CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan appartementen Klooster Ootmarsum.pdf

Commissie Omgeving & Economie 1 oktober 2024, gemeente DinkellandBij agendapunt: 6: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Appartementen Klooster Ootmarsum”25.337 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.7 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het 34

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem. Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling.

De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe. Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker.

De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting. Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem.

Watertoetsproces Op 22 juli 2022 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 7 Watertoets. Uit deze watertoets volgt dat de korte procedure voor deze planontwikkeling kan worden gevolgd en het waterschap een positief advies afgeeft. Toetsing aan gemeentelijke uitgangspunten bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

35

Deze planontwikkeling is dermate kleinschalig dat compenserende maatregelen niet zijn vereist. De bestaande locatie is grotendeels verhard terrein en daarmee is er geen toename van verhard oppervlak. Ten aanzien van de riolering moet er een gescheiden stelsel worden aangelegd, waarbij het regenwater wordt gescheiden van het vuilwater. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'water' geen belemmering is.

4.8 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden uitgevoerd door Natuurbank Overijssel (d.d. 28-6-2022, projectnummer 4394), zie ook bijlage Bijlage 5 Quickscan natuurwaarden. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) Het plangebied ligt op minimaal 390 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft deze planontwikkeling niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in of direct grenzend aan beschermd natuurgebied zoals een Natura 2000-gebied of beschermd natuurmonument.

Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, Springendal & Dal van de Mosbeek, ligt op minimaal 1,87 km ten noorden van het plangebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de gebruiksfase. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten. Stikstofberekening Voor dit bestemmingsplan zijn twee stikstofberekeningen (AERIUS) uitgevoerd, één voor de aanlegfase en één voor de gebruiksfase. De berekeningen zijn opgenomen in Bijlage 4 Stikstofberekening bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Hieronder worden de resultaten/conclusies besproken. Voor de concrete inhoud wordt verwezen naar de bijlage. De berekening is uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2023.2. Voor de aanlegfase is gerekend voor het rekenjaar 2025, omdat geacht wordt dat het project in 2025 zal worden uitgevoerd.

Voor de gebruiksfase is gerekend voor het rekenjaar 2026, omdat de appartementen naar verwachting dan pas bewoonbaar zullen zijn. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een vergunning Wet natuurbescherming. In de bijlage is een uitdraai van de resultaten van de AERIUS Calculator opgenomen. Aanlegfase Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling bedraagt de totale NOx-emissie als gevolg van het bewonen van de appartementen bedraagt in totaal 21,9 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,7 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Gebruiksfase De totale NOx-emissie als gevolg van het bewonen van de appartementen bedraagt in totaal 4,7 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,1 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Conclusie Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling komt er zowel NOx als NH3 vrij. Door uitvoering van de voorliggende AERIUS berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In zowel de aanleg- als gebruiksfase ligt de emissie dan ook niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanleg- en gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx of NH3 plaats in Natura 36

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. De AERIUS Calculator 2023.2 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura 2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator 2023.2 zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect 'stikstof en ammoniak' geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rustof verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats.

Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd en de schuur gesloopt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode.

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels; Geen beschermde amfibieën of zoogdieren doden; Stikstofberekening uitvoeren Conclusie Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor het realiseren van dit bestemmingsplan.

4.9 Archeologie en Cultuurhistorie Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

37

De gemeente Dinkelland beschikt over een archeologische verwachtings- en advieskaart (rapprot RAAP, juli 2008). In figuur 4.4 is een uitsnede van archeologische verwachtingskaart weergegeven. Het plangebied is rood omkaderd.

Figuur 4.4: Uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: www.dinkelland.nl) Toets Het plangebied ligt in een gebied dat is aangeduid als een terrein van hoge en zeer hoge archeologische waarde. Daarvoor gedlt dat er wordt gestreefd naar behoud van de waarden via het bestemmingsplan. Archeologisch onderzoek is vereist voor plangebieden dan 100 m² en bij bodemingrepen dieper dan 50 cm. Het plangebied betreft een gebied dan groter is dan 100 m², is er archeologisch vooronderzoek nodig. RAAP heeft voor deze locatie reeds een bureauonderzoek uitgevoerd (d.d. 13 oktober 2009). Daaruit bleek dat in het plangebied rekening dient rekening te worden gehouden met archeologische resten. Het Oversticht heeft een Programma van Eisen opgesteld voor het uitvoeren van proefsleuvenonderzoek. De gemeente heeft aangegeven dat een onderzoek kan worden uitgevoerd voorafgaand en tijdens het bouwrijp maken van het plangebied.

Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Het plangebied is onderdeel van het beschermde stad- en dorpsgezicht dat op 13 mei 1996 als zodanig is aangewezen. In figuur 4.5 is de afbeelding van het beschermingsgebied opgenomen.

38

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

Figuur 4.5: Beschermingsgebied stads- en dorpsgezicht Ootmarsum (bron: ministerie OCW) De aanwijzing als beschermd stadsgezicht biedt handvatten om architectonisch en stedenbouwkundig waardevolle objecten te handhaven en/of zorgvuldig aan de passen aan de eisen van onze tijd. Dat garandeert dat nieuwe elementen met zorg worden ingepast, niet geweerd. Typerend voor het ruimtelijk karakter van Ootmarsum zijn onder andere: de centraal gelegen kerk met kerkplein; het concentrische bebouwingspatroon; de tweedeling in een westelijk en een oostelijk deel, waarbij het westelijk deel wordt gekenmerkt door rechte straten, terwijl het oostelijk deel opvalt door straten met een grotendeels gebogen verloop; de omsluiting van de stad door twee ringwegen (één gevormd door de straatjes langs de binnenkant van de voormalige wal en één aangelegd op de plaats van de voormalige gracht); het oplopen van het straatniveau in westelijke richting; het gebogen verloop van veel straten onderscheid tussen een meer besloten, steenachtig en ‘stedelijk’ karakter aan de westzijde en een meer ruim, open en ‘landelijk’ karakter aan de oostzijde; het ontbreken van doorgaande rooilijnen en de ligging van de panden los ten opzichte van elkaar; het voorkomen van drupgoten: de door deze vrije ligging ontstane tussenruimten tussen de panden; de gevarieerde ligging van de panden (als gevolg van het ontbreken van

rooilijnen en aaneengesloten bebouwing) en wisselende straatbreedtes; traditionele driedeling van straatprofielen (straat/molgoot/stoep). De gemeentelijke monumentencommissie heeft advies uitgebracht over de plannen en daarna hebben er diverse overleggen met het gemeentelijk kwaliteitsteam (Q-team Dinkelland- Tubbergen) plaatsgevonden. Daaruit is het huidige ontwerp naar voren gekomen. Conclusie Voorafgaand en tijdens het bouwrijp maken zal een proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd waarmee de archeologische waarden kunnen worden geborgd. Het programma van eisen voor het proefsleuvenonderzoek is als bijlage bij de toelichting gevoegd, zie Bijlage 6 PvE archeologie Gezien het veelvuldig overleg zijn de cultuurhistorische waarden van het beschermde stads- en dorpsgezicht geborgd en is het voorliggende ontwerp passend in de directe omgeving. Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor het realiseren van dit bestemmingsplan.

4.10

Verkeer / parkeren

Verkeer Het appartementengebouw wordt ontsloten via de Oostwal, een weg die samen met de Westwal een ringweg vormt rondom het oude, beschermde stadsgezicht van Ootmarsum. Op deze weg geldt een maximum snelheid van 30 km/uur. Op basis van de CROW-richtlijn 'Toekomstbestendig parkeren' valt de gemeente Dinkelland binnen het kenmerk 'niet-stedelijk' en in het 'centrum'. Daarbij hoort een gemiddelde verkeersgeneratie van 5,2 verkeersbewegingen

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

39

per woning, wat voor dit plan inhoudt een totaal van 31,2 verkeersbewegingen. Het plangebied ontsluit via een bestaand inrit op de Oostwal. De Oostwal is een smallere straat, waarvoor het eenrichtingsregime geldt. De weg wordt gebruikt door bestemmingsverkeer en door bezoekers van het historische centrum. De straat is uitgevoerd in klinkers met aan een zijde een trottoir en aan de andere zijde parkeermogelijkheid of groen. Er is voldoende zicht en ruimte voor het verkeer bij het verlaten van het plangebied, waardoor op een veilige wijze het extra verkeer kan worden afgewikkeld. Het verkeer kan verder via de Cellenkampstraat of Denekamperstraat naar de Rondweg (N349). Fietsers en voetgangers kunnen eventueel richiting het centrum over het kloosterterrein via de Kloosterstraat. De Kloosterstraat is een straat waar geen gemotoriseerd verkeer is toegestaan, met uitzondering van bestemmingsverkeer. Een veilige route voor fietser en voetgangers. Een beperkte toename van verkeersbewegingen (31,2) kan eenvoudig via de huidige wegen worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. Parkeren Op 29 mei 2018 heeft de gemeente Dinkelland de beleidsnotitie "Bouwen en parkeren 2018" vastgesteld. Deze notitie is het beoordelingskader voor de parkeerbepalingen.

In 2022 zijn er in een gewijzigde versie van deze notitie, extra opties mogelijk gemaakt om meer mogelijkheden te geven aan woningbouwplannen die liggen in een gebied waar een parkeerregime geldt en waar minder mogelijkheden zijn om parkeerplaatsen te realiseren. Deze planlocatie valt binnen een dergelijk gebied. Voor deze locatie betekent het gewijzigde beleid dat per appartement 1 parkeerplaats moet worden voorzien op eigen terrein. Voor de bezoekers (0,30 per appartement) is het uitgangspunt dat er in de directe omgeving voldoende parkeerruimte is. Aan de Cellenkampstraat en bij de Kloostertuin zijn voldoende parkeerplaatsen voor de bezoekers. Dat betekent 6 parkeerplaatsen op eigen terrein. Het parkeren vindt plaats naast het appartementengebouw waar ruimte is om in de 6 parkeerplaatsen te voorzien, zie figuur 4.6 (rood omkaderd).

Figuur 4.6: parkeerplaatsen bij appartementen (bron: Lomanarchitecten) Er zijn meer functies op korte afstand van elkaar, die niet allemaal op hetzelfde moment gebruik maken van de parkeerplaatsen. Voor de parkeerplaatsen kan gecombineerd gebruik plaatsvinden. In het plan is de aanleg en instandhouding van deze 6 parkeerplaatsen als voorwaardelijke verplichting opgenomen. De inrichtingstekening waarop de parkeerplaatsen zijn weergegeven, is opgenomen als bijlage 1 bij de regels. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan. Conclusie

40

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

Het afwikkelen van het verkeer en parkeren levert geen belemmeringen op voor het realiseren van dit plan.

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

41

42

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

43

44

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. De gemeente heeft een anterieure overeenkomst gesloten met initatiefnemer en daarmee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

45

46

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie A onder 1 en 9, waardoor vooroverleg niet nodig is. Waterschap Vechtstromen Op 4 juli 2022 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 19 mei 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn er geen zienswijzen binnengekomen.

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

47

48

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

Bijlagen bij toelichting

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

49

Bijlage 1 m.e.r.

50

Vormvrije aanmeldnotitie

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

AANMELDNOTITIE M.E.R. OOSTWAL OOTMARUSM

Aanmeldnotitie m.e.r.

01

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

OOSTWAL OOTMARSUM

AANMELDNOTITIE M.E.R. OOSTWAL OOTMARUSM

Aan Gemeente Dinkelland Postbus 11 75920 AA Denekamp

Borne, 5 december 2022

Ons kenmerk

22AF108

Bijlagen

--

Betreft

Aanmeldnotitie m.e.r. realiseren 6 appartementen Oostwal Ootmarsum

Geachte college,

Geacht college,

We zijn bezig met het opstellen van een bestemmingsplan voor het realiseren van een appartementengebouw met 6 appartementen aan de Oostwal in Ootmarsum. Hierbij zal het aantal woningen per saldo toenemen. Sinds 2017 is er een aanmeldnotitie nodig wanneer er sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarde blijven (en daarmee niet planMERplichtig zijn). Het heeft niet alleen betrekking op een bestemmingsplan, maar ook op bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking. Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf, dus ook bij het ontwikkelen van klein ruimtelijk plan is een aanmeldnotitie nodig.

Kenmerken van het betreffende project Binnen het terrein van het voormalige klooster in het historische centrum van Ootmarsum vindt een herontwikkeling plaats van dit kloosterterrein en de gebouwen. De verbouwing van het kloostergebouw is in volle gang. Een deel van de herontwikkeling omvat het realiseren van

appartementengebouw.

Op basis van het geldende bestemmingsplan is deze woningbouw niet mogelijk, daarvoor is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het planologisch – juridisch kader voor deze ontwikkeling

02

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

appartementen. Dit plan voorziet in het realiseren van 6 appartementen in één

AANMELDNOTITIE M.E.R. OOSTWAL OOTMARUSM

Figuur 1: impressie van nieuw appartementengebouw De appartementen zijn ingepast op het binnenterrein van het voormalige klooster. Het parkeren is voorzien op dit terrein en de ontsluiting is geregeld via de bestaande weg, de Oostwal.

Plaats van het project Het plangebied ligt in de kern van Ootmarsum nabij het historische centrum. Het plangebied staat

Figuur 2: luchtfoto plangebied (PDOKviewer)

03

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

kadastraal bekend als gemeente Ootmarsum, sectie A perceelnummer 3858.

AANMELDNOTITIE M.E.R. OOSTWAL OOTMARUSM

Kenmerken van de potentiële effecten Zoals aangegeven, maakt het plan de realisatie van extra woningen mogelijk. Voor wat betreft de potentiële milieueffecten van de planontwikkelingen zijn de volgende aspecten relevant.

Verkeerseffecten en luchtkwaliteit Voor het plangebied binnen de gemeente Dinkelland gelden de volgende uitgangspunten: Verkeersgeneratie

Stedelijkheidsgraad:

niet stedelijk

Zone:

centrum

De appartementen worden ontsloten via de Oostwal. Het uitgangspunt is dat 1 appartement 5,2 verkeersbewegingen per etmaal veroorzaakt. Dat houdt in deze situatie in dat er 6 * 5,2) 31,2 verkeersbewegingen per etmaal extra zijn. Voor de Oostwal geldt een eenrichtingsregime. De weg wordt gebruikt door bestemmingsverkeer en door bezoekers van het historische centrum. De straat is uitgevoerd in klinkers met aan een zijde een trottoir en aan de andere zijde parkeermogelijkheid of groen. Er is voldoende zicht en ruimte voor het verkeer bij het verlaten van het plangebied, waardoor op een veilige wijze het extra verkeer kan worden afgewikkeld. Het verkeer kan verder via de Cellenkampstraat of Denekamperstraat naar de Rondweg (N349).

In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);

•

Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

•

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;

•

woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;

•

kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario, waarbij de verkeersgeneratie van de extra woningen én de verkeersgeneratie in het vigerende bestemmingsplan wordt betrokken, kan het aantal verkeersbewegingen op 31,2 per dag extra worden gesteld. Er zal in beperkte mate sprake zijn van vrachtverkeer in het plangebied, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0% gezet is.

04

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

Enkele voorbeelden zijn:

AANMELDNOTITIE M.E.R. OOSTWAL OOTMARUSM

Figuur 3: worst-case berekening luchtkwaliteit vanwege extra verkeer (bron: Ad Fontem) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Water De appartementen zullen wat betreft het afvalwater worden aangesloten op de bestaande riolering. Het hemelwater zal op het terrein worden opgevangen. Voor deze locatie is een digitale watertoets uitgevoerd. Daaruit volgt dat de korte procedure voor deze planontwikkeling kan worden gevolgd en het waterschap een positief advies geeft.

Geluid Voor het aspect geluid wordt gekeken naar de externe werking en gaat het om de vraag of de realisatie van onderhavig plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de omgeving. De beoogde

Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b. in buitenstedelijk gebied:

05

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving.

AANMELDNOTITIE M.E.R. OOSTWAL OOTMARUSM

voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh.

Het plangebied ligt aan de Oostwal, een weg waar een 30 km/uur-regime geldt. In het kader van de Wet geluidhinder zijn de gestelde grenswaarden niet van toepassing. Ook als de wet niet van toepassing, is geldt in het kader van de ruimtelijke ordening dat gemotiveerd moet worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor dit plan is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Aveco de Bondt (d.d. 13 juli 2022, projectnummer 222131). Daarnaast is in het onderzoek op kwalitatieve wijze ingegaan op het aspect geluid vanwege bedrijfsactiviteiten.

Conclusie van het onderzoek Wegverkeerslawaai De berekende geluidbelasting is ten hoogste 49 dB, na toepassing aftrek van 5 dB conform artikel 110g Wgh en daarmee hoger dan de ambitiewaarde uit het gemeentelijk geluidbeleid. Er is wel voldaan aan de bovengrens. Er is sprake van een beperkte overschrijding van de voorkeurs- en ambitiewaarde van 1 dB op één gevel. Gebleken is dat bronmaatregelen op overwegende bezwaren van financiële, verkeerskundige en stedenbouwkundige bezwaren stuiten. Indien verlangd wordt dat de overschrijding van 1 dB op de eerste bouwlaag wordt voorkomen, kan de kloostermuur als overdrachtsmaatregel fungeren. Echter, in de kloostermuur zijn (te openen) ramen gerealiseerd ten behoeve van de achterliggende appartementen. Doordat voorzien wordt in voldoende geluidwering van de gevels van de appartementen is het binnenniveau geborgd. Als gevolg van de overige 30 km/uur-wegen nabij het plangebied wordt aan de voorkeurs- en ambitiewaarde voldaan. Zodoende is de conclusie dat vanwege het onderdeel wegverkeerslawaai sprake is van een goed woon- en

Geluid vanuit bedrijfsactiviteiten Het plangebied bevindt zich op een afstand van minder dan 10 meter van het kloostergebouw. Aan de hand van de daadwerkelijk te verwachten bedrijfsmatige activiteiten is geconcludeerd dat geen onaanvaardbare negatieve geluideffecten te verwachten op de gevels van het plan.

06

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

leefklimaat.

AANMELDNOTITIE M.E.R. OOSTWAL OOTMARUSM

Railverkeerslawaai In de nabije omgeving bevindt zich geen spoorlijn en daarmee is dit aspect niet aan de orde.

Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.

Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (BG I, BG II en BG III), de ondergrond (OG I) en in het grondwater (PB 51) zijn lichte tot matige verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het onderzoek. In de ondergrond (OG II) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Naar aanleiding van het matig verhoogde loodgehalte in het mengmonster van de bovengrond BG II zijn de 3 deelmonsters separaat op lood geanalyseerd. Uit de separate analyses blijkt dat de bovengrond van boring 53.3 (0.5 - 1.0) en boring 55.1 (0.15 - 0.65) licht zijn verontreinigd met lood. De bovengrond van boring 53.4 (1.0 - 1.5) is matig verontreinigd met lood. Lood (en andere zware metalen en PAK) is heterogeen op de onderzoekslocatie aanwezig als gevolg van stedelijke ophoging. Vanuit de Wet bodembescherming is er geen verplichting tot het uitvoeren van nader onderzoek, omdat er geen verhoogde gehalten ten opzichte van de interventiewaarde in een individueel monster zijn gemeten. Er is geen saneringsnoodzaak. In het mengmonster van de fijne

Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De

07

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

fractie MM FF - 01 is geen asbest aangetoond.

AANMELDNOTITIE M.E.R. OOSTWAL OOTMARUSM

wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Natuurbank Overijssel heeft een Quickscan natuurwaarden uitgvoerd (d.d. 28-6-2022, proj.nr. 4394). Daaruit blijkt wat de gevolgen kunnen zijn van het realiseren van dit plan. Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) Het plangebied ligt op minimaal 390 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft deze planontwikkeling niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.

Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in of direct grenzend aan beschermd natuurgebied zoals een Natura 2000gebied of beschermd natuurmonument. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, Springendal & Dal van de Mosbeek, ligt op minimaal 1,87 km ten noorden van het plangebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de gebruiksfase. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten.

Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als

Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd en de schuur

08

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

foerageergebied.

AANMELDNOTITIE M.E.R. OOSTWAL OOTMARUSM

gesloopt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: -

Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels;

-

Geen beschermde amfibieën of zoogdieren doden;

-

Stikstofberekening uitvoeren

Stikstofdepositie De berekening is uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2021, zie Stikstofberekening. Voor de beoogde situatie is gerekend voor het rekenjaar 2023, omdat geacht wordt dat de appartementen dan pas bewoonbaar zullen zijn. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een vergunning Wet natuurbescherming. In de bijlage is een uitdraai van de resultaten van de AERIUS Calculator opgenomen.

Gebruiksfase De totale NOx-emissie als gevolg van het bewonen van de appartementen bedraagt in totaal 4,4 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,2 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.

Conclusie

voorliggende AERIUS berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de gebruiksfase ligt de emissie dan ook niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx of NH3 plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De ontwikkeling leidt niet tot

09

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling komt er zowel NOx als NH3 vrij. Door uitvoering van de

AANMELDNOTITIE M.E.R. OOSTWAL OOTMARUSM

een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. De AERIUS Calculator 2021 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura 2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen.

Externe veiligheid Binnen het plangebied worden geen risicobronnen opgericht, aangezien er sprake is van woningbouw. Woningen zijn geen objecten die relevant zijn als risicobron inzake externe veiligheid. In de omgeving van het plangebied bevindt zich op een afstand van ruim 430 meter een gasleiding (40 bar).

Figuur 4: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl) De afstand tot de gasleiding is groot, dat geconcludeerd kan worden dat deze ontwikkeling geen

10

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

negatieve effecten veroorzaakt m.b.t. externe veiligheid.

AANMELDNOTITIE M.E.R. OOSTWAL OOTMARUSM

Hoogachtend, Namens onze opdrachtgever

Ad Fontem BV G. Minkjan

11

-

Verkennend (asbest)bodemonderzoek (d.d. juli 2022);

-

Akoestisch onderzoek (13 juli 2022)

-

Stikstofberekening (10 juni 2022)

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

Bijlagen:

AANMELDNOTITIE M.E.R. OOSTWAL OOTMARUSM

ds

Hoogachtend, Namens onze opdrachtgever

Ad Fontem BV [Afzender]

Bijlage

Ad Fontem ruimtelijk advies

074 255 7020

Stationsstraat 37

info@ad-fontem.nl

12 7622 LW Borne

www.ad-fontem.nl

A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S

[Bijlagen]

Bijlage 2

Bodemonderzoek

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

63

RAPPORT VERKENNEND (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN5740 en NEN5707 Oostwal 24-32 - Ootmarsum

Opdrachtgever Ad Fontem Locatie: Oostwal 24-32 7631 EJ Ootmarsum Juli 2022

Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren

Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl

Tel: 0546 - 63 96 63 KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01

Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739

Rapport Verkennend (asbest)Bodemonderzoek conform NEN4750 en NEN5707 Oostwal 24-32 - Ootmarsum

Opdrachtgever Ad Fontem Stationsstraat 37 7622 LW Borne

Locatie: Oostwal 24-32 7631 EJ Ootmarsum

Projectcode: 22038316

Rapportagedatum: 27 juli 2022

Auteur: Mevr. ing. H. Stevelink

Kruse Milieu BV

INHOUD Pagina 1

Inleiding

1

2

Locatiegegevens 2.1 Beschrijving huidige situatie 2.2 Historische gegevens 2.3 Bodemsamenstelling en geohydrologie

2 2 2 4

3

Uitvoering bodemonderzoek 3.1 Onderzoeksstrategie 3.2 Veldwerkzaamheden 3.3 Chemische analyses 3.4 Toetsing chemische analyses 3.5 Toetsing asbestanalyses

5 5 6 6 7 8

4

Resultaten 4.1 Algemeen 4.2 Veldwerkzaamheden 4.3 Resultaten chemische analyses vaste bodem 4.4 Bespreking resultaten chemische analyses 4.5 Separate analyses 4.6 Resultaten van de asbestanalyses

9 9 9 11 12 13 13

5

Samenvatting, conclusie en aanbevelingen

14

6

Literatuur en bronvermelding

16

Bijlagen I

Topografische kaart Voormalige grachtensituatie rondom de Oostwal Dwarsprofiel Oostwal Boorplan (2x) verkennend bodemonderzoek Oostwal 24-26 Kruse Milieu BV, maart 2007 Boorplan verkennend (asbest)bodemonderzoek Oostwal 24-32 Kruse Milieu BV, juli 2022 II Boorprofielen en legenda III Resultaten chemische analyses en toetsingstabellen IV Resultaten asbestanalyse V Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen

Kruse Milieu BV

Project: 22038316

1

Inleiding

Dit rapport beschrijft het verkennend (asbest)bodemonderzoek, dat in opdracht van Ad Fontem op een terreindeel aan de Oostwal 24-32 te Ootmarsum door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de geplande nieuwbouw van appartementen. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de bovengrond (leeflaag) op basis van de ligging en het (historisch) gebruik van de locatie verdacht is voor de aanwezigheid van zware metalen, minerale olie, PAK en asbest. De ongeroerde ondergrond en het grondwater op de locatie is onverdacht voor chemische componenten uit het NEN5740-standaardpakket. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017; - NEN5725, “Bodem.

Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, januari 2009; - NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. De doelstelling van het onderzoek op een verdachte locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskernen ook daadwerkelijk op de vermoede plaatsen aanwezig zijn en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond en het freatisch grondwater respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden overschrijden. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. De doelstelling van het onderzoek op een asbestverdachte locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern ook daadwerkelijk op de vermoede plaats aanwezig is en in hoeverre de verontreinigde stoffen in de grond de normwaarden overschrijden. Het veldwerk is uitgevoerd in juli 2022 conform BRL SIKB2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018.

Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. Kruse Milieu BV

Project: 22038316

Pagina 1 van 16

2

Locatiegegevens 2.1

Beschrijving huidige situatie

Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen ter plekke van de kloostertuin van het voormalig verzorgingshuis “Maria ad Fontes” aan de Oostwal 24-32 binnen de bebouwde kom van Ootmarsum. Het centrale punt van het te onderzoeken terrein heeft de RD-coördinaten x = 235.910 en y = 485.210. Het perceel is kadastraal bekend als: gemeente Ootmarsum, sectie A, nummer 3858 (ged.). De Oostwal bevindt zich ten oosten van de onderzoekslocatie. Bebouwing en verharding Op het terrein staat het voormalig kloosterverzorgingshuis “Maria ad Fontes. Het terrein is grotendeels bebouwd met een voormalig klooster. Het meest noordwestelijke terreindeel is grotendeels verhard en in gebruik als parkeerplaats. De onderzoekslocatie bevindt zich op het zuidoostelijke deel van de kloostertuin en is deels verhard met klinkers en deels in gebruik als gazon en siertuin. Op het zuidwestelijke gedeelte van de onderzoekslocatie staat een garage/overkapping. De garage wordt enkel voor privédoeleinden gebruikt; er vindt geen opslag plaats van bodembedreigende stoffen, zoals bijvoorbeeld brandstoffen. Onderzoekslocatie Het bodemonderzoek is noodzakelijk voor de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning in het kader van de geplande nieuwbouw, waardoor inzicht in de bodemkwaliteit is gewenst. De onderzoekslocatie omvat circa 730 m².

In bijlage I is de regionale ligging van de locatie weergegeven en zijn de volgende boorplannen opgenomen: - Voormalige grachtensituatie rondom de Oostwal; - Dwarsprofiel Oostwal; - Boorplan (2x) verkennend bodemonderzoek Oostwal 24-26 Kruse Milieu BV, maart 2007; - Boorplan verkennend (asbest)bodemonderzoek Oostwal 24-32 Kruse Milieu BV, juli 2022. 2.2

Historische gegevens

In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. De geraadpleegde bronnen zijn weergegeven in tabel 1. De volgende informatie is verzameld: - De onderzoekslocatie heeft al jaren de huidige bestemming centrum. De garage/ overkapping binnen de huidige onderzoekslocatie wordt gesloopt en dateert oorspronkelijk van 1978 (bron: BAG-viewer). - De onderzoekslocatie is, met uitzondering van de garage/overkapping, nooit bebouwd geweest. De onderzoekslocatie was altijd in gebruik als siertuin, moestuinen en boomgaard. Wel hebben er in het verleden kippenhokken gestaan. - De onderzoekslocatie is voor zover bekend nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten, die verontreinigend kunnen zijn. - Voor zover bekend is er op het terrein nooit sprake geweest van ondergrondse opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel. Voordat overgegaan is op gasgestookte CV, is er altijd kolengestookt. De kolen werden opgeslagen in de kelder van het kloostergebouw.

Voor zover bekend heeft er geen opslag van bodembedreigende stoffen plaatsgevonden en hebben er geen calamiteiten binnen de onderzoekslocatie plaatsgevonden.

Kruse Milieu BV

Project: 22038316

Pagina 2 van 16

- Door de Ben Morshuisstichting is onderzoek gedaan naar de voormalige wallen en de grachten, waarbij ook de locatie van de kloostertuin (Oostwal) is onderzocht (zie voormalige grachtensituatie Oostwal in bijlage I). Hieruit is gebleken dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor de aanwezigheid van de buitengracht. De helling van het maaiveld verloopt van hoog (stadszijde) naar laag (oostzijde). Hierdoor ligt het maaiveld ten oosten van de Oostwal ongeveer 1 tot 1.5 meter lager dan de binnenplaats en de bestrating van de Oostwal. Dit grote verschil zal van invloed zijn geweest op de aanleg van de grachten. Misschien was aan de oostzijde van de stad de buitengracht niet ingegraven maar omgeven door een soort dijk, die het water in de gracht hield. Na het dempen van de grachten is deze dijk dan geslecht en verdwenen en is de buitengracht niet meer traceerbaar in de ondergrond. Het gedeelte in de binnenplaats van het klooster gaf over de lengte van 15 meter het profiel van de binnengracht met deels een veenpakket en veel humus en organisch materiaal te zien. De binnengracht is al aanwezig direct aan de binnenzijde van de kloostermuur, verloopt horizontaal over een afstand van circa 8 meter en stijgt vervolgens met een taludhelling van 1/1. De binnengracht loopt vermoedelijk door onder de kloostermuur.

De kloostermuur is op de buitenrand van de binnengracht gefundeerd en helt over, ten gevolge van de onstabiele fundatie, naar de wal. De hoogte van het maaiveld is ongeveer 37 m + NAP en de diepte van de keileemlaag (bodemgracht) ligt op ongeveer 34 m + NAP (zie dwarsprofiel bijlage I). - Voor zover bekend bevinden zich geen asbesthoudende dakplaten, beschoeiingen of sloopafval direct naast of op de onderzoekslocatie. Tevens is de locatie niet gelegen aan een asbestweg. - Vanwege de ligging en het historisch gebruik en de aanwezigheid van puin in de bodem (Kruse Milieu BV, 2006) is de bovengrond (leeflaag) van de onderzoekslocatie beschouwd als verdacht voor zware metalen, minerale olie, PAK en asbest. - Volgens de Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente (Witteveen+Bos, maart 2018) vallen de bovengrond en de ondergrond in functieklasse AW2000. Volgens de Nota bodembeheer Regio Twente (Twens beleid veur oale groond) wordt geen correctie toegepast voor minerale olie tot maximaal 100 mg/kg d.s.. - Op de huidige onderzoekslocatie heeft eerder een bodemonderzoek plaatsgevonden. Kruse Milieu BV, verkennend bodemonderzoek Oostwal 24-32 te Ootmarsum, d.d. maart 2007 met projectnummer 06040816 De aanleiding van het onderzoek was de geplande verkoop van het terrein.

Uit de analyseresultaten bleek het volgende: Ter plekke van de huidige onderzoekslocatie is de bodem leem- en veenhoudend, (deels volledig) puinhoudend en kolengruishoudend. In de bovengrond zijn (zeer) licht verhoogde gehalten aan koper, lood, zink en PAK aangetoond. In de ondergrond zijn zeer licht verhoogde gehalten aan koper en lood aangetoond. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. Kruse Milieu BV, verkennend bodemonderzoek Oostwal 24-32 te Ootmarsum, d.d. maart 2007 met projectnummer 06041016 De aanleiding van het onderzoek was de geplande verkoop en herontwikkeling van het terrein direct ten noordoosten van de huidige onderzoekslocatie. Uit de analyseresultaten bleek het volgende: In de bovengrond zijn zeer licht verhoogde gehalten aan koper, kwik, lood, zink en PAK aangetoond. In de ondergrond zijn zeer licht verhoogde gehalten aan koper aangetoond. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond.

Kruse Milieu BV

Project: 22038316

Pagina 3 van 16

Tabel 1: Geraadpleegde bronnen vooronderzoek Bron

Specificatie

Eigenaar

Huidige en historische informatie

Nee

Gemeente Dinkelland

Bodemonderzoeken en milieudossier

Ja

Omgevingsrapportage

www.overijssel.nl

Ja

Archief Kruse Milieu BV

Bodemonderzoeken (omgeving)

Ja

Google Maps

https://www.google.nl/maps

Ja

Topotijdreis

https://www.topotijdreis.nl/

Ja

BAG-viewer

https://bagviewer.kadaster.nl/

Ja

Perceelloep

https://perceelloep.nl/

Ja

Ruimtelijke plannen

https://www.ruimtelijkeplannen.nl/viewer/

Ja

Grondwatertools

https://www.grondwatertools.nl/gwsinbeeld/

Ja

DINOloket

https://www.dinoloket.nl/

Ja

AHN-viewer

https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/

Ja

Bodemkwaliteitskaart

Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente, Witteveen+Bos, d.d. 23 maart 2018 Twente Bodemkwaliteitskaart PFAS, Tauw BV, d.d. 28 mei 2020

Ja

2.3

Relevante informatie

Bodemsamenstelling en geohydrologie

Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - Het maaiveld bevindt zich ongeveer 37 meter boven NAP. - De deklaag bestaat uit kwartair zand, een door de wind afgezet dekzandpakket, dat behoort tot de Formatie van Twente. De deklaag is ter plaatse zeer dun. Onder deze deklaag bevindt zich een tertiaire kleilaag. Het doorlatend vermogen is eveneens gering. - Er zijn geen gegevens omtrent de diepte van de grondwaterspiegel of het doorlatend vermogen. De locatie ligt ten oosten van de waterscheiding op de stuwwal Ootmarsum. Door afstroming vanaf de stuwwal stroomt het grondwater in oostelijke richting met een onbekend verhang. In eerdere onderzoeken (januari/februari 2006) is de grondwaterstand aangetroffen op 0.07 m-mv en 0.93 m-mv. - Er ligt nabij de onderzoekslocatie geen waterwingebied of oppervlaktewater van enige betekenis.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/917/documents/22472