CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan 'Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening' toelichting en regels.pdf

Commissie Omgeving & Economie 16 november 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 7: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Buitengebied, Deurningerstraat 5 Weerselo, 1e herziening”29.040 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Deze groep overnacht graag op een plek waar de praktische voorzieningen goed geregeld zijn, ze zijn dan ook bereid iets meer te betalen. De stijlzoekers zijn harder werkers met ambitie en ondernemingsdrift. Ze hebben een actieve levensstijl en houden van luxe, comfort en exclusiviteit. Zoals aangegeven gaat het in dit geval om luxe en kleinschalige boerderijkamers, met veel privacy. Deze zijn uitermate geschikt voor de doelgroepen, die op zoek zijn naar locaties met luxe, comfort en waar praktische voorzieningen goed geregeld zijn en die bereid zijn meer te betalen voor de gewenste exclusiviteit. 4.3.2.6 Toetsing van het initiatief aan de Nota verblijfsrecreatie Noordoost-Twente Met het initiatief wordt er ingespeeld op de doelstelling om gepaste uitbreiding van het aantal nieuwe verblijfsaccommodaties te reguleren. De boerderijkamers vormen een meerwaarde voor het toeristisch product. Wat betreft de kaders voor plattelandskamers is er in dit geval sprake van maatwerk. Het gaat immers niet om een voormalig agrarisch gebouw maar een nieuw bijgebouw op een voormalig agrarisch erf. Gezien het gaat om een voormalig agrarisch erf en het nieuwe bijgebouw wat betreft uitstraling en positionering de kenmerken heeft van een boerenerfensemble, wordt de functie passend geacht. In dit geval kan daarom een specifieke bestemming gegeven worden.

Ook is, zoals uit voorgaande paragraaf blijkt, sprake van een ontwikkeling die inspeelt op de behoefte voor met name stijlzoekers en inzichtzoekers in Noordoost-Twente. Bij deze doelgroepen liggen er kansen, omdat de vraag groter is dan het aanbod. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de Nota verblijfsrecreatie Noordoost-Twente. 4.3.3

Landschapsontwikkelingsplan

4.3.3.1 Algemeen Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) uit 2008 geeft een gewenst landschappelijk streefbeeld voor Noord Oost Twente en de gemeente Twenterand voor de komende 10 jaar. Daarnaast biedt het LOP handvatten voor het bijsturen en de inpassen van toekomstige ontwikkelingen in het landschap. Het LOP wordt gebruikt om te beoordelen of nieuwe ontwikkelingen landschappelijke aanvaardbaar zijn en hoe deze goed landschappelijk worden ingepast. Ontwikkelingen die niet binnen de streefbeelden van het LOP passen maar wel een meerwaarde vormen voor een gemeente, kan medewerking worden verleend door gemotiveerd af te wijken van het LOP. Het plangebied is deels gelegen binnen het gebied 'Bekken van Hengelo' en deelgebied 'De Velden' op basis van de gemeentelijke uitwerking voor de gemeente Dinkelland. In afbeelding 4.4 is dat weergegeven.

bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

27

Figuur 4.4 Uitsnede Landschapsontwikkelingsplan (Bron: gemeente Dinkelland) Het toekomstbeeld bestaat uit grote open agrarische gebieden tussen de beekdalen. Het accent ligt op agrarisch gebruik. Verspreid ligt een aantal grote erven met goed vormgegeven moderne stallen voor de grondgebonden veehouderij. De beplanting die is gerooid in het open middengebied is rond de erven en langs de randen gecompenseerd. De erven zijn ingebed in een stevig groen kader. Ruimte voor vernieuwende (grootschalige) ontwikkelingen voor grondgebonden landbouw en intensieve veehouderij. Behoud openheid van gebied als contrast tussen de dichtere randen langs de escomplexen en de beekdalen. Aanleg stevige erfbeplanting met grote bomen rond de erven (erven als groene eilanden in de open ruimte). Stimuleren actieplan ‘Boeren met weidevogels’ in weidevogelbeheersgebieden. 4.3.3.2 Toetsing van het initiatief aan het Landschapsontwikkelingsplan Ter plaatse van het plangebied is landschapsontsierende bebouwing gesloopt en worden in het kader van Rood-voor-Rood twee compensatiewoningen teruggebouwd (op basis van de reeds afgeronde procedure van het Rood-voor-Rood traject). Op de locatie wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit door de landschapsmaatregelen.

De landschapsmaatregelen die gekoppeld zijn aan de erftransformatie zorgen voor de gewenste landschappelijke inpassing, waarbij gebruikt wordt gemaakt van streekeigen soorten. Voor een toelichting op de landschapsmaatregelen wordt verwezen naar paragraaf en Bijlage 1 van deze toelichting. Geconcludeerd wordt dat het initiatief past binnen het Landschapsontwikkelingsplan.

28

bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

4.3.4

Casco-benadering in Noordoost-Twente

4.3.4.1 Algemeen In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld. Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de casco-benadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.

4.3.4.2 Casco-benadering in de praktijk De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het 'kleinschalige groene karakter' van het landschap in totaliteit. De regels van de casco-benadering gelden niet voor: Punt elementen (zoals poelen en solitaire bomen). Lijn elementen (zoals stijlranden en zandwegen). Beplanting binnen bouwblokken/bebouwde kom. Boomgaarden. Bos groter dan 0,5 hectare. Voor bovenstaande elementen en het beheer van casco elementen geldt het reguliere beleid van elke afzonderlijke gemeente. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel.

Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de casco-kaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). Zoals ook blijkt uit de in figuur 4.5 opgenomen uitsnede van de casco-kaart behoren enkele bestaande groenstructuren rond het plangebied tot het Casco.

bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

29

Figuur 4.5

Uitsnede Casco-kaart (Bron: Provincie Overijssel)

4.3.4.3 Toetsing van het initiatief aan de “Casco-benadering in Noordoost-Twente” In het plangebied zijn geen casco-onderdelen aanwezig. Het bestaande groenelement dat deels binnen het plangebied is gelegen blijft behouden. Aan bestaande casco-onderdelen in de omgeving van het plangebied worden geen wijzigingen aangebracht. Geconcludeerd wordt dat met de uitvoering van het Ruimtelijk kwaliteitsplan volledig wordt voldaan het Casco-beleid. 4.3.5

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling goed past binnen de gemeentelijke beleidskaders.

30

bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bedrijven en milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en water.

5.1 Geluid 5.1.1

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

Het plan voorziet in de realisatie van een extra oppervlakte aan bijgebouwen en zes boerderijkamers. De boerderijkamers betreffen geen geluidgevoelige objecten. Dit is in jurisprudentie bevestigd (ABRS 1 mei 2019, no. 201801643/1/R1). Hierin staat het volgende vermeld: 'het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat een recreatiewoning in beginsel geen geluidgevoelig gebouw is in de zin van de Wet geluidhinder. Een camping is dat evenmin. Op grond van de Wgh kunnen de vaste kampeermiddelen en recreatiewoningen aldus niet als geluidgevoelige objecten worden aangemerkt. Dit neemt niet weg dat moet worden nagegaan of ter plaatse van het recreatieterrein sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat'. Een boerderijkamer valt qua functie gelijk te stellen met een recreatiewoning, waarmee het als niet geluidsgevoelig wordt aangemerkt. Ook de bijgebouwen bij de compensatiewoningen betreffen geen geluidgevoelige functies. Overigens komen deze bijgebouwen niet dichterbij de Deurningerstraat te liggen dan in de huidige planologische situatie het geval is. Het aspect 'geluid' is dan ook niet relevant in het kader van dit bestemmingsplan. 5.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.2 Bodem 5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is een bodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740.

bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

31

5.2.2

Situatie plangebied

5.2.2.1 Algemeen Door Kruse Milieu is in het kader van het Rood-voor-Rood traject in 2019 reeds een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van onder andere de compensatiekavels en de boerderijwoning met bijgebouw. Hierna wordt ten eerste op de resultaten ter plaatse van de compensatiekavels en de bijgebouwen ingegaan. Vervolgens wordt op de situatie ter plaatse van de bestaande boerderij inclusief nieuw te bouwen bijgebouw (waar de boerderijkamers zijn beoogd) ingegaan. 5.2.2.2 Locatie bijgebouwen De resultaten van het verkennend onderzoek worden hierna behandeld. Voor de rapportage van het verkennend onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 3 van deze toelichting. Op basis van de resultaten van de analyses wordt het volgende geconcludeerd: de bovengrond is niet verontreinigd; de ondergrond is niet verontreinigd; het grondwater is (zeer) licht verontreinigd met barium, nikkel, zink en naftaleen. De hypothese "onverdachte locatie" dient te worden verworpen, aangezien er enkele (zeer) lichte tot sterke verontreinigingen zijn aangetoond in het grondwater. Nader onderzoek wordt niet nodig geacht. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).

5.2.2.3 Locatie bestaande woonboerderij Ter plaatse van de bestaande woonboerderij en het bijgebouw vinden er geen uitpandige bouwactiviteiten plaats. In het kader van het Rood-voor-Rood traject is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Onderstaand wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 4. Voorafgaand aan het bodemonderzoek is gebleken dat op de locatie, nadat het overige terrein, zes verdachte deellocaties aanwezig zijn. Deellocatie A betreft de locatie van twee niet meer in gebruik zijnde dieseltanks op de locatie en deellocaties B tot en met F betreffen vijf asbestverdachte druppelzones. De bovengrond van de locatie is verdacht van aanwezigheid van asbest. Het overige terreindeel is onverdacht. Op basis van de resultaten van de chemische analyses wordt het volgende geconcludeerd: Overig terrein: 1. de bovengrond BG I is niet verontreinigd; 2. de bovengrond BG II is niet verontreinigd; 3. de ondergrond OG is niet verontreinigd; 4. het grondwater is niet verontreinigd. Deellocatie A: Bovengrondse tanks 1. de bovengrond A-BG is niet verontreinigd met minerale olie Op basis van de resultaten van de asbestanalyses wordt het volgende geconcludeerd: Overig terrein: 1. één van de mengmonsters van de fijne fractie bevat asbest. Het gewogen gehalte ligt beneden de waarde voor nader asbestonderzoek.

In de overige mengmonsters is geen asbest aangetroffen. Deellocatie B: Druppelzone noordzijde meest noordelijk gelegen stal: 1. het mengmonster van de fijne fractie bevat asbest. Het gewogen gehalte overschrijdt de waarde voor nader asbestonderzoek. Deellocatie C: Druppelzone zuidzijde van de meest zuidelijk gelegen schuur: 1. het mengmonster van de fijne fractie bevat asbest. Het gewogen gehalte ligt beneden de waarde voor nader asbestonderzoek. Deellocatie D: Druppelzone noordzijde van de meest oostelijk gelegen schuur: 1. het mengmonster van de fijne fractie bevat asbest. Het gewogen gehalte ligt beneden de waarde voor nader asbestonderzoek. Deellocatie E: Druppelzone zuidzijde van de meest oostelijk gelegen schuur: 1. het mengmonster van de fijne fractie bevat asbest. Het gewogen gehalte ligt beneden de waarde voor nader asbestonderzoek. 32

bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

Deellocatie F: Druppelzone oostzijde van de zuidoostelijk gelegen schuur: 1. het mengmonster van de fijne fractie bevat asbest. Het gewogen gehalte ligt beneden de waarde voor nader onderzoek. Uit de chemische analyses van de boven- en ondergrond alsmede van het grondwater op het terrein blijkt dat deze niet zijn verontreinigd. Er is asbest aangetroffen in de bovengrond op het terrein en in de druppelzones. Het gewogen gehalte asbest ter plekke van druppelzone B overschrijdt de waarde voor nader asbestonderzoek. Er heeft hier dan ook nader asbestonderzoek plaatsgevonden. Uit de resultaten van het nader asbestonderzoek blijkt dat er in de afperkende inspectiegaten geen asbest is aangetoond. De interventiewaarde voor asbest wordt nergens overschreden. Er is dan ook geen saneringsnoodzaak. 5.2.3

Conclusie

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

In paragraaf 5.3.1.1 zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat de functie niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

33

het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.4 Externe veiligheid 5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen en moet worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Voor buisleidingen geldt het Besluit buisleidingen externe veiligheid (Bevb) die op 1 januari 2011 in werking is getreden.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie plangebied

Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven. Het plangebied is weergegeven met de blauwe contour.

34

bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

Afbeelding 4.1 Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart) Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.

5.5 Bedrijven en milieuzonering 5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

35

5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een 'gemengd gebied'. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

Het plangebied aan de Deurningerstraat, in het buitengebied van de gemeente Dinkelland, waar in de nabijheid van het plangebied geen sprake is van een matige of sterke functiemenging. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype "rustige woonwijk".

5.5.3

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In dit geval worden er extra vierkante meters aan bijgebouwen en boerderijkamers gerealiseerd. Enkel de boerderijkamers kunnen worden aangemerkt als milieubelastende functies. De functie die het beste te vergelijken valt met een boerderijkamer betreft 'hotels- en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra'. Voor een dergelijke functie geldt een richtafstand van 10 meter voor het aspect geluid en gevaar. De boerderijkamers komen in een nieuw bijgebouw bij de bestaande woning, op een afstand van meer dan 30 meter tot de dichtstbijzijnde milieugevoelige functies (betreffende de twee compensatiekavels en de woning aan de noordzijde, Deurningerstraat 3). In het bestemmingsplan is de locatie van de boerderijkamers ook specifiek vastgelegd, zodat de afstanden juridisch zijn geborgd. Daarmee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de compensatiewoningen.

36

bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Enkel de boerderijkamers worden aangemerkt als milieugevoelige functies. Nabij het plangebied zijn een aantal agrarisch bedrijven gelegen. Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan. De overige van toepassingen zijnde aspecten, stof, geluid en gevaar worden hierna getoetst. Voor veehouderijen geldt een grootste richtafstand van 30 meter voor de aspecten stof en geluid. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf (Deurningerstraat 1) is gelegen op een afstand van circa 290 meter vanaf het plangebied. Het betreft een bedrijf met waar een intensieve agrarische bedrijfsvoering mogelijk is. Hiervoor gelden richtafstanden van 30 meter voor stof en 50 meter voor geluid. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden. Bovendien gaat het in dit geval om het toevoegen van boerderijkamers binnen een bestaande woonbestemming.

Deze woonbestemming is reeds milieugevoelig voor omliggende agrarische bedrijven. Met de realisatie van de boerderijkamers veranderd dit niet. Gezien de ruime afstanden tot omliggende milieubelastende functies mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en dat de omliggende milieubelastende functies niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.6 Geur 5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.

bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

37

5.6.2

Situatie plangebied

Met dit plan worden nieuwe geurgevoelige objecten toegestaan, namelijk de boerderijkamers. In de omgeving van het plangebied bevindt zich een aantal veehouderijen. De dichtstbijzijnde veehouderij betreft het bedrijf aan de Deurningerstraat 1. Ter plaatse is een intensieve bedrijfsvoering mogelijk. Daarvoor gelden geen vaste afstanden, maar geuremissiecontouren. In dit geval bedraagt de afstand tussen het bedrijf en het plangebied echter 290 meter. Gezien de ruime afstand wordt in het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht. Daarnaast wordt het agrarisch bedrijf niet in zijn bedrijfsvoering beperkt, omdat de boerderijkamers binnen een bestaande woonbestemming (gevoelige functie) worden gerealiseerd en er al gevoelige functies op een nog kortere afstand (Deurningerstraat 3) gelegen zijn. Gelet op vorenstaande kan worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied en worden omliggende veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 5.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.

5.7 Ecologie Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. 5.7.1

Gebiedsbescherming

5.7.1.1 Natura 2000 Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Lemselermaten” is gelegen op circa 650 meter (zie afbeelding 5.2) van het plangebied. In dit geval gaat het om het realiseren van boerderijkamers in een bijgebouw en het opnemen van een mogelijk tot het realiseren van in totaal 200 m2 aan extra bijgebouwen. Gezien de kleinschaligheid van dit project kunnen significante negatieve effecten ten aanzien van het Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Een stikstofberekening wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 5.7.1.2 Natuur Netwerk Nederland Het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 5.2 is het plangebied ten opzichte van zowel Natura 2000 als het NNN weergegeven.

38

bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

Afbeelding 5.2 De ligging van het plangebied ten opzichte van de NNN (Bron: Provincie Overijssel) Het plangebied is niet gelegen binnen de concreet begrensde NNN. Het plangebied ligt op circa 40 meter van het NNN. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal waardoor de voorgenomen activiteit geen negatief effect op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van de NNN heeft. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. 5.7.2

Soortenbescherming

Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In dit geval gaat het om het vergroten van de oppervlakte van nog te bouwen bijgebouwen en het toestaan van boerderijkamers in een nog te bouwen bijgebouw. Het gaat in feite dan ook om functiewijzigingen, waarbij geen sprake is van sloop van gebouwen of het verwijderen van groen. Een quickscan ecologie wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 5.7.3

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.8 Archeologie en cultuurhistorie 5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

39

5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Dinkelland beschikt over een archeologische verwachtings- en advieskaart. Een uitsnede van de gemeente archeologische verwachtingskaart is opgenomen in afbeelding 5.3. Het plangebied is weergegeven middels het rode kader.

Afbeelding 5.3 Archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: Gemeente Dinkelland) Het plangebied ligt in het gebiedstype “Dekzandwelvingen en –vlakten”. In dit gebiedstype is archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bodemingrepen met een groter oppervlak dan 5.000 m² en die dieper reiken dan 40 cm. Aangezien de omvang van de bodemingrepen ruim beneden de onderzoeksgrens blijven, wordt een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

40

bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Situatie projectgebied

5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 650 meter afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk.

Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit de realisatie van boerderijkamers en de mogelijkheid tot het toestaan van maximaal 200 m2 aan extra bijgebouwen. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet (onevenredig) toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

41

sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.9.3

Conclusie

Dit project is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van het project.

5.10

Water

5.10.1 Vigerend beleid 5.10.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.10.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.

De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.10.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.10.1.4 Beleid waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren.

In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem. het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.

42

bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

5.10.2 Waterparagraaf 5.10.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.10.2.2 Watertoetsproces Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'korte procedure' van de watertoets van toepassing is. Het watertoetsresultaat is bijgevoegd als Bijlage 5. Hemelwater wordt ter plaatse geïnfiltreerd ter plaatse van het erf. Hier is voldoende ruimte voor.

Het afvalwater van de woningen worden afgevoerd via de aanwezige riolering.

bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

43

44

bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten en planverantwoording 6.1 Inleiding De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

6.2 Opbouw van de regels 6.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.

6.2.2

Inleidende regels

6.2.2.1 Begrippen In Artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 6.2.2.2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (Artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse meetvoorschriften wordt verstaan.

bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

45

6.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. In de bestemmingen is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 6.2.4 Algemene regels Anti-dubbeltelregel (artikel 6: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels (artikel 7): in deze regel wordt de minimale afstand tot wegen geregeld.

Algemene gebruiksregels (artikel 8): in deze regel is aangegeven wat onder verboden gebruik wordt verstaan. Deze regel gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Tevens is in dit artikel het bestaande gebruik geregeld. Algemene afwijkingsregels (artikel 9): in deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene wijzigingsregels (artikel 10): in deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om het plan onder voorwaarden te wijzigen. Overige regels (artikel 11); in dit artikel zijn regels in verband met parkeren opgenomen. 6.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel is aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

6.3 Bestemmingen Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Zij zijn het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Agrarisch - 1 (artikel 3) De bestemming ‘Agrarisch - 1' is toegekend aan de gronden buiten de woonpercelen. Deze bestemming is volledig overgenomen conform geldend bestemmingsplan. De gronden met de bestemming ‘Agrarisch - 1 zijn hoofdzakelijk bestemd voor de het agrarisch gebruik en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden.

Tevens kan worden opgemerkt dat binnen deze bestemming ook tuinen en erven behorende bij de woningen (binnen de naastgelegen bestemming) zijn toegestaan. Alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan. Aan deze bestemming is verder een omgevingsvergunningstelsel voor werken en werkzaamheden opgenomen. Specifiek is bepaald dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen 2 m mag bedragen. Bos - Natuur (artikel 4) De bestemming 'Bos - Natuur' is volledig overgenomen conform geldend bestemmingsplan. 46

bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

De voor 'Bos - Natuur' bestemde gronden zijn bedoeld voor het herstel en de ontwikkeling van landschappelijke waarden in de vorm van opgaand groen en groenvoorzieningen. De beplanting zal bestaan uit de maatregelen zoals opgenomen in het erfinrichtingsplan. Op gronden met deze bestemming zijn geen gebouwen toegestaan. Enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen maximaal 1 meter zal bedragen.

Wonen (artikel 6) Deze gronden zijn volledig overgenomen conform geldend bestemmingsplan, waarbij er in de regels een aantal specifieke bepalingen zijn opgenomen ten behoeve van dit plan. Zo is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - boerderijkamers' maximaal 6 boerderijkamers zijn toegestaan, met daar voorwaarden aan verbonden. Het begrip 'boerderijkamer' is specifiek in de begrippen gedefinieerd als: een (deel van een) bijgebouw welke blijvend is bestemd voor recreatief nachtverblijf, waarbij wordt overnacht in kamers en dat, al dan niet in combinatie met een dagverblijf, beschikbaar is; Ook is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt dat de oppervlakte aan bijgebouwen bij een woning wordt vergroot tot 200 m2. Aan de voorwaarden zal na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan nader getoetst worden, waarmee de omgevingsvergunning verleend kan worden. Tot slot zijn de voorwaardelijke verplichting voor sloop en de voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke inpassing gehandhaafd, nu de woningen nog niet zijn gebouwd en de verplichting is gekoppeld aan de omgevingsvergunning voor het bouwen van de betreffende woningen. Voor het overige zijn de regels van het voorgaande bestemmingsplan onveranderd gelaten.

Hieronder wordt nader op de bestemmingsregeling zoals destijds is bepaald in het kader van het Rood voor Rood traject, ingegaan: De gronden die worden gebruik voor de woonfunctie zijn bestemd als ‘Wonen’. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor woonhuizen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen, en overkappingen, al dan niet in combinatie met ruimten voor: 1. 2. 3. 4.

een aan-huis-verbonden beroep dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit; mantelzorg; extensief dagrecreatief medegebruik; agrarisch medegebruik;

Er zijn twee bestemmingsvlakken opgenomen: één voor de compensatiewoningen en één voor de bestaande woning. Het aantal toegestane woningen per bestemmingsvlak is middels een aanduiding op de verbeelding aangegeven. Compensatiewoningen Binnen het bestemmingsvlak voor de compensatiewoningen is per woning een bouwvlak opgenomen. Voor een woningen geldt een maximale inhoudsmaat van 750 m3 en een maximale goot- en bouwhoogte van 3,5 en 9 meter. De dakhelling van een hoofdgebouw zal ten minste 30° en ten hoogste 60° bedragen. De bijgebouwen dienen te worden gebouwd ter plaatse van de bouwaanduiding 'bijgebouwen', met dien verstande dat het maximum oppervlakte aan aan-, uit- bijgebouwen of overkappingen maximaal 200 m2 bedraagt. De goothoogte van een aan-, uit- of bijgebouw of overkapping zal ten hoogste 3,50 m bedragen en de bouwhoogte zal ten minste 1,00 m lager zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw. Bestaande woningen Binnen het bestemmingsvlak van de bestaande woning is geen bouwvlak opgenomen. Hier geldt dat maximaal 1 woning is toegestaan, waarvoor in dit geval de bestaande maatvoeringen gelden (op basis van de algemene bouwregels: Artikel 7). Wat betreft de bijgebouwen geldt dat deze mogen worden gebouwd tot een maximum gezamenlijk oppervlakte van 200 m2. Deze oppervlakte is groter dan normaliter is toegestaan.

In dit bijgebouw zijn de boerderijkamers beoogd, die met een aanduiding specifiek zijn vastgelegd. De goothoogte van een aan-, uit- of bijgebouw of overkapping zal ten hoogste 3,50 m bedragen en de bouwhoogte zal ten minste 1,00 m lager zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw. Aan de regels zijn voorwaardelijke verplichtingen toegevoegd. De voorwaardelijke verplichtingen voorzien in een borging van de sloop (zie Bijlage 2 van de regels) en de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen (zie Bijlage 1 van de regels). Deze verplichtingen zijn gekoppeld aan het onherroepelijk bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

47

worden van de omgevingsvergunning voor de nieuw te bouwen woningen.

48

bestemmingsplan Buitengebied, Deurningerstraat 5, Weerselo, 1e herziening

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Ten behoeve van deze ontwikkeling is een planschadeovereenkomst met de initiatiefnemer gesloten. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/499/documents/16486