CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen.pdf

Commissie Sociaal Domein & Bestuur 12 oktober 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 8: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Almelosestraat 68, hotelappartementen24.191 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De gemeente Dinkelland kent ruim 26.000 inwoners die allemaal hun vrije tijd op een andere manier invullen. Daarnaast komen er jaarlijks veel dagrecreanten en toeristen die genieten van een vakantie of een dagje weg. Veel inwoners van Dinkelland vinden hierdoor hun werk in deze sector. De verwachting is dat het toerisme de komende jaren nog flink zal groeien in onze gemeente. Dit is goed voor de economie en onze bedrijven, maar brengt tegelijkertijd uitdagingen met zich mee voor de leefomgeving en het landschap. De gemeente wil werken aan het behoudt van een goede balans tussen de hoeveelheid toeristen en dagbezoekers, de economische voordelen, de druk op het landschap en het woonplezier voor inwoners. 4.3.1.3 Waardenkaart De waardenkaart in de Omgevingsvisie heeft voor het buitengebied als basis de combinatie van landschapstype en landschapsdynamiek. In afbeelding 4.6 is een uitsnede van waardenkaart opgenomen.

Afbeelding 4.6 Uitsnede waardenkaart MijnOmgevingsvisie (gem. Dinkelland)

Het plangebied is gelegen in het volgende gebied; MIDDELGROEN – Gericht op beperkte ontwikkeling door gemiddelde waarde en dynamiek

In dit gebied gelden de volgende waarden:

30

bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen

afwisseling van openheid en beslotenheid; landschap met historisch herkenbare vormen van percelen, wegen en paden en een verspreid bebouwingspatroon; veel variatie in beplanting en grondgebruik; recreatieve belevingswaarde. Ingespeeld dient te worden op: de schaal van het landschap en het afwisselende karakter; behoud van natuurwaarden en cultuurhistorie; versterken van de biodiversiteit; vasthouden van water; bouwwijze en inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is; belevingswaarde gericht op recreatie. De gemeente Dinkelland ziet in dit gebied graag: Goed toegankelijke fiets- en wandelpaden; Kwalitatief toerisme; Duurzame opwekking van energie; Mogelijkheden om buiten te sporten en te bewegen; Variatie beplanting en grondgebruik

4.3.1.4 Toetsing van het initiatief aan MijnOmgevingsvisie Dinkelland Het voornemen sluit goed aan bij het speerpunt Kwalitatief Toerisme, aangezien het plan onder meer bijdraagt aan het behouden van een vitaal verblijfsaanbod. Het gemiddelde hotel- en pensionaanbod binnen de gemeente is deels verouderd of onvoldoende ontwikkeld. Met de beoogde functie binnen voorliggend voornemen wordt het bestaande aanbod versterkt, onder meer op het gebied van kwaliteit, product en differentiatie. Dit sluit aan bij de doelstelling voor de verblijfsrecreatie in de gemeente Dinkelland voor de komende jaren (zie ook paragraaf 4.3.2.6 en bijlagen 1 en 2 bij deze toelichting). Het voornemen biedt economisch gezien kansen voor de gemeente, als gevolg van een toenemend aandeel in de totale werkgelegenheid binnen de gemeente en een toename van bestedingen van toeristen. Hiermee wordt bijgedragen aan het behoud van een belangrijke positie van de gemeente Dinkelland binnen het Twente toeristisch product. Aangezien Ootmarsum het uithangbord en het toeristische visitekaartje van Dinkelland vormt is de beoogde locatie van het voornemen, in het buitengebied en aan de rand van Ootmarsum, een zeer geschikte locatie. Bezoekers worden op deze locatie rechtstreeks gewezen op de pure combinatie van natuur (buitengebied, binnen het plangebied en aan de westelijke zijde) en cultuur (aan de oostelijke zijde).

Hiermee sluit het beoogde plan ook goed aan op het wensbeeld dat de gemeente Dinkelland voor ogen heeft voor dit specifieke gebied (zie waardenkaart), namelijk kwalitatief toerisme. Als gevolg van het voornemen wordt tevens bijgedragen aan het behoud van de leefbaarheid van het platteland, waarbij de gewenste functie zeer goed aansluit bij op de speerpunten van het gemeentelijk beleid (recreatie en toerisme). Ook wordt bijgedragen aan het waarborgen van de basiskwaliteiten voor recreatie en toerisme en het behoud van het landschap, aangezien een functie waaraan behoefte is mogelijk wordt binnen bestaande bebouwing. Tot slot is het voornemen in overeenstemming met een aantal uitgangspunten voor toekomstige ontwikkelingen op het gebied van verblijfsrecreatie. Het voornemen versterkt, zoals reeds vermeld, de hotelsector, er wordt gestreefd naar een grotere mate van toeristisch gebruik en er is geen sprake van permanente bewoning binnen de bebouwing. De inkomsten afkomstig van de toeristenbelasting als gevolg van het voornemen kunnen tot slot worden ingezet voor de sector recreatie en toerisme.

Gelet op hetgeen hiervoor beschreven wordt geconcludeerd dat het plan passend is binnen de beleidsuitgangspunten zoals genoemd in MijnOmgevingsvisie, dit vanwege het feit dat het voornemen in balans is met overige voorkomende functies, bestaande landschappelijke kwaliteiten in het gebied worden behouden, het een marktconforme en gebiedspassende vorm van bedrijvigheid betreft, het een aanvulling is op het bestaande aanbod en het bijdraagt aan het tot stand brengen van toeristisch interessante locaties.

bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen

31

4.3.2

Nota Verblijfsrecreatie Noordoost Twente 2018

4.3.2.1 Algemeen De gemeenten Dinkelland, Losser, Oldenzaal en Tubbergen hebben in 2014 een gezamenlijke beleidsnota “Verblijfsrecreatie in Noordoost Twente” opgesteld. Met deze gezamenlijke nota zijn de ruimtelijke kaders in heel Noordoost Twente grotendeels gelijk getrokken en is het beleid in de vier gemeenten op elkaar afgestemd. Om adequaat te kunnen inspelen op trends in ontwikkelingen in de sector is het van belang om te beschikken over actuele beleidskaders. Dit om in beeld te brengen hoe de verblijfsrecreatieve sector zich ontwikkelt en waar kansen liggen om de vitaliteit van de sector te versterken. Met voorliggende beleidsnota uit 2018 beschikken de vier NOT-gemeenten weer over een actueel beleidskader, waarmee duidelijke kaders naar ondernemers worden geboden op welke wijze de verblijfsrecreatieve sector zich kan ontwikkelen. Het doel van de nota is om kaders te weergeven waarbinnen de verschillende vormen van verblijfsrecreatie zich in de toekomst kunnen blijven ontwikkelen. De beleidsnota beperkt zich tot de kaders voor toekomstige (met name fysieke) ontwikkelingen binnen de verblijfsrecreatieve sector in Noordoost Twente. 4.3.2.2 Analyse verblijfsrecreatieve sector Noordoost Twente De verblijfsrecreatieve sector in Noordoost Twente is geanalyseerd. De analyse is vanuit verschillende invalshoeken benaderd, om de visie zo concreet mogelijk in beeld te brengen.

Noordoost Twente maakt deel uit van de regio Twente en heeft de toerist landschappelijk veel te bieden. Het unieke landschap is een grote trekpleister voor recreanten. Niet alleen de verblijfssector en de horeca profiteren van bezoekers aan de regio, maar ook een breed scala aan andere sectoren profiteren mee. Van detailhandel tot bouwondernemingen en van maakindustrie tot musea. De vrijetijdssector zorgt onder andere voor nieuwe investeringen, culturele uitwisselingen en een betere infrastructuur. Een gezond, divers en onderscheidend, toekomst- en vraaggericht (verblijfs)recreatief product is dan ook van groot belang voor de regio. Goede en kansrijke initiatieven die van toegevoegde waarde zijn voor het huidige verblijfsrecreatieve product worden daar waar mogelijk aangemoedigd. Uit de voorgaande analyse zijn de volgende conclusies getrokken die van belang zijn geweest voor de visievorming: De vrijetijdssector – in dit geval specifiek verblijfsrecreatie – is van groot economisch belang voor de regio Noordoost Twente. Een breed scala aan functies profiteert mee van een gezond, divers en onderscheidend, toekomst- en vraaggericht (verblijfs)recreatief product. In Noordoost Twente is sprake van de ‘verblijfsrecreatieparadox’. Er is een overaanbodsituatie ontstaan, waardoor de markt verzadigd is. Dit is met name het geval in de kampeersector.

Het aanbod is in het laatste decennium sterker gegroeid dan de vraag. Met als resultaat teruglopende bezettingen, marges die onder druk staan en wisselend toekomstperspectief. Om de sector vitaal te houden is vernieuwing en innovatie nodig binnen de sector. In een relatief verzadigde markt is het daarom van belang om te kijken naar de toegevoegde waarde van een initiatief; het moet niet ‘meer van hetzelfde’ zijn, bijdragen aan diversificatie van het aanbod en/of beter inspringen op de wensen vanuit de markt. De markt vraagt om vernieuwend en luxe aanbod, waarbij beleving en authenticiteit centraal staan. 4.3.2.3 Visie verblijfsrecreatie in Noordoost Twente De verblijfssector is over het algemeen kleinschalig en traditioneel van karakter te noemen. Er is sprake van een verzadigde markt. Om de sector vitaal te houden is vernieuwing, differentiatie en innovatie nodig binnen de sector, waarbij vraag en aanbod op elkaar aansluiten. Het doel is een vitale en eigentijdse vrijetijdseconomie met een gezond, vraaggericht, onderscheidend en toekomstbestendig aanbod. Resumerend is de volgende visie geformuleerd: "Versterking van het verblijfstoerisme in Noordoost Twente door middel van kwaliteitsverbetering, productvernieuwing en differentiatie in het verblijfsrecreatief aanbod".

4.3.2.4 Beleid per vorm verblijfsrecreatie: Hotels Per verblijfsvorm zijn binnen de nota kort de definities en uitgangspunten voor toekomstige ontwikkelingen beschreven. In voorliggend geval wordt enkel op de in voorliggend geval relevante vorm van verblijf ingegaan, namelijk hotels. Definitie: Een hotel is een accommodatie waarin logies wordt verstrekt en waar eventueel afzonderlijke maaltijden en/of 32

bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen

dranken worden verstrekt aan gasten en mogelijk ook aan passanten. Uitgangspunt voor toekomstige ontwikkelingen: Hotels zijn zodanig specifiek dat het maatwerk betreft. 4.3.2.5 Toetsingscriteria (nieuwe) ontwikkelingen verblijfsrecreatie Centrale doelstelling vormt de versterking van de verblijfsrecreatieve sector. Plannen van ondernemers die hieraan bijdragen, worden met een positieve insteek behandeld. Bij de afweging van een verbreding, uitbreiding of nieuwvestiging wordt met een aantal aspecten rekening gehouden: Aantoonbare meerwaarde; Brandveiligheid; Ruimtelijke ordening; 1. Bestemmingsplan; 2. Omgevingsvisie; 3. Ecologie / flora en fauna; 4. Archeologie; 5. Landschappelijke inpassing; 6. Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving; Milieu; Infrastructuur en parkeren. 4.3.2.6 Toetsing van het initiatief aan de Nota Verblijfsrecreatie Noordoost Twente Ten behoeve van voorliggend voornemen is onderzoek uitgevoerd door zowel Stec als Van der Reest Advies (zie bijlagen 1 en 2 bij deze toelichting). De conclusies uit het onderzoek dat Stec heeft uitgevoerd zijn reeds samengevat in paragraaf 4.1.4. Hierna worden de resultaten van het behoefteonderzoek, uitgevoerd door Van der Reest, kort beschreven. Vervolgens wordt het voornemen getoetst aan het beleid.

Marktbehoefte onderzoek Algemeen Wanneer de vraag en het aanbod van hotels in kaart wordt gebracht blijkt dat het aanbod en de vraag de afgelopen jaren zijn gestegen, waarbij de vraag meer is gestegen dan het aanbod. Dit resulteert in stijgende bezetting. Zowel het aantal gasten als het aantal overnachtingen neemt toe, aan de verblijfsduur is nauwelijks iets veranderd. Opvallend is dat hotels een steeds grotere capaciteit (meer bedden) krijgen. Het zijn toptijden voor de Nederlandse hotels, zowel voor wat betreft bezettingsgraden als voor de gemiddelde kamerprijs, de omzet en de winst. De vooruitzichten zijn voor de komende jaren positief. In Noordoost Twente is de afgelopen jaren sprake geweest van een licht stijgende lijn, vooral in de hotelsector was sprake van een daling van het aantal toeristische overnachtingen. Dit komt doordat een aantal hotels in deze periode zijn gestopt. Vastgesteld wordt dat de laatste jaren nauwelijks mutaties zijn opgetreden in het hotelaanbod in de regio. De hotelmarkt in Overijssel is sinds 2014 weer aan het groeien, waarvan nog steeds sprake is. De bezetting in de regio ligt hoger dan in de provincie en groeit eveneens. Er is dus kortom sprake van groei in de vraag naar hotelbedden in Twente en Overijssel. In het onderzoek is daarnaast onderscheid gemaakt tussen doelgroepen.

Op basis van een berekening wordt geconcludeerd dat herschikking van het bestaande aanbod het beste richting de doelgroep Gezellig Lime (o.a. informele groepen en familie, meerpersoonskamers) kan plaatsvinden, vanwege de grote mismatch tussen vraag en aanbod en de bovengemiddelde belangstelling voor hotels bij deze doelgroep. Ook de doelgroepen Uitbunding Geel (o.a. comfortabele, ruim en trendy kamers, luxe badkamers) en Cultureel & Inspirerend Rood (o.a. niet standaard, gericht op de omgeving van het hotel) bieden potentie, het bestaande aanbod is niet toereikend voor deze doelgroepen. Vanwege de groeiende vraag naar hotelbedden in de provincie en regio en de kansen voor doelgroepen, is vooral sprake van zowel het benutten van kansen voor het beter afstemmen (van het aanbod op de vraag) als van het inspelen op autonome groei (toename van de vraag). Er is dan ook ruimte voor nieuw aanbod in de hotelsector. Conclusie onderzoek Groeikansen: Zowel het aanbod als de vraag zijn toegenomen, waarbij de vraag sneller groeide. De vooruitzichten blijven voor de toekomst positief; In de branche zijn schaalvergroting (grote ketens), kwaliteitsverbetering en een toename van zelfstandige bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen

33

(familie)hotels waarneembaar; Er is sprake van een groeiende hotelmarkt; De belevingswaarde van de accommodatie wordt, naast de locatie, steeds belangrijker; Er zit een flinke scheefgroei tussen aanbod en vraag in de hotels in de regio Noordoost Twente. Een deel van het gastenbestand verblijft in een hotel dat niet goed bij hun past. Toename van het aanbod voor deze gasten zal de groei van de hotelsector in de regio stimuleren. Er is een marktruimte van circa 300 bedden. Een deel (18%) van de logiesector in de regio is niet vitaal (onvoldoende kwaliteit, laag toekomstperspectief). Voor nieuw aanbod is volop ruimte. Dit verhoogt de vitaliteit en concurrentiepositie van de hotelsector in de regio. Ook elders in Nederland en daarbuiten wordt een strijd gevoerd om de gunst van de recreant. Dit maakt het eveneens van belang de kansen vanuit de markt te benutten door ruimte te bieden aan nieuw onderscheidend aanbod. De regio heeft de recreanten immers veel te bieden. Het aanbod dient primair gericht te worden op de toeristische marktsegmenten (in plaats van op de zakelijker markt). De consument zoekt daarnaast naar kleinschaligheid. De multifunctionaliteit (geschiktheid voor zowel individuele doelgroepen als voor groepen) is in voorliggend geval een pluspunt.

Op de locatie is daarnaast ruimte voor een logies-ontbijtfunctie en een multifunctionele ontmoetingsruimte met ondersteunende horecafaciliteiten. Het onderzoek oordeelt positief over de kans van slagen van voorliggend voornemen. Toetsing nota verblijfsrecreatie Noordoost Twente Een gezond, divers en onderscheidend, toekomst- en vraaggericht (verblijfs)recreatief product is van groot (economische) belang voor de regio. Het doel is dan ook om het verblijfstoerisme in Noordoost Twente te versterken door middel van kwaliteitsverbetering, productvernieuwing en differentiatie in het verblijfsrecreatief aanbod. Goede en kansrijke initiatieven die van toegevoegde waarde zijn voor het huidige verblijfsrecreatieve product worden daar waar mogelijk dan ook aangemoedigd. In voorliggend geval is sprake van de verblijfsvorm aparthotel, waarbij het gaat om maatwerk. Uit het reeds beschreven onderzoek in bijlagen 1 en 2 bij deze toelichting en paragraaf 4.3.1 van deze toelichting blijkt dat het voornemen voorziet in aanbod dat past bij de vraag. Het voornemen is dan ook van toegevoegde waarde voor het huidige verblijfsrecreatieve product en heeft daarmee een positief effect op de economie binnen de regio. Tot slot wordt opgemerkt dat er geen specifieke meerwaarde uit deze planologische wijziging volgt, omdat er reeds een hotel met kamers en appartementen is gevestigd.

Er is slechts sprake van een verzelfstandiging. De meerwaarde die wordt genoemd in het beleid is bedoeld voor het toevoegen van nieuwe initiatieven op het terrein van recreatie. Zoals hiervoor is aangegeven, is daar in onderhavige situatie geen sprake van. Voor de overige aspecten, zoals ruimtelijke ordening, e.a., wordt opgemerkt dat deze reeds in onderhavige plantoelichting zijn getoetst en is gebleken dat zich geen belemmeringen voordoen, waardoor het plan in ruimtelijke zin niet aanvaardbaar zou zijn. Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met de Nota Verblijfsrecreatie Noordoost Twente. 4.3.3

Casco-benadering in Noordoost-Twente

4.3.3.1 Algemeen In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld. Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel. 4.3.3.2 Algemeen 34

Casco-benadering in de praktijk

bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen

De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het ‘kleinschalige groene karakter’ van het landschap in totaliteit. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel. Landschapstype Elementen die tot het casco behoren Elementen die niet tot het casco behoren

Opmerking Mogen in principe niet verplaatst worden Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan Te compenseren elementen Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de casco-kaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). De landschappen in Noordoost-Twente hebben de laatste decennia elk een eigen ontwikkeling doorgemaakt. De verschillende ontwikkelingen zijn in de casco-benadering meegenomen, omdat deze bepalend zijn voor de toekomstige ontwikkelingsrichtingen van de landschappen. Deze worden gevat onder het begrip ‘landschapsdynamiek’. Om zicht te krijgen op de landschapsdynamiek is een kaart gemaakt waarop Noordoost-Twente is ingedeeld in drie klassen van dynamiek: 1.

Laag: hoofdstructuur gaaf, secundaire structuur weinig veranderd tot onveranderd. 2. Matig: hoofdstructuur weinig veranderd, secundaire structuur sterk veranderd. 3. Hoog: hoofdstructuur en secundaire structuur matig tot sterk veranderd. Kuiperberg (ten westen van de kern van Ootmarsum) Eén van de drie kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente bestaat uit het samenhangende complex van essen, kampen en beekdalen en jonge ontginningen. Het stuwwallandschap ten westen van de kern van Ootmarsum, omvat deze kernkwaliteit en is één van de ‘toppers’ van het Nationaal landschap Noordoost-Twente. Er liggen grote aaneengesloten escomplexen omzoomd door beekdalen met beeklopen die door bronnen worden gevoed, tegen een decor van heideontginningsbossen. Het stuwwal-reliëf met hoogteverschillen tot 50 meter accentueert de verschillende landschappen en leidt tot prachtige vergezichten. In dit gebied worden langs diverse sporen plannen gemaakt en maatregelen voorbereid en al uitgevoerd om de kernkwaliteiten van het landschap te versterken en te ontwikkelen. In de pilot Kuiperberg is met een landschapsanalyse een onderlegger gemaakt die de oorspronkelijke landschappelijke samenhang tussen de essen (en kampen) én de beekdalen én de jonge heideontginningen beschrijft en richting geeft aan maatregelen die deze samenhang in de huidige context beoogt te versterken.

Hiertoe zijn richtlijnen en bouwstenen geformuleerd, die opgenomen zijn in de casco-benadering voor geheel Noordoost-Twente. Samenvattend zijn de volgende algemene richtlijnen opgesteld voor de versterking van het samenhangende complex van essen, beekdalen en jonge ontginningen: vergroten van de diversiteit tussen de verschillende onderdelen van het samenhangende essenlandschapcomplex; aansluiten op de geomorfologische en bodemkundige opbouw van het landschap; aansluiten op de actuele functionaliteiten van het landschap;

bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen

35

versterken van en aansluiten bij de ecohydrologische werking van het systeem; versterken van de grenzen tussen de verschillende onderdelen van het samenhangende essenlandschapcomplex; ontwikkelen van een adequaat beheer (bv. cyclisch hakhoutbeheer) om de diversiteit in het halfopen essenlandschap te behouden. In afbeelding 4.6 is te zien dat het plangebied (rode omlijning) twee bestaande vlakelementen (heideontginningsgebied) met een lage dynamiek raakt.

Afbeelding 4.6: Uitsnede casco-kaart (Bron: Provincie Overijssel)

Het heideontginningslandschap op de stuwwal van Ootmarsum en is in zekere zin een multifunctioneel landschap. De heideontginningen op de betere gronden op de flanken van de stuwwal zijn qua schaal en bodemgesteldheid geschikt voor de landbouw. Voor de heidebebossingen kan omvorming van bos naar heide de infiltratie van water in de stuwwal laten toenemen en dit komt ten goede aan de bronnen. Dit geld ook voor landbouwgronden bovenop het stuwwalplateau. Kenmerken van het heideontginningslandschap zijn: halfopen tot open landschap; rationele regelmatige blokverkaveling; zandige, vochtige tot droge terreincondities; beplanting in singels op perceelranden en in lanen langs wegen; daarnaast enkele bos- en heide-restanten; genormaliseerde beken en waterlopen; moderne erven langs wegen gesitueerd. Tevens zijn bouwstenen en richtlijnen per landschapstype en dynamiekklasse opgesteld. Voor jonge heideontginningen met een lage dynamiek zijn dit: halfopen blokverkaveling; alle opgaande groene lijnvormige elementen en kleine bosheiderestanten vormen het casco van het agrarisch cultuurlandschap landschap; hoofdstructuur en kleinschalige secundaire structuur van singels, houtwallen en hagen worden versterkt; gewenste kavelgrootte nieuwe kavels: < 5 ha.

36

bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen

4.3.3.3 Toetsing van het initiatief aan de Casco-benadering in Noordoost Twente Zoals ook blijkt uit de in afbeelding 4.6 opgenomen uitsnede van de casco-kaart raakt het plangebied twee delen van het Casco. Het gaat hierbij om heideontginningen met een lage dynamiek. In voorliggend geval wordt, zoals eerder vermeld, bestaande bebouwing benut. Het gewenste gebruik van deze bebouwing heeft ten opzichte van het bestaande gebruik geen negatieve gevolgen voor de bestaande casco-onderdelen. Opgemerkt wordt dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft ten aanzien van de Casco-benadering.

bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen

37

38

bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.

5.1 Geluid 5.1.1

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

De gewenste hotelfunctie wordt niet aangemerkt als een geluidsgevoelig object. Toetsing met betrekking tot de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai is dan ook niet noodzakelijk. 5.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

5.2 Bodemkwaliteit 5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is een bodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht: 1. als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; 2. als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder als 2 uur gehanteerd; 3. als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd). 5.2.2

Situatie plangebied

Binnen het voornemen wordt bestaande bebouwing benut. De bestaande functie van de bebouwing komt overeen met de gewenste functie, waardoor het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd. In voorliggend geval geldt een uitzondering van de bodemonderzoekplicht, op basis van punt 1.

bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen

39

5.2.3

Conclusie

Het aspect 'bodem' vormt, met inachtneming van vorenstaande, geen belemmering voor de uitvoering van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 5.3.1.1 Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2, PM2,5 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

In paragraaf 5.3.1.1 zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat de functie 'hotel' niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

40

bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen

5.4 Externe veiligheid 5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

De regelgeving omtrent het vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven.

bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen

41

Afbeelding 5.1: Uitsnede van de risicokaart (Bron: Risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5 Milieuzonering 5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. 42

bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen

Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering'. Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zoals gesteld in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten'. Hierbij wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding, waarbij twee gebiedstypen te onderscheiden zijn, namelijk: 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ als volgt omschreven: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.

Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.’ Het plangebied ligt in de dorpsrandzone van Ootmarsum. In de directe omgeving komen horeca-, recreatie-, agrarische- en woonfuncties voor, waardoor gesproken kan worden van een gebied met een matige tot een sterke functiemenging. Daarnaast ligt het plangebied nabij een relatief drukke weg (Almelosestraat), waardoor sprake is van een (licht) verhoogde milieubelasting. In voorliggend geval wordt daarom uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’.

5.5.3

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De gewenste functie wordt gelijk gesteld met de functie 'hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra'. Op basis van de VNG-uitgave wordt deze functie aangemerkt als een categorie 1 inrichting. Voor bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen

43

een dergelijke inrichting geldt, uitgaande van omgevingstype 'gemengd gebied', een richtafstand van 0 meter. De dichtsbijzijnde woonfunctie bevindt zich op ruim 100 meter afstand, waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstand. Van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is geenszins sprake. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. Gewenste functie plangebied De gewenste functie wordt, zoals reeds vermeld, gelijk gesteld met 'hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra'. Op basis van de VNG-uitgave wordt deze functie aangemerkt als een categorie 1 inrichting. Voor een dergelijke inrichting geldt, uitgaande van omgevingstype 'gemengd gebied', een richtafstand van 0 meter. Opgemerkt wordt dat de VNG-uitgave uitgaat van een modern middelgrote inrichting. In voorliggend geval is sprake van een kleinschalige voorziening, zonder mogelijk overlastveroorzakende voorzieningen (zoals o.a. zwembad). Hotel-Restaurant In de directe omgeving bevindt zich op zeer korte afstand het naastgelegen hotel-restaurant (Tichelwerk 1), hiervoor is een afstand van 0 meter aangehouden.

Voor het naastgelegen hotel-restaurant geldt eveneens dat deze gelijk wordt gesteld met 'hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra' (categorie 1, 0 meter) (zie reeds vermeld onder 'gewenste functie plangebied'). In voorliggend geval wordt met de bestaande afstand voor beide functies voldaan aan de richtafstanden. Recreatiewoningen In de directe omgeving bevinden zich op circa 65 meter (mogelijkheden voor) recreatiewoningen (Tichelwerk 5). Deze worden gelijk gesteld met 'kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)' (categorie 3.1, 30 meter). In voorliggend geval wordt met een afstand van 65 meter vanuit beide functies ruimschoots voldaan aan de richtafstanden. Kampeerterrein met ondergeschikte functies Op circa 90 meter afstand bevindt zich een kampeerterrein met ondergeschikte functies (Tichelwerk 4). Hiervoor geldt op basis van de VNG-uitgave een uiterste richtafstand voor de functie kampeerterrein ('Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)', categorie 3.1), namelijk 30 meter. In voorliggend geval wordt vanuit zowel de gewenste functie als de functie van het kampeerterrein voldaan aan de richtafstanden. Rundveehouderij met mini camping Op circa 169 meter afstand bevindt zich een locatie voor een grondgebonden agrarisch bedrijf (rundveebedrijf) met een mini camping (Tichelwerk 6).

Voor het bedrijf geldt op basis van de VNG-uitgave milieucategorie 3.2 met een uiterste richtafstand voor het aspect geur. Opgemerkt wordt dat bij veehouderijen niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend zijn. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan. Indien het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten geldt een daarop volgende grootste richtafstand van 10 meter voor het aspect stof en het aspect geluid. In voorliggend geval wordt vanuit zowel de gewenste functie als de functie van het rundveebedrijf (voor de aspecten stof en geluid) voldaan aan de richtafstanden. Geconcludeerd wordt dat de nieuwe functie binnen het plangebied geen hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en dat de nieuwe functie andersom de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven niet aantast. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

44

bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen

5.6 Geur 5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2

Situatie plangebied

De definitie van een 'geurgevoelig object' luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Een hotel wordt dan ook aangemerkt als een geurgevoelig object. Vanwege de ligging buiten de bebouwde kom moet een afstand van minimaal 50 meter worden aangehouden van het hotel tot een agrarisch bedrijf. In omgeving van het plangebied bevindt zich, zoals reeds vermeld, op circa 169 meter afstand een grondgebonden agrarische bedrijf (rundveebedrijf). Geconcludeerd wordt dat wordt voldaan aan de vereiste afstand in het kader van het aspect geur. 5.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.

5.7 Ecologie 5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied in het kader van de Natuurbeschermingswet. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden betreft “Springendal & Dal van de Mosbeek”. Dit gebied ligt op een afstand van circa 2,1 kilometer. In Afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied (rode ster) ten opzichte bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen

45

van het Natura 2000-gebied (gele gebied) weergegeven.

Afbeelding 5.2: De ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied 'Springendal en dal van de Mosbeek' (Bron: Rijksoverheid)

Ten aanzien van stikstofdepositie zijn de aanlegfase en gebruiksfase van belang. Ten behoeve van voorliggend voornemen is een onderzoek ten aanzien van de stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase echter niet noodzakelijk, aangezien het bestaande gebruik en daarmee de bestaande stikstofdepositie niet wijzigt. De verwarmde oppervlakte blijft gelijk aan het bestaande en het aantal verkeersbewegingen neemt in zeer beperkte af (i.v.m. verlaging van 9 naar 8 hotelappartementen). Met betrekking tot de aanlegfase van het voornemen is een onderzoek ten aanzien van de stikstofdepositie noodzakelijk. Voor deze fase is dan ook een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie bijlage 3 bij deze toelichting). Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is dan ook geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.7.2.2 Natuur Netwerk Nederland Natuur Netwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe.

In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied (rode omlijning) ligt binnen de begrenzing van het NNN, zie afbeelding 5.3).

46

bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen

Afbeelding 5.3: De ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN gebied (Bron: Provincie Overijssel)

Zoals reeds vermeld komt de opname van het NNN binnen het plangebied niet overeen met de feitelijke situatie (zie paragraaf 4.2.3.2 van deze toelichting). Binnen het plangebied is enkel sprake van een bestaand verhard erf met bebouwing. Van aanwezige wezenlijke kernkwaliteiten van het NNN is ter plaatse dan ook geen sprake. Vermeld wordt daarnaast dat het voornemen niet voorziet niet in (uitpandige) fysieke ingrepen. Gezien vorenstaande wordt geconcludeerd dat als gevolg van het voornemen geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN gebied. 5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 5.7.3.2 Situatie plangebied In voorliggend geval is geen sprake van het slopen van bebouwing, rooien van beplanting en/of het dempen van een watergang. Er vinden daarmee geen fysieke ingrepen plaats die mogelijk effect kunnen hebben op beschermende flora en fauna. Een (nader) (veld)onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. 5.7.4

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen

47

5.8 Archeologie en Cultuurhistorie 5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Dinkelland beschikt over een eigen archeologische waarden en verwachtingskaart. Op basis van deze kaart valt het plangebied binnen het gebied ‘Stuwwalhellingen met een plaggendek’ (zie afbeelding 5.4).

Afbeelding 5.4: De ligging van het plangebied gemeentelijke archeologische waarden en verwachtingskaart (Bron: Gemeente Dinkelland) Voor het plangebied geldt een hoge archeologische verwachting en moet bij ontwikkelingen met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en bodemingrepen dieper dan 40 cm een archeologisch onderzoek uit worden gevoerd. Aangezien uitsluitend bestaande bebouwing wordt benut voor een nieuwe functie is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

48

bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen

5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plangebied geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In de omgeving komen daarentegen diverse rijks- en gemeentelijke monumenten voor, waaronder het gemeentelijk monumentale Wyllandrie (voormalig vakantieoord voor medewerkers van de P.T.T. en momenteel hotel-restaurant). Gelet op het feit dat het voornemen uitsluitend betrekking heeft op het benutten van bestaande bebouwing, is van negatieve effecten op omliggende monumenten geen sprake. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is en geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Situatie plangebied

In dit geval is er sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in het onderdeel C van het Besluit m.e.r., zodat er geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. Op basis van onderdeel D11.2 en de jurisprudentie is de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, omdat er geen sprake is van uitbreiding van de bebouwing en de functiewijziging slechts ziet op een verzelfstandiging van de hotelappartementen in een aparthotel ten opzichte van het bestaande hotel (ECLI:NL:RVS:2018:1297; ECLI:NL:RVS:2018:2414; ECLI:NL:RVS:2019:1253; ECLI:NL:RVS:2019:1432; ECLI:NL:RVS:2019:2355). Zekerheidshalve is een zogenoemde informele mer-beoordeling uitgevoerd op basis van onderdeel D11.2 van het Besluit m.e.r. (bijlage 5) dat heeft geresulteerd in een mer-beoordelingsbesluit (bijlage 6). Uit deze notitie en het m.e.r.-beoordelingsbesluit blijkt dat het voornemen geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt. 5.9.3

Conclusie

Voorliggend plan is geen plan als bedoeld in de onderdelen C en D van het Besluit m.e.r.

bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen

49

50

bestemmingsplan Almelosestraat 68, hotelappartementen

Hoofdstuk 6

Wateraspecten

6.1 Vigerend beleid 6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4

Waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/494/documents/16303