Bestemmingsplan buitengebied, Frensdorferweg 37-41.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
Status: vastgesteld
Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):
vastgesteld NL.IMRO.1774.BUIBPFRENSDORFWGVG01
Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 De bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer
7 7 7 8 9 9
Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
11 11 12
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.3 Gemeentelijk beleid
13 13 14 21
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Milieuzonering 4.3 Geur 4.4 Bodem
27 27 28 29 29
4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
30 31 32 34 36 36 38
Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Water Ecologie Archeologie en Cultuurhistorie Verkeer / parkeren
Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Planopzet en systematiek 5.2 Toelichting op de regels
43 43 43
Hoofdstuk 6
47
Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg 7.2 Zienswijzen
49 49 49
Bijlagen bij toelichting
51
Bijlage 1
Ruimtelijk kwaliteitsplan KGO
52
Bijlage 2
Watertoets
59
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 2
65 Inleidende regels Begrippen
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
67 67
Artikel 2
Wijze van meten
73
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4
Bestemmingsregels Agrarisch - 1 Bedrijf - Paardenhouderij
75 75 78
Hoofdstuk 3 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
83 83 84 85 86 87
Hoofdstuk 4 Artikel 10 Artikel 11
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
89 89 90
Bijlagen bij regels
91
Bijlage 1
Ruimtelijk kwaliteitsplan KGO
92
Bijlage 2
Specifieke toetsingscriteria ondergeschikte tweede tak of deeltijdfunctie
99
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
3
4
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
Toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
5
6
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding Op de locatie Frensdorferweg 37-41 te Lattrop-Breklenkamp, gelegen in het buitengebied van de gemeente Dinkelland, is een paardenhouderij gevestigd. Op het perceel is een gebruiksgerichte paardenhouderij aanwezig die zich richt op het gebruik van paarden en pony's voor de recreatie en de sport. Sinds de nieuwe generatie in het familiebedrijf een grotere rol is gaan spelen in de bedrijfsvoering, hebben er een aantal ontwikkelingen plaatsgevonden die o.a. hebben geleid tot activiteiten waarvan nu kan worden gezegd dat deze kunnen worden toegekend aan de definitie van manege-activiteiten. Door de jaren heen is er toename in ruiters, zowel kinderen als volwassenen, die lessen komen volgen en deelnemen aan evenementen, wedstrijden en toernooien. In het verleden zijn enkele voorzieningen op de vraag aangepast. De initiatiefnemer is voornemens de activiteiten die nu op het hippische centrum bestaan te continueren. Geconstateerd is dat enkele activiteiten en voorzieningen niet in overeenstemming zijn met het geldende bestemmingsplan. Met het oog op een toekomstbestendig bedrijf willen initiatiefnemers het juridische kader in overeenstemming brengen met de feitelijke situatie ter plaatse. Oftwel de bestaande planologische mogelijkheden voor de gebruiksgerichte paardenhouderij uitbreiden met manege-activiteiten waaronder trainingswedstrijden.
Activiteiten waarbij paarden en pony's ingezet worden voor volwassenen en kinderen met een publieksgericht karakter zullen opgenomen worden in het planologische kader. Enkele voorzieningen, rijbak en paddocks, noodzakelijk voor de bedrijfsvoering van de gebruiksgerichte paardenhouderij, liggen momenteel buiten het bestemmingsvlak. Middels voorliggend bestemmingsplan zullen de activiteiten en voorzieningen gelegaliseerd worden.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Ligging Het plangebied bestaat uit de gronden behorende bij het bedrijf, paardenhouderij de Meyboom, aan de Frensdorferweg 37-41 te Lattrop Breklenkamp. Het plangebied ligt op ca. 800 meter ten zuidoosten van de kern Lattrop-Breklenkamp. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie L, perceelsnummers 1296, 1402 en gedeeltelijk 1149. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: atlasvanoverijssel.nl) De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.1 weergegeven (blauw omkaderd). In dit figuur is een topografische kaart weergegeven waarop de paardenhouderij te zien is. De plangrenzing komt overeen met de huidige bestemmingsplangrenzen van het bedrijf en de aangrenzende te legaliseren voorzieningen. Zie de verbeelding voor de exacte begrenzing van het plangebied.
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
7
1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor de Frensdorferweg 37-41 in Lattrop-Breklenkamp geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10 ' waarbij een gedeelte van de bijbehorende paardrijbakken en paddocks valt binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010'. Het bestemmingplan 'Buitengebied, Peddemorsweg 6-8, Frensdorferweg 37-39-41 en Bellinckhofweg 10 ' is door de gemeenteraad van Dinkelland op 12 juli 2022 vastgesteld. Het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' is door de gemeenteraad van Dinkelland op 18 februari 2010 gewijzigd vastgesteld en is op 26 juli 2010 in werking getreden. Op 20 april 2012 is het bestemmingsplan onherroepelijk geworden. In figuur 1.2 is een fragment uit de verbeelding van de bestemmingsplannen opgenomen.
Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl) De locatie Frensdorferweg 37-41 heeft de bestemming 'Bedrijf - Paardenhouderij', waarmee de gronden zijn bestemd voor een gebruiksgerichte paardenhouderij, al dan niet in combinatie met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Daarnaast heeft de locatie een aanduiding voor een tweede bedrijfswoning. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf uitgesloten - dierverblijven' is het het gebruik van opstallen ten behoeve van de stalling van dieren, de aanwezigheid van kuilvoerplaten, sleufsilo's en mestvoorzieningen niet toegestaan. Manege-activiteiten zijn onder de bestemming 'Bedrijf - Paardenhouderij' in artikel 5.3 beschreven als strijdig gebruik. Een deel van de paardenbak en de paddocks die voor de gebruiksgerichte paardenhouderij gebruikt worden vallen binnen de bestemming 'Agrarisch - 1' en deze gronden zijn in hoofdzaak bestemd voor agrarische gebruik.
De paardenbak is onder de bestemming 'Agrarisch - 1' in strijd met het bepaalde in artikel 3.4 onder o: “Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend: het gebruik van gronden ten behoeve van de aanleg van een paardrijdbak met de daarbijbehorende bouwwerken anders dan waarvoor in het verleden planologische medewerking is verleend;” Middels een afwijkingsbevoegdheid kan hiervan worden afgeweken, echter uitsluitend voor paardenbakken die hobbymatig worden gebruikt. Gelet op het feit dat het in voorliggend geval gaat om een paardenbak die bedrijfsmatig wordt gebruikt, mag er geen gebruik worden gemaakt van de betreffende bevoegdheid. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk. 8
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
1.4 De bij het plan behorende stukken Het onderhavige bestemmingsplan 'Buitengebied, Frensdorferweg 37-41' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1774.BUIBPFRENSDORFWG-VG01); Bijlagen bij de toelichting; Regels; Bijlagen bij de regels.
1.5 Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
9
10
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
Hoofdstuk 2
Het plan
2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Dinkelland, circa 850 meter ten zuidoosten van de kern Lattrop-Breklenkamp. De omgeving bestaat uit een diversiteit van functies en bedrijvigheid zoals camping de Rammelbeek in oostelijke richting, een aannemersbedrijf en diverse agrarische bedrijven. Op de locatie Frensdorferweg 37-41 is een paardenhouderij gevestigd. De paardenhouderij bestaat uit een erf met een diversiteit aan bedrijfsgebouwen en voorzieningen ten behoeve van de gebruiksgerichte paardenhouderij. Er zijn onder meer twee bedrijfswoningen, binnen en buiten rijbanen, longeercirkels, een stapmolen, diverse bedrijfsgebouwen voor opslag, een kantoor, parkeervoorzieningen en diverse voorzieningen voor het houden, verzorgen en trainen van paarden. Het hippische centrum, genaamd de Meyboom, is een familiebedrijf die zich bezig houdt met het (op)fokken van paarden, het africhten en het opleiden van getalenteerde sportpaarden en instructie in zowel springen als dressuur. Daarnaast heeft men een pensionstal en worden eigen paarden tevens gebruikt voor educatieve en therapeutische doeleinden in de vorm van coaching en rijlessen voor kinderen en volwassenen. Op het erf is ook een kinderopvang, in de vorm van kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, aanwezig.
Figuur 1.3: Voorzieningen op het erf (bron: eigen bewerking AtlasvanOverijssel.nl) Op het erf kan onderscheid gemaakt worden in voorzieningen voor o.a. de huisvesting van paarden, het africhten en trainen van paarden, opslag en benodigdheden voor de bedrijfsvoering en verblijfs- en werkruimtes. Op het erf zijn er gebouwen en ruimtes ingericht specifiek voor de diverse voorzieningen en activiteiten op het erf. Voor de huisvesting van paarden gaat het in de eerste plaats om stalruimte (paardenboxen) die afhankelijk van de behoefte voor 1 of meerdere paarden ruimte bieden (loopstal) en weidegang. Daarnaast zijn er nog buitenvoorzieningen zoals een paddock, uitloopruimte (buitenruimte al dan niet verhard met een omheining) en weidegang. Een (binnen- of buiten)rijbak is de belangrijkste voorziening voor het africhten en/of trainen van paarden en lesgeven, coaching en andere activiteiten met paarden. Aangrenzend aan de rijhal is een kantine aanwezig. Aangrenzend aan de bedrijfswoning een kantoor en de verblijfsruimte voor de kinderopvang. Daarnaast zijn er nog voorzieningen als een longeercirkel en trainingsmolen om paarden te trainen en beweging te geven. De opslag van voer en materieel vindt plaats in de betreffende bedrijfsgebouwen. Voor de opslag van vaste mest wordt gebruik gemaakt van een mestplaat of bak.
Voor bezoekers en leveranciers is op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid aanwezig. Het onderdeel parkeren wordt verder uiteengezet in hoofdstuk 4.11.
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
11
2.2 Toekomstige situatie De toekomstige situatie bestaat uit het gebruik van het hippische centrum 'de Meyboom' voor een breed spectrum aan hippische activiteiten zoals dat in de huidige situatie reeds gaande is. Zoals in paragraaf 2.1 beschreven, hippische activiteiten in zowel de productiegerichte tak als de gebruiksgerichte tak. Het is voor de nieuwe generatie van het familiebedrijf wenselijk om de activiteiten die gerelateerd zijn aan een manege, zoals lesgeven aan derden en het organiseren van trainingswedstrijden, te verwerken in het planologische kader. Dit met het oog op de mogelijkheden in de toekomst en zodoende het toekomstbestendig maken van de paardenhouderij. Deze manege-activiteiten met onder andere trainingswedstrijden zullen aan het planologische kader worden toegevoegd. Enkele voorzieningen, rijbakken en paddocks, noodzakelijk voor de bedrijfsvoering van de gebruiksgerichte paardenhouderij, liggen momenteel buiten het bestemmingsvlak. Middels het beleid van de gemeente Dinkelland 'Buitengebied met kwaliteit', zal op basis van KGO het bestemmingsvlak worden vergroot om de desbetreffende voorzieningen binnen het bestemmingsvlak te laten vallen. In deze toelichting wordt aangetoond dat het in overeenstemming brengen van het planologisch kader met de feitelijke situatie ter plaatse in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Tevens zal het overgebleven agrarische bouwvlak en bouwperceel afkomstig van het voormalige agrarische bedrijf aan de Disseroltweg 51 te Lattrop, maar gelegen op de gronden in eigendom van de Meyboom, worden wegbestemd. Het agrarische bedrijf is niet meer aanwezig en derhalve zullen ook deze gronden planologisch in overeenstemming worden gebracht met de feiteljke situatie ter plaatse.
12
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
Hoofdstuk 3
Beleid
3.1 Rijksbeleid 3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.
Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het toekomstbestendig maken van een bedrijf in het landelijk gebied van de gemeente Dinkelland en past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI. 3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.
Onderhavig plan Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Het al dan niet toenemen van het ruimtebeslag is een belangrijk criterium voor het aanmerken van een ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er wel sprake is van een (geringe) toename van bouwmogelijkheden, dan is doorgaans sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
13
Indien er in het geheel geen sprake is van toename van het ruimtebeslag, dan is de Afdelingslijn dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Zo overweegt de Afdeling in haar uitspraak van 10 december 2014 (zaak nr. 201310814/1/R1). Deze bewoording wordt enigszins bijgesteld door een recente uitspraak door de Raad van State van 18 februari 2015 (zaak nr. 201311211/1/R3). Daarin is sprake van een uitbreiding van de planologische gebruiksmogelijkheden van feitelijk bestaande units in een bedrijfsverzamelgebouw. De afdeling suggereert hiermee dat er functiewijzigingen - zonder enige toename van bebouwing - kunnen zijn die wel 'zodanig' zijn, dat zij kunnen worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met zodanig wordt in dit geval een ontwikkeling met zodanige impact/invloed bedoeld. Hierbij kan gedacht worden aan een functie wijziging "sec" die van invloed is op het woon-, leef- en ondernemersklimaat elders, en door die invloed kan kwalificeren als "zodanige functie wijziging", zodat sprake is van een Ladderplichtige stedelijke ontwikkeling. In onderhavige ontwikkeling is er sprake van een bestaande gebruiksgerichte paardenhouderij. De voorzieningen, betreffende de paardenbakken, paddocks en parkeerplaats, die gedeeltelijk ontwikkeld zijn buiten het bestemmingsvlak, zullen gelegaliseerd worden.
Gebruiksgerichte paardenhouderijen kunnen beschouwd worden als 'agrarisch aanverwant', waaronder ook manege-activiteiten vallen. Er wordt opgemerkt dat de paardenbak en paddocks niet onder het toepassingsbereik vallen van de Ladder voor duurzame verstedelijking, aangezien – gelet op de aard van de voorzieningen (agrarisch) - geen sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ in de zin van de Bro. De behoefte aan het parkeerterrein van ca. 400 m2 is grotendeels afhankelijk is van de bestaande voorzieningen op het hippische centrum. De gebruiksmogelijkheden van de gebruiksgerichte paardenhouderij zullen uitgebreid worden met manege-activiteiten. Deze activiteiten vinden plaats binnen bestaand bebouwd gebied, oftewel de bestaande bebouwing en faciliteiten zoals de rijhal en de stallen van de paardenhouderij. Derhalve kan gesteld worden dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder 1 van het Besluit ruimtelijke ordening en toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking achterwege kan blijven. Echter, op grond van de uitspraak van de Raad van State van 16 september 2015 ECLI:NL:RVS:2015:2921) geldt dat ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, gemotiveerd moet worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is.
De toelichting van dit bestemmingsplan toont aan dat er als gevolg van onderhavig plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening en het plan uitvoerbaar is.
3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. 3.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
14
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts.
De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
15
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik lid 1 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “groene omgeving” nader gedefinieerd als: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied.
In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “bestaand bebouwd gebied” nader gedefinieerd als: de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro;
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel Middels onderhavig plan worden manege-activiteiten zoals trainingswedstrijden toegevoegd aan de gebruiksmogelijkheden van de bestaande gebruiksgerichte paardenhouderij. De bouwmogelijkheden worden niet uitgebreid en de oppervlakte van het bouwvlak blijft dan ook gelijk. De bestaande voorzienignen zoals de 16
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
paardrijbakken en paddocks worden gelegaliseerd. Het gaat om noodzakelijke voorzieningen benodigd voor een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf. De voorzieningen zijn zodanig gesitueerd dat de beschikbare ruimte zo optimaal mogelijk wordt benut. Gelet op het vorenstaande is er sprake van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Doorwerking voor voorliggend plan: Voorliggend plan biedt de planologische kaders voor het toevoegen van manege-activiteiten aan de gebruiksmogelijkheden van het hippische centrum. De gebruiksmogelijkheden worden uitgebreid, maar blijven ondergeschikt aan de hoofdfunctie. Bestaande voorzieningen zoals de rijbakken en paddocks worden gelegaliseerd. De paardenhouderij wordt landschappelijk ingepast conform het in Bijlage 1 bijgevoegde landschappelijke inpassingsplan. Tevens wordt gesteld dat de ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief, voldoet aan het uitvoeringsmodel en aan de provinciale vier-lagen benadering. In komende subparagraven wordt daar nader op ingegaan. Samenvattend wordt geconcludeerd dat in voldoende mate rekening is gehouden met het gestelde in artikel 2.1.5.
Artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Bestemmingsplannen voor de Groene omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3. en artikel 2.1.4. en het bepaalde in artikel 2.1.5. – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening Op dit bestemmingsplan is de KGO van toepassing. De gemeente Dinkelland heeft een eigen KGO-beleid opgesteld. In paragraaf 3.3 wordt hier nader op ingegaan. Ter compensatie van de geboden ontwikkelingsruimte van het agrarische aanverwante bedrijf moet er een extra investering in de ruimtelijke kwaliteit plaatsvinden. De KGO-investering vindt plaats op nabijgelegen agrarische gronden. In het opgestelde landschapsontwerp zoals opgenomen in paragraaf 3.3.2 en Bijlage 1 bij deze toelichting, is de KGO-investering nader uitgewerkt. Hierin is gemotiveerd dat de meerwaarde die als gevolg van deze ontwikkeling ontstaat geïnvesteerd wordt in de kwaliteit van de groene omgeving. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar dit plan.
Op deze plaats wordt gesteld dat het initiatief in overeenstemming is met artikel 2.1.6 van de omgevingsverordening. Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
17
Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel) Het plangebied valt binnen het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. In het ontwikkelingsperspectief voor 'mixlandschap' wordt ruimte geboden aan een mix/verweving van verschillende functies. Dit ontwikkelingsperspectief richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt. Het verbinden van de ontwikkelingsmogelijkheden van economische en maatschappelijke functies met het behoud en de versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke elementen draagt bij aan het behoud van de specifieke kwaliteiten van het kleinschalige mixlandschap in Overijssel. De paardrijbakken en paddocks zijn noodzakelijk voor de gebruiksgerichte paardenhouderij.
De manege-activiteiten dragen bij aan de sport en recreatie mogelijkheden in het buitengebied van Lattrop. Daarnaast biedt het bedrijf werkgelegenheid. De plannen van initiatiefnemers doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en leveren geen extra belemmeringen op voor omliggende functies in de omgeving. De bestaande paardenhouderij wordt landschappelijk ingepast en levert zodoende een bijdrage aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Gebiedskenmerken Natuurlijke laag De natuurlijke laag geeft aan het gebied hoofdzakelijk het kenmerk 'beekdalen en natte laagtes' en voor een klein gedeelte 'dekzandvlakte en ruggen' (zie figuur 3.3).
18
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
Figuur 3.3: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) De dekzandgronden zijn ontstaan toen er na de ijstijden een relïefrijk - door de wind gevormd - zandlandschap achterbleef. De beekdalen zijn gevormd door erosie. Dit landschap wordt gekenmerkt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. De ambitie voor deze gronden is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Nieuwe ontwikkelingen moeten dan ook bijdragen aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. De kenmerken van het beekdal zijn binnen het plangebied nauwelijks herkenbaar. De beek heeft zich, in de vorm van de Geele beek, in een oostelijke richting gesitueerd. De landschappelijke inpassing van het plangebied heeft zoveel mogelijk rekening gehouden met de gebiedskenmerken en de kenmerken van de natuurlijke laag. Geconcludeerd wordt dat dit plan geen afbreuk doet aan de natuurlijke laag.
Laag van het agrarisch cultuurlandschap De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'oude hoevenlandschap' aan het gebied toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
19
Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Het oude hoevenlandschap werd ontwikkeld nadat de complexen met grote essen 'bezet' waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij klein dekzandkopjes. Het individueel ontginnen van deze dekzandkopjes leidde tot een landschap dat eenzelfde soort opbouw kent als het essenlandschap. Het oude hoevenlandschap is echter een wat meer kleinschalige, individuele en jongere variant. De ambitie voor het oude hoevenlandschap is om het kleinschalige, afwisselende landschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Nieuwe ontwikkelingen moeten daarom bijdragen aan het behoud en de accentuering van de dragende structuren van het oude hoevenlandschap en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen. Daarnaast moeten zij de toegankelijkheid van erven en erfroutes versterken. Bij voorliggend plan is sprake van het uitbreiden van de gebruiksmogelijkheden van een bestaande paardenhouderij en legalisatie van bestaande voorzieningen. Bij het opstellen van de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met de kenmerken van het landschap zodat de maatregelen een versterking van het landschap tot gevolg hebben.
Er is geen sprake van afbreuk aan de laag van het agrarisch cultuurlandschap. Stedelijke laag en laag van de beleving De Frensdorferweg 37-41 is onderdeel van de verspreid liggende bebouwing van Lattrop-Breklenkamp. Kenmerkend in het buitengebied is de verscheidenheid aan agrarische erven. Steeds meer van deze erven zullen vrijkomen, zij hebben de potentie om uit te groeien tot unieke woon-, werk- en recreatiemilieu's. De ambitie is daarom dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Ook dragen nieuwe ontwikkelingen bij aan het behoud en de versterking van de kernmerkende erfstructuren. Ter plaatse van het plangebied aan de Frensdorferweg geldt ten aanzien van de laag van de beleving, het gebiedskenmerk 'donkerte'. Dit gebiedskenmerk wordt toegekend aan gebieden waar het 's nachts nog echt donker is en waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Bij voorliggend plan is sprake van het uitbreiden van de gebruiksmogelijkheden van een bestaande paardenhouderij en de legalisatie van bestaande voorzieningen. Er is geen sprake van extra lichtuitstoot door onderhavige ontwikkeling.
20
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
Figuur 3.6: Laag van de beleving en stedelijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1
Omgevingsvisie Dinkelland
De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn: 1. We doen het samen; 2. We geven het goed voorbeeld; 3. We wentelen niet af op volgende generaties; 4. We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. De gemeente Dinkelland wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Dinkelland is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis.
Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden. In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
21
goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Dinkelland streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit wordt gedaan samen met de inwoners, partners en de gebruikers. De speerpunten voor het buitengebied zijn: toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd; goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw; kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur. Toets De waardenkaart in de Omgevingsvisie heeft voor het buitengebied als basis de combinatie van landschapstype en landschapsdynamiek. De waardenkaart geeft voor het plangebied de kleur middelgroen (gericht op beperkte ontwikkeling door gemiddelde waarde en dynamiek).
Figuur 3.7: Waardenkaart Omgevingsvisie (bron: gemeente Dinkelland) Middelgroen landschap: beperkte ontwikkeling afgestemd op de schaal van het landschap. In de gebieden met de tussenkleur groen zijn waarden aanwezig voor modern, agrarisch gebruik alsmede landschapswaarden die van belang zijn voor natuur, beleving en recreatie. De gemeente ziet hier graag ontwikkelingen gericht op: goed toegankelijk fiets- en wandelpaden; kwalitatief toerisme; duurzame opwekking van energie; mogelijkheden om buiten te sporten en te bewegen; variatie beplanting en grondgebruik. Middels onderhavige ontwikkeling worden manege-activiteiten met de bijbehorende voorzieningen gelegaliseerd waardoor er een sport en tevens reacreatiefunctie in het buitengebied van de gemeente Dinkelland wordt vastgelegd. Zodoende wordt er bijgedragen aan de mogelijkheden om buiten te sporten en te bewegen. De landschapswaarden worden door de landschappelijke inpassing van het bestaande bedrijf versterkt welke van belang is voor de recreatie in het buitengebied van Lattrop-Breklenkamp, de beleving en de natuur. De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het beleid in de omgevingsvisie van de gemeente Dinkelland.
3.3.2
Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving gemeente Dinkelland
Het buitengebied van Dinkelland kenmerkt zich door een mix van functies als landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en wonen, al deze functies vragen om ruimte. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Al deze functies leggen samen veel druk op ons buitengebied. Daarom wordt ook voor de toepassing van deze beleidsregel het uitgangspunt gehanteerd: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Dinkelland streeft naar een aantrekkelijk en vitaal buitengebied waar een goede balans is tussen landgebruik, ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en economische activiteiten. Om dit te kunnen bereiken beschikt de gemeente over diverse beleidsregelingen zoals bijvoorbeeld Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur en het VAB+ beleid. Alle beleidsregelingen hebben de afgelopen jaren op hun eigen wijze een bijdrage geleverd aan een aantrekkelijk en vitaal buitengebied en de 22
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
doelstellingen van deze regelingen sluiten nog prima aan bij de speerpunten voor het buitengebied zoals geformuleerd in MijnOmgevingsvisie Dinkelland. Doelstelling Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. Reikweidte De beleidsnota 'Buitengebied met kwaliteit' is uitsluitend van toepassing op het buitengebied van de gemeente en de regels en voorwaarden uit deze notitie zijn een nadere gemeentelijke uitwerking van het provinciaal beleid waaronder artikel 2.1.6 (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) van de Omgevingsverordening Overijssel. Deze beleidsregel is niet van toepassing op de planologische mogelijkheden die de geldende bestemmingsplannen/ het omgevingsplan bij recht of met toepassing van een binnenplanse afwijking/ binnenplanse omgevingsplanactiviteit biedt. Ook is deze beleidsregel niet van toepassing op o.a. de uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen en bestaande woningbouwlocaties die binnen of direct grenzend aan de bebouwde kom zijn gelegen en richting het buitengebied worden uitgebreid en op zonne- en windparken.
Afhankelijk van de wijze waarop een ontwikkeling juridisch-planologisch geborgd moet worden, moet voor de toepassing van deze beleidsregel een procedure herziening bestemmingsplan/ omgevings-plan of een buitenplanse afwijking/omgevingsplanactiviteit worden doorlopen. Algemene randvoorwaarden Voor elke ontwikkeling in het buitengebied gelden bepaalde algemene randvoorwaarden waar aan voldaan moet worden. Naast dat voldaan moet worden aan het van toepassing zijnde Rijks- en provinciaal beleid en de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, betreffen dit bijvoorbeeld randvoorwaarden die zijn opgesteld met het oog op ‘een goede ruimtelijke ordening’ of een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ ingeval de Omgevingswet inwerking is getreden.
Daarnaast moet bij de toepassing van deze beleidsregel in elk geval voldaan worden aan de algemene randvoorwaarden: Elke ontwikkeling moet per saldo leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; Bij elke ontwikkeling hoort een basisinspanning in de vorm van een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing: vorm en situering van gebouwen en erfbeplanting (uiteengezet in locatie, sortiment, aantallen, plantmaat en indien van toepassing plantverband/ onderlinge afstand); De geboden ontwikkelingsruimte dient in balans te zijn met de investeringen in de ruimtelijke kwaliteit; De ontwikkeling dient naar aard en omvang passend te zijn op de locatie en de gebiedskenmerken van het type landschap; De bestaande infrastructuur moet in principe toereikend zijn voor de nieuwe activiteit, er mag geen sprake zijn van een onevenredige toename van verkeer.
Indien een aanpassing van de infrastructuur benodigd en aanvaardbaar is, komen de kosten hiervoor voor rekening van aanvrager; Parkeren dient op eigen erf plaats te vinden; De ontwikkeling mag niet leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat; Er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de in de omgeving aanwezige functies en waarden; Er mag gaan onevenredige afbreuk worden gedaan aan de belangen van derden; Indien dit nodig wordt geacht, kan een bedrijfsplan worden gevraagd ter onderbouwing van een verzoek; In het bestemmingsplan/ het omgevingsplan/ de omgevingsvergunning worden verplichtingen opgenomen voor de aanleg en instandhouding van de verplichte landschappelijke inpassing. Daarnaast worden in een overeenkomst aanvullende voorwaarden opgenomen die van belang zijn voor de gemeentelijke juridische borging; Een gecombineerde toepassing van de in deze beleidsregel opgenomen onderdelen is mogelijk, mits hierbij voldaan wordt aan de daarbij behorende voorwaarden; Vergunningen die niet meer actueel zijn of die nog niet zijn benut, kunnen niet ingezet worden ter compensatie voor (extra) ontwikkelingsruimte en worden onherroepelijk ingetrokken. Toets Voor het legaliseren van de voorzieningen van de paardenhouderij, die momenteel gelegen zijn buiten de bestemming ‘Bedrijf (niet-agrarisch)’, is een aanvullende kwaliteitsimpuls vereist.
De hoogte van deze kwaliteitsimpuls wordt bepaald door een berekening van de waardevermeerdering uit te voeren op basis van het bepaalde in paragraaf 8.1 van het beleid. Bij het bepalen van de hoogte van de kwaliteitsimpuls voor de groene omgeving wordt uitgegaan van de waardevermeerdering van de gronden die door de planologische verandering zal ontstaan. De voorzieningen voor de paardenhouderij die buiten de bestaande bestemming 'Bedrijf bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
23
Paardenhouderij' zullen worden gelegaliseerd door de voorziengen onder de bestemmning 'Agrarisch Bedrijf' onder te brengen. Er is aan deze bestemming een waarde toegekend van €22 per m2. Het betreft een ontwikkeling waarbij per saldo 5520 m2 wordt omgezet van agrarisch grond naar een agrarische bedrijfsbestemming. Aangrenzend aan het naburige voormalige agrarische erf aan de Disseroltweg 51 is een deel van het bouwvlak aanwezig op gronden in eigendom van de paardenhouderij welke omgezet zullen worden naar de agrarische bestemming. Dit betreft een oppervlakte van 393 m2. Het gaat om een aan het buitengebied verbonden activiteit waardoor 25% van het berekende bedrag geïnvesteerd dient te worden. Daarnaast kunnen de kosten voor het KGO plan (met een maximum van 10%) worden afgetrokken, evenals de kosten voor het kwaliteitsteam. Omdat het 1 bezoekmoment betreft is dat € 250,-. KGO Berekening Waardevermeerdering Omzetten agrarisch naar paardenhouderij
5520 m2
x
€16
= €88.320,-
Omzetten agrarisch bouwvlak naar agrarisch
-393 m2
x
€16
=-€6.288,-
= €82.032 Aftrekposten Aan het buitengebied verbonden activiteit (-75%)
= - €61.524,-
Totaal
= 20.508,-
Kosten KGO landschapsplan (max 10% na afwaardering)
= - €2.051,-
Bezoek Qteam (max 3 keer x €250)
= - €250
Totaal te investeren
= € 18.207,-
Uitgaande van de vereiste investering en het gemeentelijke Kwaliteitskader Gebiedskenmerken (KG) is het ruimtelijk kwaliteitsplan en bovenstaande berekening opgesteld. Uit deze berekening volgt dat de te plegen investeringen uitkomen op een bedrag van € 18.207,- waardoor er een balans bestaat tussen de gewenste uitbreiding en de investering in ruimtelijke kwaliteit. Rondom de paardenhouderij is voldoende ruimte voor het toevoegen van landschapselementen. Naast de maatregelen van de basisinspanning wordt er als kwaliteitsimpuls een grote kikkerpoel aangelegd. Naast de kikkerpoel worden Ratelpopulier aangepland. De kosten ex. BTW van de KGO impuls zijn als volgt: Grote kikkerpoel
€ 13.200,-
Aanbrengen beplanting
€ 1.750,-
Onderhoud poel en beplantingen 6 jaar
€ 3.500.-
Totaal
€ 18.450,-
Het ruimtelijk kwaliteitsplan is toegevoegd in Bijlage 1. Het ruimtelijk kwaliteitsplan is ter beoordeling aan het Kwaliteitsteam landelijk gebied voorgelegd. Het Kwaliteitsteam heeft een positief advies gegeven op het landschapsplan. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan het beleid zoals dat is verwoord in het beleidskader 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving'.
24
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
3.3.3
Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'
De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart (figuur 3.4) kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.
Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). Toets Frensdorferweg 37-41 Bij voorliggend plan is sprake van het uitbreiden van de gebruiksmogelijkheden van een bestaande paardenhouderij en de legalisatie van bestaande voorzieningen. Het erf wordt landschappelijk ingepast waarbij aangesloten wordt bij de gebiedskenmerken en er worden geen casco elementen verwijderd. De landschappelijke inpassing is opgenomen in Bijlage 1 van de toelichting. Het plan doet geen afbreuk aan de casco-gedachte.
Figuur
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
25
3.14: Fragment casco-kaart Frensdorferweg (bron: www.overijssel.nl/cascokaart)
26
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.
4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Er zijn enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van belangrijke gevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Middels het voorliggende bestemmingsplan worden manege-activiteiten met de bijbehorende voorzieningen gelegaliseerd. Er is geen sprake van een activiteit die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig is.
Het toevoegen van gebruiksmogelijkheden en bouwwerken geen gebouwen worden niet expliciet benoemd in het Besluit milieueffectrapportage, maar de meest logische aansluiting kan worden gemaakt bij: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Er geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht bij: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, of met het onderhavig plan sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' zoals bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant.
Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, lijkt gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geen sprake te zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. In onderhavig geval is er geen sprake van het uitbreiden van de bebouwing en is er sprake van een gedeeltelijke wijziging van de gebruiksmogelijkheden die wel in lijn zijn met de reeds bestaande functie van een gebruiksgerichte paardenhouderij. Al met al kan geconcludeerd worden dat het plan naar de aard, omvang en de milieugegevolgen van de uitbreiding geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
27
m.e.r.
4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Lattrop-Breklenkamp. Het plangebied wordt overwegend omgeven door burgerwoningen, bedrijven en agrarische- en natuurgronden. Op grond hiervan geldt het omgevingstype 'rustig buitengebied' voor het plangebied. Bij de realisatie van een nieuwe functie/bestemming dient te worden gekeken naar de omgeving waarin de voorgenomen ontwikkeling gerealiseerd wordt. Daarbij gaat het om de externe werking en de interne werking: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De Frensdorferweg 37-41 betreft een paardenhouderij, categorie 3.1 waaronder tevens de manegeactiviteiten met wedstrijden vallen. De grootste richtafstand betreft 50 meter voor het aspect 'geur' en de richtafstanden voor stof en geluid betreffen ieder 30 meter. Het bestemmingsvlak wordt uitgebreid, maar zorgt niet voor een verkorte afstand tussen omliggende woningen en het bestemmingsvlak van de paardenhouderij.
De omliggende reguliere woningen en bedrijfswoningen liggen allen op een grotere afstand dan 30 meter van het bestemmingsvlak en voorzieningen zoals mestbakken, rijbakken, dierverblijven en parkeerplaatsen. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand 28
bestemmingsplan Buitengebied, Frensdorferweg 37-41
voor stof en geluid en blijft er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. In onderhavige ontwikkeling worden geen geurgevoelige objecten toegevoegd. Geconcludeerd kan worden dat de milieuzonering geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.