CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Buitengebied, Morsweg 5 Weerselo.pdf

Commissie Omgeving & Economie 10 januari 2023, gemeente DinkellandBij agendapunt: 6: Voorstel inzake gewijzigd vaststellen bestemmingsplan “Buitengebied, Morsweg 5 Weerselo”27.117 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De ontwikkeling mag niet leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat; Zoals blijkt uit paragraaf 5.5 leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van (woon)percelen van derden. 8. Er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de in de omgeving aanwezige functies en waarden; Zoals blijkt uit paragraaf 5.5 en 5.6 is er geen sprake van een onevenredige afbreuk van de in de omgeving aanwezige functies. 9. Er mag gaan onevenredige afbreuk worden gedaan aan de belangen van derden; Zie punt 8. 10. Indien dit nodig wordt geacht, kan een bedrijfsplan worden gevraagd ter onderbouwing van een verzoek; Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling wordt het overleggen van een bedrijfsplan niet noodzakelijk geacht. 11. In het bestemmingsplan/ het omgevingsplan/ de omgevingsvergunning worden verplichtingen opgenomen voor de aanleg en instandhouding van de verplichte landschappelijke inpassing. Daarnaast worden in een overeenkomst aanvullende voorwaarden opgenomen die van belang zijn voor de gemeentelijke juridische borging; In het voorliggende bestemmingsplan is een voorwaardelijk verplichting opgenomen ten behoeve van het treffen en in stand houden van landschapmaatregelen ten behoeve van de landschappelijke inpassing. 12.

Een gecombineerde toepassing van de in deze beleidsregel opgenomen onderdelen is mogelijk, mits hierbij voldaan wordt aan de daarbij behorende voorwaarden; Niet van toepassing. 13. Vergunningen die niet meer actueel zijn of die nog niet zijn benut, kunnen niet ingezet worden ter compensatie voor (extra) ontwikkelingsruimte en worden onherroepelijk ingetrokken. Niet van toepassing. 4.3.2.3 Bedrijfsmatige activiteiten binnen de functie 'Wonen' Het is mogelijk om binnen de functie 'Wonen' bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen. Niet elk nieuwe functie wordt wenselijk en/of aanvaardbaar gevonden. Dit zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden waarbij onder meer de aard en invloed van de nieuwe functie op de omgeving een rol speelt. Voor het toestaan van bedrijfsmatige activiteiten binnen de functie 'Wonen' gelden de volgende voorwaarden: 1. De maximale omvang van de bijbehorende bouwwerken die in gebruik zijn voor de bedrijfsmatige activiteiten bedraagt 500 m²; De beoogde drie boerderijkamers worden gerealiseerd is een bestaande schuur met een oppervlakte van circa 170 m2. Verder worden er sanitaire voorzieningen gerealiseerd in een van de aanwezige schuren. De oppervlakte van de sanitaire voorzieningen bedraagt circa 60 tot 100 m2.

In totaal is hiermee sprake van 230 tot 270 m2 aan bijbehorende bouwwerken die in gebruik zullen zijn ten behoeve van de beoogde recreatiefunctie(s). Opgemerkt wordt dat binnen het plangebied nog aan aantal schuren aanwezig met een gezamenlijke 28

bestemmingsplan Buitengebied, Morsweg 5 Weerselo

oppervlakte van circa 1.200 m2 welke worden/kunnen worden gebruikt ten behoeve van caravanstalling. Hiervan wordt opgemerkt dat het gaat om een functie wat reeds is toegestaan op basis van het geldend "Bestemmingsplan Buitengebied 2010". 2. Indien de bestaande bebouwing niet meer functioneel te gebruiken is voor de nieuwe activiteit, is vervangende nieuwbouw mogelijk. Voor de berekening van de terug te bouwen oppervlakte wordt de tabel uit paragraaf 3.2 van het beleid 'Buitengebied met kwaliteit' toegepast. Niet van toepassing. 3. Karakteristieke en/of cultuurhistorisch waardevolle gebouwen kunnen niet worden ingezet voor sloop/vervangende nieuwbouw, maar worden ingepast in de nieuwe erfopzet; Niet van toepassing. 4. Buitenopslag van goederen of andere bedrijfsmatige activiteiten buiten de gebouwen zijn niet toegestaan; Verwezen wordt naar punt 5. 5. In afwijking van lid 4 zijn activiteiten buiten de gebouwen uitsluitend toegestaan indien het gaat om toeristisch-recreatieve functies, horeca, zorgfuncties of daarmee vergelijkbare functies; In voorliggend geval gaat het om het toestaan van toeristisch-recreatieve functies in de vorm van camperplaatsen en boerderijkamers. De camperplaatsen zijn buiten gebouwen gelegen. Dit is toegestaan. 6.

Indien met de bedrijfsmatige activiteiten sprake is van een verblijfsrecreatieve functie, dient voldaan te worden aan het bepaalde in de Nota verblijfsrecreatie Noordoost Twente of indien deze beleidsnota wijzigt het op dat moment van toepassing zijnde verblijfsrecreatieve beleid; Kortheidshalve wordt verwezen naar paragraaf 4.3.4 waar het voornemen wordt getoetst aan de 'Nota verblijfsrecreatie Noordoost Twente'. Hier wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met deze nota. 7. Detailhandel in een andere vorm dan productiegebonden detailhandel is niet toegestaan. Maximaal 10% van de totale oppervlakte van de gebouwen tot een maximum van 100 m2 mag worden gebruikt voor productiegebonden detailhandel. Dit is verankerd in de regels van het voorliggende bestemmingsplan. 4.3.2.4 Waardering, aftrekposten en investeringsmogelijkheden Waardevermeerdering Bij het bepalen van de hoogte van de kwaliteitsimpuls voor de Groene Omgeving wordt uitgegaan van de waardevermeerdering van de gronden die door de planologische verandering zal ontstaan. Hierbij wordt uitgegaan van de in onderstaande tabel genoemde basisbedragen. Dit zijn dezelfde basisbedragen als de basisbedragen die in het kader van het voorheen geldende KGO-beleid in overleg met erkende taxateurs tot stand zijn gekomen.

Deze basisbedragen zijn ten opzichte van het voorheen geldende KGO-beleid ongewijzigd, hiervoor is bewust gekozen omdat dit ook het meeste recht doet aan de op basis van het voorheen geldende KGO-beleid in het verleden geleverde kwaliteitsinvesteringen. Wel wordt nadrukkelijk opgemerkt dat de bedragen in de onderstaande tabel exclusief btw zijn. Bij de totstandkoming van deze basisbedragen is namelijk uitgegaan van getaxeerde bedragen exclusief btw.

Bij het toepassen van deze tabel dient rekening te worden gehouden met het volgende:

bestemmingsplan Buitengebied, Morsweg 5 Weerselo

29

Alle genoemde bedragen zijn exclusief btw; Indien sprake is van een negatieve waardeontwikkeling, vindt geen verrekening plaats; Daar waar de tabel niet in voorziet, zal een taxatie nodig zijn. Deze taxatie komt voor rekening van aanvrager. Waardevermindering Indien er voor het bepalen van de hoogte van de kwaliteitsimpuls een berekening van de waardevermeerdering wordt uitgevoerd op basis van de hiervoor opgenomen tabel, kan waardevermindering als gevolg van het toekennen van een andere functie aan de gronden meegenomen worden in de berekening. Waardevermindering kan worden toegepast op gronden waar een kwaliteitsinvestering of basisinspanning wordt verricht en de functie ook daadwerkelijk wijzigt. Hierbij gelden de basisbedragen zoals genoemd in de hiervoor opgenomen tabel. Nadat de totale waardevermeerdering (waardevermeerdering - waardevermindering) bepaald is, dient beoordeeld te worden of sprake is van een functioneel of niet-functioneel aan het buitengebied gebonden ontwikkeling en of de locatie is gelegen in het buitengebied of de kernrandzone. Functioneel en niet-functioneel aan het buitengebied gebonden functies Functioneel aan het buitengebied gebonden functies zijn functies die feitelijk thuishoren in het buitengebied. Omdat deze functies als gebiedseigen beschouwd worden, kan de kwaliteitsprestatie ook minder zijn dan de volledige waardevermeerdering.

Voor deze functies geldt dat, naast de basisinspanning, een kwaliteitsprestatie van 25% (of 12,5% indien sprake is van een 'kernrandzone') van de waardevermeerdering voldoende is om de geboden ontwikkelingsruimte in balans te brengen met de benodigde investeringen in de ruimtelijke kwaliteit. Onder functioneel aan het buitengebied gebonden functies worden onder andere de volgende functies verstaan: Agrarische bedrijven (hieronder worden tevens paardenhouderijen, sierteelt- en boomkwekerijbedrijven en glastuinbouwbedrijven, niet zijnde een hoveniersbedrijf of tuincentrum, verstaan); Bedrijven die vanwege de gevoerde bedrijfsvoering niet passend worden geacht op een bedrijventerrein/ in de kern; Zorg- en andere maatschappelijke functies gelieerd aan het buitengebied; Recreatieve functies; Tuinders- en hoveniersbedrijven; Bestaande horeca- en sportvoorzieningen. Functies die hiervoor niet genoemd zijn, worden in principe gezien als niet-functioneel aan het buitengebied gebonden functies. Niet-functioneel aan het buitengebied gebonden functies horen in principe thuis op een bedrijventerrein/ in de kernen. De impact van deze functies op het buitengebied is veelal groter dan de functioneel aan het buitengebied gebonden functies.

Om deze reden wordt voor deze functies, naast de basisinspanning, een kwaliteitsprestatie van 100% (of 50% indien sprake is van een 'kernrandzone') verlangd om zo de geboden ontwikkelingsruimte in balans te brengen met de benodigde investeringen in de ruimtelijke kwaliteit. Vereist investeringspercentage in schema In onderstaande tabel wordt schematisch weergegeven welk percentage van de waardevermeerdering, naast de verplichte basisinspanning, geïnvesteerd dient te worden in de ruimtelijke kwaliteit om zo de geboden ontwikkelingsruimte in balans te brengen met de benodigde investeringen in de ruimtelijke kwaliteit.

Van het bovenstaande percentage van 100% kan in bepaalde omstandigheden worden afgeweken. Dit is de maatwerkclausule. Deze kan worden toegepast als er sprake is van specifieke omstandigheden die een verlaging van het toe te passen percentage rechtvaardigen. In dat geval gelden aspecten als sociale kwaliteit, werkgelegenheid, veiligheid, ruimtegebrek en logistiek als items ter onderbouwing om (per item) het percentage te verlagen met 5% (met een maximum van 25%). Aftrekposten De volgende aftrekposten mogen worden toegerekend als onderdeel van deze kwaliteitsimpuls en kunnen in mindering worden gebracht op de berekende kwaliteitsinvestering: de kosten voor het opstellen van het KGO-plan tot een percentage van 10% van de vereiste kwaliteitsinvestering met een maximum van € 5.000,- (excl. btw). Deze kosten kunnen eenmalig in 30

bestemmingsplan Buitengebied, Morsweg 5 Weerselo

mindering worden gebracht op de berekende kwaliteitsinvestering; de legeskosten voor de inzet van het gemeentelijk kwaliteitsteam (Q-team). Na aftrek van de voornoemde kosten resteert het bedrag dat dient te worden geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. 4.3.2.5 Toetsing van het initiatief aan de beleidsnotitie 'Buitengebied met kwaliteit' Zoals ook aangegeven in het in Bijlage 1 opgenomen Ruimtelijk kwaliteitsplan is er als gevolg van voorgenomen ontwikkeling sprake van een waardevermeerdering van 6.237,- euro excl. btw. Op twee verschillende plekken wordt de aanduiding camperplaats aangebracht. Omdat het gaat om een aan het buitengebied gebonden functie mag 75 % in mindering worden gebracht. De investering in de ruimtelijke kwaliteit bedraagt in dat geval 1.559,25 euro exclusief btw. Hoewel de kosten vele malen hoger liggen mag slechts 10% in mindering worden gebracht. Daarnaast is er een bezoek gebracht aan het kwaliteitsteam. Ook deze kosten mogen in mindering worden gebracht. Dat levert een netto investering op van 1.153,33 euro excl. btw. De investering is in dit geval zo minimaal dat er voor gekozen is om geen nadere berekening op te stellen. Het bedrag is te verwaarlozen. Door de aanplant aan de westzijde van het perceel wordt bovendien het voorgenoemde bedrag overschreden.

Geconcludeerd wordt dat de geboden ontwikkelingsruimte in balans is met de investeringen in de ruimtelijke kwaliteit. 4.3.3

Bestemmingsplan Buitengebied 2010

4.3.3.1 Algemeen In artikel 36.6 van het "Bestemmingsplan Buitengebied 2010" is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het aanbrengen van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - boerderijkamers'. Hiervoor gelden een aantal voorwaarden. Hierna wordt het voornemen getoetst aan de gestelde voorwaarden. De toetsing is hierbij cursief weergegeven. 4.3.3.2 Wijzigingsbevoegdheid artikel 36.6 onder b Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in dié zin dat de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - boerderijkamers' wordt aangebracht, mits: 1. de kamers in voormalige agrarische bedrijfsgebouwen worden ondergebracht, waarbij gebruik wordt gemaakt van één entree gezamenlijk voor alle kamers; De beoogde boerderijkamers worden ondergebracht in een bestaand voormalige agrarisch bedrijfsgebouw. Hierbij zal gebruik worden gemaakt van één gezamenlijke entree. 2. het voormalig agrarisch bedrijfsgebouw deel uitmaakt van het bestaande ensemble van gebouwen op het betreffende erf; Hier wordt aan voldaan. Zie Bijlage 1. 3. het aantal boerderijkamers per perceel minimaal twee bedraagt. Bij hoge uitzondering kan in kleine, karakteristieke en bijzondere panden worden volstaan met één boerderijkamer indien de oppervlakte niet toereikend is voor twee; In geval van voorgenomen ontwikkeling worden er drie boerderijkamers mogelijk gemaakt in één van de bestaande schuren. 4.

de oppervlakte van een boerderijkamer ten hoogste 60 m² bedraagt; Hier wordt aan voldaan. Dit is tevens vastgelegd in de regels van het voorliggende bestemmingsplan. 5. de gezamenlijke oppervlakte van de boerderijkamers per bouwperceel ten hoogste 500 m² bedraagt; In geval van voorgenomen ontwikkeling zijn maximaal drie boerderijkamers van ten hoogste 60 m2 toegestaan. De totale oppervlakte bedraagt hiermee 180 m2. 6. de kamers bedrijfsmatig geëxploiteerd worden door één van de bewoners van het perceel; Hier wordt van aan voldaan. 7. parkeren op eigen erf plaatsvindt; Er wordt op eigen erf geparkeerd. Gelet op de omvang van het erf is hier is ruim voldoende ruimte voor (zie ook paragraaf 3.2.2). 8. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Kortheidshalve wordt verwezen naar paragraaf 3.2.3, 5.5 en 5.6. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de bestemmingsplan Buitengebied, Morsweg 5 Weerselo

31

woonsituatie, verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 4.3.3.3 Toetsing van het initiatief aan het 'Bestemmingsplan Buitengebied 2010' De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in de in artikel 36.6 onder b opgenomen wijzigingsbevoegdheid van het "Bestemmingsplan Buitengebied 2010". In het voorliggend bestemmingsplan worden bij recht drie boerderijkamers toegestaan. 4.3.4

Nota Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente 2018

4.3.4.1 Algemeen De gemeente Dinkelland, Losser, Oldenzaal en Tubbergen hebben samen de beleidsnota 'Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente 2018' opgesteld. Het doel van de nota is kaders weergeven waarbinnen de verschillende vormen van verblijfsrecreatie zich in de toekomst kunnen blijven ontwikkelen. Deze beleidsnota beperkt zich tot de kader voor toekomstige (met name fysieke) ontwikkelingen binnen de verblijfsrecreatieve sector in Noordoost Twente. 4.3.4.2 Beleid per vorm van verblijfsrecreatie Boerderijkamers In het kader van voorgenomen ontwikkeling kunnen de boerderijkamers op basis van de 'Nota Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente 2018' het best worden geschaard onder 'Plattelandskamers'. Onder plattelandskamers wordt verstaan: een (deel van) een (voormalig) agrarisch gebruikt gebouw dat blijvend bestemd is voor recreatief nachtverblijf. Hierbij wordt overnacht: in kamers waarin de keuken en/of sanitair in een gemeenschappelijk ruimte worden ondergebracht of; in zelfstandige eenheden. al dan niet in combinatie met een dagverblijf. Het gaat om een vorm van verblijfsrecreatie waarbij beleving van het platteland centraal staat. Camperplaatsen Onder campervoorzieningen wordt verstaan: motorvoertuig dat is ingericht om te kunnen slapen en te verblijven.

4.3.4.3 Toetsing van het initiatief 'Nota Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente 2018' Het voornemen gaat uit van het aanleggen van camperplaatsen en realiseren van boerderijkamers. De Boerderijkamers worden gerealiseerd in een bestaand voormalige agrarische schuur. In beide gevallen gaat het om het bieden van de mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben. Het toestaan van de camperplaatsen van boerderijkamers wordt mogelijk gemaakt op basis van het beleid 'Buitengebied met kwaliteit'. Een belangrijke voorwaarde is dat er sprake moet zijn van een aantoonbare meerwaarde. In de nota verblijfsrecreatie is een SWOT-analyse opgenomen waarin de sterkten, zwakten, kansen en bedreigingen van verblijfsrecreatie in Noordoost Twente zijn opgenomen. Met voorgenomen ontwikkeling wordt ingespeeld op de kansen 'Vergrijzing, toenemend aantal senioren met meer vrije tijd en middelen' en 'Toenemende vraag naar (luxe) verblijfsaccommodaties in een natuurlijke omgeving'. Initiatiefnemers richten zich primair op de oudere rustzoekende kampeerder. Door vergrijzing neemt het aantal senioren met meer vrije tijd en middelen toe. Met voorgenomen ontwikkeling wordt hier op ingespeeld. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het voornemen in overeenstemming is met de 'Nota verblijfsrecreatie in Noordoost Twente 2018'. 4.3.5

Casco-benadering in Noordoost-Twente

4.3.5.1 Algemeen In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld.

32

bestemmingsplan Buitengebied, Morsweg 5 Weerselo

Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel. 4.3.5.2 Casco-benadering in de praktijk De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het 'kleinschalige groene karakter' van het landschap in totaliteit. De regels van de casco-benadering gelden niet voor: Punt elementen (zoals poelen en solitaire bomen). Lijn elementen (zoals stijlranden en zandwegen). Beplanting binnen bouwblokken/bebouwde kom. Boomgaarden. Bos groter dan 0,5 hectare.

Voor bovenstaande elementen en het beheer van casco elementen geldt het reguliere beleid van elke afzonderlijke gemeente. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel. Landschapstype Elementen die tot het casco behoren Elementen die niet tot het casco behoren

Opmerking Mogen in principe niet verplaatst worden Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan Te compenseren elementen Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties: Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de casco-kaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). In de volgende afbeelding is een uitsnede opgenomen van de ligging van het plangebied ten opzichte van casco-elementen.

bestemmingsplan Buitengebied, Morsweg 5 Weerselo

33

Afbeelding 4.5: Uitsnede cascokaart (Bron: Gemeente Dinkelland) 4.3.5.3 Toetsing van het initiatief aan de "Casco-benadering in Noordoost-Twente" Zoals uit afbeelding 4.5 blijkt, is de bomenrij langs de toegangsweg richting het woonperceel aan de Morsweg 5 onderdeel is van het casco. Daarnaast zijn er nabij en binnen het plangebied een aantal vlakken opgenomen die onderdeel uitmaken van het casco. Zoals ook in paragraaf 3.1 aangegeven blijft het groen binnen en nabij het plangebied behouden en wordt dit waar mogelijk versterkt met nieuwe inheemse soorten. De casco-elementen worden daarmee versterkt. Het plan is dan ook in overeenstemming met het casco-beleid. 4.3.6

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de in deze paragraaf behandelde beleidsstukken.

34

bestemmingsplan Buitengebied, Morsweg 5 Weerselo

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit milieueffectrapportage.

5.1 Geluid 5.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

Voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het toestaan van boerderijkamers en camperplaatsen. Daarnaast worden er sanitaire voorzieningen gerealiseerd. De camperplaatsen zijn volgens de Wgh geen geluidsgevoelige toetsing is dan ook niet noodzakelijk. In paragraaf 5.5 wordt ingegaan op de effecten van het kampeerterrein op de omgeving. Wat betreft de boerderijkamers wordt opgemerkt dat deze formeel gezien niet worden aangemerkt als geluidsgevoelig in het kader van de Wet geluidhinder. Echter, in specifieke situaties, kan er sprake zijn van uitzonderingen. Voorbeeld hiervan is de uitspraak ABRvS d.d. 29 februari 2012, nr. 201002029/1/T1/R2 dienen over recreatiewoningen: "Niet in geschil is dat de in het plan voorziene 350 recreatiewoningen weliswaar geen bescherming genieten ingevolge de Wet geluidhinder, maar dat dit niet betekent dat de recreatiewoningen in het geheel geen bescherming tegen geluidhinder toekomt. Gezien het feit dat de toegekende bestemming "Recreatie Verblijfsrecreatie" onder andere nachtverblijf toestaat, is naar het oordeel van de Afdeling sprake van een situatie waarin met een zekere regelmaat en gedurende langere tijd personen zullen verblijven in de recreatiewoningen.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening komt daarom aan de recreatiewoningen een zekere mate van bescherming tegen geluidhinder toe." Uit deze uitspraak blijkt dat in principe "elke situatie waarin met een zekere regelmaat en gedurende langere tijd personen zullen verblijven" als geluidgevoelig beschouwd kan worden. Dit betekent overigens niet dat deze situaties meteen grondig beschouwd dienen te worden of een hoog beschermingsniveau tegen geluid verdienen. Het geeft wel aan dat de motivering "een functie is niet geluidgevoelig" een te magere motivering is. Daarom worden de boerderijkamers hierna nader getoetst. 5.1.2.1 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen:

bestemmingsplan Buitengebied, Morsweg 5 Weerselo

35

De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2). Rondom het plangebied zijn uitsluitend wegen aanwezig waarbij sprake is van een (zeer) beperkte verkeersintensiteit. Het betreffen ontsluitingswegen die primair worden gebruikt door bestemmingsverkeer. Gelet op het vorenstaande kan er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat de geluidsbelasting LDEN op de boerderijkamers lager liggen dan de ambitie/voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Verder ligt ten noorden van het plangebied de Lemselosestraat. Het gaat hierbij om een doorgaande weg met een wettelijke geluidszone van 250 meter. Deze weg ligt op circa 300 meter van het plangebied. Hiermee is ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten omdat in de nabijheid van het plangebied geen spoorlijn aanwezig is. 5.1.2.3 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op het plangebied wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.1.3

Conclusie

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.2 Bodem 5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht. 5.2.2

Situatie plangebied

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren van boerderijkamers in bestaande bebouwing, 25 camperplaatsen en bijhorende sanitaire voorzieningen. De boerderijkamers worden gerealiseerd in een schuur welke is gelegen binnen de woonbestemming. Ook de sanitaire voorzieningen worden deels gerealiseerd binnen bestaande bebouwing. Voor wat betreft de boerderijkamers en de sanitaire voorzieningen wordt opgemerkt dat de gronden reeds zijn voorzien van een woonbestemming. Gelet hierop kan er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Bovendien is er ten aanzien van het realiseren van de boerderijkamers in beginsel geen sprake van bodemwerkzaamheden. Ten aanzien van de camperplaatsen wordt opgemerkt dat het hier uitsluitend gaat om het realiseren van een aantal camperplaatsen. Ook hiervoor is in beginsel geen sprake van bodemwerkzaamheden. Bovendien staan de verblijfsruimten in de campers niet in direct contact met de bodem. Gelet op het vorenstaande wordt het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. 5.2.3

Conclusie

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

36

bestemmingsplan Buitengebied, Morsweg 5 Weerselo

5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder andere de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor NO2 en PM10. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de functies die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt niet worden aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.

5.4 Externe veiligheid 5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: bestemmingsplan Buitengebied, Morsweg 5 Weerselo

37

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. De blauwe contour geeft het plangebied weer.

Afbeelding 5.1: Uitsnede risicokaart (Bron: Nederland.risicokaart.nl)

Zoals op afbeelding 5.1 is te zien loopt er nabij het plangebied een buisleiding. Het gaat hierbij om een ondergrondse kerosineleiding van de Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO). Verder zijn er in de (nabije) omgeving geen risicovolle inrichtingen/functies aanwezig. Ten aanzien van de ondergrondse kerosineleiding is een onderzoek uitgevoerd naar de effecten hiervan op het plangebied. Het volledige onderzoek is opgenomen Bijlage 2 van deze plantoelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. Plaatsgebonden risico 38

bestemmingsplan Buitengebied, Morsweg 5 Weerselo

Het plaatsgebonden risico van DPO-leidingen is kleiner dan PR 10-7 per jaar. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling. De PR 10-8 contour ligt op circa 10 meter uit het hart van de leiding. Het plangebied ligt hier voor een zeer beperkt deel binnen (zie afbeelding 5.2). Echter zijn hier geen risicogevoelige functies voorzien en gaat het om gronden die worden voorzien van een groenbestemming. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Afbeelding 5.2: Plangebied en plaatsgebonden risicocontour (Bron: AVIV)

Groepsrisico Afbeelding 5.3 toont het invloedsgebied van 30 meter aan weerszijden van de DPO-leiding. Binnen het invloedsgebied bevindt zich geen bebouwing. Er is daarom geen sprake van een groepsrisico.

bestemmingsplan Buitengebied, Morsweg 5 Weerselo

39

Afbeelding 5.3: Plangebied en invloedsgebied groepsrisico (Bron: AVIV)

Belemmeringenstrook Voor buisleidingen geldt een zogeheten belemmeringenstrook waarbinnen geen nieuwe bouwwerken opgericht mogen worden. In afbeelding 5.4 toont de belemmeringenstrook van 5 meter aan weerszijde van de kerosineleiding. Er is geen overlap met het plangebied.

Afbeelding 5.4: Plangebied en belemmeringenstrook (Bron: AVIV) 40

bestemmingsplan Buitengebied, Morsweg 5 Weerselo

5.4.3

Conclusie

Eén en ander brengt met zich mee dat het voornemen in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5 Bedrijven en milieuzonering 5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering'. Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zoals gesteld in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten'. Hierbij wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding, waarbij twee gebiedstypen te onderscheiden zijn, namelijk: 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woonen leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in het buitengebied. Hoewel rondom het plangebied naast wonen ook (agrarische) bedrijfspercelen aanwezig zijn, kan uit worden gegaan van de gebiedstype 'rustige woonwijk'. De in de omgeving aanwezige milieubelastende functies liggen namelijk op meer dan 100 meter van het plangebied. Hierna zijn bijbehorende richtafstanden weergegeven. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m

bestemmingsplan Buitengebied, Morsweg 5 Weerselo

41

4.2 5.1 5.2 5.3 6

300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

5.5.3

200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt, dient bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De beoogde boerderijkamers kan op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' het best worden vergeleken met de functie 'hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra'. De functie van de camperplaatsen kan op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' het best worden vergeleken met de functie 'kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)'. In onderstaande tabel is per functie aangegeven wat de milieucategorie het betreft en de daarbij behorende richtafstanden. Functie hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)

Milieucategori Geur (m) Stof (m) e 1 10 0 3.1

30

0

Geluid (m) 10

Gevaar (m)

50

30

10

Binnen een straal van 50 meter rondom de beoogde camperplaatsen en boerderijkamers zijn geen milieugevoelige functies van derden aanwezig. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende milieubelastende functies aanwezig, waaronder een aantal veehouderijen. Opgemerkt wordt dat voor veehouderijen, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur geldt. Bij veehouderijen zijn echter niet de richtafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. In deze paragraaf zullen de richtafstanden bij veehouderijen voor wat betreft het aspect geur buiten beschouwing blijven, maar worden wel de overige milieuaspecten behandeld. In paragraaf 5.6 wordt nader ingegaan op het aspect geur. Adres

Functie

Milieucategorie

Wolbertdijk 3-3a

Intensieve veehouderij Grondgebonden veehouderij Grondgebonden veehouderij Paardenhouderij

4.1

Stegmanweg 2 Morsweg 3-3A Morsweg 2-2A

42

3.2 3.2 3.1

bestemmingsplan Buitengebied, Morsweg 5 Weerselo

Grootste richtafstand 30 meter (stof) 50 meter (geluid) 30 meter (stof en geluid) 30 meter (stof en geluid) 30 meter (stof en geluid)

Feitelijke afstand 110 meter 290 meter 100 meter 190 meter

Lemselosestraat 8

Grondgebonden veehouderij

3.2

30 meter (stof en geluid)

180 meter

De genoemde afstanden zijn gemeten tussen het plangebied en het bouwvlak/bestemmingsvlak van de genoemde bedrijven. Op basis van vorenstaande tabel wordt geconcludeerd dat aan de richtafstanden wordt voldaan. Ter plaatse van het plangebied is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom worden omliggende milieubelastende functies niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.6 Geur 5.6.1

Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: 1. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en 2. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat de geurbelasting, binnen een concentratiegebied, op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. 5.6.2

Activiteitenbesluit milieubeheer

Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.3

Situatie plangebied

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren van boerderijkamers, camperplaatsen en bijhorende sanitaire voorzieningen. Ten aanzien van de camperplaatsen is het van belang om te bepalen of de camperplaatsen worden aangemerkt als een geurgevoelig object in het kader van de Wgv. Ingevolgde artikel 1 van de Wgv is een geurgevoelig object een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik wordt gebruikt. Gelet op het vorenstaande zijn de beoogde camperplaatsen niet aan te merken als een gebouw, waardoor de campersplaatsen niet worden aangemerkt als een geurgevoelig object in het kader van de Wgv. Een nadere toetsing aan de Wgv wordt in dit geval dan ook niet noodzakelijk geacht. Ten aanzien van de sanitaire voorzieningen is geen sprake van menselijk wonen of menselijk verblijf waar mensen permanent of een daarmee vergelijkbare wijze aanwezig kunnen zijn. Er is hiermee dan ook geen sprake van een geurgevoelig object in het kader van de Wgv. Een nadere toetsing aan de Wgv wordt in dit geval

bestemmingsplan Buitengebied, Morsweg 5 Weerselo

43

dan ook niet noodzakelijk geacht. Voor wat betreft de boerderijkamers wordt eveneens gesteld dat er geen sprake is van een geurgevoelig object. Op basis van jurisprudentie (ABRvS, 201104200/1/H1) wordt geconcludeerd dat wanneer er sprake is van het bieden van recreatief (nacht)verblijf voor beperkte duur, te weten een vakantieperiode van maximaal enkele achtereenvolgende weken, dat van permanent of daarmee gelijk te stellen gebruik voor menselijk verblijf geen sprake is, zodat daarmee geen sprake is van een geurgevoelig object in de zin van artikel 1 van de Wgv. De boerderijkamers zijn bedoeld voor het bieden van recreatieve overnachtingen voor een beperkte duur. In uitzondering gaat het hierbij om enkele achtereenvolgende weken. Een nadere toetsing aan de Wgv wordt in dit geval dan ook niet noodzakelijk geacht. 5.6.4

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.

5.7 Ecologie 5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Lemselermaten op een afstand van circa 1,3 kilometer van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van mogelijke toename van stikstofdeposities wordt opgemerkt dat de voorgenomen ontwikkeling zeer kleinschalig is. Gelet op de kleinschaligheid en afstand tot Natura 2000-gebieden wordt gesteld dat er geen sprake is van negatieve effecten ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Een stikstofberekening kan daarom achterwege gelaten worden. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet binnen het NNN. De dichtstbijzijnde gronden van het NNN liggen op circa 575 meter van het plangebied. Gezien de afstand tot het NNN en de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

44

bestemmingsplan Buitengebied, Morsweg 5 Weerselo

5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet er worden bekeken of hier een vrijstelling voor geldt anders moet er een ontheffing worden gevraagd. In voorliggend geval heeft Natuurbank Overijssel ter plaatse van het plangebied een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 3 van deze toelichting. 5.7.3.2 Situatie plangebied De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels. Beschermde grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vleermuizen bezetten geen vast rust- en voortplantingsplaats in het plangebied. Grondgebonden zoogdieren en amfibieën benutten het plangebied wel als foerageergebied. Vleermuizen benutten het plangebied niet als foerageergebied.

Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de noordelijk gelegen schuur gesloopt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af. 5.7.4

Conclusie

Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.8 Archeologie en cultuurhistorie 5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan dient de initiatiefnemer hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied In afbeelding 5.5 is een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Dinkelland weergegeven. Het plangebied is daarin met blauwe contour aangeduid.

bestemmingsplan Buitengebied, Morsweg 5 Weerselo

45

Afbeelding 5.5: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Dinkelland (Bron: gemeente Dinkelland) Het plangebied ligt in een gebied dat is aangemerkt als 'bufferzone rond erf'. Een archeologisch onderzoek is nodig bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 centimeter. Deze oppervlakte wordt niet overschreden. Bovendien zijn voor het aanleggen van campeerplaatsen geen bodemingrepen noodzakelijk. Wel wordt een bestaand bijgebouw gesloopt en een ander bijgebouw uitgebreid. Hierbij wordt de oppervlakte van 2.500 m2 niet benaderd. Een archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan/wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied en in de directe omgeving hiervan geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten, waarvan de cultuurhistorische waarden door voorliggend plan negatief zouden kunnen worden beïnvloed. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.

5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. 46

bestemmingsplan Buitengebied, Morsweg 5 Weerselo

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst).

Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 1,3 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.2.2 Drempelwaarde Besluit m.e.r. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk.

Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het toestaan van 25 camperplaatsen, drie boerderijkamers en bijhorende sanitaire voorzieningen op en bij een bestaand woonperceel aan de Morsweg 5 te Weerselo. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet (onevenredig) toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en Hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.9.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/691/documents/18894