CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12.pdf

Commissie Omgeving & Economie 9 mei 2023, gemeente DinkellandBij agendapunt: 10: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Buitengebied, Breemorsweg 12”23.193 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieu en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Alternatieven hoeven dan ook niet te worden afgewogen. Het milieubelang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is in voldoende mate afgewogen. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is niet verder m.e.r.-(beoordelings)plichtig is.

bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

33

4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. Het plangebied ligt in een gebied waar geen sprake is van een sterke functiemenging. Gezien het vorenstaande wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of in dit geval ‘rustig buitengebied’. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering

Toets Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Er dient bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als 34

bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' kan camping de Rammelbeek het beste worden aangemerkt als ‘Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’. Dergelijke inrichtingen vallen onder milieucategorie 3.1, waarbij de grootste richtafstand van 50 meter geldt voor het aspect geluid. Voor de aspecten geur en gevaar geldt een richtafstand van 30 meter en voor het aspect stof 0 meter. In de nabijheid van het plangebied liggen enkele milieugevoelige functies. Dit betreffen reguliere woningen. De woningen aan de Breemorsweg 14, 16 en de Frensdorferweg 47 liggen binnen de 50 meter contour. De bestaande contouren van het recreatieterrein blijven echter ongewijzigd. De afstand tot omliggende functies wordt dan ook niet verkleind met onderhavige ontwikkeling. De hoeveelheid seizoensgebonden staanplaatsen en/of recreatieve verblijfsobjecten wordt in deelgebied oost omgezet naar jaarrond plaatsen en/of objecten waarbij de hoeveelheid verblijfsrecreatieve plaatsen en/of objecten bijna gehalveerd worden. In het kader van eventuele hinder van verkeer is dit een verbetering.

Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Hierbij gaat het om de vraag of de functie hinder ondervindt van bestaande functies (in de omgeving). De recreatieve eenheden zijn in het kader van milieuzonering niet aan te merken als milieugevoelig (met uitzondering van het aspect geur), waardoor er geen hinder wordt ondervonden van bestaande functies in de omgeving. In de nabijheid van het plangebied zijn meerdere milieubelastende functies aanwezig. De dichtstbijzijnde milieubelastende functies betreffen agrarische bedrijven en een paardenhouderij. Aan de Breemorsweg 7 is een niet grondgebonden veehouderij aanwezig, aan de Breemorsweg 17 een grondgebonden veehouderij en aan de Frensdorferweg 37-39 een paardenhouderij. De agrarische bedrijven liggen op meer dan 80 meter afstand van de verblijfsrecreatieve bestemming. De nieuwe recreatiewoningen in de vorm van boomhutten liggen op een afstand van meer dan 200 meter van de omliggende agrarische bedrijven. Zoals gezegd is in dit geval alleen het aspect ‘geur’ interessant. Op het aspect 'geur' wordt in paragraaf 4.3 nader ingegaan.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten.

Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Dit wordt ‘de omgekeerde werking’ genoemd. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. Toets Zoals al aangegeven onder milieuzonering, ligt het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf op circa 80 meter van de verblijfsrecreatieve bestemming met de boomhutten op een 200 meter afstand van het dichtsbijzijnde agrarische bedrijf. Het betreft het bedrijf aan de Breemorsweg 7 te Lattrop-Breklenkamp, een niet grondgebonden veehouderij waarvoor geuremissiecontouren gelden. Gezien de relatief grote afstand wordt echter verwacht dat bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

35

er in het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd wordt het agrarisch bedrijf niet in zijn bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Bovendien zijn er al woningen op kortere afstand gelegen. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.

Toets Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht: als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; het bouwwerk een te verwezenlijken bebouwingsoppervlakte heeft van ten hoogste 50 m²; als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder dan 2 uur gehanteerd; als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd). De gronden binnen het plangebied zijn reeds jarenlang in gebruik als kampeerplaatsen. Het betreffen namelijk gronden die gebruikt en benut worden ten behoeve van camping de Rammelbeek. Dit verblijfsrecreatieve gebruik blijft gehandhaafd. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek kan derhalve achterwege blijven. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'bodem' geen belemmering oplevert voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.

in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: 36

bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Toets Een recreatieverblijf of recreatieve staanplaatsen zijn niet bedoeld voor permanente bewoning, waardoor de jaarrond kampeerplaatsen van het oostelijke kampeerterrein ingevolge de Wet geluidhinder niet aangemerkt dient te worden als een geluidsgevoelig object. Deze objecten hoeven dan ook niet te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde wegverkeerslawaai. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het echter wel wenselijk dat hinder van wegverkeerlawaai zoveel mogelijk wordt beperkt. De verkeersintensiteit op de Breemorsweg is niet van dien aard dat er sprake is van een hoge geluidsbelasting. Conclusie Het plangebied betreft een bestaand verblijfsrecreatief terrein. De recreatieverblijven worden niet aangemerkt als geluidsgevoelige objecten. Het voorliggende plan brengt geen akoestische knelpunten met zich mee voor de omgeving. De jaarrond staanplaasten en de boomhutten liggen op enige, dan wel ruime afstand van de Breemorsweg. Een nader akoestisch onderzoek is niet nodig.

4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets De wijziging van de situatie aan staanplaatsen op het oostelijke gedeelte van het campingterrein bestaat uit het halveren van de hoeveelheid staanplaatsen. De seizoensgebonden plaatsen worden omgezet naar jaarrond kampeerplaatsen.

In het laagseizoen is de bezetting lager dan in het hoogseizoen waardoor de gemiddelde hoeveelheid verkeersbeweging (het eindtotaal) verminderd. Conclusie bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

37

Het voorliggende plan draagt niet bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.

Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets

38

bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

Figuur 4.2: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl). Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 2 km van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.

De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Watervisie 2050 bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

39

Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend.

Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.

Watertoetsproces Op 1 maart 2022 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 2. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt het bestaande campingterrein benut. Als gevolg van de plannen wordt de vijver aan de oostzijde van de Breemorsweg vergroot. Dit heeft geen negatieve bijdrage voor de waterhuishouding, er ontstaat juist meer capaciteit c.q. ruimte voor water in het gebied. Er blijft sprake van een goede ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect water.

4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden [(kenmerk)], zie ook Bijlage 3. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. Het plangebied is op 16 februari 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten 40

bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten kan een negatief effect op Natura 2000-gebied niet op voorhand uitgesloten worden. Zekerheidshalve is een stikstofberekening uitgevoerd, welke is bijgevoegd als Bijlage 4. Hoewel er NOx en NH3 vrijkomt als gevolg van het gebruik van de standplaatsen aan de Breemorsweg 12 in Lattrop, is door uitvoering van de AERIUS berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof of ammoniak. In de gebruiksfase ligt de emissie niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee wordt geacht dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden en er geen nader onderzoek nodig is. De AERIUS Calculator biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura 2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof en ammoniak geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling.

Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats, bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats en bezetten vleermuizen er een verblijfplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het verstoren van bezette vogelnesten. Indien de werkzaamheden plaatsvinden tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest (in de aangrenzende houtsingel en laurierhaag) uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën beschadigd of vernield.

Voor de beschermde dieren, die een vaste rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde dieren. Om te voorkomen dat veldmuizen gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Als gevolg van de herinrichting van een deel van het plangebied, neemt de betekenis van het plangebied voor sommige beschermde soorten af. Dit leidt echter niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Met uitzondering van nader onderzoek naar het effect van de voorgenomen activiteiten, kan overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming voorkomen worden, mits rekening gehouden wordt met de aanwezige beschermde dieren.

4.10

Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

41

Archeologie De gemeente Dinkelland beschikt over een Archeologische verwachtings- en advieskaart. Deze is opgenomen in onderstaande figuur.

Figuur 4.3: uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: gemeente Dinkelland) De gronden in het plangebied waar werkzaamheden plaatsvinden liggen in de 'dekzandwelvingen en vlakten' laag. Voor deze laag geldt een middelmatige archeologische verwachting voor resten uit alle perioden. Archeologische resten liggen vlak onder het maaiveld en zijn daardoor kwetsbaar voor bodemingrepen. Archeologische resten zijn hierdoor vaak minder goed geconserveerd. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk in plangebieden groter dan 5000 m² bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 5000 m² geldt vrijstelling voor archeologisch onderzoek. Toets Bij voorliggende ontwikkeling wordt jaarrond kamperen op het oostelijke deel van het plangebied mogelijk gemaakt. Daarbij wordt de bestaande recreatievijver in zuidoostelijke richting uitgebreid. De bodemingrepen die daarbij plaatsvinden zijn ruim onder de grens van 5.000 m2. Het aspect 'archeologie' levert geen belemmering op voor onderliggend plan. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van de plangebieden geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn waarop het voorliggende plan mogelijk een negatieve impact heeft. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

42

bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

4.11

Verkeer / parkeren

Camping de Rammelbeek wordt ontsloten via de Breemorsweg. Het betreft een rustige erftoegangsweg in het buitengebied van Lattrop-Breklenkamp. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen extra verkeersbewegingen tot gevolg, maar eerder een verminderin van de hoeveelheid verkeersbewegingen. Er worden welliswaar 6 verblijfsrecreatieve objecten toegevoegd, maar de hoeveel staanplaatsen zal van 100 seizoens gebonden staanplaatsen naar 50 jaarrond staanplaatsen worden teruggebracht op deelgebied oost. De verkeersbewegingen worden verspreid over het gehele jaar en deze kunnen eenvoudig via de huidige weg worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. In de beleidsnotitie 'Bouwen en Parkeren 2018' van de gemeente Dinkelland wordt een kampeerplaats, stacaravan of boomhut niet genoemd in de beleidsnotitie. Er worden per salso geen recreatieverblijven toegevoegd ten opzichte van de bestaande situatie. In de CROW-publicatie 'kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' is voor een camping minimaal 1,2 parkeerplaats per standplaats opgenomen. Aangezien de auto's van de campinggasten bij het recreatieverblijf zelf worden geparkeerd kan de parkeerplaats voor op het terrein daardoor worden gebruikt voor bijvoorbeeld bezoekers van de gasten van de camping.

Aangenomen kan worden dat campinggasten alleen incidenteel bezoek ontvangen en dat dit bezoek niet allemaal tegelijkertijd plaatsvindt. Met de 60 parkeerplaatsen aan de oostzijde van de Breemorsweg en de 15 parkeerplaatsen bij de entree van de camping kan derhalve gesteld worden dat ruimschoots wordt voldaan aan de benodigde parkeerbehoefte. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.

bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

43

44

bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels 5.2.1

Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.

Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

45

om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.

De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2

Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen Bos - Natuur De voor 'Bos - Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor bos en bebossing, waaronder houtsingels, natuur, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van cultuurhistorie, de natuurlijke en de landschappelijke waarden van de bos- en natuurgebieden, beken, plassen, poelen, vennen, sloten en/of andere watergangen en/of partijen, als dan niet mede bestemd voor waterberging. Het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden van deze gebieden staan voorop. Recreatie - Verblijfsrecreatie De gronden met de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' zijn bedoeld voor standplaatsen voor kampeermiddelen en gebouwen ten dienste van de recreatieve functie. Er zijn bouw- en gebruiksregels opgenomen voor de verscheidene kampeermiddelen en gebouwen op het terrein. Tot strijdig gebruik wordt in ieder geval het gebruik van gebouwen, waaronder de recreatiewoningen, en kampeermiddelen, met 46

bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

uitzondering van de bedrijfswoningen, voor permanente bewoning gerekend. Water De voor 'Water' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor beken, sloten, en daarmee gelijk te stellen waterlopen ten behoeve van het behoud van de natuurlijke en landschappelijke waarden en de waterberging. De kleine watergang met ecologische waarde die over de camping loopt is de Rammelbeek.

bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

47

48

bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

49

50

bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Conform het door de provincie Overijssel gehanteerde beleid is het plan voor vooroverleg verzonden aan de provincie. Provincie heeft aangegeven dat het plan past binnen het provinciale beleid en geen aanleiding geeft om een zienswijze in te dienen. Waterschap Vechtstromen Op 11 oktober is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 17 februari 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.

bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

51

52

bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

Bijlagen toelichting

bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

53

Bijlage 1

54

Ruimtelijk kwaliteitsplan

bestemmingsplan Buitengebied, Breemorsweg 12

Ruimtelijk kwaliteitsplan CAMPING DE RAMMELBEEK

Camping de Rammelbeek in vogelvlucht (bron: Cyclomedia)

Inhoudsopgave I N T R O D U C T I E 0 5 B E S TA A N D E S I T U AT I E 0 6 L A N D S C H A P S A N A LYS E - L A N D S C H A P 0 8 L A N D S C H A P S A N A LYS E - B E L E I D 1 2 I N R I C H T I N G S P L A N 1 6 KG O M A AT R E G E L E N 2 0

Camping de Rammelbeek

4

RKP CAMPING DE RAMMELBEEK

Introductie Ad Fontem Ruimtelijk Advies heeft het voorliggend ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld naar aanleiding van de

Het voornemen bestaat om jaarrond kampeerplekken

voorgenomen ontwikkelingen op Camping de Rammelbeek. Camping de Rammelbeek is een familiebedrijf in het

te realiseren, bedrijfsgebouwen te vervangen en te

buitengebied van Lattrop. De generatiewissel nadert en de initiatiefnemer is voornemens zich met zijn bedrijf te

experimenteren met nieuwe vormen van verblijfsrecreatieve

blijven onderscheiden om de continuïteit van het bedrijf te waarborgen. De laatste jaren is er reeds veel geïnvesteerd

objecten. Daarom heeft de familie een plan ontwikkeld

in de camping om de kwaliteit te verbeteren. Middels aanpassingen en vernieuwingen wil initiatiefnemer de camping

om samen een gezonde bedrijfsvoering te kunnen blijven

gereed maken voor de “(nieuwe) behoefte” van de doelgroep die Camping de Rammelbeek bedient.

doorvoeren in de toekomst. De gemeente heeft na het indienen van een principeverzoek positief besloten. De bestemmingsplanwijziging kan onder meer worden gerealiseerd op voorwaarde dat de camping landschappelijk wordt ingepast en dat de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt versterkt. De landschappelijke inpassing wordt uiteengezet door middel van onderhavig ruimtelijk kwaliteitsplan. Het beleid en de uitgangspunten van de actoren die relevant zijn voor de landschappelijke inpassing worden in beeld gebracht. Het beleid relevant voor de gehele ontwikkeling zal in het bestemmingsplan worden benoemd en getoetst. In onderhavig ruimtelijk kwaliteitsplan wordt een beschrijving gegeven van het plangebied in het omliggende landschap, gebaseerd op de landschapsinventarisatie en analyse. Dit vormt de basis voor de beschrijving van de nieuwe situatie, inclusief de landschappelijke inpassing en de KGO investering die voldoet aan het beleid opgesteld door de gemeente Dinkelland.

Topografische kaart met het plangebied zwart omkaderd (bron: pdok.nl) 5

A

Huidige situatie Het plangebied bestaat uit de gronden behorende bij

Op het campingterrein zijn diverse faciliteiten aanwezig zoals

Camping de Rammelbeek. De camping is gelegen aan de

een campingwinkel, café-restaurant, een zwembad, een

Breemorsweg 12 in het buitengebied van de gemeente

zwemvijver, diverse speeltuinen en sanitaire voorzieningen. Het

Dinkelland. Vanuit de omgeving is het gebruik van de gronden

campingterrein is voor de bezoeker toegankelijk via de entree

matig waarneembaar door de robuuste groene omkadering

aan de Breemorsweg. Via deze weg is tevens het oostelijke

die de camping kent. Het terrein biedt momenteel ruimte

gedeelte van de camping, het terrein met de zwemvijver en de

aan circa 550 plaatsen voor stacaravans en kampeerders.

100 seizoensgebonden plaatsen ook bereikbaar. Het groene

De hoeveelheid plekken is de afgelopen jaren afgenomen in

karakter komt mede voort uit het behoud van de Rammelbeek

verband met de verduurzaming van het campingterrein. Op

die over het terrein loopt en de diverse landschapselementen

de camping staan diverse boomgroepen en solitaire bomen

die aanwezig zijn op en rond het campingterrein.

met een diverseiteit aan inheemse soorten zoals de zomereik,

Het naastgelegen bos, ten oosten van de momenteel

knotwilg, beuk, haakbeuk, berk, boswilg en diverse houtsingels

seizoensgebonden plekken, zal ingezet worden voor de KGO

van inheems plantmateriaal. De Rammelbeek vormt de groen-

investering. Vanwege het gebrek aan onderhoud aan het bos

blauwe ader over het terrein waaraan de structuur van het

kan het opschonen van het bos een kwaliteitsimpuls gebruiken.

terrein is opgehangen. Het gedeelte van de camping aan de oostzijde van de Breemorsweg heeft een rationeler karakter. De onderverdeling van het terrein en de staanplaatsen wordt eveneens vormgegeven door inheems plantmateriaal. De staanplaatsen voor kampeermiddelen bestaan hoofdzakelijk uit gazon. Enkel bij de stacaravans met een jaarplaats zijn uitheemse soorten waar te nemen. Initiatiefnemer is reeds een programma gestart waarbij middels een stijlgids de gewenste inheemse beplanting en beeldkwaliteit gerealiseerd wordt. 6

B

RKP CAMPING DE RAMMELBEEK

C

D

A

D B

E

E

F

F

C

Diverse foto’s van het plangebied met de locatie weergegeven op de luchtfoto (bron: Cyclomedia) 7

Landschapsanalyse - landschap Camping de Rammelbeek is ten oosten van de kern Latttrop

Zodoende ontstond een kleinschalig, reliëfrijk en sterk

gelegen, tussen de Geele Beek, de Rammelbeek en het

geaccentueerd maaiveld die ook nog herkenbaar is op het

Lattropper Veld. Voorheen waren er twee campings aanwezig

terrein van de camping. De ontstaansgeschiedenis is terug te

op het terrein, namelijk Camping de Geele Beek en Camping de

vinden in de geomorfologische kaart van het plangebied.

Rammelbeek. Inmiddels zijn de campings met de bijbehorende terreinen reeds voor een lange tijd samengevoegd. De erven

Op de AHN zijn de beekdallaagtes en lage dekzandruggen

met de bedrijfswoningen zijn instand gehouden, waarvan

te herkennen. In het verleden zijn eerst de hoger gelegen,

het erf aan de Breemorsweg 12 de hoofdentree van het

grootste en vruchtbaarste dekzandruggen ontgonnen waarbij

campingterrein is.

de verkaveling was afgestemd op het natuurlijke reliëf. Op individuele wijze werd de grond in cultuur gebracht. De hoger

8

Landschap

(oranje geel) gelegen delen op de camping zijn in het verleden

Door de wisselwerking tussen abiotische (fysische)

gebruikt als bouwland met een nabij gelegen erf. Deze erven en

en biotische factoren en processen is er sprake van

de bouwlanden (kampen) zijn op de historische topografische

waarneembare verschillen in het landschap. Zo zorgden

kaarten op de volgende bladzijde waarneembaar. De gronden

ijs-, wind- en waterstromen in Noordoost Twente voor het

nabij de beken liggen lager en behoren tot de nattere

ontstaan van een afwisselend landschap van stuwwallen,

beekdalgronden (groen, blauw). De natuurlijke loop van de

dekzandgronden, beekdalen en natte laagtes. Het brede

Rammelbeek was vroeger de grens tussen de twee campings.

Dinkeldal tussen grofweg Ootmarsum en de Duits-Nederlandse

Deze organische vormen in het landschap zijn ook nu nog

grens en van Breklenkamp tot Denekamp/Mekkelhorst is in

zichtbaar en door het recreatieve gebruik van de gronden is

het Laat-Weichselien opgevuld door dekzanden die in de vorm

het groene karakter behouden. De vroege ontginning van de

van kleine dekzandruggen en dekzandkopjes zijn afgezet. De

dekzandruggen in de vorm van eensmansesjes, de organische

Dinkel en haar voormalige zijbeken, zoals de Rammelbeek, de

vormen in het landschap en de houtwallen zijn kenmerkend

Sombeek en de Geele Beek doorsneden dit beekdallandschap.

voor het kampenlandschap, ook wel oude hoevenlandschap De Rammelbeek (onder) en groenkarakter recreatiepark (boven)

RKP CAMPING DE RAMMELBEEK

Moerige podzolgronden

Veldpodzolgronden Zandige beekdalgronden

Beekeerdgronden

Hoge bruine enkeerdgronden

Bodemkaart

Dekzandrug

Vlakte van ten

Dekzandwelvingen

dele verspoelde dekzanden of löss

Dekzandwelvingen

ul

ge

st Re

Dekzandvlakte

Dekzandrug

Dalvormige laagte

Geomorfologische kaart

AHN

9

10

genoemd. De vele houtwallen en singels zijn door het

Bodem

verleggen van de Geele beek en de herindeling van de kavels

Het bodemtype geeft inzicht in de chemische omstandigheden

grotendeels verdwenen. Daar voor in de plaats zijn er robuuste

welke sturend is voor de keuze van het plantmateriaal.

houtwallen aangebracht op de perceelsgrenzen van de

Beplanting die namelijk van nature op deze bodemtypen groeit,

camping. Het betreft begroeiing met inheems plantmateriaal

heeft namelijk veel minder last van ziektes en plagen. Ze zijn

zoals zomereik en diverse struikvormers. De beplanting langs

sterker omdat de bodemomstandigheden optimaal zijn voor de

de Rammelbeek is van oudsher nog aanwezig en zorgt voor

soorten. Ook binden inheemse plantensoorten meer insecten,

de groene dooradering van het recreatieterrein. De gronden

schimmels en mossen aan zich. In dit geval bestaan de jonge

op het deel van de camping ten oosten van de Breemorsweg

ontginingen en gronden in het plangebied hoofdzakelijk uit

zijn later ontgonnen. Op de historische topografische kaart

door de mens bewerkte zandgronden. Het plangebied omvat

is goed te zien dat het plangebied op de grens ligt van het

een beekdalgrond nabij de beek en de jonge ontginning betreft

kampenlandschap en het heideontginningslandschap.

de veldpodzolgrond. De veldpodzolgrond betreft een grond

Het oostelijke deel van de camping kenmerkt zich met een

welke in eerste instantie voor de land bewerkt zijn waardoor

rationele structuur en perceelrandbegroeing als afbaking

de bovenste laag meer humus bevat. Voor een goede oogst

van het terrein waarbinnen zich een rationele invulling van

zijn er zeer veel toevoegingen nodig waardoor het gebruik vaak

de ruimte heeft plaatsgevonden ten behoeve van de functie.

beperkt wordt tot grasland. Op deze zandgronden groeien

De historische topografische kaarten van verschillende

o.a. de winter- & zomereik, beuk, haagbeuk, meidoorn en

jaren geven weer dat de structuur van het landschap is

op de nattere gronden zwarte els en berk van nature. De

veranderd door ingrepen van de mens. De ontginningen,

beekeerdgrond heeft een natter en humeuzer karakter waarbij

schaalvergrotingen en ruilverkavelingen hebben ervoor gezorgd

voornamelijk de soort zwarte els de natuurlijke vegetatie

dat het landschap ter plaatse steeds rationeler ingedeeld werd

betreft. Deze soorten, met name de soorten die reeds aanwezig

en veel landschapselementen verdwenen zijn.

zijn, zullen worden gebruikt in het ontwerp.

Robuuste groene omkadering campingterrein

RKP CAMPING DE RAMMELBEEK

Historische topografische kaarten met het plangebied omcirkeld (bron: atlasvanoverijssel.nl)

11

Landschapsanalyse - beleid Provinciaal beleid

Natuurlijke laag: Beekdalen en natte laagtes en Dekzand-vlakte

aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en

De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de

en ruggen

het vasthouden van water, de versterking van de samenhang in

fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Duurzaamheid, De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de opper

pes of ‘rode draden’ bij alle initiatieven in de fysieke leefomgev-

vlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen

ing in de provincie Overijssel. Bestaande kwaliteiten moeten

een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter,

Agrarische cultuurlandschap: Oude Hoevelandschap

worden beschermd en er moeten verbindingen worden gelegd

dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen

Het landschap ter plaatse van het plangebied wordt op de pro-

tussen deze bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen.

hoog/droog en laag/nat gebied. Het plangebied is gedeeltelijk

vinciale kaart aangeduid als het ‘oude hoevenlandschap’. Het

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteit-

gesitueerd op een lage dekzandrug welke verspreid in het

werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’

sambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel

buitengebied van Lattrop aanwezig zijn. De meeste dekzand-

waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkeling-

geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene om-

verhogingen in dit landschap betreffen kleine koppen of ruggen.

sruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die in-

geving en stedelijke omgeving.

De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en

dividueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat

tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te

de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Om-

maken. Uitgangpunten hiervoor zijn: Ontwikkelingen dragen bij

meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Es-

gevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op

aan beter beleefbaar maken van reliëf en watersysteem; Strek-

senlandschap in het klein met samenhangend systeem van es/

drie niveaus, te weten:

kingsrichting van landschap is uitgangspunt bij ontwikkelingen.

kamp, erf op de flank, natte laagtes en – voormalige – heide-

•

generieke beleidskeuzes;

Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem en

velden. Ordening vanuit de erven, die de ‘organische’ vormen

•

ontwikkelingsperspectieven;

door beplanting met ‘natuurlijke’ soorten.

van landschap volgt. Spinragstructuur vanuit de erven naar de

•

gebiedskenmerken.

reikbaarheid en beleefbaarheid van het water.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/704/documents/19441