frensdorferweg 41 te Lattrop-Breklenkamp herbouw van de gesloopte bebouwing planologisch gezien niet meer mogelijk is. Het plangebied Frensdorferweg 37-41 zal landschappelijk ingepast worden conform het erfinrichtingsplan in Bijlage 8. Voor het overige wordt op voorhand voldaan aan de voorwaarden die binnen de schuur voor schuur regeling gesteld worden. De schuren hebben geen betekenisvolle cultuurhistorische waarde. Bellinckhofweg 10 te Weerselo Van het bedrijf aan de Bellinckhofweg 10 te Weerselo komt er 2199,31 m2 niet asbesthoudend beschikbaar voor sloop. Dat geeft 2199,31 m2 : 5 = 439.86 m2 aan te bouwen oppervlak. De sloopmeters zullen worden ingezet ten behoeve van extra bebouwing op het adres Peddemorsweg 6 te Saasveld. De agrarische bestemming aan de Bellinckhofweg 10 wordt behouden waarbij de toekomstige oppervlakte aan bijgebouwen wordt (1400 m²) vastgelegd als maximum.
Het plangebied Bellinckhofweg 10 zal landschappelijk ingepast worden conform het erfinrichtingsplan in Bijlage 9. Voor het overige wordt op voorhand voldaan aan de voorwaarden die binnen de schuur voor schuur regeling gesteld worden. De schuur heeft geen betekenisvolle cultuurhistorische waarde. Er is in dit geval sprake van een gedeeltelijke sloop van de opstallen op het perceel Bellinckhof 10 te Weerselo. Peddemorsweg 6 te Saasveld Op basis van de sloopverhoudingen mag aan de Peddemorsweg 6 in Saasveld in totaal 686.16 m² (slooplocatie Frensdorferweg) + 439.86 m2 (slooplocatie Bellinckhofweg) = 1.126,02 m2 aan schuren worden teruggebouwd. De beschikbare oppervlakte wordt gebruikt voor de bouw van 1.063 m2 aan bebouwing. Hiervan wordt 133 m² ingezet voor het legaliseren van reeds bestaande bebouwing. De overige m² wordt ingezet voor de bouw van 930 m2 extra bijgebouwen bij de woning. Het plangebied Peddemorweg 6-8 zal landschappelijk ingepast worden conform het erfinrichtingsplan in Bijlage 10. 3.3.4
"Rood voor rood beleid gemeente Dinkelland 2015"
Aanleiding voor het vaststellen van het beleid is dat steeds meer agrarische bedrijven veranderen in hobbymatige agrarische activiteiten of volledig stoppen met hun agrarische activiteiten. Het gevolg hiervan is een toename van leegstaande landschapsontsierende bedrijfsgebouwen, waardoor verval van het buitengebied op de loer ligt. Middels Rood voor Rood is het mogelijk om deze gebouwen te slopen en er een woning voor terug te bouwen. Centrale doelstelling is om een ruimtelijke kwaliteitsverbetering te realiseren. In het beleid is ook de mogelijkheid tot maatwerk opgenomen. Uitgangspunt van beleid is dat een oppervlakte van minimaal 850 m2 landschapsontsierende bebouwing of 4500 m2 aan kassen dient te worden gesloopt om een compensatiekavel (woning) te kunnen verkrijgen. In het beleid zijn verschillende uitgangspunten voor de sloop- en herbouwlocatie opgenomen, waaraan het plan in principe dient te voldoen. Voorwaarden ten aanzien van de slooplocatie welke van toepassing zijn op dit plan zijn dat de te slopen bebouwing van minimaal 850 m2 landschapsontsierend is. Hierbij is behalve de uiterlijke staat ook de locatie op het erf van belang. Gebouwen die niet als landschapsontsierend worden aangemerkt, kunnen als bijgebouw bij de bestemming 'Wonen' worden gebruikt.
De te slopen bebouwing is legaal gebouwd, dat betekent dat er een bouwvergunning aanwezig is of dat het gebouw valt onder het overgangsrecht. Voorwaarden ten aanzien van de herbouwlocatie zijn; binnen de gemeentelijke Woonvisie moet ruimte zijn om een compensatiekavel te kunnen realiseren. Wanneer hierbinnen geen ruimte is, dan wordt de aanvraag afgewezen. De compensatiewoning kan geen onevenredige aantasting van agrarische en/of andere belangen in de omgeving veroorzaken, zoals belemmering van de bedrijfsmatige activiteiten van een bedrijf in de omgeving. De compensatiewoning dient aan te sluiten op bestaande bebouwing waarbij de maximale omvang van één compensatiekavel voor een enkele woning 1200m² bedraagt. Het kan dan gaan om kernen, dorpsranden, buurtschappen, lintbebouwing en bestaande erfstructuren. Daarnaast dient een erfplan te worden ontwikkeld waaruit blijkt dat wordt geïnvesteerd in ruimtelijke kwaliteit. 34
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
De deelnemer aan Rood voor Rood zal uit de opbrengst van de bouwkavel het slopen van de bedrijfsgebouwen en de bijdrage voor de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit moeten bekostigen. Toets Voor de ontwikkeling van een compensatiewoning zal een oppervlakte van 850 m2 aan landschapsontsierende bedrijfsgebouwen worden gesloopt, waarmee aan de voorwaarde van minimaal 850 m2 wordt voldaan. Deze bebouwing bevindt zich in het geheel op het perceel Frensdorferweg 41 te Lattrop-Breklenkamp. In onderstaand figuur is een overzicht van de aanwezige bebouwing op het erf weergegeven. De gebouwen 4, 8, 14 en 15 zullen gesloopt worden in het kader van de Rood voor rood regeling.
Figuur 3.13: bebouwing op het erf Frensdorferweg 41 Lattrop Breklenkamp (bron: Building Design Architectuur) De sloopopgave betreft in totaal 850 m2. In onderstaand schema is een overzicht van de te slopen bebouwing weergegeven. De overige bebouwing welke niet vergund is, kan niet worden ingezet ten behoeve van de Rood voor rood regeling, maar zal in het kader van de regeling eveneens gesloopt worden. Samen met de andere landschappelijke inpassingsmaatregelen wordt een impuls gegeven in de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Gebouwnummer
Sloopoppervlakte
Nr. 4
194, 89 m2
Nr. 8
244, 25 m2
Nr. 14
156, 71 m2
Nr. 15
254, 16 m2
Uitgangspunt voor de compensatiewoning in het beleid is, dat deze teruggebouwd wordt op slooplocatie. De slooplocatie wordt daarbij gedefinieerd als: “het bestemmingsvlak van het (voormalige) agrarische bedrijf waarop landschapsontsierende gebouwen en/of kassen staan, die op basis van de Rood voor Rood regeling worden gesloopt.” De compensatiewoning zal conform het uitgangspunt teruggebouwd worden binnen de bestaande grenzen van het voormalige agrarische erf aan de Frensdorferweg 41. Er is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld dat als Bijlage 8 bij de toelichting van dit bestemmingsplan is gevoegd. In dit plan is de te slopen bebouwing opgenomen, de situering van de bouwkavel en woning en de maatregelen ten behoeve van de landschappelijke inpassing. Het erfplan is tot stand gekomen op basis van de beeldkwaliteitsprincipes Rood voor Rood, het Cascobeleid en Kwaliteitskader Gebiedskenmerken van de gemeente (een uitwerking van de gebiedskenmerken uit de Omgevingsvisie Overijssel). Op basis van het vorenstaande wordt voldaan aan de uitgangspunten binnen het rood voor rood beleid van de gemeente Dinkelland. bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferwe g 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
35
3.3.5
Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving gemeente Dinkelland
Zoals reeds aan bod is gekomen in paragraaf 3.2.1 zijn de Omgevingsvisie Overijssel en de Omgevingsverordening Overijssel op 3 juli 2013 vastgesteld. De Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving maakt hier onderdeel van uit. Op basis van het provinciaal beleid ten aanzien van dit instrument is het mogelijk om op gemeentelijk niveau beleidskaders vast te stellen. De gemeenten Dinkelland heeft op 8 oktober 2013 het beleidskader 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving' vastgesteld. Het beleidskader dient als toetsingskader voor de gemeente om aangevraagde ontwikkelingen in het landelijke gebied te kunnen beoordelen op basis van de kwaliteitsimpuls. Tegelijkertijd biedt het beleidskader aanvragers handvatten om hun aanvraag vorm te geven in combinatie met de kwaliteitsimpuls. Het kader streeft na om dit nieuwe instrument zoveel mogelijk te objectiveren en eenduidig toe te passen. Voor voorliggend plan is het KGO in onderstaande alinea uitgewerkt. Toets In het gemeentelijke beleid is vastgesteld dat afwijking van bestaande regels (bestemmingsplan) mogelijk is ten behoeve van economische ontwikkelingen die naar aard en omvang passend zijn op de locatie, mits passend binnen het provinciaal- en rijksbeleid (zoals zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), deze passen bij de gebiedskenmerken en bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Qua aard gaat het om de activiteit op zich.
Met “aard” wordt bedoeld de soort functie. Bij voorliggend plan is het KGO beleid van toepassing op de ontwikkeling ter plaatse van de paardenhouderij Frensdorferweg 37-39 waarbij de tweede bedrijfwoning wordt verplaatst naar het pand van bedrijfswoning behorende bij de Frensdorferweg 41. Qua omvang gaat het om de verhouding tussen de grootte van de ontwikkeling ten opzichte van de specifieke locatie, te weten de gebiedskenmerken van het type landschap. Uit het Ruimtelijk kwaliteitsplan blijkt dat voorliggend plan aansluit bij de ter plaatse geldende landschappelijke kenmerken en qua omvang aanvaardbaar wordt geacht binnen deze omgeving. Voor de basisinspanning wordt de paadenhouderij landschappelijk ingepast. Voor de aanvullende kwaliteitsprestatie (kwaliteitsimpuls groene omgeving) moet ten eerste de hoogte van de vereiste investering worden bepaald. Bij het bepalen van de hoogte van de kwaliteitsimpuls voor de groene omgeving wordt uitgegaan van de waardevermeerdering van de gronden die door de planologische verandering zal ontstaan. Het betreft een ontwikkeling waarbij 1284 m2 wordt omgezet van agrarisch bouwvlak van het voormalige agrarische erf aan de Frensdorferweg 41 naar de bestemming paardenhouderij. Hierbij blijft de waarde gelijk.
Voor de gronden ten zuiden van dat agrarisch bouwvlak van het voormalige agrarische erf aan de Frensdorferweg 41 tot aan de verkeersbestemming van de Frensdorferweg, wordt 216 m2 agrarische grond omgezet naar paardenhouderij. Dit brengt een waardevermeerdering van €16 met zich mee. Het gaat om een aan het buitengebied verbonden activiteit waardoor 25% van het berekende bedrag geïnvesteerd dient te worden. Daarnaast kunnen de kosten voor het KGO plan (met een maximum van 10%) worden afgetrokken, evenals de kosten voor het kwaliteitsteam. Omdat het 3 bezoekmomenten betreft is dat € 750,-. KGO Berekening Waardevermeerdering Omzetten agrarisch naar paardenhouderij
216 m2
x
€16
= €3.456,-
Aftrekposten Aan het buitengebied verbonden activiteit (-75%)
= €864,-
Kosten KGO landschapsplan (max 10% na afwaardering
= €86,40
Bezoek Qteam (3 keer x €250)
= €750
Totaal te investeren
= € 27,60
Uitgaande van de vereiste investering en het gemeentelijke Kwaliteitskader Gebiedskenmerken (KG) is het ruimtelijk kwaliteitsplan en bovenstaande berekening opgesteld. Uit deze berekening volgt dat de te plegen investeringen uitkomen op een bedrag van € 27,50 waardoor er een balans bestaat tussen de gewenste uitbreiding en de investering in ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsplan is ter beoordeling aan het Kwaliteitsteam landelijk gebied voorgelegd. Het Kwaliteitsteam heeft een positief advies gegeven. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan het beleid zoals dat is verwoord in het beleidskader 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving'. 36
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
3.3.6
Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'
De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart (figuur 3.4) kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.
Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). Toets Peddemorsweg 6-8 Voor de ontwikkeling van de bijbehorende bouwwerken bij het landhuis zullen geen bosschages verwijderd worden die als casco element zijn aangemerkt. De nieuwe gebouwen worden conform het ruimtelijk kwaliteitsplan Bijlage 10 landschappelijk ingepast door onder andere het toevoegen van een robuuste houtsingel naast het nieuwe bijgebouw.
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferwe g 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
37
Figuur 3.13: Fragment casco-kaart Peddemorsweg (bron: www.overijssel.nl/cascokaart) Frensdorferweg 37-39, 41 Na het verwijderen van de voormalige agrarische bebouwing zal het erf ruimte bieden aan twee woningen in een nieuwe opzet. In de toekomstige sitiatie zal de bebouwing verder van de beek af komen te liggen waarbij er een mogelijkheid wordt gecreëerd om in de toekomst meer ruimte te gaan bieden aan de beek. Om de openheid rondom de beek te vormen zal het groene casco element langs de beek verwijderd worden. Rondom de nieuwe woningen zal niewe beplanting de ontwikkeling landschappelijk inpassen. Het plan doet geen afbreuk aan de casco-gedachte. Het ruimtelijk kwaliteitsplan is opgenomen in Bijlage 8 van de toelichting.
Figuur 3.14: Fragment casco-kaart Frensdorferweg (bron: www.overijssel.nl/cascokaart) Bellinckhofweg 10 Op het erf zal het verwijderen van de schuur geen gevolgen hebben voor de aanwezige casco elementen. Rondom het erf zal een houtsingel aangepant worden om het erf landschappelijk in te passen. Het ruimtelijk kwaliteitsplan is opgenomen in Bijlage 9 van de toelichting.
38
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
Figuur 3.15: Fragment casco-kaart Bellinckhofweg (bron: www.overijssel.nl/cascokaart)
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferwe g 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
39
40
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.
4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Er wordt middels dit bestemmingsplan vastgelegd dat er aan de Frensdorferweg 41 een voormalige bedrijfswoning in gebruik wordt genomen als tweede bedrijfswoning van de naastgelegen paardenhouderij, waarbij het vrijgekomen woonrecht samen met de compensatiewoning een nieuw erf vormt.
Daarnaast zal de voormalige agrarische bebouwing worden gesloopt. Aan de Peddemorsweg zal de toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bij het landhuis vergroot worden en aan de Bellinckhofweg zal de toegestane oppervlakte aan agrarische bedrijfsgebouwen vastgelegd worden. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2. Woningbouw wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. De m.e.r.- plicht geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden. Het ruimtebeslag van het onderhavige project ligt ruimschoots beneden de drempelwaarde. Conclusie die op grond hiervan getrokken kan worden is dat het onderhavige project niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. In de nota van toelichting op het Besluit mer wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook «dorpen» hieronder vallen.
Wat «stedelijke ontwikkeling» inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.” Uit voorgaande volgt dat de bouw van één compensatiewoning in het buitengebied en het toevoegen van bijbehorende bouwwerken op een bestaand erf in het buitengebied in algemene zin niet te kwalificeren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. De kwalificatie is wel afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld. De ontwikkeling wordt op passende wijze in het landschap opgenomen. De ruimtelijke uitstraling/de verandering die de ontwikkeling per saldo op de omgeving heeft is daardoor beperkt. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als in de zin van het Besluit m.e.r. bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferwe g 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
41
4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Lattrop-Breklenkamp, Weerselo en Saasveld. Het plangebied wordt overwegend omgeven door burgerwoningen, bedrijven en agrarische- en natuurgronden. Op grond hiervan geldt het omgevingstype 'rustig buitengebied' voor het plangebied. Bij de realisatie van een nieuwe functie/bestemming dient te worden gekeken naar de omgeving waarin de voorgenomen ontwikkeling gerealiseerd wordt. Daarbij gaat het om de externe werking en de interne werking: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Peddemorsweg Aan de Peddemorsweg 6 is sprake van een bestaand woonerf waar bijbehorende bouwwerken aan toegevoegd zullen zorden. De woonbestemming zal daarbij worden uitgebreid. De afstand van de woonbestemming tot aan het dichtsbijzijnde agrarische bedrijf wordt verkleind tot ruim 100 meter afstand. Het houden van rundvee betreft een categorie 3.2 bedrijf met een grootste richtafstand van 100 meter voor het asect geur. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Hiermee is geen sprake van extra hinder voor omliggende bedrijvigheid. Het vorenstaande heeft geen aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende milieugevoelige objecten tot gevolg. Frensdorferweg 42
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
De Frensdorferweg 37-39 betreft een paardenhouderij, categorie 3.1 bedrijf welke een grootste richtafstand kent van 50 meter voor het aspect geur. De eigenaar is voornemens de tweede bedrijfswoning te verplaatsen naar de bestaande voormalige bedrijfswoning van het naastgelegen voormalige agrarische bedrijf aan de Frensdorferweg 41. Het woonrecht van de voormalige bedrijfswoning zal omgezet worden naar een burgerwoning en verplaatst worden. Met het verplaatsen en het toevoegen van de compensatiewoning is er sprake van het toevoegen van een extra milieugevoelige functie binnen het gebied. Het bestemmingsvlak van de paardenhouderij wordt ter plaatse van de voormalige bedrijfswoning van het naastgelegen voormalige agrarische bedrijf uitgebreid. De nieuwe woningen liggen binnen de straal van 50 meter gemeten vanaf de grens van het bestemmingsvlak. Op de verbeelding behorende bij onderhavig bestemmingsplan is de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf uitgesloten - dierverblijven' opgenomen, welke borgt dat binnen een straal van 50 meter van de woningen geen dierverblijven, kuilvoerplaten, sleufsilo's en mestvoorzieningen aanwezig mogen zijn op het terrein behorende bij de paardenhouderij van de Frensdorferweg 37-39. Partijen zijn dit overeengekomen. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand.
Ten oosten van de Frensdorferweg 41 is een camping gelegen, een categorie 3.1 bedrijf met een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid. De afstand van het campingterrein tot aan het bouwvlak van de burgerwoningen betreft 50 meter, waarmee voldaan wordt aan de richtafstand. Bellinckhofweg Aan de Bellinckhofweg is en blijft sprake van een agrarisch bedrijf. Er worden geen gevoelige objecten toegevoegd en het bouwvlak en het bouwperceel worden niet gewijzigd.
4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets De geurgevoelige objecten zijn gelegen buiten de bebouwde kom, in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. Voor beide locaties geldt dat het dichtsbijzijnde agrarisch bedrijf grondgebonden is. Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij geldt voor een grondgebonden agrarisch bedrijf een afstand van ten minste 50 m ten opzichte van een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. De woonbestemming aan de Peddemorsweg 6 wordt vergroot waardoor de afstand tot het dichtbijzijnde agrarische bedrijf aan de Peddemorsweg 1 verkleind wordt tot ruim 100 meter. De afstand voldoet aan de 50 meter norm waarmee er wordt voldaan aan de Wet geurhinder en veehouderij. Het dichtsbijzijnde agrarische bedrijf voor de burgerwoningen op de locatie Frensdorferweg 41 betreft het agrarische bedrijf aan de Frensdorferweg 36, op een afstand van circa 130 meter. Er wordt voldaan de norm van 50 meter. De paardenhouderij aan de Frensdorferweg 37-39 ligt aangrenzend aan het bestemmingsvlak 'wonen'. De bedrijfswoning behorende bij de paardenhouderij zal blijven bestaan en de voormalige bedrijfswoning behorende bij de Frensdorferweg 41 zal in gebruik worden genomen als tweede bedrijfswoning van de paardenhouderij. De bouwvlakken van de burgerwoningen liggen binnen de straal van 50 meter gemeten vanaf de grens van het bestemmingsvlak van de naastgelegen paardenhouderij.
Op de verbeelding behorende bij onderhavig bestemmingsplan is de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf uitgesloten - dierverblijven' opgenomen, welke borgt dat binnen een straal van 50 meter van de woningen geen dierverblijven, kuilvoerplaten, sleufsilo's en mestvoorzieningen aanwezig mogen zijn op het terrein behorende bij de bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferwe g 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
43
paardenhouderij van de Frensdorferweg 37-39. Op basis van bovenstaande wordt geacht dat geur geen belemmering vormt voor het plan. Er blijft sprake van een goed woon- en leefklimaat.
4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Frensdorferweg In opdracht van initiatiefnemer heeft Kruse Milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek verricht aan de Frensdorferweg 41 te Lattrop-Breklenkamp. De rapportage is bijgevoegd in Bijlage 2. Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van de bouw van twee woningen en de daarvoor benodigde bestemmingsplanwijziging.
Resultaten veldwerk In totaal zijn er 26 inspectiegaten gegraven en 2 boringen verricht. Twee diepe boringen zijn afgewerkt met peilbuizen op respectievelijk 2.7 en 2.8 meter diepte. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit matig fijn zand met vanaf 0.7 - 1.2 meter diepte een zwak tot sterk zandige leemlaag. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn bodemvreemde materialen waargenomen (sporen baksteen). Ter plekke van de boringen 8 en 9 is van circa 0.25 - 2.0 m-mv een demping (met sporen baksteen) en een oude slootbodem aangetroffen. Door de veldwerkers is nabij gat 20 op het maaiveld (gras) een opslag van asbesthoudende vlakke platen (18 mm) aangetroffen. Op het zuidoostelijke deel is nabij gat 10 asbest (vlakke plaat 18 mm) aangetroffen. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater in de peilbuizen is gemiddeld aangetroffen op 1.33 meter min maaiveld. Conclusies en aanbevelingen In het grondwater (PB 1 en PB 2) zijn licht verhoogde gehalten aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het bodemonderzoek in Bijlage 2. In de bovengrond (BG I, BG II, BG III en BG IV) en in de ondergrond (OG I en OG II) zijn geen verhoogde gehalten gemeten.
Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 01 en MM FF - 04 is asbest aangetoond. De gewogen asbestgehalten zijn ruim lager dan de toetswaarde voor nader asbestonderzoek. In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 02 en MM FF -03 is geen asbest aangetoond. Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidig en toekomstige gebruik (wonen met tuin).
Peddemorsweg De woning op nummer 8 is gebouwd op een voorheen onbebouwd agrarisch perceel dat geen deel uit maakte van het voormalige erf. De gemeente heeft aangegeven dat er geen bijzonderheden waargenomen zijn in het uitgevoerde onderzoek van 2012 en de te verwachten kwaliteit Achtergrondwaarde is, waardoor de kwaliteit voldoet aan de functie. De geplande schuren aan de Peddemorsweg 6 worden eveneens gebouwd op een voorheen onbebouwd agrarisch perceel, dat geen deel uitmaakte van het voormalige erf, en de te verwachten kwaliteit volgens de BKK Achtergrondwaarde is, maakt dat bodemonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
44
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
Bellinckhofweg 10 Gezien het feit er geen sprake is van een gewijzigd gebruik en er geen nieuwe bodemgevoelige activiteiten worden gerealiseerd, blijft er voor wat betreft bodem sprake van een aanvaardbare situatie en een uitvoerbaar bestemmingsplan.
4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.
in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Het plangebied Frensdorferweg is gelegen aan de Frensdorferweg waar een maximaal toegestane snelheid van 60 km per uur geldt. Om te bepalen of akoestisch onderzoek noodzakelijk is, is de geluidskaart geraadpleegd (zie figuur 4.2).
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferwe g 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
45
Figuur 4.2: Lden geluidskaart (bron: gemeente Dinkelland) Op bovenstaande kaart is de geluidsbelasting op het plangebied, met de twee woningen in blauw weergegeven. Uit de gegevens van de VMK blijkt dat de geluidbelasting van het perceel Frensdorferweg 41 ruim lager is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop is sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting en kan wat betreft wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat worden gerealiseerd. Als gevolg van onderhavig plan wordt geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht ter plaatse van de Peddemorsweg 6 en de Bellinckhofweg 10. Voorliggend bestemmingsplan maakt de uitbreiding van de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken op het erf aan de Peddemorsweg 6 mogelijk. Akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geluid' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. 46
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
Toets Peddemorsweg Onderhavig plan heeft betrekking op de uitbreiding van de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken aan de Peddemorsweg 6. Het aantal verkeersbewegingen zal als gevolg van het plan niet toenemen. Bellinckhofweg Onderhavig plan heeft betrekking op het slopen van een schuur en het vastleggen van de hoeveelheid bebouiwing op het erf. Het aantal verkeersbewegingzal als gevolg van het plan niet toenemen. Frensdorferweg Als gevolg van onderhavig plan zal de agrarische bedrijfsbestemming ter plaatse van de Frensdorferweg 41 verwijderd worden en het erf wordt omgezet in een reguliere woonbestemming. Zodoende zullen ook de verkeersbewegingen die voort komen uit deze bedrijvigheid verdwijnen. In de toekomstige situatie is er sprake van één extra woning aan de Frensdorferweg 41 te Lattrop-Breklenkamp. Verkeersbewegingen bestaan enkel uit het af en aanrijden van de bewoners. Hierdoor zullen de verkeersbewegingen door het voornemen nauwelijks toenemen. Voor zover er sprake zal zijn van een toename aan verkeersbewegingen, zal deze zeer beperkt zijn. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 10 per dag gesteld worden. Er zal geen of nauwelijks sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0 gezet kan worden. In figuur 4.3 is de worst-case berekening weergegeven met 10 extra voertuigbewegingen.
Figuur 4.3: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferwe g 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
47
Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.
4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.
Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets
48
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
Figuur 4.4: uitsnede risicokaart met linksboven de Peddemorsweg, rechtsboven de Frensdorferweg en onder de Bellinckhofweg (bron: risicokaart.nl). Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van ruim 500 meter van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferwe g 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
49
4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.
De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit.
Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Watertoetsproces Op 3 maart 2021 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht voor de locaties aan de Peddemorsweg en de Frensdorferweg. De watertoetsen zijn toegevoegd in de bijlage Bijlage 3 voor de locatie Peddemorsweg en Bijlage 4 voor de locatie Frensdorferweg. Voor de locatie Peddemorsweg geldt de korte procedure.
Voor de locatie Frensdorferweg geldt de normale procedure waarbij contact is gelegd met het waterschap. Het waterschap heeft op 18 november 2021 per mail aangegeven dat men geen bezwaar heeft tegen de ontwikkeling waarbij verharding uit de beekzone wordt gehaald. Op 16 november is de digitale watertoets verricht voor de locatie Bellinckhofweg 10, zie Voor deze locatie geldt eveneens de korte procedure, zie Bijlage 5
50
bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Om mogelijke effecten in beeld te brengen is een Quickscan Natuurwaarden-onderzoek uitgevoerd (Natuurbank Overijssel, november 2021). De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 6 Quickscan natuurwaardenonderzoek. Het plangebied (lees: de drie deelgebieden) zijn in april en november 2021 onderzocht door de ecoloog op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Er vinden geen ontwikkelingen plaats binnen het Natuurnetwerk Nederland.
Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de regels t.b.v. de bescherming van het NNN, zoals opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Met uitzondering van het aspect stikstof, kan een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied met zekerheid uitgesloten worden. Om een mogelijk negatief effect op Natura 2000-vast te kunnen stellen, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Stikstof Voor onderhavige ontwikkeling in de gemeente Dinkelland is een stikstofberekening uitgevoerd. Deze is opgenomen in Bijlage 7. De conclusies zijn als volgt. Als gevolg van de beoogde ontwikkelingen komt er in de gebruiksfase NOx en NH3 vrij. Door uitvoering van de AERIUS berekening is aangetoond dat dit zowel in de referentie als beoogde situatie leidt tot een meetbare depositie van NOx en NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. Er zijn rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Omdat in beide situaties sprake is van een depositie, is er een vergelijking gemaakt om te kijken of de ontwikkeling leidt tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000- gebieden.
Uit bovenstaande tabel blijkt dat er in de beoogde situatie bij het Natuurgebied ‘Springendal & Dal van de Mosbeek’ sprake is van hoogste bijdrage van 2,41 mol/ha/j. In de referentiesituatie bedraagt de hoogste bijdrage 2,44 mol/ha/j. Er is een afname van 0,03 mol/ha/j. Dit betekent dat de beoogde situatie gunstiger is voor de milieukwaliteit van het Natura 2000-gebied ‘Springendal & Dal van de Mosbeek’. Geacht wordt hiermee dat de Wet natuurbescherming in het kader van het aspect stikstof en ammoniak geen belemmering vormt voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. De AERIUS Calculator 2021 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura 2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof en ammoniak geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling
Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: bestemmingsplan Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferwe g 37-39-41 en Bellinckhofweg 10
51
• Deelgebied Peddemorsweg & Bellinckhofweg De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde dieren benutten de deelgebieden uitsluitend als foerageergebied. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermd dier of rust- of voortplantingsplaats van een bescherm dier, negatief beïnvloed. Het aantasten van het foerageergebied van beschermde dieren, leidt niet tot wettelijke consequenties. • Deelgebied Frensdorferweg De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijknestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats, bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats en bezetten vleermuizen er een verblijfplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden.
Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een rust- en voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier en een winterrustplaats van een amfibie beschadigd en vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten en amfibieën, die een (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en `beschadigen/vernielen van (winter)rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren of amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren of amfibieën gedood worden, dienen ze verjaagd of weggevangen te worden. Vleermuizen mogen niet zonder ontheffing verstoord worden en verblijfplaatsen mogen niet zonder ontheffing verstoord, beschadigd of vernield worden. Om de functie van de te slopen bebouwing voor vleermuizen vast te kunnen stellen, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden.
Dergelijk onderzoek loopt van half mei tot eind september.
4.10
Archeologie en Cultuurhistorie
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.