CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsestraat 60.pdf

Gemeenteraad 28 maart 2023, gemeente DinkellandBij agendapunt: 13: Voorstel inzake gewijzigd vaststellen bestemmingsplan “Buitengebied, Ootmarsumsestraat 60”27.497 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Toets De bouwlocatie is gesitueerd buiten de bebouwde kom wat betekent dat op basis van artikel 14 lid 2 van de Wgv 26

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsestraat 60

de afstand van een veehouderij (zowel grondgebonden als voor intensieve veehouderijen) tot de compensatiewoning minimaal 50 meter moet bedragen. De toe te voegen woning die onderdeel uitmaakt van onderhavig plan en een woonbestemming krijgt ligt op ruim meer dan 50 meter van een veehouderij. Het aspect geur vormt derhalve geen belemmeringen voor de uitvoering van dit plan.

4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Kruse Milieu (projectcode 19077716, d.d. 21-01-2020) heeft in een verkennend bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terrein ter grootte van circa 450 m² aan de Ootmarsumsestraat in Denekamp. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 3. De onderzoekslocatie is onbebouwd en onverhard (weiland en tuin).

Aanleiding voor het bodemonderzoek is de geplande nieuwbouw van een woning met schuur. Resultaten veldwerk De onderzoekslocatie is beschouwd als niet verdacht voor chemische componenten en de bovengrond is verdacht voor asbest. In totaal zijn er 4 inspectiegaten gegraven. Gat 1 is doorgezet tot 2.90 meter diepte en afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit matig fijn zand met vanaf 1.0 meter diepte matig grof zand. In de boven- en ondergrond zijn oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater is in peilbuis 1 aangetroffen op 1.23 meter min maaiveld. Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond (BG) is niet verontreinigd; de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 1) is zeer licht verontreinigd met barium en zink. Resultaten asbestanalyses MM FF - A bevat geen asbest. Conclusies en aanbevelingen In het grondwater zijn lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van de rapportage. In de boven- en ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond.

Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. In het mengmonster van de fijne fractie MM FF - A is geen asbest aangetoond. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van het onderhavig plan. De gronden zijn geschikt geacht voor de beoogde ontwikkelingen.

4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsestraat 60

27

betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b. in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Door Buhijvoets bouw- en geluidsadvisering is akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (werknummer 18.234, d.d. 22-01-2020) uitgevoerd. Het rapport is opgenomen in Bijlage 4. De geluidbelasting is berekend conform het gestelde in het “Reken- en meetvoorschrift geluid 2012” ex art 110d van de wet geluidhinder.

De berekening van de geluidbelasting is gemaakt volgens de standaard rekenmethode II. In het rekenmodel (DGMR-Geomilieu V.4.50) zijn schematisch opgenomen: de weg met intensiteiten, de woning en de gebouwen, objecten, hoogtelijnen en verharde bodemgebieden, waarneempunten met een waarneemhoogte van 1.5 m boven de vloer op een hoogte van 1.5 en 4.5 m boven het maaiveld. Berekend is de invallende geluidbelasting LDEN op gevels van de geplande woning, dat is de gemiddelde geluidbelasting van de dag, avond en nachtperiode. De geluidbelasting wordt getoetst per weg in dit geval de Ootmarsumsestraat. Alvorens de geluidbelasting te toetsen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB mag de berekende waarde op grond van art. 110g van de Wet geluidhinder worden verminderd (i.v.m. het stiller worden van motorvoertuigen) met 2 dB voor wegen met een wettelijke van 70 km/uur of hoger. De geluidbelasting t.g.v. de Ootmarsumsestraat bedraagt maximaal 47 dB en is lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Daarmee is er voor de extra woning sprake van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft wegverkeerslawaai.

4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; 28

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsestraat 60

woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Het aantal verkeersbewegingen op de locatie waar de woningen gerealiseerd worden zal nauwelijks toenemen. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal extra verkeersbewegingen op 15 per dag per locatie gesteld worden. Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0% gezet kan worden.

In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven met 15 extra voertuigbewegingen.

Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het besluit gevoelige bestemmingen is in dit geval niet van toepassing omdat een woning geen gevoelige functie is.

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsestraat 60

29

het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd.

Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets

Figuur 4.3: uitsnede risicokaart omgeving plangebied (bron: risicokaart.nl). Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van circa 700 m van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met 30

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsestraat 60

betrekking tot externe veiligheid.

4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.

De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit.

Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Watertoetsproces Op 9 april 2020 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 5. Voor het plangebied is de standaard waterparagraaf van toepassing verklaard. Met inachtneming van de standaard voorschriften vanuit het waterschap wordt een ppsitief advies gegeven voor de ontwikkeling. Het aspect water vormt geen belemmering voor het voornemen.

4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsestraat 60

31

Toetsing Door Natuurbank Overijssel is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd (rapportage in Bijlage 6). Er zijn concrete plannen voor de bouw van een extra woning met twee bijgebouwen op een erf aan de Ootmarsumsestraat ongenummerd te Denekamp. Deze woning mag gebouwd worden in het kader van het Rood-voor-rood-beleid van de gemeente Dinkelland. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, op voorhand niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd de wettelijke consequenties van de wenselijke ontwikkeling, in het kader van soort- en gebiedsbescherming, in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 21 januari 2020 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied zoals het Natuurnetwerk Nederland en Natura2000. Wettelijke consequenties m.b.t.

gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura 2000-gebied en het plangebied, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied. Hiertoe zijn ook stikstofdepositieberekeningen verricht, deze zijn opgenomen in Bijlage 7 en Bijlage 8. In het kader van de Wet natuurbescherming is hiermee nagegaan of de realisatiefase en de gebruiksfase van het plangebied aan de Ootmarsumsestraat in Denekamp een stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden ten gevolge heeft en dientengevolge een mogelijk verslechterend of significant verstorend effect kan hebben op een Natura 2000-gebied. Uit de met AERIUS Calculator uitgevoerde berekeningen blijkt dat als gevolg van het plan de stikstofdepositie ter plaatse van relevante Natura 2000-gebieden niet toeneemt. Zodoende hebben de voorgenomen activiteiten geen verslechterend of significant verstorend effect op een Natura 2000-gebied.

Het aspect stikstofdepositie vormt dan ook geen belemmering in de ruimtelijke planprocedure. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels. Beschermde grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vleermuizen bezetten geen vaste rust-of voortplantingsplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor beschermde dieren niet af.

4.10

Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. 32

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsestraat 60

Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie In onderstaand figuur is de locatie zichtbaar in de archeologsiche verwachtingenkaart van de gemeente Dinkelland.

Figuur 4.4: uitsnede archeologische verwachtingenkaart locatie Ootmarsumsestraat Toets Voor de locatie waarop bodemingrepen plaats gaan vinden geldt het kenmerk 'dekzandwelvingen en -vlakten'. Voor dit kenmerk geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is in plangebieden groter dan 5000 m² en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5000m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. De nieuwe woonkavel is maximaal 1.200 m2 en blijft hiermee ruimschoots beneden de drempelwaarde van 5000 m2, waardoor archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van de deellocaties geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn.

Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'. bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsestraat 60

33

4.11

Verkeer / parkeren

Het voornemen bestaat om één extra woning te realiseren. Hierdoor zal het aantal verkeersbewegingen ter plaatse nauwelijks toenemen. Uitgegaan wordt van 8,6 verkeersbewegingen per woning (kencijfer CROW-publicatie 381). Deze toename van verkeersbewegingen kan eenvoudig via de huidige weg worden afgewikkeld. Conform CROW-publicatie 381 geldt voor een vrijstaande woning in het buitengebied een parkeernorm van gemiddeld 2,4 parkeerplaats. Op het nieuwe woonerf van 1.200 m2 zullen de initiatiefnemers door middel van een oprit/erfverharding ruimte creëren voor het parkeren van voertuigen. Het betreft een locatie in het buitengebied van de gemeente Dinkelland, waar voldoende ruimte is in om in de parkeermogelijkheden op eigen terrein te voorzien. Het aspect verkeer en problemen levert geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

34

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsestraat 60

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels 5.2.1

Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.

Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsestraat 60

35

om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.

De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Hier zijn ook bepalingen voor wat betreft parkeren en laden/lossen opgenomen. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2

Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: 'Bos - Natuur' De voor ‘Bos - Natuur’ aangewezen gronden zijn bestemd voor natuur, watergangen/partijen, bosbouw, houtproductie en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische, de natuurlijke en de landschappelijke waarden van de bos- en natuurgebieden. Ten westen van het bestaande erf zijn de gronden aangemerkt ten behoeve van natuurontwikkeling. 'Wonen' Verspreid in het buitengebied liggen bedrijfswoningen (meest agrarisch) en burgerwoningen. Woningen mogen een maximale inhoud hebben van 750 m3 ongeacht de vraag of sprake is van inwoning. Bij burgerwoningen zijn, net als bij agrarische bouwvlakken, kleinschalige bedrijfsactiviteiten na afwijking toegestaan. Tevens zijn aan huis verbonden beroepen toegestaan. In de bestemming zijn een aantal specifieke gebruiksregels, afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden opgenomen. In de specifieke gebruiksregels van deze bestemming is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. De voorwaardelijke verplichting voorziet in een borging van de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen zoals opgenomen in de erfinrichtingsplannen en de sloop van de landschapsontsierende bedrijfsgebouwen.

36

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsestraat 60

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsestraat 60

37

38

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsestraat 60

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 4, waardoor vooroverleg niet nodig is. Waterschap Vechtstromen Op 9 april 2020 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 24 december 2021 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging is één zienswijze binnengekomen. Deze zienswijze is bestudeerd en van een antwoord voorzien, de reactienota is daarom opgenomen in Bijlage 9.

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsestraat 60

39

40

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsestraat 60

Bijlagen bij toelichting

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsestraat 60

41

Bijlage 1

42

Ruimtelijk kwaliteitsplan

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsestraat 60

M

K

LEGENDA:

G B

A B C D E F G

D B

H

L

I

I

E

J K L M N

A J C

schaal 1:500

H

N

E

J

F L

07-04-2024 | 19-084 | Erfinrichtingsschets | Familie Hemme | Ootmarsumsestraat 60 te Denekamp | Pagina 1/2

Compensatiewoning Bijgebouw compensatiewoning Bestaande woning Bestaand bijgebouw Erfverharding Bestaande boom 6 bestaande fruitbomen, stamomtrek 8-10 cm Nieuw te planten, solitaire walnootboom, stamomtrek 14-16 cm Nieuw te planten boomgroep als erfbos, lindebomen, stamomrek 14-16 cm Siertuin Grasland Extensief (bloemrijk) grasland (natuur) Agrarische gronden Nieuwe inrit

LEGENDA: A B C D E F G H I J K L M N

M L

Compensatiewoning Bijgebouw compensatiewoning Bestaande woning Bestaand bijgebouw Erfverharding Bestaande boom 6 bestaande fruitbomen, stamomtrek 8-10 cm Nieuw te planten, solitaire walnootboom, stamomtrek 14-16 cm Nieuw te planten boomgroep als erfbos, lindebomen, stamomrek 14-16 cm Siertuin Grasland Extensief (bloemrijk) grasland (natuur) Agrarische gronden Nieuwe inrit

K schaal 1:1000

G

E

J L

07-04-2024 | 19-084 | Erfinrichtingsschets | Familie Hemme | Ootmarsumsestraat 60 te Denekamp | Pagina 2/2

Bijlage 2

Beeldkwaliteitsplan RVR

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsestraat 60

45

Beeldkwaliteitsplan Ootmarsumsestraat 60 te Denekamp September 2022 | 19-084

1. s i t u a t i e 

3

4. r i c h t l i j n e n b e e l d k w a l i t e i t 

10

1.1 Aanleiding

3

1.2 Doel

3

Algemeen

10

1.3 Ligging

4

Orientatie

10

2. r u i m t e l i j k e c o n t e x t 

6

Architectuur & detaillering

10

Materiaal- en kleurgebruik

10

Zonnepanelen en/of -collectoren

10

2.1 Situering plangebied

6

2.2 Welstandsbeleid

7

2.3 OUD landschap - ambitie

8

2.4 OUD landschap - waardering

8

3. e r f i n r i c h t i n g  3.1 Inrichtingsschets

4.1 Criteria

Parkeren

10

Ontsluiting / verharding

10

4.2 Referenties materiaal- en kleurgebruik

11

9 9

Beeldkwaliteitsplan Ootmarsumsestraat 60 te Denekamp -2-

10

1. situatie 1.1 A a n l e i d i n g Het te transformeren erf is gelegen aan de Ootmarsumsestraat tussen Denekamp en Tilligte. Het huidige erf wordt bewoond door de familie Aveskamp. Eén van hun kinderen zou zich willen vestigen op hetzelfde erf als de ouders. Door plangebied

het (elders) slopen van landschapsontsierende bebouwing maakt het Rood voor Rood beleid het mogelijk om op dit erf een nieuwe woning te bouwen. 1.2 D o e l Dit beeldkwaliteitsplan is opgesteld om de nieuwe bebouwing zorgvuldig in te passen in het plangebied. Het beeldkwaliteitsplan heeft daarmee tot doel de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling te waarborgen door een toevoeging van kwaliteit en het vragen van een zekere herkenbare samenhang. In het beeldkwaliteitsplan zijn duidelijke keuzes gemaakt om een hoogwaardige ontwikkeling van het plangebied te waarborgen. De in het beeldkwaliteitsplan opgenomen randvoorwaarden geven richting aan de verdere uitwerking van het plan. De bouwinitiatieven en verdere terreininrichting in het plangebied worden getoetst aan dit beeldkwaliteitsplan.

Beeldkwaliteitsplan Ootmarsumsestraat 60 te Denekamp -3-

1.3 l i g g i n g Aan de westzijde van het plangebied is een bosrijkgebied gelegen dat onderdeel uitmaakt van een historische landgoedstructuur. De kaart hiernaast is afkomstig uit het “Beeldkwaliteitsplan Landgoed Singraven”. Daarbij is de Hottingerkaart (1773-1794) over de topografische kaart geprojecteerd en het laat de landgoederen zien die onderdeel vormen van landgoed Singraven. In relatie tot het erf aan de Ootmarsumsestraat is het vooral van belang dat deze géén onderdeel uitmaakt van de historische langdoedstructuur.

Beeldkwaliteitsplan Ootmarsumsestraat 60 te Denekamp -4-

plangebied

BOUWKAVEL Ootmarsumsestraat 60, Denekamp Bron luchtfoto: StreetSmart

Kadastrale gemeente: Denekamp Burgerlijke gemeente: Dinkelland Sectie: G Nummer: 2552 + 2551 + 968 + 1215

Luchtfoto van het huidige erf (bron: StreetSmart).

Luchtfoto met aanduiding van de kadastrale percelen (bron: kadastralekaart.com).

Beeldkwaliteitsplan Ootmarsumsestraat 60 te Denekamp -5-

2. ruimtelijke context 2.1 s i t u e r i n g p l a n g e b i e d Aan de zuidzijde van het plangebied is gelegen de provinciale weg N349. Aan de westzijde ligt

agrarische grond positie nieuw te bouwen RvR-woning

een bosrijk gebied dat onderdeel vormt van de landgoederen die horen bij landgoed Singraven. Aan de noord- en oostzijde grenst het plangebied aan agrarische gronden. Aan de Ootmarsumsestraat zijn momenteel drie inritten vlak naast elkaar gelegen, zie onderstaande foto (grote versie op pagina 2). De meest linker

woning 1

landgoed Singraven

woning 2

inrit komt uit op een zandpad welke grenst aan de bosrand, de andere inritten ontsluiten twee verschillende huishoudens (woning 1 & woning 2). Om

het

erfkarakter

te

versterken

komt

de

middelste inrit te vervallen (meer continuiteit v/d

nieuwe ontsluiting via bestaand zandpad

agrarische grond

groenstrook) waarbij woning 1 samen met de RvRwoning (Rood voor Rood) worden ontsloten vanaf op te heffen inrit

het zandpad.

te handhaven inrit

Oo

tm

ars

um

ses

t ra

at

(N3

49) bron: StreetSmart

Beeldkwaliteitsplan Ootmarsumsestraat 60 te Denekamp -6-

2.2 W e l s ta n d s b e l e i d Dit beeldkwaliteitsplan heeft een sterke relatie met de gemeentelijke

plangebied

welstandsnota. In 2016 heeft de gemeenteraad de Nota Omgevingskwaliteit Dinkelland Tubbergen vastgesteld (herzien 2020). In deze nota staat het welstandsbeleid voor de beide gemeenten. Op basis van zonering zijn verschillende welstandsniveau’s toegekend met daaraan gerelateerd eigen ruimtelijke kwaliteitskaders. Een snede van de welstandskaart (bovenste afbeelding) laat zien dat het plangebied valt onder: Buitengebied - Niveau Midden In de welstandnota wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende typen landschappen. Elke soort kent verschillende criteria die kenmerkend zijn voor dat type landschap. De landschapskaart (onderste afbeelding) laat zien dat het plangebied aan de Ootmarsumsestraat onderdeel vormt van een: Kampenlandschap Snede van de kaart “Omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen” bron: https://www.dinkelland.nl/welstandsnota

Op de volgende pagina zijn de belangrijkste criteria weergegeven die onderdeel vormen van het gemeentelijke welstandsbeleid.

Waar de gemeentelijke welstandsnota is gericht op het handhaven en versterken van de bestaande gebouwde omgeving, legt dit beeldkwaliteitsplan de stedenbouwkundige en architectonische kwaliteitsuitgangspunten voor de nieuwe ontwikkelingen vast. De in dit beeldkwaliteitsplan geformuleerde uitgangspunten met betrekking tot sfeer en architectuur zijn bepalend voor de kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling. Daarbij is beoogd om samenhang te creëren binnen enige mate van diversiteit. Snede van de kaart “Landschapstypen” bron: Atlas van Overijssel

Beeldkwaliteitsplan Ootmarsumsestraat 60 te Denekamp -7-

Basis niveau (JONGlandschap) Midden niveau (OUDlandschap) Waardevolle elementen (bijzonder niveau) 2.3 o u d l a n d s c h a p - a m b i t i e

OUDlandschap

midden

midden

Waardering

• Behoud en respect voor de afwisseling tussen open- en besloten landschappen en hoogteveschillen. • Behoud van de losse strooiing van compacte erven rondom de essen en kampen (soms landschapsgekeerd: met de achterzijde naar de weg). • Enkelvoudige met eenduidige kapvorm. De gronden op debouwmassa hogere opduikingen van de dekzandvlaktes en op de flanken van de stuwwallen werden al vroeg in cultuur gebracht. Essen• Sturen behoud enwerden stimulering van de agrarische architectuur(voor-/achterhuisprincioudeop bouwlanden veelal in gezamenlijkheid, als marke ontgonnen. Kenmerkend zijn de rondom de es gesitueerde boerderijen landschap Deze bijbehorende en materiaalgebruik. enpe) demet esdorpen met hundetaillering uitwaaierende wegenstructuur. De essen vormden samen met de schrale heidegronden en de nattere beekdalen • Sturen op nieuw- agrarisch en verbouw passend bebouwingskarakteristieken een samenhangend systeem. Debij typische bolling van de essen ismet ontstaan door de eeuwenlange ophoging van heideplaggen overwegend materiaalgebruik. vermengd met traditioneel mest. Dit leverde een vruchtbaar esdek op geschikt voor de landbouw. De essen hebben een open karakter. De randen van op alle gevels, ligging. erven.

Het behoud van deze karakteristieke landschappelijke kenmerken is belangrijk de• Sturen es zijn omzoomd door vanwege beplantingalzijdige en de agrarische voor de beleving van dit landschap. De erven en bebouwing liggen vaak aan de rand van de es. Het kenmerkende silhouet en dakenlandschap is vanwege de openheid van de van de losse strooiing van erven en doorzichten. Maten- en flierenland- es• Behoud vaak goed zichtbaar. De erfopzet is vaak organisch en speelt in op de (landschaps-)structuur ter plekke. Vanwege het historische gebruik • Enkelvoudige bouwmassa met eenduidige kapvorm. schap van dit landschap bevinden zich hier de oudere en soms waardevolle boerderijen, stallen en schuren. • Sturen op behoud en stimulering van de agrarische architectuur (voor-/achterhuisprinciDinkeldal De bebouwing kenmerkt zich door de eenduidige hoofdvorm, groot dak (meestal zadelkap met topgevel) en het gebruik van natuurlijke matepe) met bijbehorende detaillering en materiaalgebruik. 2.4 o u d l a n d s c h a p -rialen wa aenr gedekte d e r i n gkleuren die niet afsteken tegen de achtergrond van het landschap. In de architectuur is meer aandacht voor de detaillering • Sturen op nieuwen verbouw passend bij bebouwingskarakteristieken met dan in de jongere landschapstypes. overwegend traditioneel materiaalgebruik.

Op de smallere hogere ruggen en vlaktes tussen de beekdalen in de dekzandvlakte en randen van de stuwwallen, werd op een individuele Kampenlandschap wijze de grond in cultuur gebracht. Kleine eenmansesjes omzoomd door beplanting en een solitair gelegen erf bepalen het beeld van dit landschapstype. Het is een kleinschalig afwisselend landschap. Door de schaalvergroting in de landbouw is veel beplanting die de kleine escomplexen omzoomde verdwenen. Erven zijn uitgebreid met grotere stalcomplexen en hebben een ander maat en schaal dan het oorspron• Behoud en respect specifieke (landschappelijke) karakteristiek vanreliëf het gebied. Veen kelijke landschap. Er isvoor een de opener landschap ontstaan. De steilranden en het zijn hierdoor wel duidelijker beleefbaar. De erven liggen • Sturen op stimulering van ingetogen architectuur met bijbehorende detaillering en mateHeide meer in het zicht en zijn niet meer als vanzelfsprekend opgenomen in de dichte beplantingsstructuur rondom de escomplexen. Sprake is van riaalgebruik. Bos een relatief dicht netwerk van erven en (historische) bebouwing. De erfopzet is vaak organisch en speelt in op de (landschaps-)structuur ter • Enkelvoudige metgebruik eenduidige kapvorm. plekke. Vanwegebouwmassa het historische van dit landschap bevinden zich hier soms waardevolle boerderijen, stallen en schuren.

• Sturen op nieuwen verbouw passend bij bebouwingskarakteristieken metzadeldak met topgevel) en het gebruik van natuurlijke materiDe bebouwing kenmerkt zich door de eenduidige hoofdvorm, groot dak (vaak overwegend traditioneel materiaalgebruik. alen en gedekte kleuren die niet afsteken tegen de achtergrond van het landschap. In de architectuur is meer aandacht voor de detaillering dan in de jongere landschapstypes.

midden

Essenlandschap Kampenlandschap

Maten en flieren landschap

Het maten- en flierenlandschap is gelegen in de laagten van de dekzandvlakten en beekdalen. Langs beeklopen is een kleinschalig, besloten coulisselandschap ontstaan met singels, broekbosjes en open kamers. Het is een nat gebied met voornamelijk hooi- en weilanden. De bebouwing staat vooral op de randen van het maten en flierenlandschap op de drogere gronden, overgaand in het essen- of kampenlandschap. De meanderende beekloop en de beplante randen van dit landschapstype vormden de robuuste dragers van dit landschap. Door sterke ontwatering is het natte karakter vermindert waardoor de gronden geschikter werden voor agrarisch gebruik. De beeklopen zijn dan ook veelal rechtgetrokken en de houtsingels gerooid zodat er een beter en efficiënter te gebruiken landschap ontstond. De samenhang tussen de verschillende elementen is dan ook vaak sterk verminderd. In dit landschapstype is het streven gericht op het versterken en ontwikkelen van de herkenbaar- en zichtbaarheid van de beekloop, het verstevigen van de groene randen en het coulisselandschap van houtwallen, singels en broekbosjes. De erfopzet is vaak organisch en speelt in op de (landschaps-)structuur ter plekke. Vanwege het historische gebruik van dit landschap bevinden zich hier soms waardevolle boerderijen, stallen en schuren.

De bebouwing kenmerkt zich door de eenduidige hoofdvorm, groot dak (vaak zadelkap) en het gebruik van natuurlijke materialen en gedekte kleuren die niet afsteken tegen de achtergrond van het landschap. In de architectuur is meer aandacht voor de detaillering dan in de jongere landschapstypes.

Dinkeldal

De Dinkel ligt meanderend in een diep ingesneden beekdal. Het landschap rond de Dinkel kan worden opgedeeld in een midden- en een benedenloop. De middenloop ligt in een besloten gebied. Voorheen met singels, houtwallen, bosjes en heidevelden, nu met voornamelijk - 8met - graslanden en brede oevers. Delen van de benedenloop zijn tegenwoordig bossen. De benedenloop ligt in een meer open en nat gebied

midden

(Zie: welstandsnota voor ligging landschapstypen / document ‘waardering OUDlandschap’)

n

Beeldkwaliteitsplan Ootmarsumsestraat 60 te Denekamp

3. erfinrichting 3 .1 i n r i c h t i n g s s c h e t s

M

K

LEGENDA:

G B

A hoofdopzet Compensatiewoning B Bijgebouw compensatiewoning C Door Bestaande de woning nieuw te bouwen woning te D Bestaand bijgebouw E positioneren Erfverharding aan de westzijde, ontstaat F Bestaande boom nieuwe fruitbomen, erfindeling welke beter als erf G een6 bestaande stamomtrek 8-10 cm herkenbaar zal zijn. De bebouwing staat H Nieuw te planten, solitaire walnootboom, stamomtrekrondom 14-16 cm een centraal geplaatste verstrooid I Nieuw te planten boomgroep als erfbos, lindebomen, stamomrek 14-16 cm boomgroep. Een Kampenlandschap wordt J Siertuin gekenmerkt door een organische K veelal Grasland L Extensief (bloemrijk) grasland (natuur) Daarom M erfopzet. Agrarische grondenkrijgt de compensatiewoning N Nieuwe inrit

D B

L I

E

A J

een geheel eigen oriëntatie. Daarnaast zal

C

de

H

momenteel

plaatsmaken

rechtlijnige

voor

een

meanderende erftoegang. N

E

J

LEGENDA: A B C D E F G H I J K L M N

Compensatiewoning Bijgebouw compensatiewoning Bestaande woning Bestaand bijgebouw Erfverharding Bestaande boom 6 bestaande fruitbomen, stamomtrek 8-10 cm Nieuw te planten, solitaire walnootboom, stamomtrek 14-16 cm Nieuw te planten boomgroep als erfbos, lindebomen, stamomrek 14-16 cm Siertuin Grasland Extensief (bloemrijk) grasland (natuur) Agrarische gronden Nieuwe inrit

F L

schaal 1:500

07-04-2020 | 19-084 | Erfinrichtingsschets | Familie Hemme | Ootmarsumsestraat 60 te Denekamp | Pagina 1/2

Beeldkwaliteitsplan Ootmarsumsestraat 60 te Denekamp -9-

erfontsluiting

schaal 1:500

meer

informele,

4. richtlijnen beeldkwaliteit •

4.1 c r i t e r i a

Gevels voornamelijk metselwerk in aardetinten. Topgevels hebben een zwarte houten betimmering.

•

algemeen

Hellende daken worden bedekt met ongeglazuurde keramische pannen.

Er is een hiërarchie in de bebouwing: nieuwe gebouwen hebben een on-

Bij ondergeschikte bebouwing mag de kleurstelling van de dakbedekking

dergeschikt karakter ten opzichte van het hoofdgebouw. Dit geldt zowel voor

afwijken van het woonhuis.

de positie (teruggelegen vanaf de straat) alsook voor de uitstraling (karakteristieken van een schuur). Een kopgevel kan een grote opening krijgen als

zonnepanelen en/of -collectoren

“schuuringang voor werktuigen” maar geen gemetselde toog, oftewel nien-

•

Indien zonnepanelen op hellende daken worden geplaatst, vermijd dan grote kleurcontrasten tussen de zonnepanelen en het dak. Het is denkbaar

deur-principe.

dat zonnepanelen aan het zicht worden onttrokken door ze -wellicht iets verdiept- op de grond te plaatsen, omzoomd met een lage haag.

orientatie

•

•

Een alzijdig karakter waarmee de architectuur ‘reageert’ op de openbare ruimte.

•

zonnepanelen (in de vorm en kleur van de dakpan) zijn een goede optie.

• • •

Blinde gevels aan de zijde van de openbare ruimte zijn niet gewenst.

architectuur & DETAILLERING

• • •

Een grote dominante kap.

Panelen hebben rondom nog een ruime strook dakvlak. Het kleurgebruik van bijbehorende bouwwerken is passend binnen het

Een evenwichtige gevelcompositie met een sterke verticaliteit en ritmiek; De detaillering is verfijnd, zorvuldig en afgestemd op de architectuur.

parkeren

Belangrijke elementen als de entree, plint en dakrand krijgen extra

• •

Auto’s zijn zo min mogelijk zichtbaar van de openbare weg en wandelpaden. Parkeren bij voorkeur in een gebouwde voorziening.

Bijbehorende bouwwerken zijn ondergeschikt en worden vormgegeven in lijn met de archictectuur van het hoofdgebouw;

ontsluiting / verharding

•

Toegangsweg naar het erf: halfverharding (asfaltgranulaat/stol, grind/ split) met een groene middenberm (2 sporen).

materiaal- en kleurgebruik

•

Panelen worden evenwichtig geplaatst in een regelmatig patroon.

kleurenschema van de hoofdmassa.

aandacht.

•

Pas zonnepanelen toe met zwarte (geanodiseerde) randen. Ook dakpan-

Materiaalgebruik is traditioneel en de detaillering past bij het hoofgebouw

•

Verharding op het erf: grind, split, etc. en/of gebakken klinkers.

(witte vindveren).

Beeldkwaliteitsplan Ootmarsumsestraat 60 te Denekamp - 10 -

4.2 r e f e r e n t i e s m at e r i a a l - e n k l e u r g e b r u i k

Beeldkwaliteitsplan Ootmarsumsestraat 60 te Denekamp - 11 -

Dit rapport is vervaardigd door:

Beeldkwaliteitsplan Ootmarsumsestraat 60 te Denekamp - 12 -

Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek

58

bestemmingsplan Buitengebied, Ootmarsumsestraat 60

RAPPORT VERKENNEND BODEMONDERZOEK conform NEN 5740 en NEN 5707 Ootmarsumsestraat 60 - Denekamp

Opdrachtgever: De heer A. Hemme Locatie: Ootmarsumsestraat 60 7591 PR Denekamp Januari 2020

Kruse Milieu BV Bezoekadres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren

Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl

Postadres: Postbus 51 7650 AB Tubbergen

Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739

Tel: 0546 - 63 96 63

KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01

Rapport Verkennend Bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 Ootmarsumsestraat 60 - Denekamp

Opdrachtgever: De heer A. Hemme Malandstraat 19 7591 AK Denekamp Locatie: Ootmarsumsestraat 60 7591 PR Denekamp Projectcode: 19077716 Rapportagedatum: 21 januari 2020 Auteur: ing. H. Stevelink

Kruse Milieu BV

INHOUD Pagina 1

Inleiding

1

2.1 2.2 2.3

Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie

2 2 2 3

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses

4 4 5 5 6 7

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten van de asbestanalyses

8 8 8 9 10 10

5

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen

11

6

Literatuur en bronvermelding

13

2

3

4

Bijlagen I Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, januari 2020 II Boorstaten Legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses Toetsing chemische analyses IV Resultaten asbestanalyses V Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen

Kruse Milieu BV

Project: 19077716

1

Inleiding

Dit rapport beschrijft het verkennend bodemonderzoek, dat in opdracht van de heer A. Hemme op een terreindeel aan de Ootmarsumsestraat 60 in Denekamp door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de geplande nieuwbouw van een woning met schuur. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van aanvraag van de omgevingsvergunning. Derhalve dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een standaard vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de bovengrond van de locatie verdacht is van aanwezigheid van asbest. Het overige deel van de locatie is onverdacht. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN 5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN 5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN 5707+C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017.

De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. De doelstelling van het onderzoek op een asbestverdachte locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern ook daadwerkelijk op de vermoede plaats aanwezig is en in hoeverre de verontreinigde stoffen in de grond de normwaarden overschrijden. Het veldwerk is uitgevoerd in januari 2020 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018 waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/763/documents/19233