Bestemmingsplan buitengebied, Frensdorferweg 37-41.pdf
Tekst van het document
4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets De voorgenomen ontwikkeling heeft tot gevolg dat de bestaande voorzieningen (zoals rijbakken en paddocks) binnen het bestemmingsvlak getrokken worden. De voorzieningen zijn niet aan te merken als geurgevoelige objecten. Het bestemmingsvlak komt door de uitbreiding echter niet dichterbij omliggende geurgevoelige objecten te liggen. Op basis van bovenstaande wordt geacht dat geur geen belemmering vormt voor het plan. Er blijft sprake van een goed woon- en leefklimaat.
4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.
Toets Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht: als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; het bouwwerk een te verwezenlijken bebouwingsoppervlakte heeft van ten hoogste 50 m²; als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder dan 2 uur gehanteerd; als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd). In oderhavige ontwikkeling worden manege-activiteiten en rijbakken/paddocks gelegaliseerd. Er worden geen bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
29
bouwwerken toegevoegd. Derhalve is geen bodemonderzoek nodig.
4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.
in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh).
30
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
Figuur 4.2: Wegverkeerslawaai bedrijfswoningen In figuur 4.2 is een fragment van de geluidskaart opgenomen waarin het wegverkeerslawaai is weergegeven. Er worden geen geluidsgevoelige objecten toegevoegd waarmee geconcludeerd kan worden dat het wegverkeerslawaai geen belemmering vormt voor de planontwikkeling. De aspecten railverkeerslawaai en industrielawaai spelen in dit bestemmingsplan geen rol.
4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
31
kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Het voorliggende plan omvat het toekennen van de functie manege-activiteiten aan een bestaande gebruiksgerichte paardenhouderij waarbij tevens rijbakken en paddocks gelegaliseerd worden. Manege-activiteiten hebben een verkeersaantrekkende werking vanwege activiteiten zoals lesgeven aan derden waardoor verkeersbewegingen van en naar de paardenhouderij zijn ontstaan.
Deze verkeersbewegingen zijn in de plaats gekomen van pension klanten. Uitgaande van een worst-case scenario rekenen we met 20 boxen x 4 verkeersbewegingen = een weekdaggemiddelde van 80 verkeersbewegingen per etmaal.
Figuur 4.3: NIBM-tool (bron: Infomil.nl)
4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Naast de bovengenoemde wetgeving zijn tevens de volgende AMvB's, Ministeriële Regelingen en/of circulaires van toepassing op de externe veiligheid: 32
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
Activiteitenbesluit milieubeheer. In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations. De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde ongevalsscenario's staan centraal. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. Deze beleidsregels geven een overzicht van de over de weg vervoerde gevaarlijke stoffen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.
Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
33
Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl) Toets Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 3.5 km van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. 34
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem. Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling.
De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe. Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker.
De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting. Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem.
Watertoetsproces Op 22 maart 2023 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 2. Op basis van het invullen van de watertoets is de normale procedure van toepassing. Het plangebied valt binnen het onderdeel 'gewijzigd klimaat'. Het betreft agrarische gronden die als zodanig in gebruik zullen blijven. Vechtstromen is geïnformeerd over de wijze waarop het plan verder zal worden voorbereid. bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
35
4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gronden die tot het NNN behoren liggen op minimaal 1.45 km afstand van het plangebied. Natura 2000-gebied Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op minimaal 1.2 km afstand (Bergvennen & Brecklenkampse Veld). Het toevoegen van de manege-activiteiten met trainingswedstrijden aan de bestaande gebruiksmogelijkheden van de gebruiksgerichte paardenhouderij hebben een kleine, dan wel tijdelijke toename van verkeer tot gevolg. Voor het toevoegen van de manege-activiteiten is geen toename van verkeersbewegingen verwacht daar de hoeveelheid boxen niet wordt verhoogd. De 20 boxen voor pensionpaarden die minimaal 1 maal per dag bezocht worden, worden ingezet voor manege paarden.
Daar de manege-activiteiten een ondergeschikte activiteit aan de hoofdfunctie zijn, worden deze paarden niet iedere dag door een klant bereden. Derhalve wordt geacht dat er per saldo geen toename aan verkeerswegingen is. De trainingswedstrijden zullen voor ca. 8 keer per jaar voor een toename aan verkeersbewegingen zorgen, namelijk 192 verkeersbewegingen per etmaal op een wedstrijddag.Uit vergelijkbare projecten die in de periode 2019 tot en met 2021 zijn uitgevoerd, en beoordeeld door de ODT, is gebleken dat bij veel bouwprojecten of bestemmingsplannen de aanleg- en gebruiksfase geen stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Gezien de afstand van het projectgebied tot aan dit Natura 2000gebied (1.2 kilometer) en de aard van de ontwikkeling is het aannemelijk dat voorliggend project geen significant negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie zal veroorzaken op Natura 2000-gebieden. Een gedetailleerd onderzoek naar stikstofdepositie wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.
Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats, bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats en bezetten vleermuizen er een verblijfplaats. Het voorliggende plan omvat het toekennen van de functie manege-activiteiten aan een bestaande gebruiksgerichte paardenhouderij waarbij tevens rijbakken, paddocks en een parkeerplaats gelegaliseerd worden. Als gevolg van dit bestemmimgsplan worden er op het terrein dus geen werkzaamheden uitgevoerd waarbij bebouwing of groen verwijderd wordt. Op basis hiervan is er dus geen aantasting van het leefgebied voor beschermde flora en fauna, daarnaast is de invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling lokaal. Op basis van deze gegevens wordt geacht dat de Wnb de uitvoerbaarheid van het BP niet in de weg staat.
4.10
Archeologie en Cultuurhistorie
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.
36
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie De gemeente Dinkelland beschikt over een Archeologische verwachtings- en advieskaart. Deze is opgenomen in onderstaande figuur.
Figuur 4.6: uitsnede archeologische verwachtingenkaart ter plaatse van de Frensdorferweg 37-41 te Lattrop-Breklenkamp (bron: gemeente Dinkelland) Het plangebied aan de Frensdorferweg is aangemerkt als 'beekdalen en overige laagten'. De verwachting is laag voor archeologische resten uit alle perioden. Hoofdzakelijk archeologische resten die in verband staan met beekdalgebonden activiteiten, zoals bruggen, voordes, watermolens etc. en mogelijk archeologische resten, bijvoorbeeld afvaldumps, die in verband staan met bewoning op nabij gelegen, hoge gronden. Verder diverse categorieën losse vondsten. Er bestaat vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm m.u.v. gebieden met een lage verwachting binnen plangebieden met meerdereverwachtingszones, en plangebieden met een lage verwachting die grenzen aan terreinen met waardevolle archeologische resten. Toets Het voorliggende plan omvat het toekennen van de functie manege-activiteiten aan een bestaande gebruiksgerichte paardenhouderij waarbij tevens rijbakken en paddocks gelegaliseerd worden. Er bestaat vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Er is dus geen onderzoek nodig. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn.
Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van de plangebieden geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn waarop het bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
37
voorliggende plan mogelijk een negatieve impact heeft. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
4.11
Verkeer / parkeren
Zoals eerder uiteengezet is het hippische centrum, genaamd de Meyboom, een familiebedrijf die zich bezig houdt met het (op)fokken van paarden, het africhten en het opleiden van getalenteerde sportpaarden en manege-activiteiten. Daarnaast heeft men een pensionstal en worden eigen paarden tevens gebruikt voor manege-activiteiten. Op het erf is ook een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, in de vorm van een kleinschalige kinderopvang, aanwezig. De initiatiefnemer is voornemens de activiteiten die nu op het hippische centrum bestaan te continueren. Geconstateerd is dat enkele activiteiten en voorzieningen niet in overeenstemming zijn met het geldende bestemmingsplan. Met het oog op een toekomstbestendig bedrijf willen initiatiefnemers het juridische kader in overeenstemming brengen met de feitelijke situatie ter plaatse. Oftewel de bestaande planologische mogelijkheden voor de gebruiksgerichte paardenhouderij uitbreiden met manege-activiteiten waaronder trainingswedstrijden. Parkeren Om de benodigde aantal parkeerplaatsen van de planontwikkeling, tevens bestaande situatie, te berekenen is de werkwijze conform de beleidsnotitie 'bouwen en parkeren' van de gemeente Dinkelland gehanteerd. In deze nota zijn voor verschillende functies parkeernormen vastgelegd om de parkeerbehoefte van een voorziening te kunnen bepalen.
Het plangebied kent in de huidige situatie als paardenhouderij een parkeerbehoefte. In de toekomstige situatie zal de parkeerbehoefte gelijk zijn met de huidige situatie gezien de legaliserende aard van dit bestemmingsplan. Voor de functie 'gebruiksgerichte paardenhouderij' is geen specifieke parkeerbehoefte aangegeven. Gezien de aard van de activiteiten bij een gebruiksgerichte paardenhouderij is dit gebruik met benodigde hoeveelheid parkeerplaatsen vergelijkbaar met de functie 'manege', waar in het CROW tevens paardenhouderij mee bedoeld wordt. De planologische wijziging betreffende het toevoegen van de functie 'manege-activiteiten' aan de gebruiksgerichte paardenhouderij is niet van invloed op de benodigde hoeveelheid parkeerplaatsen omdat in dit geval de hoeveelheid paarden en daarmee boxen niet toeneemt. In onderstaande onderbouwing is rekening gehouden met de verschillende activiteiten op het erf waarvoor een parkeerbehoefte bestaat om aan te tonen dat er voldoende parkeerplaatsen zijn. Gebruiksgerichte paardenhouderij Conform de beleidsnotitie heeft een manege in de rest bebouwde kom een parkeerbehoefte van 0.4 parkeerplaats per box. De locatie van de paardenhouderij ligt in het buitengebied.
De parkeerbehoefte van een manege (paardenhouderij) conform de CROW in het buitengebied in niet stedelijk gebied betreft tussen de 0.3 en 0.5, gemiddeld 0.4, parkeerplaatsen per box. In de huidige situatie zijn 86 volwassen paarden aanwezig waarvan er ca. 50 in een enkele box staan, dus totaal 50 boxen, waarvan 20 paarden en dus 20 boxen worden ingezet voor het manege werk. De overige 30 paarden staan in boxen ten behoeve van pensionstalling of eigen paarden in training. In beide gevallen is er sprake van bezoekers voor het verzorgen en berijden van het paard. Derhalve is dit een vergelijkbare functie voor het aspect 'parkeren'. De overige paarden die worden gehouden staan in groepsstalling en/of staan in opfok. Deze overige paarden worden fors minder bezocht dan de paarden in de boxen. Bovendien betreft het ook paarden in eigendom van het bedrijf. Hiervoor wordt een parkeerplaats van 0.1 per paard aangehouden. Dat houdt in dat er minimaal 50 x 0.4 pp = 20 parkeerplaatsen op het terrein aanwezig dienen te zijn voor de paarden in boxen. 75 x 0.1 pp = 7.5 parkeerplaatsen voor de overige paarden. Op het terrein zijn er 33 parkeerplaatsen aanwezig. Er is een restcapaciteit van 5 parkeerplaatsen. 17 parkeerplaatsen op het parkeerterrein ten zuiden van de buitenrijbakken en 16 parkeerplaatsen op het middenterrein.
De overige ruimte op het middenterrein wordt ingezet voor het laden en lossen van materialen door leveranciers van voer e.d. Trainingswedstrijden (manege-activiteiten) Op wedstrijddagen is redelijkerwijs tijdelijk meer parkeergelegenheden benodigd. Tijdens wedstrijddagen is het evenement de enige activiteit op het erf. Er kunnen dan geen lessen of andere activiteiten plaatsvinden omdat de voorzieningen gebruikt worden voor het evenement. De parkeerplaatsen op het middenterrein worden dan gebruikt voor auto's met trailer of paardenvrachtwagens. Er is plek voor 16 lange voertuigen bestaande uit hoofdzakelijk een auto met paardentrailer. Deze parkeerplaatsen zijn ruim opgezet met een afmeting van 3.5 m x 12 m. Op een dag starten er ca. 80 deelnemers. Gemiddeld zijn er 10 deelnemers per uur aanwezig op het terrein. Er wordt daarmee voldoende ruimte geboden aan parkeervoorzieningen voor deelnemers aan de 38
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
evenementen. Bezoekers tijdens evenementen kunnen gebruik maken van de parkeerplaatsen ten zuiden van de buitenrijbakken. Doorgaans komt er één bezoeker per 5 combinaties wat een parkeerbehoefte geeft van 80 / 5 = 16 parkeerplaatsen. Bezoekers zijn vaak slechts een deel van de dag aanwezig. Op de parkeerplaats ten zuiden van de buitenrijbak zijn 17 plekken. Op eigen terrein is daarmee voldoende ruimte voor parkeren. Bedrijfswoningen Daarnaast zijn er twee bedrijfswoningen aanwezig welke conform het CROW een parkeerbehoefte hebben van 2.4 parkeerplaatsen per vrijstaande woning in buitengebied in niet stedelijk gebied. Bij iedere woning zijn minimaal 3 parkeerplaatsen aanwezig. Kleinschalige bedrijfsmatige activiteit (kinderopvang) De kleinschalige kinderopvang staat niet als zodanig genoemd in de beleidsnotitie. De kinderopvang is vergelijkbaar met een kinderdagverblijf. Per 100 m2 bvo heeft een kinderdagverblijf een parkeerbehoefte van 1.4 - 1.6 parkeerplaatsen. De kleinschalige kinderopvang heeft een oppervlakte van 50 m2 en dat betreft de helft van de norm a 0.7 - 0.8 parkeerplaats. In de praktijk zal er sprake zijn van het halen en brengen van kinderen en zijn er vrijwel geen parkeerplaatsen nodig. Er zijn meerdere parkeerplaatsen voor de kinderopvang aanwezig op de parkeerplaats ten zuiden van de buitenrijbakken.
Op onderstaande afbeelding zijn de parkeerplaatsen weergegeven.
Figuur 4.7: inrichting erf met parkeerplaatsen (bron: Bijkerk C.S.) Resumerend voorziet het plan in voldoende parkeercapaciteit om de parkeervraag van het initiatief, tevens bestaande situatie, op te vangen.
Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Frensdorferweg. Het betreft een 60 km/h weg in het buitengebied van Lattrop. Het erf kent 3 inritten die het erf ontsluiten. In figuur 4.9 zijn deze ontsluitingen weergegeven. Er is een ontsluiting (1) bij de parkeerplaats ten zuiden van de buitenrijbakken, tevens inrit naar het kantoor en de bedrijfswoning. De middelste (2) in- uitrit geeft toegang tot de centrale erfruimte. Ten oosten van de schuur aan de weg is de derde inrit aanwezig. Deze in- en uitrit zal worden verplaatst vanuit praktisch oogpunt en veiligheid. Ten oosten van de tweede bedrijfswoning zal de derde inrit worden gesitueerd. De inrit zal gebruikt worden voor groot verkeer zodat de centrale erfruimte en de buitenruimtes tussen rijhal en paardenstallen vrijgehouden worden van groot verkeer. De Meyboom is reeds een gebruiksgerichte paardenhouderij. Om de verkeersaantrekkende werking van van de Meyboom en de planologisch toe te voegen manege activiteiten te bepalen wordt aangesloten bij de CROW (publicatie december 2018). De gebruiksgerichte paardenhouderij, de manege-activiteiten en bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
39
trainingswedstrijden, de bedrijfswoningen en het bedrijf aan huis zullen worden meegenomen in de weergave van de verkeersbewegingen. De voorgenomen ontwikkeling omvat in de praktijk geen wijzingen van invloed op verkeersbewegingen, het betreft immers de reeds bestaande situatie. De planologische wijziging van invloed op de verkeersbewegingen bestaat uit het toevoegen van manege-activiteiten, waaronder trainingswedstrijden. Gebruiksgerichte paardenhouderij In de handreiking CROW is de verkeersaantrekkende werking van een manege (paardenhouderij) vastgesteld op vier verkeersbewegingen van en naar de manege per (bezette)box/per paard per dag. 30 boxen worden gebruikt voor pensionstalling en stalling van eigen paarden. Dat betekent een weekdaggemiddelde van 120 verkeersbewegingen per etmaal. De overige paarden worden in groepsstalling gehouden en/of opfok. Deze paarden worden 1 keer per week bezocht, dat geeft een verkeersgeneratie van 2 verkeersbewegingen per week, afgerond 0.3 verkeersbewegingen per paard per dag. Dat geeft voor 75 paarden 0.3 x 75 = 22.5 verkeersbewegingen per etmaal. De afgelopen jaren heeft de gebruiksgerichte paardenhouderij zich meer toegespitst op manege-activiteiten waardoor de opfok een fors kleiner bedrijfsonderdeel is geworden van de bedrijfsvoering. Voorheen stonden er ruim 250 paarden in opfok van hoofdzakelijk derden.
Dat betekent een afname van 175 x 0.3 = 52.5 verkeersbewegingen per etmaal over de afgelopen jaren. Manege-activiteiten In de handreiking CROW is de verkeersaantrekkende werking van een manege (paardenhouderij) vastgesteld op vier verkeersbewegingen van en naar de manege per box per dag. Voor de manege-activiteiten zijn circa 20 boxen in gebruik die voorheen in gebruik waren voor pensionstalling. 30 boxen worden gebrukt voor pensionstalling en stalling eigen paarden. Voor de manege boxen betekent dat een weekdaggemiddelde van 80 verkeersbewegingen per etmaal. Deze aantallen zijn vrij fors daar de de rijlessen aan derden slechts een paar dagdelen in de week plaatsvinden en bovendien niet alle manege paarden iedere dag ingezet worden. In de praktijk zullen de verkeersbewegingen lager uitvallen dan de berekening laat zien. De 20 boxen zullen bovendien niet meer ingezet kunnen worden voor pensionstalling waardoor de verkeersbewegingen die daarmee gepaard gaan in vermindering kunnen worden gebracht met ca. 2 verkeersbewegingen per box per dag. Dat betekent per saldo een toename van 40 verkeersbewegingen per etmaal (weekdaggemiddelde). Verwacht wordt dat de hoeveelheid verkeer vanwege de planologische wijziging gelijk blijft daar er sprake is van een ondergeschikte activiteit en vanwege de eerder genoemde punten.
Desondanks zal een (beperkte) toename van verkeersbewegingen eenvoudig via de huidige weg worden afgewikkeld. Trainingswedstrijden (manege-activiteiten) Op wedstrijddagen zijn er redelijkerwijs meer verkeersbewegingen van en naar het erf dan op een gemiddelde weekdag. Op wedstrijddagen zijn er echter geen andere manege-activiteiten die verkeer genereren. Op een dag zijn er ca. 80 deelnemers op het terrein wat zorgt voor 160 verkeersbewegingen per etmaal. Gemiddeld zijn er 10 combinaties per uur aanwezig op het terrein. Per uur zullen er dan ook 10 combinaties op/van het erf arriveren en vertrekken. Op een wedstrijddag komen er 16 bezoekers met een verkeersgeneratie van 16 x 2 (aankomst en vertrek) = 32 verkeersbewegingen per etmaal. Per jaar zullen er ca. 8 wedstrijddagen zijn. Bedrijfswoningen Daarnaast zijn er twee bedrijfswoningen aanwezig welke conform het CROW een verkeersgeneratie kennen van 7,8 - 8,6 verkeersbewegingen per vrijstaande woning in buitengebied in niet stedelijk gebied. Er zijn dus maximaal 2 x 8.6 = 17,2 verkeersbewegingen per etmaal. Kleinschalige bedrijfsmatige activiteit (kinderopvang) De kleinschalige kinderopvang staat niet als zodanig genoemd in de beleidsnotitie. De kinderopvang is vergelijkbaar met een kinderdagverblijf. Per 100 m2 bvo heeft een kinderdagverblijf een verkeersgeneratie van 34,9 - 39,9 verkeersbewegingen, incl. kiss & ride.
De kleinschalige kinderopvang heeft een oppervlakte van 50 m2 en dat betreft 17,5 - 20 verkeersbewegingen per etmaal. Verkeersafwikkeling Het plangebied wordt ontsloten via de Frensdorferweg. Het betreft een 60 km/h weg in het buitengebied van Lattrop. In oostelijke richting gaat de weg over in een zandpad voor langzaam verkeer en sluit de weg aan op de Breemorsweg en de Rammelbeekweg. In westelijke richting gaat de Frensdorferweg richting Tilligte en sluit de weg aan op de Disseroltweg richting Lattrop of Noord-Deurningen. Onderstaande afbeelding toont de 40
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
ontluitingsstructuur van het plan voor gemotoriseerdverkeer (in oranje) en langzaam verkeer (blauw). Met de beschikbare mogelijkheden kent het plangebied een goede verkeerskundige ontsluitingsstructuur voor alle modaliteiten.
Figuur 4.8: Verkeersontsluiting gemotoriseerd verkeer (oranje) en langzaam verkeer (blauw) Afbeelding 4.9 geeft de inritten van de paardenhouderij weer en de routes van de voertuigen op het erf. De deelnemers aan de manege-activiteiten en bezoekers van de gebruiksgerichte paardenhouderij kunnen op het perceel rond rijden en vervolgens via dezelfde in-en uitritconstructie het perceel weer verlaten. Dit geldt ook voor de gebruikers van inrit 1 met de aansluitende voorzieningen. Inrit 3 geeft toegang tot de tweede bedrijfswoning en de centrale erfruimte. Vanaf het erf is er voldoende zicht op de weg voor een veilige afwikkeling van het verkeer. Hierdoor zal er geen sprake zijn van opstoppingen of drukte (parkeren) in de openbare ruimte. Er wordt dan ook geen onaanvaardbare verkeerhinder ondervonden worden door omliggende bewoners. De ontsluitende wegen en kruispunten in en om het plangebied voldoen aan de inrichtingseisen die passend bij de functie en het gebruik van de betreffende wegen. Met de ontsluitingsstructuur wordt voorzien in een acceptabele ontsluiting van de Meyboom.
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
41
Figuur 4.9: Verkeersontsluiting van en naar het bedrijf Het toevoegen van manege-activiteiten aan het planologische kader van de gebruiksgerichte paardenhouderij zal in de praktijk geen extra verkeersbewegingen tot gevolg omdat het reeds een bestaande situatie betreft welke gelegaliseerd wordt. Planologisch zal het omzetten van de 20 boxen van pensionstal naar 'manege stal' per saldo geen extra verkeersbewegingen met zich meebrengen. De diverse ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om een dergelijke incidentele kleine verhoging, dan wel de bestaande, verkeersbewegingen kunnen afwikkelen. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan.
42
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2 Toelichting op de regels 5.2.1
Opbouw
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.
Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
43
om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.
De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen Agrarisch - 1 De gronden binnen de bestemming ‘Agrarisch - 1’ hebben als hoofdfunctiede uitoefening van de agrarische functie in combinatie met het behoud en ontwikkeling van landschappelijke waarden en natuurwaarden. De aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf' is verwijderd daar er geen sprake is van een agrarisch bedrijf op het naastgelegen perceel. Bedrijf - Paardenhouderij Het bestemmingsvlak van de paardenhouderij aan de Frensdorferweg 37-41 zal uitgebreid worden ter plaatse van de rijbakken en paddocks. De bestemming ziet op een regeling voor de gebruiksgerichte paardenhouderijen. Bij een gebruiksgerichte paardenhouderij staat het gebruik van de paarden voorop, dat wil zeggen het gebruik ten behoeve van recreatie en sport. Manege-activiteiten zullen worden toegevoegd aan het planologische kader van deze paardenhouderij. 44
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
45
46
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
47
48
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 4, waardoor vooroverleg niet nodig is. Waterschap Vechtstromen Op 22 maart 2023 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.
7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 22 december 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
49
50
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
Bijlagen bij toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
51
Bijlage 1 KGO
52
Ruimtelijk kwaliteitsplan
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
KGO-plan Aanbrengen grote kikkerpoel. en populieren
Gebied basisinspanning bestaande bebouwing
51
won. 1
won. 2
37 17 x P
erf
Stal de Meyboom e.o.
TUIN
39
TUIN
TUIN
Frensd
orferwe
g
pd a tge e oe t nde deel S aal o maat Dat m e eningnaam
Stal Meyboom ands appeli e inpassing o e i t basis en G
M
no embe M .D G
won. 1
37 17 x P
erf
TUIN
39
TUIN
TUIN
Frensd orferwe
g
De Meyboom pd a tge e oe t nde deel S aal o maat Dat m e eningnaam
De Meyboom e einin i ting aatplan
M
septembe M .D G
MEYBOOM BEPLANTING BASIS GROEP
15-11-2023
1
NR
ST NAAM
EIG
TYP
%
OPP
RYL
74
15 Alnus glutinosa
-
-
75
35 Corylus avellana
-
-
77
10 Crataegus monogyna
-
-
76
20 Frangula alnus
-
-
78
10 Prunus padus
-
-
79
10 Sorbus aucuparia
-
-
15
48,91
21,06 1.50
0,29
80-100 bospl.
35
114,12
49,13 1.50
0,29
80-100 bospl.
10
32,6
14,04 1.50
0,29
80-100 bospl.
20
65,21
28,08 1.50
0,29
80-100 bospl.
10
32,6
14,04 1.50
0,29
80-100 bospl.
10
32,6
14,04 1.50
0,29
80-100 bospl.
100 Overzicht voor 'GRP' = 1 (6 detailrecords)
GROEP NR
ST NAAM 2 Hoogstam fruitbomen
EIG
TYP
%
-
-
100
2 Overzicht voor 'GRP' = 2 (1 detailrecord)
NR 72
140,39
OPP
RYL
DI
MAAT
m1.
2
73
GROEP
326,04 m2.
PA
PA
0
0 0
0 m2.
0
DI
MAAT
0
16-18 laanb. mk.
DI
MAAT
0
16-18 laanb. mk.
m1.
3 ST NAAM 6 Tilia cordata 'Greenspire'
EIG
TYP
%
-
-
100
6 Overzicht voor 'GRP' = 3 (1 detailrecord) Eindtotaal
woensdag 15 november 2023
OPP
RYL
PA
0
0 0
0 m2.
0
m1.
326,04 m2.
Pagina 1 van 1
KGO-plan Aanbrengen grote kikkerpoel. en populieren
Gebied basisinspanning bestaande bebouwing
51
won. 1
won. 2
37 17 x P
erf
Stal de Meyboom e.o.
TUIN
39
TUIN
TUIN
Frensd
orferwe
g
pd a tge e oe t nde deel S aal o maat at m e eningnaam
Stal Meyboom ands appeli e inpassing o e i t basis en G
M
no embe M .
G
bestaande bebouwing
Stal de Meyboom e.o. pd a tge e oe t nde deel S aal o maat at m e eningnaam
won. 1
Stal Meyboom ands appeli e inpassing eplantingsplan G
M
no embe M .
G
MEYBOOM BEPLANTING KGO GROEP NR 53
15-11-2023
4 ST NAAM 5 Populus tremula
EIG
TYP
%
-
-
100
5 Overzicht voor 'GRP' = 4 (1 detailrecord) Eindtotaal
woensdag 15 november 2023
OPP
RYL
PA
0
0 0
0 m2.
0
DI
MAAT
0
6-8 POOT 3 meter
m1.
0 m2.
Pagina 1 van 1
Bijlage 2
Watertoets
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
59
Digitale Watertoets
Digitale watertoets De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen van het Waterschap raakt. Indien dit het geval is krijgt u tekst en uitleg over het vervolg proces.
Op basis van de check is onderstaande nodig 1. Normale procedure
Op basis van onderstaande locatie
22-03-2023 11:15
1
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets
Vragen en antwoorden uit de check Gaat het om een ruimtelijk plan dat uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing inhoudt?
nee
Worden in het plan meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd?
nee
Is er in of rondom het plangebied sprake van wateroverlast of grondwateroverlast?
nee
Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwing en bestrating toe met meer dan 1500m2?
nee
Wordt op het perceel hemelwater (HWA) en afvalwater nee (DWA) verzameld in dezelfde rioolbuis? Maakt het plan deel uit van een groter plan dat in ontwikkeling is?
nee
Worden er op bedrijfsmatige wijze activiteiten verricht nee waardoor het verharde oppervlak verontreinigd raakt? Bedraagt het verschil tussen de hoogte van de weg en nee de bovenzijde van de begane-grondvloer minder dan 30 centimeter? Bedraagt het verschil tussen de GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand) en de bovenzijde van de begane-grondvloer minder dan 80 centimeter?
nee
bargerveen
nee
beekherstel
nee
grondwaterbes_en_stiltegebied
nee
ruimtevoorvecht
nee
verbodszone diepe boringen
nee
zoekgebied
nee
primaire watergebieden
nee
RWZI
nee
strokenkaart
nee
persleidingen
nee
rioolgemalen
nee
keurzone
nee
gewijzigd klimaat
ja
huidig klimaat
nee
22-03-2023 11:15
2
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets
Details 1. Normale procedure Wat moet ik doen?
22-03-2023 11:15
3
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets datum dossiercode
Geachte heer/mevrouw ,
U heeft het Waterschap Vechtstromen geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de Normale procedure van het watertoetsproces moet worden doorlopen.
Watertoetsproces:
Op grond van artikel 12 uit het besluit op de ruimtelijke ordening moeten ruimtelijke plannen zijn voorzien van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Bij het watertoetsproces gaat het om het hele proces van vroegtijdig meedenken, informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterschap Vechtstromen kijkt wat de invloed van het plan op de waterhuishouding is en geeft een wateradvies. Daarbij toetst het waterschap het plan aan het voorkeursbeleid dat is geformuleerd. Voor het verdere proces is het van belang om de RO adviseur van het waterschap te betrekken bij het plan. Wij verzoeken u ons te informeren over de wijze waarop het plan verder zal worden voorbereid. Daarvoor kunt u contact opnemen met de, voor desbetreffende gemeente, aangewezen RO adviseur.
Ben van Veenen b.van.veenen@vechtstromen.nl • • •
gemeente Hardenberg gemeente Losser gemeente Ommen
Frits Huttenhuis f.huttenhuis@vechtstromen.nl • • • •
gemeente Borne gemeente Coevorden gemeente Hellendoorn gemeente Oldenzaal
Els Boerrigter e.boerrigter@vechtstromen.nl • • •
gemeente Dinkelland gemeente Enschede gemeente Tubbergen
Heral Hesselink h.hesselink@vechtstromen.nl • • •
gemeente Almelo gemeente Rijssen-Holten gemeente Wierden
Henry Legtenberg h.legtenberg@vechtstromen.nl • • •
gemeente Borger-Odoorn gemeente De Wolden gemeente Emmen
22-03-2023 11:15
4
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets • • •
gemeente Hoogeveen gemeente Midden-Drenthe gemeente Twenterand
Tom Pikkemaat T.pikkemaat@vechtstromen.nl • • • •
gemeente Berkelland gemeente Haaksbergen gemeente Hengelo gemeente Hof van Twente
Telefonisch bereikbaar via mailverzoek of algemeen telefoonnr. 088-2203333.
Algemene info: In de procedurebepalingen van de Wro voor het bestemmingsplan is opgenomen dat de kennisgeving wordt toegezonden aan de instanties die bij het overleg zijn betrokken. De terinzagelegging van het bestemmingsplan kunt u zenden aan kennisgevingwro@vechtstromen.nl.
Copyright Digitale watertoets - http://www.dewatertoets.nl//. Dit document is gegenereerd via de website http:// www.dewatertoets.nl//. Het document mag alleen worden gebruikt ten behoeve van het plan, dat in dit document is omschreven. De informatie in dit document is houdbaar tot maximaal 1 jaar, gerekend vanaf de genoemde datum in dit document.
22-03-2023 11:15
5
https://dewatertoets.nl
Regels
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
65
66
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
plan
Het bestemmingsplan "Buitengebied, Frensdorferweg 37-41" met identificatienummer NL.IMRO.1774.BUIBPFRENSDORFWG-VG01 van de gemeente Dinkelland. 1.2
bestemmingsplan
De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
aan-huis-verbonden beroep
een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch, of hiermee gelijk te stellen gebied, uitgezonderd prostitutie, dat in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend door de gebruiker, waarbij het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.4